Skip to main content

Full text of "Den wech des eeuwich levens"

See other formats


^ 



¥''m 



c. 



r^. 



4 + 



:^S% ' ' 



\ 



A E N 

GODT ALMACHTIG, 

KONING der KONINGENi 

Ende aen de 

KONINGINNE des HEMELS 

DE HEYLIGE MAGHET ^ 
ende 
MOEDER GODTS 

Maria. 

Lder-bermher- 
tighjlen Qodt 
het behoort u 
altoeJenHe- 
mehd'Jerde^ 
en al i^at hier 
in begrepen is ; ende ooc\fehe het 
gene dat vy u opdragen ^ h^mt van 
u ; en dat w^ van u ont fangen heb^ 
hen^ gheyen r^y u i^ederom j op dat 
het al "Vpederom keer e tot de Fontey- 
tiCj van de i^elcke alle de beecxkens 

%'z^ vloeyen. 




'üloeyen. Encle hierom off ere ic\u 
met aUer ootmaedigheyt dit -^erd^i 
't'ü>elc]{m>eiSi ende niet mijn: !c/^ 
c^ere u defen Wegh des Levens. 
die daer ^jtde Weg, de Waer- 
hey t , ende ons Leven ; En- 
de daer heneffens off ere ich^ dit 
aen \xwc Alder-heylighfte 
Moeder: Snde ick^biddeu, dat 
ghy met haer defen V^Ecngoeder- 
tierlijc]{y>ilt aenfien i ende infghe" 
lijcks oocl{die den fehenfuüen Ie- 
fefi^en ingaen^ op datje in u mogen 
Ti>afidehhdie den waerachtigen 
Wegh ^//>, en in de waerheyt 
f ouden mogen volherdejen tot ujie 
defalicheyt^jt^en ons eeTi>ig lelden, 
f ouden mogen geraken^en dat aldus 
alk dingen fouden loederom keer en, 
van Tt>aerjy gekomen ^ijn^/Imen 



AEN 



AEN DEN 
EER-WEER DIGHSTEN 

H E E R E 

NICOLAO ZOES, 

DEN V. BISSCHOP 

van 
'SHERTOGEN-BOSCH, 

J^edt van hare Doorluchtighfie Hoeajjeden , endê 
tJMeejier van de Requejlen van hunnen hujfe^ 

Eer-weerdigWlen H e e r e , 

«Êfeit 23occ{i obct ttn 
\ut öoo? ©. €. ^t\yt 
obcr-cïjcfct/ cntieaeit 
j^act ban mrjncnt luc^ 
gen gïjtpjcfeittectt/ fta^ 
mcntic uu mcöcromin 
tjetlicijt/bcvmceröcrt/ 
cutie aié bctukulDt; 
ftomt Docfe lücSïtrom 
tot ï). <2. nkt tsDo: ccnc öcr&e ïjaut/macr ban 
be mijne ötjcfouücn/ twU^. €* tocgljcfcïjzc^ 
beu. 3:eh bittse ©. <ê* bcufeïbeu uacr fijne 
eeVDODuitjcfie goctgunrngfjepöt i\\ öaucïtete 
ncmeu.€iitïe bGo:taact ith en ftan ban faleK^ 
niet ttoijffeïen/ aengeficn mp beftent i.^ be fon- 

SS; 3 Dcriinsc 




tcdinee affectie tiie ©♦ <&. obtt fao bde lateti 
alttjöt öBcflatïdöch nm onfe Sodeteyt j e s u 
Ijccft betoont* ï^icrom ö^titictorigetDmfctjt 
pet teljefaben toeeröigöomï)- C^tepjefente^ 
ten: maer aïfo nufulcftjef niet ter Ijant en toa^/ 
ïjebbe immerc^ begeert met befen Wegh des Le- 
vens, te berlilaren bat bpon^ / enbenipin't 
particnlier / altijt^ i^ ïebénbe be banebbatise 
memorie ban ©. €. ©en fóeere ban alïe^ qc^ 
ïiebe be felbe langlje staren tefparentotfön 
meerbere glorie ^ op batboojïjaereicempïaer 
ïeben cnbeïjerberlijcftefojgbe/ beeïbanfgnc 
fcbapen mogen toanbelen x^m oprecljten loeg 
ï^t^ eeubjigljen ïeben^ / enbe tot öet feïbe met 
ï)aren goeben öcrbergeïneftelijcftgeraecften^ 
lipt 3tntU3crpen befen 2. f ebjnari) 1622. 

U. E. Ootmoedigen Dienaer 

Antonius Sucquet. 



VOOR. 




VOOR-REDEN 

Tot den 

L E S E R. 

Y zijn alle pel- 
grims^ende vreem- 
delinghen indefen 
weghj ende in dit 
tegenwoordigh le- 
ven ; ende den 
menfch isy eylaes! 
fijn eynde onbe- 
kent. Want hier 
veelom-wegen, menighvuldige perijckc- 
len, ende verfcheydc paden ghevonden 
worden 3 die den menfch oock fchijnen 
recht te ley den 3 die nochtans ten laetften 
ter doodt leyden. Soo dat een yeghelijck 
met reden forghvuldigh behoort te wefen^ 
om den rechten wegh te vinden^ Endefoo 
wie hier toe behulpfaem kanwefen, 'tzy 
door de wet der liefde/t zy door de perijc- 
kelen in dewelcke hy fijne broeders fiet, 
'tzy door den y ver van de cere Godts^ die 
behoort het QAve neerftelijck te werckte 
fliellen. Hier toe heeft my dies-halven ver- 
v/eckt het bevel mijnder Overften ; ende 
alwaer'cdat ghy luttel hulpe in defen 

n 4. Wegh 



Wegh foudt vinden, foo fullen defe noch- 
tans mijne forghvuldigheydt vinden om 
haer4ieden onderdanigh te wefen : ende 
ghy beminden Lefer , fult infghelijcks met 
de gratie GodtS5in my eenen gereeden wiU 
Ic vinden, om u in alle manieren behulp-^, 
faem te wefen. 

lek hebbe defen Wegh in dry deelen 
gedeylt, op dat ick door den eerften , den 
wegh foiide toonen aen den ghenen die 
dolen, ende die eerfl: beginnen : Door den 
tweeden,foude onderwijfen ende verwec- 
ken den ghenen die voorts-gaen in deq 
wegh der volmaeckcheydt: Door den der- 
den 5 foude te kennen geven in defen Wegh , 
de fonteynen van het eeuwigh leven : op 
dat ghy dan foudt mogen fmaecken , ende 
fienhoefoetdatden Heereis, ende hem 
liever dienen iiyt geheelder herten , diehei 
Licht y den Weoh^ endede Waerheydthy dan den 
Prince der diiyfterniflen , den vader deis 
leugen-tael , ende de doodt. 



TA^ 



TAFEL 

man be Capïtteïen» 

DEN EERSTEN BOECK. 

Het I. Capittel. 

Vanheieyndedesmenfch. 5 

Het 2 Cap. Van het geloove , den ecrften eiideprinci- 
paelften middel om toe ons eynde te geraken. 19 
Het 3 Cap. Van het verkiefen van eenen ftaet des le- 
vens , den tweeden middel om tot ons eynde te gera- 
ken , waer in begrepen zijn dele vier naer- volgende 
ftaten. 4^ 

Van den houwelijcken ftaet. S ï 

Van den weduwelijcken Itaet. 6.0 

Van den ftaet des rcynigheydts. 63 

Van den ftaet des religieufen menfch. 79 

Het4 Cap.JBeraetom rijpelijck tot Godt ende ons eyn- 
de te bekeerenj als wy van den rechten vvegh af- ghe- 
wekenzijn. 99 

Het 5" Cap. Van de penitentie, den waerachtigen wegh, 
door den wekken den menfch rot Godt,ende rot den 
wegh der faligheydt wederom keert, endevanhaer 
eerfte deel, weick is het berouw. 1 1 1 

Het 6 Cap. Van de biechte , welck is het tweede deel 
van de penitentie, ende ten eerften van de generale 
biechte, end^e de profijten der felver. 1 20 

Het 7 Cap.Van de voldoeninge, welck is het derde deel 
der penitentie^ ende van het vaften^ welck is het eer- 
fte vverck van voldoeninge. 158 
Het 8 Cap. Van de aelmoeife , het tweede werck van 
voldoeninge. 1(59 
Het 9 Cap, van het Gebedt, het derde werck van voi- 
doeningej van de noodelijcke bereydinghc daer toe, 
van zij n gebruyck ende vruchten. 1 80 

DEN TWEEDEN BOECK. 

Het I. Capittjel. 
Van de maniere van beradingc , ende van de teeckeneo 
om -de verfchcvdengeeftenr'onder- kennen. ïoL Z04 

^ y Hqü 



De Tafel 

Het 2 Cap. Van de neerftigheydt die W7 doen moeten 
om tot de volmaecktheydt te geraken , oft van onfen 
dagelijckfchen voortganck,na dat wy op den rechten 
"v^'egh gekomen zijn. 215? 

Het 3 Cap. Van de bcletfelen des voortgancks in den 
wcgh dcsHeeren,van de dagelijckfche fondc,ende de 
bekoringen. 226 

Het 4 Cap Van eene vycrige begeerte te verwecken tot 
fijnen voorrganck , ende tot hei: Gcbedt , door Teven 
bcmerckingen oft vcrweckfelen : waer af d'eerftc is, 
het aenmercken van onseynde, endevandetegen- 
\voordighcydtGodts. 247 

Het 5 Cap. Van het tweede verweckfel tot de vol- 
maecktheydt , welck is de gedachtenifTe van de doot, 
ende hoe rafch dat ons leven voorby gaet. 2^7 

Het 6 Cap. Van het derde verweckfel,welck is de vreefe 
Godts, ende van de perijckelen in dit leven. Z6$ 

Het 7 Cap. Van het vierde verweckfel,van de heylige 
naervolginge,ende de vyerigheyt der Heyligen. 27 1 

Het 8 Cap. Van het vijfde verweckfel, welck is de liefde 
tot onfc Moeder de H.Kercke , ende van de verdruc- 
kinge der felver. 279 

Het 9. Cap. Van het fefte verweckfel, van het vagcvier 
ende de liefde die men moet hebben tot de zielen die 
in 't vagevicr zijn. 287 

Het 1 o Cap. Van hetfevenfte verweckfel,' twelck is den 
yvcr der zielen. z^^ 

Het II Cap. Van de oeffeningen daer fy toe verweckt 
worden, die eenigenvoortganck doen , waer af het 
eerftc is, de mortificatie oft verftervinge. ^00 

Het i2 Cap. Van het verfterven dermenlchelijcker ge- 
ncgentheden, ende van den hact fijns felfs. 313 

Het 1 3 Cap. Van het verfmaden der menfchelijcke oor- 
deelen. 3 7,^ 

Het 14 Cap. Van de hooveerdigheydt , ende de deught 
haer contrarie, de ootmoedigheydt. 348 

Het 1 7 Cap. Van de gehoorfaemheydt, de dochter van 
de ootmoedigheydt. 364 

Het 1 6 Cap. Van de gierigheydt, ende van de armoede, 
daer by oock van liet bedcylcn fijnder goederen. 374 

Het 1 7 Cap. Van de fuy verheydt. 396 

Het 



Van de Capittelen. 

Het iSCap. Vandefeeghbaerheydr,endehetverkee- 
ren met de menfchen. 407 

Het 19 Cap. Van de koftclijckheydtdes tijts,endehoe 
darmen dien behoort gade te flaen. _ 416 

Het 20 Cap.Van het vcrkiefen,ende fchickenfijns huyf- 
gefins. 422 

Hei 21 Cap.Van de eenigheyt,oft hoe goctdat het is al- 
leen te zijn, ende van het ftilfwijgen. 434 

Het 2 2 Cap. Van de volherdigheydt, eene fonderlinge 
hulpe in den weghder deughden. 448 

Het 23 Cap. Van cie maniere van mediteren,waer door 
de ziele van acrtfchedingenopgetrocken wordt tot 
Godt. 459 

Het 24 Cap. De voorfeyde maniere van mediteren 
wordt bewefen in eene meditatie van de i^heboorte 
Chrifti,acc. • _ "479 

Het 2 5" Cap. Van de maniere van mediteren , door de 
werckingen van ' t geloove, hope, ende liefde. 48 5* 

Het 26 Cap. Van het betrouwen op Godt, ende wan- 
trouwen fijns felfs, het welck in alle Gebeden moet 
geoeffcnt wefen. ^"09 

Het 2j Cap.Van het waerderen der dcnght ende fondc, 
ende verkiefinge der felver. 5 1 7 

Het 2 8 Cap.Van de voorfichtighcyt die men behoort te 
gebruycken in hetverkiefen der dcnght , gemerckt 
dat de kinderen des wereltsdat fcer ncerftclijck doen 
in 't verkiefcn van wereltfche faken, 525 

Het 29 Cap. Van de doot, ende van de bemerckinge op 
het gene dat \yy alfdan wenfchcn fouden gcdaen te 
hebben. 533 

Het 30 Cap. Van het uyterfte oordeel. 541 

Het 3 1 Cap, Van de eeuwigheydt. 5- f £ 

Het 32 Cap. VandenaervolgingederHeyligcn. 5^7 

Het 33 CapV^an den vrede ende gcruftigheyt der ziele, 
die uyt de deught is fpruy tende. 5-6 f 

Her 34 Cap. Van de blijdtfchap, om welckc mende 
deught behoort te volgen. ^y^ 

Het 3 5 Cap. Van de naervolginge Chrifti. 581 

Het 36 Cap. Van de weldaden Godts , met welcke hy 
ons noot tot de volmaeckthcydt. 5 89 

Het 37 Cap. Van de volmaecktheden Gods,door welc- 
ke wy 



TAFEL van de Capittelen. 

ke \vy met rcdcne ver weckt worden, om hem door 
de dcui);ht te dienen. ^'99 

HctjS. Cap. Oeftcninge der begeerte. 609 

Het 39. Cap. Ocffeninghe van'tghene datmen doen 
moet nae de medicaiie ; van de vcrftroyinghcn , cndc 
rcmcdien der Iclver. ' 614 

DEN DERDEN BOECK. 

Het I. C ATI T TEL. 

Van de volmaecktheyt,ende waev in die gelegen is62j 

Het 2. Cap. Oefl'eninge om te verwecken eene groote 
begeerte van volmaecktheydt. 63 7 

Het 5 . Cap. Oetteninghc dienende tot fijns feJfs ver- 
nieinvinge. 642 

Het 4 Cap Oeffcningc van dancl^aerheyt totGod.6 5 1 

Het 5. Cap. Van het gemcyn cndc befonderonderfoeck 
dcrconfcienrie. 659 

Her 6. Cap. Ocfieninge van de bemerckinge der faken 
dieonstedoenftaen. 683 

Het 7. Cap. Oertcninge van de bemerckinge der onge- 
vallen, die ons konnen overkomen , ende eerft van *c 
verdragen van ander lieden gebreken. 691 

Het 8. Cap- OeiTeninghe van de vcrduldigheydt in ons 
cygen ongevallen oft lijden. 695 

Het 9 Cap. Oefïeninge van deH. Communie. 703 

Het 10. Cap. Oefteninge van de fuvverc meyninge,en- 
dc de meefte glorie Godrs te foecken. 7^1 

Het 1 1. Cap. Öefreninghe van de regenwoordigheydt 
Godts. 747 

Het 12. Cap. OefFcningevan de liefde Godts. 755: 

Het I ^. Cap. Oetfeninge van de liefde tot fijnen even- 
nacften, ende van fijne vyanden te beminnen. ^66 

Het 14. Cap. Van de Contemplatie oft het aenfchou- 
wende leven. 773 

Het i^.Cap. Van de ghelijckformigheydt van onfen 
wille, met den Goddelijckcn, ende den waerachtigen 
vrede der zielen. 80 J 

Het 16. Cap. Van de merck-tekenen onferfaligheydt, 
wacrdoormenin defe groote onfekerheydt kan fien 
oftnicn op den rechten weeh is. 8 ? o 

Het 



TAFEL der Capirtelen- 
Het 17 Cap. Van de navolginge van de H. Maget M a- 

RtA. 837 

Het 18 Cap.Vandedagelijckfcheoeffeningeofbedey- 
linge der wcrcken vanden gcheelen dagh. 850 

Het 1 9 Cap. Van de maniere om hem gereet te maken 
tot eene falige doodt. 868 

Het 20 Cap. Van het ceuwigh leven,h€t eynde van on- 
fenwegh. 88 üï 

Eyn^e des Tafels van de C*ipttelm, 



TAFEL 
Der Meditatien 5 in defe dry 

Boecken begrepen. 

BoEïticrcfet batmcn bod> alle iBebf tanen moet o^* 
tj^upcltcn Ijet öcrePbenDe a3ebetit/entie baec öoo| 
bcrfoecljen tj^it ben l^eeve öem getoeeröige oö$? ora- 
tte te öeUenomtöcltejr.cDiteren : ^nföama!) ^«^« 
<0ebet)t/ paflenDe op alle il^eöitatien/ fult oDP ^i^^ 
tien tn ben eerflen 23cer?i foL 4» 

45W fnït boben bten tomben eene fio^te oeffenincre 
om na be iBebttatte te gfteb^upcfien / enbe een <©«== 
fiebt/ beiïuaem om alle HScbitatien t^ flupten. f of ♦ 

55emercfet ten 2. bat gftp naeceïclielBebitattc 
fult bmbenecn 45ebtlt/hc\:(clmtic 5;>actijcften/en* 
te ^cljiet-a3ebebc[jen.^/ btenenbe tot be feibe mate* 
cie ban belBebitatie/^c» 

geneerden 23oec]&» 

MEditatie van het eynde tot het vvekk den menfch 
gefchapen is. Fol. 6 

Meditatie van de gave des geloofs. Z 9 

Meditatie van den houwelijckeii ftaet. 5 1 

Meditatie van den weduwchjcken ftaer. 60 

Meditatie van den ftaet des reynigheydcs. 63 

Meditatie van den ftaet desReligieufen menfch^begry- 

pende dry deelen oft Meditatien. 79 

Meditatie van de volherdighcy t eens ycgeh jks in fijnen 

eygenroep. ^^2 



TAFEL 

Aledit. van 't vaftc/tccrfte werck van voldoemngc. i f9 

Meditatie van de aelmoefTe , het tweede werck van vol- 

doeninge. 16^ 

Med. van 't gebcd,hct derde werk van voldoeningc.191 

vDen ttDccDcn 25occfi» 

DVcrftc Meditatie oft bemerckiiigcvandeteeckencn 

om de vcrkheyden gccftcn te onacrkenncn. 207 
De tweede Meditatie oft bcmerckinge van het onder- 

Ichil tuUchen de goede endc de quade geeften. 210 
Meditatie van de dagelijckfche fonde. 227 

Meditatie van de flappigheydt ende traegheydt. 2^0 
Meditatie van den tijdt ons levens, ende hoe rafchdac 

dienvoorbygaet. 257 

Meditatie van de perijckelen die in dit leven zijn. 265 
Meditatie van de vyerigheydt der Heyligen. xj i 
Meditatie van de liefde tot onlc moeder de H. Kercke, 

endc hare verdruckinge, 279 

Meditatie van het vagevyer , ende van de liefde diemen 

moet hebben tot de zielen die daer voldoen. 287 
Meditatie van den yver der zielen. 293 

Meditatie van het verfterven. 3 07 

d' Eerfte Meditatie van het verfterven der menfchelijc- 

ker geneyc^clijckhedcn. 319 

De tweede iVieditatie van het felve» 322 

d Eerfte Meditatie van den hact fijns felfs. 325 

jbe 2-Meditaticvanden hact fijns felfs. 327 

"De 3. Meditatie vanden haet fijns felfs. 328 

d'Eerfte Meditatie van de nieufgierigheydt. 330 

De 2. Meditatie van defelve. 331 

'Meditatie van de hooveerdigheydt. 348 

Meditatie van de ootmoedigheydt. 352 

d'Eerfte Meditatie van de gehoorfaemheydt. 3 64 
De 2. Meditatie van de gehoorfaemheydt. 367 

Meditatie van dcgieriglieydt. 374 

Meditatie van de armoede. ^yZ 

d*Eerfte Meditatie oft oefteninghc, van het bedeylen 

fijndcr goederen. 386 

De 2. Meditatie van het felve. 390 

d*Eerfte Meditatie van de fuyverhcydc, 3 96 

De 2. Medicatie van de luyverhcydt, 399 

Medi- 



clcr Meditatien. 
Meditatie van de feeghbaerheydr. 407 

Meditatie van fijnen tijt wel gade teflaen. 416 

Meditatie aengaende het verkiefen ende het fchicken 
fijns huys-gefins. ^2Z 

Meditatie van d'ecnigheydt , ofc hoe goet dat hjstis al- 
leen te wefen. 434 
Meditatie van de volherdigheydt. 44S 
Meditatie van de geboorte Chrifti. 479 
Medit.van <\ei^c woorden : Al die hem felven verheft , 
fal vernedert worden : ende al die hem vernedert, fal 
verheven worden , bcfluytende de oeftcninge des ge- 
loofs, hope , ende liefde, ende de maniere van medi- 
teren, met de dry Goddelijckedeughden. _ 495 
Meditatie van het betrouwen op Gout; ende miftrou- 
wen fijns felfs. 509 
Meditatie van het waerderen der deught ende der fon-» 
den, ende de verkiefinge der felver. f 1 7 
^Medit. om met foo groote voorfichtigheydt de deught 
te verkiefen , als wel de kinderen des wereldts ver- 
kiefen wereidtfche faken. 5*2 J 
-Mcdit. van de doodt ende bemerckingeop het gene dat 
wy alfdan fullen wenfchen gedaen te hebben. 5"^ 5 
:^leditatie van hetuyterfte oordeel. 541 
Meditatie van de eeuwigheydt. 55 1 
Meditatie van de navolgingederHeyligen. 557 
Meditatie van den vrede ende gerufthey dt der ziele, die 
uyt de deught is fpruytende. S^^ 
-Meditatie van de bli}dfchap om welcke men de deught 
behoort te volgen. 575 
Meditatie van de navolginge Jefu Chrifti. f8 1 
Meditatie van de weldaden Godts , met dewelcke hy 
ons noot tot de volmaeckthey t. 5^ 8 9 
Meditatie van de volmaecktheden Godts,door dewelc- 
ke wy verweckt worden om hem door de deught t« 
dienen. 59^ 

©enDccöcn23o£cïi. 

Meditatie oft oeffeninge om te verwecken eene groote 
begeerte van volmaecktheydt. ^ 637.- 

Meditatie oft oeffeainghei Uiea^nde wriijns felfs ver- 
flieuwinge.. 642 

Mfdi- 



TAFEL der Mcdicatïcn. 
Meditatie oftocfFeninge van danckfegginge. 6^i 

Medit. oft ocfteninge van het gemeynondcrroeck.659 
Meditatie tcghen de ghebreken in het gemeyn onder- 
focck. 678 

Meditatie om de dciight te verwerven. 679 

Meditatie oft oeftcninge van de betnerckinge der faec- 
kendie ons tcdocnftacn. 68; 

Medit atie van de bcmerckinge der ongevallen die ons 
konncn overkomen , cerft van 't verdraghen van an- 
der lieden gebreken. 691 
Meditatie van de verduldigheydt in ons eygcnonghe- 
vallen, of lijden. 695 
d' Eerfte Meditatie van de fu}Tere mcyrilnge. 731 
Andere Meditatie van de felve, ende van de meefte glo^ 
rieGodtstefocckeii. 7^9 
Meditatie oftoefteninghevande teghenwoordigheydt 
Godts. ^ 747 
Meditatie van de liefde Godts. y^6 
Meditatie van de liefde tot fijnen even-naeftcn. 766 
Meditatie van den vrede der zielen ,oft van degelijck- 
formigheytvan onfen wille met den Goddelijcken » 
o-edeylt in tien deelen. 804 
Meditatie van de naevolginghe van de H. Maget M a- 
RiA. 8^7 
Meditatie oft contemplatie van het ceuwigh leven.8 8 9 

E^rtde de f Tafels yan de ^J^editaden^ 




DEN 



DEN EERSTEN BOECK 

VAN 

DEN WEGH 

DER GENER 

DIE EERST 
BEGINNEN. 



^ AEN- 



AEN-MERCKINGHE OP 

HET EERSTE BEELDT. 

%tt!o menfcf) / op u cpnöe enDr 

[a] R Emerkt in de tegenwoordighey t God?, 
het eyndc waer toe ghy [b] gefcbapen 
zijt, want daer zijn twee eeuwig-duerende 
uyterftenjals de [c] falige in den hemelden 
f d] d'onfalige in de helle : Tot d onfalige 
rollen wy met de[E]werelt)die met al haer 
ydelheyt in rook verdwijnt^ en gelijck een 
f pjzee vol fteenrotfen^veel fchipbraké on- 
derworpen altijt ontftelt is. Tot dé hemel 
leydé ons drie[G]wegê,die betekené drie- 
derhande manieren van levêjliet Kloofter- 
lijckjden rechtften>het Geeftelijck^die foo 
recht niet en is > en het Weerlijck^den feer 
omgaenden wegh: fy betekenen oock den 
bcginnenden , den voortgaenden , en den 
volmaeckten weg. Daer-en-bovéin elcke 
maniere van leve worden defe drie wegen 
gevondêrbefiet oft ghy in alle uwe wercké 
den rechtften volght3[H]Godt geduerigh- 
lijck voor oogen hebbende3waer ghy bidt, 
ftelt u in 't aenfchijn Godts , gelijck eenen 
f i] mifdadigen over uwe fonden weenen- 
de y oft ghelijck eenen armen menfch , van 
deughden bloot 3 oft gelijck eeneBruydt, 
met liefde ontfteken : en aldus voor Godt 
Kalm iï8. komende wilt feggen : Laet mijn ghebedt 
komen voor u aenfchijn , ó Heere , ende 
naer uwc belofte vervult my met kennifle. 




Het I. Capittel. 
Bcmerckinge van het eyndedes menfches. 

^UjcfeectDijö öcnffljtppecboojal 
fp.fdbcn boo2 oogcn ftclt be ijabc- 
tic/ tot De tóklic ftp Dacrt/ Den 
rcpfenDen man bc plaetfe tot be 
toclc&e Ijp mtht ; alfoo en i^tt 
ntet foo noodtfaccöclrjcö tn öefcii 
onfcn tocgö/ cnbc dit flcrbcUjcö 
Icbcn/ a(ö neecftigölöcöcnde fojoötoulbclöcfe ga^ 
bcufïacnöctepnbe banonfc fctjip-bacct/ te ^z^ 
ten/ bat top moeten bcmcccften/ toaertoetopban 
<0obt almacfjtigö gbefcljapcn 5ijn / op bat alfoo/ 
aï ijct gfjcnc top tn bit Icbcn ter ö^nben trecfeen/ 
baer toe gcfcöicét enbe geflicrt too^be: toant anberjS 
boenbe/ fouben top ban ben recfiten toegö aftoijc^^ 
hm I oft toel in ben felben boofen / enbe toanbelen / 
gfjelöcfe ben 3©ijfen-man fcgöt / pynelflcfee enbe sap.y, 
moepeïijclte toegen» (öcD Boe beef fauten gebeuren 
Öiec boo? bagelöcjc onbec albecfcp foo^ten ban men^ 
ftBenl toant toieto02btbaer gebonden / \:i\z (naec 
ben epfct) ban ben [jcpfigcn ^fiomaiS ) al^^ l)p eerft^ D.Tho. i. 
ttiaelfiinberliant licgautegeb^upclien/ foecfetfp- |ó*^art ê 
felben tefticren w^t'^xt öaUinglifcfiap totfönj^a^ 
beclanbt / enbe '^xz^- boigenbe alle föne gcbaclnen / 
tooojben enbe toer Ctïen tot ftct opperfte goet / toaec 
toe ^dx top alle gefcfjapen 5ijn \ Bpna ben meefïen? 
beel ber menfcöen/llclt fp-fe(ben boo2 oogen b'pbel^ 
fiepbt ber eere/ enbe De gcnoegöte bcjö toecelbt35/nict 
toetende eplacj^! toacr "(^dix iyy Ijnre mepningc bcl)ooi« 
ben te tlieren : toant geroepen 3ijnbe om groote ecrc 
tnBet i^emclfcij ^erufaiem op fijnen rijdt tebefit:! 
ten/ loopcn aï fpclenbe enbe bcólent-e berre ban %z^ 
rufalem \xi 3!cricOa. <Daer en \% booatoaer niet bat 
meer te bel^lagé i!^/ban bat ben menfcft/bie tot fulc^ 
lien ebelen epnde gefcOapen \$ i foo onbebaclitelöcö 
ïeeft/ fijn felben enbe a3obt almacötigf) bergeten* 
tzi fo bat öp fijn epnbe Qu^ilijcli een«i inbacïitiglj ijr» 
^ujS \sx^\xz it^ u / bcminben ïefer / bat gf)P u niet 
cnlaet toec8-b?agcnboo2bengötmepnen loop ber 
t^^irölinti^ menfeö^n / maer flaet utoe oogöcn neber 

35 2 ter 



4 Den I. Boeck. Het I. Cap. 

Ut öcctïcn/upt öctDdclie oöp gcfeomcn 5öt /en bacc 

naer na öen fjemel/om ben toelcfeen te btfitmv ciDp 

\)an <6obt almacDttoö öefcöapcn enbe öemaccfet 

3ijt»igeft op ban u Ocrtc met toccnenbe oogcn/o bal^ 

linclt enbe b^cembelincft in heft bzttmlnt itierclbc! 

tot uUjen (Oobt/ odöp bie öüc spt in ecne bjilbccnif- 

fe bcrrc ban u Babcr-lanbt» 

ï^ctïjctc)?* 2öemcrcfit ten eerflen / batmcn fn alle mebitatic 

l^^^iS^^ ^Hbcmtcthiwqc / booaalmoct öcli^ipclienljetbe^ 

aiiV/S ï^^Pö^nöe <aeüebt/op bat top eobt boo? ooacn öcb^ 

taticii benbe/ alle onfe ftracDtcn opceclitelijcö ter eaen 

iiootfaftcr: «aobtjef fouben mogen lïiercn/ enbeberfoecfienbat 

toactom ^^" Igeere on0 alfoo göeliebe gratie te gebenom 

* toeï te mcbiteren : toelcfe gebcbt / met Det berllanbt 

gepgpfl oft metten monbe gefp>oochen / fal mogen 

toefen/Komt Hcyligcn Gecft,&c. Of t/ Ontfermt u on- 

fcr Godt , oft cenigö anber/ toaer boo^men fp felben 
bectoecht fal binben. 

Het bereydende Gebcdt , paffende op alle andere 
lange gebeden ende meditatien. 

.^mal-gt« \J( Achtigen Godt , in wiens tcgenwoordigheyt alle 
licpn bc* èyX clingen zijn als niet , laet mijn ghebedt, ende alle 
Sebt^t^ mijne wcrcken geftiert worden als eenen opklimmen- 
den wieroock in uwe Goddelijcke tcgenwoordigheyt , 
ter ecren van uwen grootcn naem : want ghy hebt he- 
mel en aerde gefchapen tot mijndcr bate , ende onder- 
houdt defelve, die anders vcrgaen Ibuden , op dat ick u 
foudc kennen en bcminnen.Ghy hebt my, ö alder-min- 
nelijckften Vader , uwen verloren fone, metontallijcke 
"weidaden begaeff.ende ick heb u,eylacs!dacr-cn-tegen 
o-root ongelijck gedaen.Ghy hebt my u lelven,en uwen 
^one ghegeven om my te verlofTen met lijn dierbaer 
bloet. O Konuigh der Koningen, ende Heere der heyr- 
krachten,dic alomme zi jt , endooi-liet lbo wel de goe- 
den , als de quaden op alle plaetren,tot in het binncnfte 
des herten en der nieren;liet ick kome rot den throon u- 
wer glorie met een oprecht geloö\ e en betrouwê( want 
ghy hebt ffeleyt : Al het gene dat ghy lult begceren, fal 
u gefchieden) ick kome als eenen mifdadigen tot lijnen 
rechter , als eenen armen en verloren fone tot fijnen va- 
der, en met fo grootc Usfde als het my mogelijck is,toï 

u,die 



Van het eynde des menfches. ^ 

« , die mijne ziele bemint,op dat icku foude mogen be- 
hagen, en mijn leven geheelijk beteren,fonderling defe 
N.Vaute *, op dat ick u op-drage een facrificie van lof- * Te wete» 
fangen uyt het binnenfte mijncierhcrte, enmetdebe- ^I^.sJV'"*^ 

ö J -j--' n.iT-1- •■ bylonder 

geerte van alle creature,aie oyt geweelt hebbe,nu zijn, examen 
die oock fuUen oft konnen wefen;al waer ' t oock datter foeckt uyt 
ontallijke wereldêdoor uwe almogende hant gemaekt ^^ ^^^Y^^ 
wierden: en dat in de vereeninge van de liefde ende ver- 
dienften Chris TI JEsu, van de H.MagetMARiA,en alle 
■ Gods lieve Heyligê.O alderheylighfte Dryvuldigheyt, 
ick begeereu te loven en te dancken uyt den naem van 
alle de gene,die u niet en kennen,ende uwen naem lafte- 
ren, 't zy op der aerden,oft ook in den afgront der helle. 
Dus gebenedijde ick u met alle uwe Heyligen,ende be- 
dancke u voor alle gratiën ende gaven, die ghy de men- 
fchelijcke nature van Christus onfenSaligmaker, de 
H.Maget,alle uwe Heyligen,cnde my oyt gedaen hebr^ 
ende fonderlingh voor de liefde die ghy my uwen die- 
naer bewefen hebt.Ik geve my ook wederom aen u, die 
daer zij t de fonteync ende den oorfpronck van alle din- 
gen , ende levere my in alle manieren over tot het gene . 
dat ghy van my fchickt, nu en in der eeuwigheytrik of- 
fere u mijn ziele ende hare krachten ,o alderheylighfts 
Dryvuldigheyt, op dat icku hier naermetuhemelfch 
heyr,en alle creaturen uyt ganrfcher herten mach loven 
ende dancken. Verleent my gratie,dat ick dit felve oot- 
moGdelijck,aendachtelijck,ende vyeriglijck mach vol- 
brcngen,die aen u mijnen God , in fo veel manieren ver- 
bonden ben. Wat ben ick doch fonder u ? wat vermach 
ick? ende wat begeer' ick buyteuu? 

^ttof Dïcc-gcüjcli oDcbcöt matï)mtr\ambntly^ 
uUjth feggen / 't toelch booK-acn alnjt het bereiden- 
ds Gehedt gcnocuit fal Vao^öcn. €nbe fult \}m na eert 
anbec öe.ö gBelöcfie Ijinöen in 't V. Cap* Uan öe De^ 
repöinge» 

23emeccfet ten ttoeeben/op trat onjS fiecte ban an^ 
trece bingfjen gljetcocfeen/ enbe gOefcBepben toojbe/ 
bat \}n p^ofijteïycö t^/ fp felben te boojbeelben eene 
fefeereplaetfe/ enbebefaöe (inbienfeücljameitjcft 
tö / baer men af mebitecen moet ) albacc (lelïe / ge^ 
\\}t\x oftfe boo? onff gebeurbe ,• (inbienfe gOeeftelijcft 
liJ)nocBtan^ oocJt e.eniöfifiniï boo? oogen fteUe / foo^. 

% 3 mW 



6 Denl.Boeck.Hctl.Cap, 

men mcnfcfielijcri cenf gö bnuij foube mogen hm^^ 
pen / ende öitfuilea ixip noemen Ijct eerfle voor-knyt- 
fdoft vooY^flelïmge bcc plaetfe* 

%z\mul\t ten tierben/ tiatmen<0obtmoettiö:j 
ben/ bat ftp on^ tuil geben fjet ijene bat Idp in öet te^ 
OentD002bigt) gebebtoft mebitatieberfoechen: en 
fa! öet tweede voor-bereydtfii genoemt Ujo^ben» 

i^iec naer treebt inbe tegcntooojbigfjept <0obts?/ 
meteeneftiltebcöïjcrten enbebes^itcijaem^/ obec* 
ïegDt infulcher boegen eichefaechenrtbpfonbec/ 
gelöcö eenen giefigen menfcJ) placljtteboen/ tiit 
alle bingentot fijn profijt foeclit te treeften/ foo beel 
aW Oet {jem bocnlijch twhe mogelijcfe iiS. 

^ia af fiiüen top naberijant b^eebec befcBepbt 
igeben tec bequaniecplaetfe/ ali2?topbanbeberep«j 
binge tot Ijet gebebt/cnbefjetepnbebejerfelfjsf/ful^ 
ïen öanbelen : enbe toeberom aljj top fullen fpjeïien 
ban be mebitatte. "^it fal nu in 't boo?bp-gaen/ 
i)iecafgenoegD3Ön/ 

MEDITATIE 

Van het eynde waer toe den menfcb 
ghefchapen is. 
Het bereydende gehedt, als boven. 
Het I . veor-hereytfeloft de voor-flelUnge derplaetjè. 

C €elt u felben in be tegentooo?bigBept <6obt.ö/ en 
^ Jaet u boo^ltaen bat gbp 3öt in een toocfte toilbec^ 
nifTe / altoaec gOp aenfcUontot Det menfcöeUjch ge^ 
nacöte ban ben beginne be.ötoerelt.ö af boo^t^-feo^j 
men/ iipt tjm fclioot ban onfegemepnemoebecbe 
acröe/ in biticben/ al0 oftfp gnamen op ecne (lella^ 
gie / enbe batfe paffeerben boo^ be poo;te beiS bootg^/ 
gelijcft oft fp ijacrbcrtrocftcn acöterbegojbünen/ 
tn ttoee al te berftljcpben rijcften / te toeten/ befom^ï 
mige naer be gelucliigöfte/ enbe b'anbere naer bé 
ongelucFïigfte eeutoigftept / (alfo u ben tijtel banbe- 
fen boetli bertoont ) (ïaet ftier utoe oogen bobentot 
<0obt enbe fijne l^epltgen/ ii bermanenbe bat gfip 
boo2 be grooteperijchelen enbe gualjjcö-baert ban 
foo beel/ fout leeren boo^ficljtigcr wMu. 

Het i.Voor-bereydtfel. 23lbtv0Obt OOtmOebigllUjCft 

bat öp u ben toecD toil toüfen / bien g[)p moet toan^ 

beien/. 



Van het cynde de3 menfches. 7 

öcUn/ cn&e u luiï berlcenen / Dat ö8p öem^rcftt ficö^ 
benöe D^t cpnöelianfoobcdonfaligeenticongelüc^ 
fng^menfcBen / tot een öelucfeigecepntieentïeleben 
fouöt mogen geraöen» 

Het I . point, ^öemeccftt ten eei*(ien ben af-gconbt 
enöe öiet'famen-mengingealUi: dingen/ öiebaec 
toa^/ eet be toereltgemaecfet toajS / toat Betalftceii 
getoeeft i$ ban öefe t»erelt/ban be öoningen/g?tn^ 
ten/ban alle menfcBen/enbe al ö^t gene bat op befert 
aectbobem begrepen i^/en toaec bat g6p naereenett 
|!02ten tijt 5iin fult/en isat in bet eeutotgBept» 55lüft 
j)iec loat op pepfenbe/en oberleglu bit toel/ toant bc 
figuecbefcr\i»ei:eItgactboo2-bp7 enbc Betbergaet 
al gcliicö eenefcOabutDe,tïenmerc^Itban neerftelp i.cor.7. 
bepbeiöept ban alle bingen/ gelijcïigDpÊlaecliJcfe 
feont bemerclien tnben afgronbt ban befe ntetfjept/ 
bat gijp enbe alleanbere fafeen niet getoeeftenöeöt / 
niet en fiebt ftonnen toefen/nocö niet en fiebt ftonnen 
toeten/ enbe bat fietalgeftomeni.iSbanbeöanbtu^ 
toejöi ^cljeppecö / enbe berootmoebigDt u onber fö^ i-Pe^r. y> 
ne macDtige fianbt / nocD en beroemt u tot geenbec ^'^^''^' 
tpcn/ ban in Dem* aBant toie onberfcficpt u-J enbc 
toatDebbp/ bat göpniet ontfangen en fiebt ^ enbc 
tö 't bat göp 't ontfangen fiebt/ toaerom gloricerb? 
aLöoft göp 't niet ontfangen en öabt^ 

23emercfet ten 2. ab^oft göpuptbienaf-gronbt 
ban utoe nietDept boo2 be <6obbelöclïe öant berfcö 
gctrocöen toaert / enbe ban a3obt gefïelt op be ftel^ 
lagie ban befe tocrelb / of toel in eene tooefte toilber^ 
niffe/en befiet fjoebanig bat ii45obt gemaeclitöeeft 
ban Ijet flijch ber aerben/ bat l)p u in-geblafen öeefr 
ben geeft beo' lebensaf/enbc gefcDapen naer sön bi^elt/ 
aio' bpugegeben Beeft eene berflanbigliesiele/ bic 
geeltdijcl! 10 / tik al-omme geheel W tWt al roert/ 
onfterbeUjcb/eene/en iik berciert i^ met b^iefcboos? 
neferacDten: baer-en-boben u licljaem bolmaeclit 
Beeft met alle fijnsfinnen enbelibmaten/ en betient/ 
omenfcö/ terjtonbt utoe toeerbigBepbt/be&entbe 
toeecbigijept ban ben menfcBelijcöen ftaet,(0BP 3Öt Bem^i^. 
tocl ïtcljamclrjcl! met be toerelt : toant M albujs be- ^^. 
taembe/bat bé genen Ik gefïelt toa^ om Beerfcfiap^ m .>. 
ppe te Dcbben ober be geDj^^le toerelt/ befe emigfins? 

55 4 foubc. 



t Den I. Bocck. Het I. Cap. 

foube öelijcli toefen: macc nocfttmije? D^btüBPP^t 
auöer$?/Öet tocicü ï)m floogcr toceröen i^/te toeten/ 
utoe cDele 3ielc / toaec mm öljp alle anöere cefclja^ 
pen ömocn fcer l)crre te boben QQtu 
iDct cpii^ (€en Dcröen bemercht bat OBod u teocntooojMoB 
öe/ mate i$j/gelijc(i ïjp ^Ibam toa^:? in fijne fcljeppinae / enöe 
mtim ^?^^öt)t U^ni ootnïoebcüjf fj / toaer toe öat Ijp u qq^ 
nan ^otJt fcDapculiccfiren (loo^ïjcni fegaen/Dat öp fjet al o^^ 
gcffoapen maectit liccft om fijn epgeu fcllicn / enbe tot 3Ünlïei: 
^* Olone/enöe op Dat oDplJ«^nnn bit leben fout lobcn/ 
öanciien enbe Dienen/aeljjcfi alle creaturen boen/ en 
ten iaetfren foabt mogen ftomen totbeeeutoiöefa^j 
ligOept:t)ieroïn gijp biefön fcöepfel/maeöfel/föneit 
Itnecljt enbefone ^ijt / fult göp O^m berren becfma^ 
ben/en ïebcn tot 3öïibec fpijt^ ^tet Ijoe bat tjp u bcit 
Ijemel toont / in ben toelcöen öDp (i^ 't bat Det u bc» 
iieft)alö Do^a^r ber felber ingefcD?eben 3ijt ; fietne»» 
öertoaertief boo? utoe boeten ben afgront Der öellen/ 
attoaec gijp eeutoedjcfeen gepijnigljt fult toojben/ 
tó 't faïie bat gOp anDerjef boet. €nbe fiet/o CÖ?i(ie^ 
ne 3tele/ fioe grooteljjcfeje? bat göp berbonben3iJt 
om beugfibelijcfe te leben/ geftelt3ijnbe om ben eeu^ 
toigen loon oft be eeutoige firaffe te ontfangem 
a^êmcnfcö Hetz.point, ©oo^beelbtu/ bat gftp in be tooefle 
?rt^?^f " toilDermffeDeiÊi toerelt^ geflelt 3Öt/en fiet Ijoe ber re 
iuoftfW ^^^ " Baber-lant i^/enDe ïioeciualöcft batmen baec 
uuiöigi) öan geralien ; berfucöt met rccöte/ enbe ober-legijt 
toffmom toat toeclj bat gnpintoiltgaen/ aengefien battec 
«mteflc* Q"^'ftï^ t^banbeeeutoigtjepbt. €>cljmettoateene 
raHm. fo^gljbulDigljepbt enDe gebuerigen arbepbt / moet 
gfjpljiertoe tracöteni iaetuljier toe öetoegen allé 
gefcfjapcn bingen / tik met een groot getoelt altijbt 
foechen tot Ijaer epnbe te ceralien. ^tet/ ftoe bat be 
dementen fjaer fpoepen/ om te Romen tot ïjarena* 
turelijcfie plaetfe / Ijoe Dat be Deeflen geb^eben \J00^^ 
i)t\\ tot i]ct gfjene bat fjun bermaccïu / enDe tot Ijun 
epnDe. 25cu^iCrc[Jt Doe bat De öinberen befer toerelt/ 
ai(e ïjare geDaclïren en firacOten ïjunber 3ielen/Daec 
toe lïccrcn/om te bcrftrijgen een bergancbelijö epn- 
be ban ecre enDe todluften. a©el am tian/ poe tiith:^ 
Vo^l^ 3i)t gfjp u epnDe toelin-Dacïjtjgï)/ cubebe» 
toecy cabir toe-pabt om baer toe te geraüen i 



Van het eynde des menfches. 9 

^cmcrcfet ten ttocctn^n / tice ctrcl tat u cnnbe i0/ i^oepjoffa 
<0obt te bicncn/Dcm acn te öanocn/ eer.en cr-eit niet ^f^Dcfe öat 
f)cm te tDefeti/enbc re aenictcn i:!-'ccute ige faltaöeptj tf^^obK^* 
boo2toaec öncr en i.sfanöer.onïctöatup20fijtclöcfe Dcmitm 
x«of/maer öit 10 fjtcc u p:oföt enöe irelbaert alleen/u m epnöe 
felben te berboojberen tcttiiterntJC/ toaertoebatJ^J "J^ 
OÖP O^fcDapen 3Öt; enbefoobeeitegelucliiaecsötpentól 
OÖtJ / Öoe gfjp 't felbe meer oenaecfu, 3©ant bit t^ 
bocfj ben cpgenbom ban tiet epnbe ban ecnigefafee/ 
bat öet oocfebebolmaecïftDei'tenDefaligOcPbtbec 
felbectsf. 33erre banu ban mijne 5tcle/ batijöpee^Auguft. in 
nigö anber goet fout töiüen fouhm / ban bat u goet f^- ^°^- 
tsjitoant berfcDepben fcüepfelen tjebben berfcfjepben 
goeben /^tiaer foecfet gfjp u goebt : niemant en tffei: 
goet ban <0obt alfeen,- toat fal u ban geD^eec lien/bie 
get opperfte goet befit i Baer 5ün gokieren ban 
mtnbere toeerbe / l)ic aen bibcrfcfje creatueren goet 
cnbe aengenaem 5ön ,• geUjcfi/ tuat 1^ ben beeflen 
goet^anber.ö ban Ijaren bupth op te bullen/geen ge^^ 
b^ecö te üjbcn / te flapen/ te ftuppelcn enöe te fp2in* 
flcn/ teleben/ b^el te paffe 3iJn/ enbetegenecerem 
Jteaec fuït gijp foobanigi) goet focchen / fuit gftp (o 
rnebe-erfgenaem CO:i(ii ! ) u bermaecd nemen bat 
OÖP ben beeften gelijch getoo^2ben ^ü^Ujcft toc8 wtoe 
Bope op tot Oet goet ban alle goebëren. 

23emerclit ten berben/toat Iml^c bat «öobt utoen jiaiöbsim 
^c0eprjer/boo2 eene onepnbelijclie mütOerbt/ u tot i^^»» ^^^t 
titoen tieDoebeinbe bermaeclt gegeben^eeft/ al^foföucpS 
te \3yctcn 1 foo beel ber fcDenben creaturen/ foo ment^ dc ti g^r^ 
Óerlep fecn|lenenbeb}etenfc!)appcn/ öaer-en-boben^^"* 
fobeel obcrtreffeIöc^^li*^acramenten enbegeefie? 
Itjcfte bpftanben/tocïcue3ijn b'alter-bjacracljtigófte 
cnbe oprecötfïe mibbelen aen u gcfcijoncfien/ aljS 
beïjulp op ben toecö om tot '^obt te gcvaecfien. 23e* 
banclu utoen toel-boenber u^tter ijerren : maerïet 
Bier toel op (foo göp niet geijeel 'm\^ finnen berooft 
en 3i)r) '^t gijp befe mibbelen/öetoelc^e 3ijn alie? toe- 
gen/ niet anber^ moet geb^upclien/ banbti02foci 
beel aljcf fp u bienen om tot u epnbe te geraecfien^ 
<§ult gOp ben guaetflen toecO bertiiefen /om naer u 
33aber-Ianbt te repfen ■» 5Ci?s göP gCeern gDefont 
fout b?o.2b^n / fult öö? J^e fo^gelijcfifre mebecijne be^^ 

53 5 ^t%^ 



10 DcnLBocck. Hetl.Cap. 

öeercit / tntt ïst Defle ban u \3)ijfmmi^ öBp tt fcfit^ 
tje moet baren / fouöt oftp een oeb^oöen enbe becrot 
fcDip (lellen boo2 een bicljt enöe fteccb^^Il.ö gïjp een 
Êlcet/peert/toagen oft {jupj^moet öiefen/foo neemt 
ÖÖP biel bat alöecDefl isJ:en fult g(jp(o btoaeffjept ! ) 
eenen toecO baer utoe faüoüept aen üanoDt / üiefen/ 

»eut.32. Die fo^öelych enöe bol peröchelen i^i «Deo oft öe 
menfcben toijö toaren / enbe becftonben / enbe Ijare 
upterflen boo?-faöen,^emercftt Biet toat oenepo^- 
licfiöeOen bat OÜP ni ufelben oeboelt/tot eere/njcf!* 
tiommcn/toeüuften/$c« enbe fict toe bat n b'affectte 
met en trecöe in perijcfeel ban ben recDten toec 1) en^ 
ht Ijet eeutoioD leben te berliefen* 

Het 3. point,^emercl« tn be tegentooo^itiioOepbt 
<6obt^/ Dat qtp tn ben toecft on-ecbacen 3öt : biant 
J)oe beel 3ijnbei: epUt^l tiic bé menfcüe fcöönê recöt 
te toefen / xoim^ e^nbe nocïjtan.^ lept tot be boobt ^ 

rrov.iö. <j^bei:leat Doe onfcher bat 5ijn alle be menfcljelijcftc 
boo^ficljtigfjcben, <Oci)/ ftoe bichtotl^ opbeurt Ijtt/ 
batmen met bollen toe-ftaenDcm begeeft tot eenc 
fehece maniec ban leben/enbe gelijcli boo? ben toint 
ban öante (leecfu / enbe wabecljant nocljtans^ gebjc- 
bentooat op befant-Iiltppen ban alberlep mtfccien/ 
(nbeellenben/ laoocöna benafgronbtbanbeecu^ 
boige berboemenifle/ boo^ eenige gcootetempceft 
oft ontoebec ban bcïicringen/ enbattecoo^fafecn 
batmen ben recDtcn toecö niet genonum en (jeeft I 
tClö gljuubantöiit begeben toteenenfclierenriact 
ban leben/ ofteeniglje ge\Dtcï)tige faltcn toilt aen- 
beecben/pcpnft bat u/gelijli ecnen ficclien/becfcöep^ 
be mebecönen enb^ancfeenbooagefteltsön/ onbcu 
betoelcïie eenige met bootliiï» fenijn gcniengelt 3ijn: 
ï>^t gïjp becfcDepben loten aljs? upt eene loterpe moet 
trecüen/ onbec betoelcfce mcec alleen ban be eeu- 
wige boot igf. ©epnft bat göp itaet qdijth op eenen 
boeclj/bie öem tn ontallijche anbere bccbepu/en bat 
meer i.cf/in 't mibbel ban een tooejle luilbcnuiTe/ ^iz 
fonbcr perijcfui niet cnijc?. ^out gl)p ban op utoc 
epgene bcrnuftigOcpt Uiel m^ fclux^ berren hiefeu/ 
baer u bit al te famen onbelient i^ i foubt gijp eenen 
goeben leptfman beratfiten i en niet lieber begeeren 
ootmo^b^lijcö ban B^m gelept t^ toefen / en eer göp 

fiem 



Van hei eynde des menfches. 1 1 

ïictti ciêbonbcn Scöt/fout ööP mctmct alk necrflig^ 
pcptccnengoeöeu ractfman oft ïcptfman foccfecn 1 
l^teuom tnallcöefcöinacn cntoiitnocötotb'cmc/ 
nocfj tot ö'anbcrc5ijDca(jcncpoljt 3tjnj macr biöt 
<0otï ootmocöelölJöatDp utocUjcgenlaüfcDicbW 
cnDcfcgt met Den p^opliect ^atotd ; ^tclt mpeenc 
toet %ere in utoeti toccl)/ enbc befcDüötmp in Den pfaim 20. 
rccöten toecD/om müne ijpanDen» 

G E B E D T. 

ALmachtiVen ceuwieen Godr,dic 't al van niet door 
uwe machtige handc i^efchapen hebt ,ende my gc- 
rnaeckt naer u beek en gelijkenifTe; geeft my dat ick u- pf^j. ,y. 
wer tot gccnder tijt en vergete , noch oock van \^/aer ik 
gekomen ben:ende en laet den voet der hooveerdye my 
niet overkomen, daer zijn fy al gevallen die boo/heydt 
doen. En hoe fal hem den menfch konnen verheffen die 
van niet gekomen is , en tor allen ftonden in niet foude 
veranderen,' t en ware dat ghy het fclve waert beletten- 
de,' t en ware dat ghy de elementê,en ' t gene dat tot des 
mcnfchen leven nootfakelijck is , waert bewarende, en 
fteunfel gevende door uwe ongemetê gocthcy t en libe- 
raelheytPWat fal ik u dan wederommc geven, o mijnen Pfal. ii j. 
Godt,voor al ' t gene dat ghy my gefchonckcn hebt? dit 
alleen, dat uwe goetheydt van my begeert; ick fal mijn 
cynde,mijneglorie,en mijne faHghevt,altijts voor oogê 
iiebben. Want is 'tby aldien dat ick dit niet en doe, foo 
dreygt ghy my met de eeuwige ftratfe;en is 't dat ik het 
doe,fo belooft ghy my dien loon ,den wekken nochoo- i.Cor. 2. 

fc en heeft gcfien.noch oore en heeft gehoort. Wel aen 
aii,ó mijnen Schepper,komt te hulpe 't maeckfel uwer 
handcn,op dat ick altijd uwes gedachtig zy , ende van u 
, fprekG,o mijn eenigh goet; en fo mach leven,dat ik eens 
mach byu komen, die daer zij t den wenfch en begeerte 
van mijn herte,en van de eeuwige heuvelen.Ick biddc a 
over fulcks ö Heere,uyt 't binnenfte mijnder hcrte , dat 

(ghy my wilt ftieren op den rechten wech,door den wel- 
ken ghy weet dat ick tenlaetften fal geraken tot mijn 
- gewenlcht eynde, eneyndelijcktot de haven mijnder 
pel grimagie.Doetaltijt met my na uwe Goddelijke be- 
lieite; wantu,o Heere en mijnen Godt, hebb' ick mijne 
faligheyr beïrour , u hebbe ick my duyfcut eti duyfcnt- 



12 Denl.Boeck. Hetl.Cap. 

jiiacl op-gjd ragen,' c welck ick nu wederom doe, tot in- 

dcrccuwighey't der ecuwighcden, Amen. 

Pradtijckc om fijn eynde voor oogen te hebben. 

N€emtboo^ u/naecöefemcDitntie/ im fcltiente 
becboo^öcccn tot ïjet cpnöc/ toacc toe oOP 0».'^ 
fcöapcn 3üt / cnöe bccnicutot hit p2opooft öicöluijlö 
in lic tcgentooo^öiaücpt oBoötiaf/ thtiz ouDecb^aeoüt 
u fclbcn/ ïDncc toebm itU gefcUapcn i 

2. ODberlcot toat tecaen Dat u Dcctoacrtö (cpbeit/ 
cnbc hitfi ccneu bcquamen cnDc p^ofijtclücticu / om 
tot öen fellien epnöe te gccafecn.^c fcljjcöcn tn öcfcn 
toccö fijn onfc oeöacljten/ tooo^Den cnDe toercften» 

3. 51Dc0t öat utoe eecfie fo^gtjuulötgljcpt Deïjoo?öe 
te toefen ter (lont toetreroir.me te fieeren tot Den reclj* 
ten toecri/a(.$ oOP beröoolt 5t)ti\naei: toe u fal mogen 
öicnen Ijet üeraet ban eene rijpe enöetDcl-beöacIJtc 
Miccrtngc/ Ijct toelcli Ijicr nacr öcftelt Ixio^t» 

4» ^at ecue toaeracOtioebcfteeringeljiermgc^ 
leoen i^/ i.batmcnUectDecItcecntöaerac{möl)i)e:ï 
routc;2.tiatmen ïjem bmln^i ^enöe sijn leben bctz^ 
ve ; toclclie ö^ie falien Ijoe batmeufc moet aen- recli* 
ten/u aclzcn fal too^Den in De naboigenDeCaputele» 

^ èerlxiccfit u feibcn tot Dancftbaerljept/ im fjet 
acnfcl)oui»en ban alle De creaturen/ aengefienDat 
De felbe om u gcfcljapen 3ijn. 

6. 3BanDclenDe of anDerftné alleen ^ijnDe/ ober*= 
ïeglit De on-fterbcUjcliDepDt ulocr fiele/cuDe toat D^t 
fal toefen na Dit lebcn. 

7. ileert ïjennen De eDeïficju Der 5rc(en/foo tipt De 
beDerbeUjcüijcpDt Der iicIjamcH/ Dïc on0 Dagelijclts^ 
ontmoeten/ alf^ oocti uin De fcljoonïjepDt enDe crccl^ 
ïentie Der felber. Want gelijcliertoiio ai^s Die Dingen 
ïicOamelijcli sijnDe/ban De finnen gebat too^Deiij al^ 
foo fijn Die ban Der 5ielen geeflelijcft / enDe De finnen 
geenftn.ö onDertoo?pen/Dte De boo^gefepDe in toeer^* 
Digljent/macOt/^c. berre te boben gaen/gelijcfi Dat 
in De engelen enDe boofe gceften genoecD blijclit. 



Kor- 



Vanheteyndcdesmcnfchcs. 13 

Korten Regel en Wech tot de volmaeckt- 

hey t, ende tot een waerachtigh faligh leven , in 

wat ftaet des levens men wefcn mocht. 

^-^ heat tcrftont nl^ émm rcpfrnben man u'mc 
oogcn tot C^oDt cnbcbnil^emel; tonnt öaec toen 
moet oDp 03^» ♦ enöe neemt booju alle utoeboet- 
(lappen / bat W ulüe gebacöteu / tooo^ben en toerc- 
hm/ tot meerbere oöobticf o^om/ upt eene alber- 
fjoocljfie liefbe te flteren : enbe in'taf-loopenbe^ 
baegiw l^t ijia op/ of utoe toercöen u baer toe lep* 
ben/of öDp met <öobt enbe boo^ D^m ujanbelt : enbe 

tnbienoJ9pttDiJffeU/feöDtalbUi£^:Toonrmy den wech 

daer ick 'm wandelen moet , want tot u hebbe ick mijne 
5^iele opgeheven: OCfitoat e^ne grOOte btoaeSïDCï^t l!S^ t 

fijne (rappen tebefttgen/ enbe met te toeten in toat 
plaetfe; of in beeeutotge boot/ of in 't eeutoiglj enb$ 
faltgl) leben. 2Cen eenen boet-|!ap öangöt b'on-epn^ 
belije&e/ on-epnbelöcfee eeutoigöepbt» 

2. Bolgöt be lept^-mannen u ban €>obt gegeben: 
befe 3m i €en eecfien ben 3^. <zrngel ub^en ^oebjaet* 
ber/ljanbelt met befenfeer gemepnfaemlöcli/ljeröet 
u met f)em / b^aegftt Bern biclïUiil,«J naer ben Ujccö/ 
enbe Debeelt Oem al bat u aeifgaet : ^aer naer bolgt 
utoe omberden/ enbe toeef! ^it onberbanigg al^ 45t^ 
be: baant foo teie t)cfe Boo?r/bie öoo^jt <0obt : bolgïjt 
naec beraetöierbp eenen goeben man/ enbe neemt 
j)cm boo? eenen becmaenbec. 

3. © fiillen ontmoeten in ben toecf) ^obtjc? crea^ 
tueren enbe toeccli^n/ upt alljebefcfultgDpecmge 
b2cucDt fcljeppen/ mr)m gfjp u laet boo2-{laen/ bat 
fp alle om u alleen en utoe faligljept gcftOapen 5ijni 
enbe bat «öobt in alic tiic toercFit enbe rorrt eiïbe te^ 
oentooo:bigö i^fmiin of meer/ban of gfjp alleen met 
<öob in be toerelt toaert : enbe ban 't goet lobet enbe 
bancl^et ben ^eere altijt/en fc8?ij^et4Dobe toe/toant 
bc creaturen 3ijn fijne bienaer.ö^fti boo^ fijn bebel boe 
3P u goet» liï^aer toaer 't bp albien bat fp u ban tjtn 
recDten toecl) poogöbm t^berlepb^n/ geïijcö 3ön 

fCljOO' 



14 DcnI. Boeck. Het.I.Cap. 

fcDoone/curi^ufe/foetc öingen;ljouötrc boo^ MctUp^ 
öeiö: Dencfet bat oÖP moctfuefcn oftöcpicn/ oft 
ö'ccutoia^OocbengemifTcn/ oftöcfc» iBeccfttöat 
öcfe u nieten feonncn bccfaöcn nocO bcrbuUen/cntie 
berfmaetrtfc ai^ ccncn ittith oft Defter ntct benijn / 
öaecmen af niocOt fego^ n: <De boot 10 in öcfcn pot. 
31Dic toij.ö töcfcnbc fal acbepDen te bullen een bat bat 
boo2-boo?t is?/oft fulcft.c?/bat/ iice glip baer meet in 
öiet/fioe 't min becbult too?tl vDodj Det i^ fefeec bat 
Ociüch ben g)ocet feglu : be iiefbe t}c0 gelt^ enbe bec 
anbece btngen/toafl fo feer ai^ fp felbc toafTen/nocO 
'tljettt ber menfcöÉ en ha ber faet of berbult b)0?bé. 

4. © fuUen oocfe in 't gemoet feomen quabe bingê 
en tegenfpoet/fiehté/geb^elfen/^c.fcD?öbetaljef <0o^ 
be toe / enbe ontfanget al ban fijne Babeclöcftc enbe 
liBebicinale ï)am/ en laet met u fclbcn enbe be boo?^ 
fepbe tegenfpoebige bingen fijne boojficöttgD^Pt ge*^ 
lïjo^ben» €nbe aengefien CD^iftu^ fjeeft moeten iij' 
ben enbe alfoo ingaen in ^ijne glorie/ foo becgelijcftt 
u felben enbe u lijben mei (jem/enbe met föne pünen 
oft fmerten : neemt op ulirupö/ enbeboïgBtöcm 
naec» iBaer boo^ al Detöaect ben b^ebe ubjes^ge^ 
moet^/ali^ een fat feecfiec ftafleel of (lot: enbe (lelt u 
berroub^en in vöobt en fijn boo^ficljtigöept; goe bat 
ï)ct balt/ fcD:öbet fiem toe / benefit bat Óet ban Sent 
Jiomt; ban tbe-iiomenbe bingen en onbecfoecfet niet 
angiïclöcö ; öp regeert onjS enbe alle bingen f jjn ftem 
Êennelijcfe en mogelijcft $ enbe boo^ Ijem/ boo? l)em/ 
enbe tot ïjem lebetal/ enbe om fijnen toille3ön alle 
bingen ; tDaerom bebelet ï}tm aU 

S* B fullen oocli menfcften ontmoeten/bemintbte 
upt opcecöter Ijer ten/bpfonber tic ubïe tegen-partp- 
en 3fln; alölibt-matenCl)?i(lienbe3ijnebienaerje?. 
aBacftt u oofe banöen minften af-fteer of bitterftept/ 
of op-cöfenbe berfmabtngc toe te laten. iBaer Hupt 
ttfe bupten/ berbieclienbe in u een babelijcl^e Ite^e: 
3©acOt u banpemanbenteoo?beelenoftftraffelöc^ 
hm te berifpé/nocö en acljt u niet beter/nocö en (lelt 
u boo? pemanben ter toerelt. 3©ant toaer in gOp een 
onber öoobeerbelicfe oo?beelt/baer in berboemt gïip 
IJ felben : toant inbien göp op u felben toel let / gD? 

fuit mmm m öDp 't ftib^ t^m/ t^m öDp ^^n ^»" 

m 



Vanhctcyndcdcsmcnfches. ' t^ 

öcr in oo^öcc(t»gntiien öc mcnfcBen u cenigc bcugDt 
öoen/öcnc&t Dat fp ban <©oDt öaêc toe gefonöen 5ijn/ 
en Dat gp Ijun fulcfeö beboïen Oceft: Doen fp u quact/ 
benclu ijctfelbe/ of immcrö/öatöpöoo^fijneccu? 
toigc af-gronbige toijfijepbt gefcBicfet ficcft 't ftlbe 
te laten gefcDtebeni enbeinbiengöp'tmetenfeont 
beteren/ bebeelt Oet <0obe. 

6, ^anbec befe feiefl goebe enbe beugljbelijcfee me^ 
be-gefellen / nietberfepberis/ niet pcften ban men^ 
fcDen/niet bpanben/mct be tocicfee göp betrapt 5ön* 
be/ geftraft foub too^benrmaer bie utoe laften bp ge* 
beurte toiüen Belpen b^^agen/bie ii op ben toecfj boe^ 
ben enbe beOulpigö totllcn toefen. iBaertoatötu 
ban u felben beter f acjjten ban pemanöen antitW 
toacöt ü ban pemanben te totllen beöagenbanttt 
<0obe:en neemt geene ttotftinge tegen pemanben aé; 
maer fo toie u btotngt tot büpfent fcO?eben/gaet met 
fiem nocö anbere bupfent/ en toeeft ban eene gefint«= 
l^cpmmzt utoe tegen-partpeopbentoegb; op bat 
gÖP tot ben ïtecgter niet getrotben en too^bt* 

7» gnbien göp neber-geballen 5ötinbentoecö/ 
(laet ban (lonben aen op met leettoefcn enbe !iefb$ 
tot o^obt/ enbe geneeft utoe toonden boo: alle toeben 
te bktlnm l enbe Der-maecBt utoe bracDten boo? be 
l?. Communie/ eenenteugeberbo^jlenöerfielefal 
toefen een gebuericD gcbebt/enbe b'aenroeptnge ber 
m.ffiagct moeber^obtö,fKarta/ bie i0 eene ber^ 
fialingebe^afemief/ gelijcfebaerftaet: ©falmnS* 

ïck hebbe mijnen mont open gedacn,ende den geeft ofc 

afem tor my gctrocken. <^\\ laetootfegeenenbagft 
boo^bp gaen/ gOp en leefl een beboot boecb.oben jen^ 
be inbien 't u mogeljjcb i^/ befteebt eeuigen tjjbt tot 
ell^ebitatic. 

8» Btoetonge/ oogenenbeoorenfultg^pbetoa? 
ren op 3ün alber-neerfiicöfte. ^o toie met be tong$ 
niet mtfbaen en Beeft/ bati.öeenenbol-maeehten 
man:enbe Boe CJobief-bienfiigen leben pemant leeft/ 
ittbien öp fijne tonge niet en toomt/ p"^^ \^ 5öne 
©obtiEf-bienftrgBepbt» 3©eeft ban toaeracijtigB/ op^ 
:ecbt/on-gebepn(l/enbe gefp^eecbfaem tor een pe ge-- 
ijcben/fo toie anberi^s ie? ban conditie enbe poliröcft/ 
«^ bebjiegöt 5P f^lb?n/^nb^ &p fal ban ^ toaerBcrt 



i6 Deal.Boeck. Het I. Gap. 

befcfjaemt too^öe» : macr fo Mc fijnen ïtpptn ma« 
(lelt/ enöe tod üefticrt/öic tjS b'albeftoijlte» 

9* $Ccnmcrclit alicbagcn/ tenminjicncenjCföesJ 
abonttf/aljS of oOp »" (ïccUen moc|l/Doe beel toêcDjl 
öBp afoeicpt Ijebt ,• öat isf / of gOp utoe toef cUen De^ 
tec enbe (jctèröeDtccDacn : enöconticcroccluutoé 
confcicntïc/cnöe bittin ten minfïen een.ö tcc tocöen/ 
gnbe neemt boo2 u te fcöoutoen aïic af- toegcn / cntie 
aUefrePöeöicptcii ofQuabeoOcncpaelijcbüeDen: öic 
gljp/ al Bijn fp ooclt lilepn/alle öagen u fult pijmn te 
(lerben/ mecfl öe curieufOept of nieuiS-ai^ttgfiepbt/ 
öulfialjepöt/ örootfOepbt/aram-niocbiöljcpbt enbe 
ö^efijcpt: toant foo toie fijn siele ntct en Daet/De fel^^ 
\}t mö^tificercnöc/ bieen macD CÖ^ifti öifcipel niet 
5ijn» €n paftccnictop/ tnöienticnupantuopöen 
toeglj na toept/ii'aaöe of onrepne aeöacljten inblaefl/ 
Uecacljt pm al.ö ccncn Daffcnöcn Ijont; nocö^n ber^^ 
moept niet battci' fonöc onöec fcljuplt/ foo lange aW 
CD? ö^boelt öat öet u niif öacgön 

10» Communiceect ten unnjlen eén^ tec toefeeit/ 
bebotelijcö enDefonöet uptfïelien:3©ant bit^acra^ 
ment i.ö een teec-fpöfe/eenen pant öcc eeutoigcr glo* 
tim/ eene ftermafiingöeöecftracDten/ eenö^oobu 
't Oecte öec menfcöen becftcccficnöe/ enöe folae^ be^ 
toecfiö / eenen loon of p;jij$f öc^ BaDer-lant^ : fiiet 
toe fult gijp in ttoijfelacljtigc Dingen Die uontmoei» 
ten/utoe tocblucfjt nemen/alcJ tot een taüecnafeeübit 
(al u toefen al0 een jleccö fiot/ om u te bertrecfeen m 
f toacigftept enbe tegenfpoetdoopt ft! ec toe a\^ eeneti 
liert tot be f ontepne ; aW tmm t}iz berOonger t i^ tot 
be tafel/bie J e s u s met fijnen grooten aröept u be*^ 
rept öeefi / met fijn bierbaer bloet fmaecfteljjcli ge^ 
maecftt heeft/ met fijne oprecötelautereliefbege^ 
l!oc0t Dceft.cfiBaec Doben al/upt alle creaturen raept 
boncfelTienie^ ban be liefbe<ï3obt<jf/ enbe Daecfet tot 
ftem/ enbe 5ijt upt gantfcfter öcrten in alle.ï? met (g^ 
hen <aobbeïöc{icn toilleteb^eben/ opbatgBpniet 
anberjBJ en toenfeüt op bec aecben/aï^ bat fönen toil* 
legefcDiebe» 

Volght 



Van heceynde des mcnfcljes. i^ 

Volght den felven Regel , in een Ghcbedc 
bellüten. 

O Mijnen God,fonteync van allen goet, ick beminne ^^AitcRfcg* 
u uyt geheel mijn hcrte, want ghy heb c my gefcha- o[^^f,J"^ 
pen tot u,op dat ick u dienen, cndeuytganEfcher herten han alle 
acnhangcnfoude.Ick biddeuö goeden Je su,ftiert mij- HJuc Ujerc» 
ne ftappen in uwe paden,helpt my,dat ick met alle mijne jf Jq^/^^oq 
gedachten, N.woordenN.endewercken,N. van dage t\\\3e ongi 
totu ftrecke,ende dar ick ten laetften eens totu,ö mijn cpnDe, 
ceni^^h bcgeeren , mach geraken.Trecktmy naeru,op ^"^^Jt 
dat ick u volge, ende den Engel die ghy my toteenen icptfman^ 
Ley tfman defes wechs gegeven hebt,ende mijne Over- top Ijebben 
ften,daer ghy van gefey t hebt : So wie u hoort,die hoort |L" ?/g^jg^^ 
my. Ende indien daereenige goede creaturen door de tjciWlDdt 
poorten mij nder finnen myontmoeten,maeckt doch dat hat top al 
ick fienmach, dat die van u gefonden zijn, ende dat ghy ontmwti# 
hun bevolé hebtmy wel te doen :op dat ick alfo aen gee- 
ne van defen,maer u alleen mach toefchrijvê allen goet; 
ende dat ick die niet en minne, dan om u rende wat kan 
ick doch buy te u beminnen, of begeeren?en weet ik niet 
voorfeker dat ghy de afgrondige fonteyne zijt van alle 
goet,uy t welcke allen goet is vloeyendc?maer waer't by 
aldien dar zy mijn herte fochten te verlcydenj ende het 
felve toe te neygê tot hun,helpt my dat ick my voor alle 
gefchapene dingen, die fonderu zijn, als voor eeneftrik, 
venijn, doot en helle,verrchrome. Ick wete dat noch oo- ^ttfjept 
ge van fien^noch oore van hooren verfaet en worrrja hoe fi^^f JJJq'J! j, 
yemant de felve meer foed: te verladen, hoe fy onverfa- hütttzn, 
delijcker worden. Indien my in 't gemoet komen quade "^aWMttt 
dingen van u gefonden oft toegelaten,maeckt dar ick u- f ^^"iÖ^"ifi 
wen dienaer kenne ende omhelfe mijn kruy s, ende prijfc «jaiJöt ƒ ' 
mve alderheyligfte voorfienighey t:voorts alle menfchê, 
medcgefellen op den weghj ende meeft mijne tegenpar- 
tijen, die fal ick beminnen, ende van nu af beminne om 
uwen' t wille : ick en wille my oock voor niemant ftel- 
len,niemant oordeelen;want ick en wete nier oft ick des 
haets, oft der liefden van u ö Godt wcerdigh ben. Ende ^mf(t 
ik bc feker dat een yegelijk {o groot is, als hy in uwe oo- ^^' ö^^"^^* 
|en is.Uyt defeHeere geeft my goet gelelfchap,dieniet o^^Dm Ujm 
boos van manieren en zijn,venij n van achterklap fprey- fcüoutofii* 
deade, verleyders , ende op dat ick met een yegelijcken woet» 



'i3 Denl.Boeck. Het I. Cap, 

vrede hebbe -.want o alder-fachtmoedichften ] £ s ü, u- 
^ vf ïi"^^ ^^ plaetfe is in vrede gemaeckt.Indien ick kome te val- 
fönöcmoet ^^" ^P ^^" wech,biet uwe rechte hant aen' t werck uwer 
opflanu handen,ende door leet wefen ende liefde ftiert my tor u j 
en bewaertin fulcker voege de poorten mijndcr finnen^ 
'JÉI^ê moet byfonder mijne tonge,datdaerniemantbinnê en kome, 
fioo? De dan bevel hebbende van u ; of om u in-gclatcn als eenen 
öÉE^r ^^?* bode van verre landen, van 't lant der levende, van uó 
nittin ia* KoninckderKoningen, ende Heere der Heerfchappijê: 
tni/Dait Uit want het fpreeckt my al van u, uwe groot-dadige werc- 
ban (©oöt ken,cn hoe groot de dinge zi jn^die ghy my berey t hebt;. 
itotnnu j^g^. kondigtmy oock mijne ydelhey t ende ellende. Teu 
laetftê geeft my dat ick dagelij ckscloor'tonderfoeckcn 
mijns ielfs, eenige reyfen my fel ven onder-vrage,of ick 
'JBê tttott oock my ftrecketotUjó allen mijn goet? of ick wafleiu 
tnerthê/ of uwe minne ? of in den haet mijns felfs,ende in de morti- 
fiaetindcn ficatiemijnderiinne ende mijns wille? Want dit facrifi- 
toccl) alle tie, defen brant-ofièr van eenen alder-foetften geur ver- 
öageiu wacht ghy van my rende ick verwachtende,verwachte u 
dach ende nacht, dat ghy my fout bevelen tot u te ko^ 
i^oe tnett men : maer fo lange dit u niet en belieft,ick fal daer-en- 
Srfï?^ ft»" tuffchen eten u broot , ende uwen wijn, die ghy met ho- 
fal ma het "ich,in't Heyligh Sacrament des Au taers voor ons ge- 
^twsl^ mepgt hebt, op dat wy foude droncken worden van u wo 
tiooöt^ liefdSj op dat wy leven en fterven mochten in u,ó ons ie- 
ven^ijnê Godt,ende allen mij ngoet.O wanneer fal het 
ivefen dat ghy mij nder gedencken fult?Wanneer fal ick 
drinckê denKelck der falighey t?Wanneer fal mijn leve 
verborgen wefen in u ? Wanneer fal ick eens wefen mes 
11 ? ö die daer zij t mijn leven ende fonteyne van allen le- 
ven,dat ick doch mach fterven voor u.Wanneer fal voor 
xny den dach oprijfen, die noyt onder gaet? Wanneer 
fult ghy my eeuwigh licht befchijnen ? Wanneer fal ick 
intreden in de blijtfchap mijns Heeren ? niet om dat ick 
my foude verblijden van uwe goederen, maer van u,en-» 
de om u, die daer zijt allen goedt. 

Schiet'gche dekens om d^affeUie^ die in de Meditatie 
vervpeckj is, door den dach te onder^hofiden» 

fumt* T Eydtmy voorts in den pad; Y4n uwe geboden, waiït 
*^ diehebb'kkgqwilw . ^ ^ ' 



Van het Geloovg. 1 9 

Toont my Heere uwe wegeii,ende leert my uwe paden. Pfai. 24. 
Stek my Heere vooreene wet, den wegh uwer recht- Pfai.108, 

vcerdigh-maeckmgen , ende ick fal dien foccken tot 

allen tijden. 
Mijne gangen befchickt naer u woort, ende en lact gee- Pfal. 118, 

ne heeiïchappye over my hebben eenige onrecht- 

veerdigheydt. 
Maecktmykcnnelijck den wegh daer ick in v/andelen P^aï. 142-' 

machjWant tot uhebick mijne ziele opgeheven. 
Volmaecktmiine gangen inuwepaden,dat mijne voet- Pfal. 16. 

flappen niet beroert en worden. 
Befictofdenwechderboosheytiiimyis, endeleytmy P^'-n»» 

in den eeuwigen wegh. 

Het II. Capittel. 

Bcraet van den eerften ende principaelften middel om 

tot het eynde te gerakenjte weten, het Geloove. 

Gl^P ÖeDt nu Oct ^pnbc/cnbe fiet Ijan becre t»e 8a^ Mê man 
\)m i baer uümt nu/ dat oö? t»« mibbekn tntt hecmmz 
ben toccö fouht Dm alönec te ocïafeen-^nöc tpat if- S|/ ?nt 
itt nootfaccfeeüjciicr Dan ïm o^lool^e i Wam fovMt tot 5^1" 
't »i3cloof (feijljt tm l^. 3Cpo|l:ti} 1.3 't onmcaclycl! f?»^i« « 
<3oöc te öefjagcn. ïBant foo toü tot oT^obt ïiomt/tJic |^br i * 
moet gelooben Dat öp!^/ enbe bat Op ben oenen bic g^areetiii 
i)etn foecöen eenen becgelbec ijE?» ^anabeleennge tmoöciiö/ 
banCf emen^ nktmMmi^/'t geïoobe 10 alfo noot^ ^"f^f//^^*^ 
falieiöcfe/aijs? ben nienfcfj t^ic in befe toerelt ieeft/ fjet '* 
fiec-Daïen ban fijnen afem iö/ oD? fict ban Doe groo* 
telijèfess bat ööp moet befo?gen Bet toaeracljtigö 
Catïioiijcfe geloöbe te boïgen / u tn *t felbe te ber ^ 
ftecci^en ^nbe bat te foecfeen / bp aïbicn bat oOP ban 
ben rccöten tcec^i getcel^en toaei't.^^iec op fal üh aU 
ïjter öet beraet ftcifen / met foo feec boo^ ben genen 
bïe in 't geloobe ttcijfelen/ maerboo^bieteenfdjen 
in 't felbe becfterclit te to02ben / 't toelcfe nocfitanss 
ooclö fal mogen bienen booi een bert aen be gene/bie 
fc[)ip-b^afeetn petgeioobefouben mogen Ijjöen* 

Denmenfch. (B l^eece lepbt mp tn ub3e leeDtbeer^ vuim^. 
bigfjept:om niijnber bpanben teille/foo Defcbicïtt in 
iiaenfcöoutenmöneritoecD : loantbacceriis^gce^ 
jpvn anber^n b« mijne boet-ftappen iiau fcfliefeen in 

€ s, viU)$ 



^o DcnI.Bocck. Hetll.Cap. 

UW htóöfien / op bat ith ban ben rccïjtcn toeöö niet 
öf entoöcüc/ oöcftclt 3önbe tuflfcljen foobcelbsc* 
ganbe hcmtpm cnbe boUngBtn» ^ant toic tffet bi$ 
ittctenfoubefiomimbolen oftttoöfclacötioi) too?* 
tïtn/ tuflfcöcnfoobeeltDegfjcn/ g!je|ldt3öiiöctn't 
mibbcl ban ben nacOt/enbe repfenD< eenen onbefecn- 
ben tocöO^ 3Bieenfcubentct bpnae ballen of t ten 
minften (Icupcfeelen/'t en toacc fafee hut göp/bie een 
lofln. I. toaecacöttglj Ucöt 3Öt/ berlicïjtenbe alle menfcDen/ 
»óm.9. in onfe Denen b^aert fcïjijnenbei 3Bant ftet en is? 
boo^toaec niet beiei geneö bte toilt enbe loopt / maec 
Vatth. 16. becJ ontfecmenben <6objC^: nor f) fiet bleefcfj/nocft liet 
bloebtenfeonnen on^ef nietb^engljcntctbehenniffe 
ban ubjentoegD/maergöp alleen/ bteutoe tooon* 
K.Tim.tf. plaetfegeflteltBebttneenonbegnjpelijcliUcDti ban 
toienal^banbenBabecbeis^licöt^J/ allegoebe ga^ 
be/ enbe alle bolmaecöte gtfte nebec-balenbe i&: m^ 
be bte begeert bat alle nienfcijen fouben iiomentot 
ijcob. I. be ftenniffe ban be oprechte toaerïjeptj enbe baerom* 
me en ïjcbt gfip onjj nCet gelaten fonöec getupgenif^ 
fe/ itiaer Hebt eenenfeöeren toegfl/enbe utoe toet/la^ 
ten fcBönen tn befe teerelt geljjcfi eene facfeel / toaet 
booi alle menfcfien / gelficö öter boo^-tijbt^ be fetn^ 
beten ban gfcael/boo^ be bjilberntflfe fouben mogen 
cebt m gelept too?ben in öet lanbt ban beloften, ©ecre fou;^ 
laajt jje jjet toefen ban utoegoetjjept/ enbe al te Dert/ on$ï 
«lÉt al ^^ roepen tot eenen onbefienben b)egfi/ enbe bat gOi» 
toiumö onicJ niet en foubt toriftn / ben toegö bte top moeten 
öoicii ban jngaen. ^it leert berecDtecebene/ enbe betupggt 
hlf on.ö bat bierbaer bloebt/bat göp foo mtlbelöcö booj 
on$J öebt uptgeflo?t:b)ant be recïjte rebene getupgt/ 
batter eene toaerjjepbt ijeJ/ gelijch göp mijnen <Boht 
een 3öt / enbe eenen €Wftn^ / eene ^ercfte / geUjcfi 
pier boo^tpbtjGfbe ^rcfieban |gc^ buprenbeb3eic!i^ 
geene faltgftepbt te beftomen en i^jepiaeiöl Doe bjoe^ 
bigöiissöette aenfcDoutoen ben oberbloet ban foo 
mentgerlep bolingen / boo? betoelcl^e top bp-nae ba 
.öefieele toerelbt f ten berb^incfeen/ toaer boo? u ftleet 
(fonber naet 3önbe) gïjefcDeurttoo^bt/ enbe alfoo 
)ïï02bt bertoo?pen ben aiberfjepligDften paö^ baq 
litoe bittere bóobt* O^lgeeregieful 
Chriftij§,3ti[nm$i?|fe$ fi9^ öf ^1 W iU ïooj uto' ^uu 



Van het Geloove 2t 

CcDaeti rieljbc/bie u tn't miööc ban fo bcclbcrfcDeiJ^ 
beiiöolmaenocgcbenDebDc flet licötban'tïDaec* 
acöttöü a^iooUe/ cnöc aeftdt op Den rccDtcn 3©cgJ), 

Denmenfch. 3Bat fal Icft tocöccon oö^^cn b002 
befe grootc toelöaöen/ o l^tcïc i ith en fal boo^toacc 
nimmccmeectcn boücnu fionnen beDancöen/ Die 
ban u geroepen ben tot u tDonberlicft UcOt» i*P«r- a^ 

Chriftiis.i|et ijof becce ban mp bat icö begeere bat# 
tec pemanbt beciooccn foube gaen / baerommefoo 
toonetch eenen pegelijcbenbengoeben toegfi enbe 
feercfee/ 3iJnbe een colomne enbe (leunfel becb^aec* 
fiept / gclöcö een bpec-baöe tn hzstzl)2& toecelbtjS / 
ï}U foo beel fcOip-b^aöen onbccbio^pen ï.$?. 

Den menfch. Ban toaec ftomt öet ban/ i^eece ge* 
fu/ bat foo bed fecten/ berfcötlïen enbe boltngen bcc 
feetterpen/ ban be nunfcöen b^pbJilUgDiöcöen gfte^ 
focfjttoo^beni 

Chriftus. ^one en i0 ttitjne 3Bet nfet befient göe^ 
«oegfj boo^ lm litln bcc natucel en t.^ mijn jotU niet 
facöti nocötan?? toojöen baec foo beei gebonben t)iz 
boo^ Dare èpgene booffjept alfoo becblinbt too^ben / 
batbe naturelöcöe reben tn öaer alfoo berbupftert 
too?t / batfe mijne geöoben alö ftoaer jae onberb^a? 
gelieft reöenenj fp befcDulbtgen mijne toöfftept enbe 
goetöept / als? oft icii begeerlpcö bjefenbe ban fiaec 
iieber gualicftbaect / maecöte geboben biemen ntet 
c« lïan bolü^engen oft onberjouben / gelijcfe oft tcft 
bclafrc fonber biengelcn te bliegen/enbe fonber boe^ 
ten te flaen ; fp toiüen alle bingen boo2foecben / en? 
be boen p^ofeffie ban niet te gelooben / ban 't göcne 
batfe ban te boren toel öebben berftaen/ al.o' oft baec 
pemanbtfoofcljerpban berftant gflebonben toier^^ 
b< / ï^k mijne ^^tebulbigOepbt öan begrijpen / oft ®^.^^^^ 
cenigeberbojgentBebenbanbe natueregöeöeeljjcft gjVtccm 
èanboo2gconbeeren/ebenfottelöcöi!$ 't/af jSfpfeg^ m ds 
gen batfe gelooben in be ^cï)2if tuere / bie gaer ban ^cö^ma 
be J^ercfte gegeben i.sr/enbe ndcötaniS geenfinjs öaer Sa^^lt 
toillen te bKben öouben met ben fin enbe Bet ber^^ fjawufp^ 
(lant / liU öaer ban befelbe öercfie gegeben toojbt : s«n foi^ 
enbe alfoo gefcfiiebt Bet bat be gBene/ bie ben gfieeft 
niet lebenbig en maecftt/ boo: be (etter geboot too?» 
ten. jBen binbt ba^r anbere / tiiz bit niet met allen 

«3 511 



22 Denl.Boeck. Hetll.Cap. 

tn acïjtcn / enöc incpncn in aile reltgien ïjatt falt'a^ 

fjcpt te öeftometii toaer bat alfoo/ toaec toe fouöc itU 

iilicben I)ct ^uanodlebcrhonbigljtlieDDen/ enOe 

mcbc acbeplt / (jet gene ith ban mijnen l^cmelfclicn 

Babei becjlacn fiebüe 4 IBaec toefoubé bc Itetterpen 

öoo? mijn ücbel bectoefen toojbenf afBaei* toe fouben 

öe .fiDai-telaeriS boo? 't Catljoiijch geloof ïiaer bioet 

ije!to>t IjebbenMIDaec toe fouben b'iïpotlelen gefon* 

Den geb^eeft Oebüen om öet^uangeüetepjebthen 

boo2 be geTieelc feDerelt^ 3Bat onberfcüept foube baec 

toefen tuffcOen befjoben/ t€urcfien cnbe €(j?tflcneni 

Ad Tu.3. W^ct toe foöbe mijnen ^poftel bebofen ftebben ee* 

nen fietter te biteben/ na be ttoeebe bcrmaninge/an* 

bersJbanom tat foobanigcn menfclj becbjo^penen- 

beboo^fijneugenbonniffebectoefenijö^ 

Wc ntoifcii ^^" menfch.gch faï u banclïen Igeere upt ïjet btn^ 

bducht Dm ncnfte mijnbec tierten/ enbe utoen 5Saem groot ma^ 

J^ff/^.^f ften tnber eeu tof gfjeptiloant groot ijS utoe öarmBer^ 

iïa"l t igOepbt ober mp / enbe ghp (leüt mijne 5tele berloft 

pfaim 8f . ban 't bfeplie ber öeUen/gï)p ftcbt mpne 3tele berloft 

pfaim SS' toan be boot/ en miine boeten op bat tcfe niet en foube 

pfaim 7 toaHen / gftp fiebt mijnen Oefcïjermer getoeejl / en tn 

ber b?aer?jept gfiP Oeöt mp berïofl^lBflt liet iiS groo^ 

teeere u te bienen o l^eere / enbe te bolgen utoe toet^ 

pfaim 18 ^^^/ "^^ toet/bie onbeblecïit t.^ bef?eerenbe be 3ielé/ 

u oo^beel t> toaeracötigf) berltcDtenbebe l^tnberem 

^? ïïottiö* Chriftus. i^eemt hit boo^ een mercli-teïten ban be 

ijcpDt örrt CatOolöcfte tDaerOept/te toeten/bat be i^etter^ feg? 

b jn"'^^\t gen onmogelrjcli te toefen t' onberftoaben be repnig^ 

m fouöe Oepbt hk icli aengep^efen öcbbe ; itet baften eiibe be 

onmaaije* Deloften noemen fp een gobbeloofe fï^fie^^ép bcfcliul^ 

r*!'^'^ ^ShJ^l ^*-ö:^^ *^^^ ^^^ autlieur enbe ocifacche ban be fonbe/ 

te "rS om alfod te foedien een öeci^fei totDare b?pïjepbt 

tjouönu tïi'^t tiare booffjebcn j toant toaer toe fijn Dan bè 

toetten/bc (IrafTen/enbe ben loon/i^s't faeeöe bat t)tn 

menfcö be fonbe niet en fean fcDoutoen i 

Denmenfch. ^tt öeböe icit ftiaet gchoegR gefiert 

Pfaim 6r ^»^ ö^^ mijne 3tele geroepen öebt o ^eere tot ijet le^ 

ben / enbe mijne boeten betoaert i^at tcli niet en foiu 

bc ballen / baer-en-boben bit berftere lu mp groote^ 

iijcïv^^ en bcrfel^ert mp in't mibbel ban fo beel bolin^^ 

ncn bat beföetteriS met ftaren epgen mont belijben/ 

bat 



Van het Geloove. 25 

öat bc CatDaïijcben ooth faftgö feonnm too^bcn. 
i^p niocfte ban tod t'cencmad ban finnen berooft 
5Ön/bic iiem niet en foube boeoen met be CatDofjjc* 
lie celiijie/in be toeïcfee oocfe onfc tegenpactpe fjegBt/ 
batmen ftan tot föne faiigöcpbt geraften ,• taant tote 
en foube ih niet raben ben fehecften toeg te Itiefen in 
foo gcooteonfeöerljept i enbebefenfeöeren toccD i^ 
be Cattjoüjtlie religie/bte ban tloee contrarie fijben 
aengcpjefen tD02t, ^nfgelöcft.ö entDOJbtbaernie^ 
manbt 'gljebonben/ of tjp fal bc mebecijhe / bit mtt 
Bet geboefen ban ttoee oerbaren ^^octooren goet 
gebcnben tooat/ feeclierber Douben om in te nemen/ 
$il^ tie boo? opinie ban ben eenen bertoefen too?t» 

(öcB toat eenè benaeutgept fuUen foobanige 3ic^ ^^e ^ 
len in b'upre tc^ boobts? geboeïen / bit met foo beeï ö/u« dS 
btoalingen öertoaert^ enbe bertoaert.ö geb^eben öoodis iS 
too?ben ; fp en binben nergens gcene rulle / maer fp föjacrt 
ïeben al ttoijfclenbe/enbe fterben al ttoöfcïenbe/enbe ïï^!lïa', 
bit u Bebben berren befcBulbigen in Oaer (eben / bat ïtmm» 
ÖÖP geenen rccBten toecf) getoefen en Bcbt ioopé on? acijtige dc» 
ttoöfelijcft in ben afgront banbeeeutoigeberboe^^"^^?» 
meni|Tc;ocft toie fai mijné Boofbe toater geben/enbe 
mijnen oogé een fontepne ber tranen/op bat ith fm^ 
tt mogen betoeenen be ober-iebenen tx\m^ bolcèö I icrem. 9. 

^tfc fuüen tot ufeomenol^cere/ alötotfiaren 
ïtecï)ter/bc Wicht toaer 't faöe bat fp be i^, !^crctie 
geOouben öabben booj D^re i:Boeber/ u DcbDcn fou? 
ben boo2 Baren Baber / enbe faden terflont baer na 
Booren bat be goeöe toereken geloont/enbe bt quabe 
geftraft teoijbcn ,- al^ men fal feroonen be ggene/ biz 
Bongcrige BeDöen gefpijft / enbe m^n fal fxraff en biz 
bit niet en Bcböen gebaen» 

Chriftus.^Bat fuKen fn mpant\»002ben / bat fp be ^°^ ^p *« 
^Cpoftaten of afgetoefeene hhttm bit fonber eeriige i^ oo}» 
getupgenifi'eban beugötof mirafeelen/ maer alleen ^mtt* 
boo^lmt booföebenenbefcBelmerpenbefientsijn/f^^ï"^ , 
aengeljangcn Bebbemberlatenbe bt^.^tttht/ befe^ mmwn^ 
eelt met B^ren oubcrbom enbe mirakelen ,• bolgen 
(fegg' icfe) be èetter^ alleen op bit argument/ bat fp 
Baer beroemen be befie uptlegger.s?berft.^cB2iftu^' 
re enbe cut-Baberen te 3ön. 3Bant (let Bier toel op) 
gcene anbere fïuptreben m öonnen be htmx0 booat» 

^ 4 6i^»-' 



i4 Den I. Boeck. Het 1 1. Cap. 

b^enoé/om bc iticafclje tot ftare btoaltnöctc trecfié. 

3Bat fuUcn fp fcgaen alö fp fuUcnficnblimfecn 

itiyn önipötn belocljt/tiiegantfcncUjIi cenfclj^oom 

oeljabt üelJöcn ban al 't gene / bat öct blecfcö tegen 

Vnaja?/ miin crempcl bccfmactenöe beracijt IjebOen^ 

2Ech ftcbbc öcn loon Dclooft ben genen / t}K gearbept 

fullen ticbbcn in mönen tDijngaertiCnbe ben pacljtec 

bic op fijnen tijt b^iicfiten boon brengen foubcimaei: 

pcngcficn bat fi»aüetöccchcnboo?fonben rebenen/ 

fal tcb be fonbcn loonen i of t fal ith \)t fonben b^ucfi* 

ten noemen l geenfniisr : bacrom fullen fp befctjaemt 

Rom.i. (laen boo^begantfcljcUjcrclbt/ öfeï)acrboo?toüfc 

uptgebenbe/ fot getoojben 3ijn; bic ai becfmaebben/ 

't gene fp niet en bcrflonbenj enbc boo? onfebec IjUU 

ben/ 't gene fp boo? fulcbsf oo?bcelben te toefen» 

0oe öat Denmenfch. Wti^t 'tfabcbat Ijiec acnb'ecutotcïl^ 

«"et^omöe Ö^P^^ nict cn lileeföc / icb en foubeljaccberücjÊ^foci 

«ctDigjjept* grootelöcbjU ntet acftten mbe bcblagenjttiaer/o eeu^: 

Ujtgöcpt/ o ceubJigfKpt ! toat eencftoare enbc gcou^: 

UDClücfee ceutoigïjcnt ftaet öaec te bcrbjacötélJBeefl 

genabigf) o i^eerc/toeeft genabtgO/ toant ben tiit ban 

pfaim 101. t' ontfeumen enbc genabigö te toefen 10 gebomen, 

3©acrom Chriftus. %ctm\)tmq\) cttbc altijot gcnabigO te 

beiamcrö ^efcn i^ttiön cpgen : macc al.ö icfe bentiane/enbe 

ïnmtSt^"' bcrtoccbe/ öacrcntoo^tnocötanöntemantgebon? 

fteiimffe, ben op tiz (Icatcn / t)k tzn& onbcvb^agc naer b'oube 

)s^tcim ; tnbicn fp fulcbgf bcben/ fü t terfiont eenc on^ 

taiföcbc menicbtc ban fieplige J^eligicufen / fouben 

{)aer op bentecOtentoecïj toijfen/ biefgelöcbjsfbecl 

lieplige!25tffcöoppen/fo beeï al^ef itcïjten bec ^*Mtvt^ 

fee/foubcn alfc bupflerniffen bec btoaltngen uptjaec 

bcr fïant ber b^ijben j toant befe naer öet out geb?apcli 

ïiebben iBtffe gebaen/gelöcb on^ gctupgen allcccu^ 

toen/ bt l^ercbcn gebcn 't te bennen : be giften enbe 

fcfjcncben aen <0obt opgeb^agen / 3iin aiö gcbencfe- 

tebcncn/ bk onö bit alö met lupber ftemmc bcrbla* 

ren : bacr-cn-boben ïioc menigb mirabel f\tbbt ith 

tot allen tijben gebaen / geitje b ith nocB Ocbcnjf- 

bacgftjsÉ ter cercn ban mijne ^.üDoebcrboc^ J|oe 

bed ^epligen Oebbc tcb metbefelbcbermacrtgc^^ 

itiaecbti maergelijcb aen mpgefcpt f j9^/ baticbin 

t»en nacm ban bm biipbelöec fiellcn/b^ bupbelsf ber» 

bieef; 



VanhetGeloovc- 2^ 

ö^ccf; nïfo rtotï) fteöen ijefc berDlintie menfcficn fou^ 
öen Oicrne ( toaer 't in öarc mat Ijt) De recljtc toacr^ 
tjcpDt bcc muaftelcn bccöoncfeeren / «nöeöcmen* 
fcöen toijö-mafecn/ dat Ijier in mmt^ bcöjocD öelc* 
0cn toarè/ bie nocDtaiiiEf boojtoaer/ cnDeoprccöt 
1)002 ht gcöcclc tocrelöt öeftcnt 5ön. 

aobat mmun tjocö ^^f^ <0erefo^meci:fee ^ faïïcB ï^ocom 
toclatni / timm oxibzWtht enöc onnoofel lam ben/ .5°?,^,'^^^^ 
Dat mijne Öcrcfee fal öerefo?meert too^öen ban upt- '/ji ^^%;, 
ödoopcniBonnicöen/ mtnfcljen / bieöarentjupcft u<Qttt^ 
entic tDcl-luften toegeöacn 3im^ enöe tjoefuüenfpf;^?"""^» 
p^eötcben/ Dtc öocD ban ntemant öefcntieiï en 30" ■** """*'"* 
Igiec upt feomt bat j)aec-üeber ïeeraerjefbtebefe 
binoen toeten/ in aeenbec manieren te ontfcDulDioé 
en 3ijnibie mijn bolcö ban ben recöten toecö aftrec^ 
ften/ om befdbe te boen btoalengeljjcftbeiboolbc 
fcöapen/ eu tic atfo te brengen op be bleefcïi-banclt/ 
lenöe tot l)arc beberffeniffe: ia bat fp bomen te ballen 
tot in ben afgronbt ber flellen/ aitoaec fp ban t^'cm^- 
toige boobt berfïonbenfullen tti02ben. 

Dcnmenich.oi^alber-langmoebtgïjlïen/enbebcr^ rfai 4?. 
buibigbften ober be boof Oepbt ber menfcöen/ teceft 
ten minfien barmïjertigö aen fo beel bupfenben/bic 
celöcb berlorcn fcöaepfiens? fonber öerDer berlatcn 
loepen : aenfiet / ïjot bat be belle baren monbt open lera. y. 
gebaen Deeft/ toojpt iitoeooaenopbacr-lieben/a 
Igcere/ cnbe en tóecjl niet möacbttoO onfer cnbe 
Öaer-Iieber fonbcn^ toant gbp 3Öt onfen berber/ on= 
fenleptfman cnbe toet- geber: boetDaereen^c^fma- 
6en ben b2ebe/bie gOP mebe-beplt ben genen / ï)ic u 
beminnen/enbe fp fullen bomen om « te aenbibb<iv 
cnbe utoen öcpligen naem te behjöen. 

Chriftus. ^efen bjebe en too^bt niet gefmaecin / ^tw b?übe 
ban ban be gene/ bieootmoebigbbanöerten3iJn: l^^.f.f^^' 
m \3)at ootmoebiggept feanber gebonbé tooiden on^ |io;t bp 
ber begene/ biemet eenegrooicDoobecrbigbcpbt cmoot* 
tMijne ^c[j2ifture berren oojbcefen / bermmöeren "l?/i;'g^ 
fiier en baer/bat Oaer (uft/acbterlatê/be tjepiigi?l^a^ scjouont. 
ber0 berbalfcOen/oft toel bertoo^pé. 3$ baer meer 
baneene toaerljept^Cn bintmen gecne ttoeeb^acbt/ 
baer fcftepbinge enbe beplinge ië i foo beel boof^ 
ben alsf baer sön/foo beel b^rfcD^ipben opinien bint^ 

€ t men 



^6 DcnI.Bocck. HetU.dp. 

nicn onbcc ftacr ; toant een pegelijcfi met fötti^tt ep^ 
öen geelt toilt fone öolinge bebefttgen : ende anberj? 
too^t öaec geen UecfcljU gebonöen onbec befe fecten/ 
öanöatö'eenefegljt onfe uptleggingeiiestoacracB^ï 
tigD en oprecijt; ö'anöere feggen / öe onfe i$ betere: 
Ij^egtmen öaec : a^nec boo^ öebefligöt gDp bit^fp 
fuUenanttooojben boo^onfen geeft: ja niaec/ bieit 
geeft/ te toeten/ hic ben eencn/ ben anderen tegen i^: 
miöe alfoa moeten befc botte enbeonberftanbrglje 
niei^fcljcn beijjöen/bat be toaerDept/bte maer een en 
lö/ oft toefen ftan / gebeplt/ enbe beelberlep getoo?< 
ben i&.Wic en toeet niet/bat be <Scö?ifture/ enbe bc 
<2Dubtbaberia5/ (boo? be boofOept ber menfcfjen) öec^ 
Ixjaert.ö cnbebertoaerts^ getrocfien öonnen toojben/ 
oeüJcnalicJooclibe toetten I enbeDterom'ten toaec 
battecrecöter^ en mibbelaerieJ gebonbentoierben/ 
fo en foubcn befe geen befiuip toefen ber bjebe/mcec 
toel een boctfelenbebertoetfifel banbpanbtfcöap^ 
pen ; enbe om befe rebene / Ijebbe icli be ï^rclte ge^ 
ftcit alsÈ mitJöelareffe/eene coJomne enbe fteunfel ber 
toacröept:fco bat/bte öaer niet en foube toillen ïjoo^ 
ren / foube gerefient toojben boo? I^epben enbe ©u- 
blicacn^lgeb itU met mijne ^poftelc albujs be toaer^^ 
Ijc^t bebeftigöt^ ^cli \3tbbe geliicfe fp boen te recfite 
gcfepbt : €en toaer/ i)at ith be toercöen onber öaer 
gi'öacn öabbe/ bie niemant anber^ gebaen en öeeft/ 
fp en foubenbefonben ntct&ebbem^efe toercfeen te 
boen en ïjcD ih hooi mp niet aliec betoaert/maer l}cü 
befclbe acn mijne bifcipelen oocfe im goeber Herten 
mcbe-gebeplt/foobat icfe oocli be!ooft Ijcbbe batfp- 
iicl-ïen mecrber faeclien boen fouben ( boo; mtjne 
ljracl]te)i)batt icIi gebaen Debbe: enbe Oeb bit albus^ 
gcfcötcltt / batter tot aüen tgben mtralielen en öep^ 
Itgciï/foD beel a\^ baer fterren ^ijn / blincften fouben 
in i]ct firmament ban mijne Öercfte* 
Den meni>h.^it fjebb' iU OGfi bifttoijlé bztmtW 
^S^üi te 'coctcn / Mutt nopt eenige afgetoelien en 5Ö» ban 
irrijan 't bc Catljoirjclien oni ftun tot een beter ïeben te be^ 
carijoiijcJigcVjcn/ maer om bat fp fouben gerahen tot beb^P- 
?,cnuot *" ijm be.ö bleefcösf/ betoelclie aen-gep?ebicöt too?bt/ 
ten btiet ban utoe bpanben o J^eere / enbe ban be bpanben u^ 
kbeii te ^^^ ö^püS^n Krups^^i^oe biclJtoiJl.ö^ i& 't gzicljitW 



Van het Geloove. 27 

bat b'al&cchJijffc onbcc fjacc-ltcbcn/cctoenff fit fieb^ 
ben te Icben op bc toijfc enbe maniere bet ketteren / 
mact te ftecben op be maniere ber CatOolijcöcn/ en 
bat eplaeie? te bergecfcf. <Dcb berblinbe menfcöen/ 
l^oclanoBefuItobn5ön Ouaerban Der ten ^ 3BaecPfai.4. 
toe betmnt öDp pbetDepbt/enbe foccfet be logenen i 

G E B E D T. 

GElooft endc gedanckt moet ghy weren,ö Heere,die ^^^^' ^f- 
uwe barmhertighey t van my niet gekeert en hebt, 
ick en lal in der eeuwighcyt,in der eeuwigheyten fal ik 
my niet af-keeren van uwe geboden , maer fal altij t ge^ 
hoorfaem wefen aen uwe Kercke, op dat ick niet gere- iloenteu 
kent en worde,voor eenenHeyden endePublicaen. Ick JJg jg^^^g°/^ 
lal blijven ftacn op de oude paden , die bewandelt heb- jv,t/ jjcm 
ben geweeft van de oude Vaders, en door hare getuyge- ütn öe(0uts 
niflen beveftigt.Verlicht my ghy,die daer zijthetwaer- Jcté moet 
achtigh licht, ende verftercktmyopdatickrotgeen- pfaim^ii. 
der tijden en ontflape in de doodt,op dat mijnen vyandt ibidem, 
niet en fegge , ick hebbe d'over-handü over hem gckre- ^ 
gen. O hoogheydtder rijckdommen , van de wijiheyt 
ende wctenthcyt Godts,hoe onbegrijpelijck zijn fijne Rom. 11. 
oordeelen, ende hoe ongrondeerlijck lijne wegen ! Wie 
is daer ghevonden , die mvenfinne door-kent heeft , ö 
Heere,oftwie heeft uwen raets-mangeweeftrSict daer lefai. f. 
gaenalleoogenblicken, ontallicke menfchen verloren; ^^*^- z^- 
en de helle heeft haren mont open gcdaen fonder m.ate; 
en daer en wort by na niemant gevonden, die op d'eeu- 
wigheyt denckt ; met wateene neerftigheydt, o loeten ^jt fiï op 
Jesu , fouden de menfchen de waerhey t onderfoecken, t)*cfuijoifi= 
waerhet fakedatfe hierop letteden, met wateene vye- li^Pt docj^^ 
jigheyt , fouden fy haer begeven tot de H. Catholijcke öm ijaJ^"* 
Kercke,dtie met foo veel H. mannen verciert is geweeft, rot De 
met foo veel mirakelen door-luchtigh , door foo veel toacrljcpöt 
hondert jaren beveftight , met het bioet van foo veel S^*^*^*^^'" 
heylige Martelaren befegcit? Hetisvoorwaeronge- 
loovelijck, dat defe alle gelijck gedoolt hebben; en on- 
der haer, fo Veel wijfc en geleerde mannc,totdat eenen 
uy t-gelöopen Monnick,het vij fftc Euangeli, oft om be- 
ter te feggen fijne rafernye heeft begmnen te verkondi- 
gen.W'ie foudc konnen gelooven,( ' t en ware dat wy het 
Iche fagen,) dacter lbo veel menfchen afgeweken zijn- 
' dc,vaw 



XS Den I. Boeck. Het 1 1. Cap. 

<Ie,van de oprechte waerheyt/o geruftelijck levc,inde- 
fe fotte leeringe?Sy en wetê cylacs niet,dat haer d'ecii- 
W'igheyt nakende is ! Hier door gebeurt het.datfy naer 
de rechte en oude wegen niet en vragen , noch en letten 
niet op dit leven,en defen weg,die eens gepafTeert zijnda 
niet te hergacn en is.Komt,dit bidde icK. u,en aenmerkc 
de wercken des Heeren, die hy als wonderbare tekenen 
geftelt heeft op der aerden,en leert, waer den wegh der 
ialigheyt,ende het eeuwig- duerende leven te vinden isi 
want het is onmogclijck God te behao;en fonder geloo- 
vc. Aenfchouwt de groote menightc der gener die in de 
wildernifTe, endc in de Kloofters door ftrangigheydt en 
fuy\'crheydt van leven, alleen in de CatholijckeKercke 
\iytgefchcnen hebben , dechooren der maeghden door 
ïeynighey t blinckende, de Martelaren door onverwin- 
helijcke patientie uytftekende. Wat danckfegginge fal 
ick u bewijfen,ó VerlolTer mijner 2iele,die in t midden 
van defe duyfterniflèn fo veel lichten hebt late over my 
fchijnen,op dat ick foude mogen ficn, v^'acr hencn,en al- 
Waer ick foude moeten reyfen,om my te houden aen de 
colomne vande H.Catholijcke Kercke,indewelckc het 
waerachtigh Geloofde fondaers gcneeft,de onwetende 
• verlicht . de fiecken meeftert, de Geloovige ondcrwij ft, 
die berouw en lecrwelcn hebben hcrmacckt , de recht- 
veerdige \y eriger macckt , de Martelaren kroont , de 
macgdê bewaeru, aen de gehoude perfoonê reynigheyt 
geeft, de Geeftelijckhey t'reformeer t , de Priefters wijt, 
ons den Hemel gereet maekt, en ten laetften ons mede- 
deylt de eewige eiTenifle in 't gefellchap van de Enge- 
len Gods. Och of dit overdachten en bemercktcn endc 
uwe geboden wilden onderhouden, die lbo ellendelijck 
vcrleyt worden door de rafernyen der afvalligërmetter 
waerheyt,cnde wel hebt ghy(ó eeuwige Wijlneyt!) gc- 
feydt , Die den wille van mijnen Hcmelfchcn Vader lal 
willen doen,fal moecn kennen wat het is van mijne lee- 
ringe, offe uy t Gocft is, of dat ick uy t my fel ven fpreke. 
5y Youden voorwaer lichtelijck uyt de Synagoge der 

foddeloofcn geraken,waer ' t lake dat fy hare fonden,en 
oos leven wilden verlaten , ^elijck Abraham verlaten 
lieeft het vyer derChaldee,en Moy fes door het geloove 
't lant van Egypte, met hare duyfterniflen, en datfc wil- 
ilen komen tot u, o Herder der zieie^tot u,ö foetê Jesu. 

Die 



u 



Van het G«loove. '29 

Die geduriglijck uwe handen uyt-reyckc tothetonge- Ifai.fij; 
Joovig volck, welck wandelt in eenen weg die niet goec 
en is , na fijne gedachten , tot u , die daer zij t d'eeuwige 
Wijlheytjdie buytenpredikt en op de ftraten geeft uwe 
ftemme,feggende:Hoe langh fult ghy kleyne de kintf- provcrb 
hey t beminnen? en hoe lang fullen de dwafe hun felven 
ichadelijcke dingen begcercn , ende de onwijfe de we- 
tcntheyt hatenrVerlicht ö foetenjESuhare zielen,ende 
oock de mijne, verfterckt my, en vermeerdert mijn Ge* 
loof,ghy,dieallemenrchê zijtverlichtende.Spreyt uyt» 
ö mijnen VerlofTcr, de ftralen van uwe goethey dtjtndo- 
weeft genadigiwceft gedachtig uwer ontfermhertighe^ 
den , ende uwes dierbaren blocdts , waer mede ghy ona 
gekocht hebt. Ley dt ons,o waerachtigen Herder,in de 
weyden van hetHcmelfch Paradijs , verloft ons van de 
jfeuwige doodt, ó ons leven, en onle eeuwige toevlucht;. 

MEDITATIE 

Van de Gave des Gbeloofs, 

De voorflelltnge derplaetfe j^JX , al^ Oft ÖÖP toacrt tH tZ^ 

ne grootê tDilDerniflTe/ m Detoelcfeebccfcöcpöen toc^ 
CDen 3ön / fonöèc lepöt^-man / oft ( te toeten) toaet 
genen fplepöen. 

Het Ghebedt, ^it)t om ItcDt ban be ^onne bec 
rccfjtbeeröigöepöt / op bat gfip mocDt toeten / toaf 
toegen gDp moet toanbelen» 
TJ oBt I. point. €en eecften/ obecffet al^ ban ttmn 
*- -""öoogen bergft ben geöeeïen aerbbobem / en bec? 
toonbert « ober be macftt/toijf fiepbt enbe goetDepbt 
«öobj^; enbe gelooft baftelöcti(gcmercftt battct niet mu tttt» 
ban fp-feiben toefen fean)bat fip ben ^cficppcc enbe [^^f ^«' 
ooifp^oncö i.öban tiian. (Centtoeeben obcrbenclu on^Si 
t^it aüe fcöepfelj^ gcmaecFtt 3ön bp getotcljte/ getal ^bohu 
enbe mate/ enbe ban (jem/al0 ban ecnen ^Sou-mee- Sap.n. 
ftec oft öonflenaec tot een fefeec epnbe geflier t to02> 
ben/ enbe oberfiüclijEJ fjem bcrltonbigen afó öaren 
oo:fp:oncFi: aBant foo ben ©^opDeet fegt: be Deme^ 
len becteüen be glocie ban <0obt/$c, enbe toee u/foo pf^i.ii». 
oOp ftoijgt. (Cen becbcn obecbencht bat ben menfcD sc»e m^ 
ti'ebcffre ts? ban al(e crcatiaen/ enbebat güï^ u epnbe ^"" ^^^^ 
en bolmaecfetfiept Bebt;gecoepen 3önbe toaerae Bte^ tlm^^ 
imh i ^\% m\ S^m-\s^U W. be ^f Mtoige bjeugöt; 

Jeben 



30 Den L Boeck. Het II. Cap. 

Icben cnbe ccit;cit ut bitt oo?fafic/ öattcr mibödm 
h^tm ^iju/ouhct tocicftc 't cecftc enbc alöcinooöig- 
fte iK^ïjct €utïjoli)cfe öÜcIooVic/ al^ï een licijt in öe 
bupitccntffen/cnüe ccn^ öccöe in't mibö^ii bivi^ obec^ 
bioetiöf / inöetoclch^ alïei^n otbonDcn tDO^öt faüg:» 
fispt/BcplioOcpt cnöe onnoofdïjcpt be.ö leben.ö : alle 
©art «1 i^^ tï0 anbece / ötc tjicc [juptcn 3ön/ iöben fcöipü^aliuv 
ecSo7" öc ban 't öcloof/ cnbe gacn jammcrlijcö ma oi'oote 
'* mcniij&ten te gt'onöe / boo? feettctpe en arö!j-U(ïia=^ 
ficpt bCjS bupbel^-;?^aei*om fiet Ujat oï)P Inejl / cnbe 
iaet u boo^fcltcilijch boo^ftaen bat ql}n ben ectoiöcn 
Ephcf. 4. jj^aiit niet en fult ontüomen bupti befe arcöe:3^ant 
be öerclte i^ een / fjet €^eloof een/ ïiet ^oopfel een* 
l^et ü»Pfö^fni ban eenen l^oëi^iiptberöoien/ ee- 
nen ^D^aöam t^ ©abecgefteltoetDeedbanbece^ 
loobigem €en bterben obec-benr fet fjoe noobtfafee^ 
i^oe groo* (ijcli Ijet gelcof i^j en öoe fo^gbulbelijcfe bat öet ban 
i^-S^S^J^^beongeïoobioengefocDt moettDO^ben/ bentïubat 
» »uui 1^. ^g^ ^g^^. ontallöclie fiet af-toijclien/en bat gf)P me^ 
be {Iaet cp öet upterfte boo^t om te ballen/'t en bjaer 
benl^eere aen utoesieleonber-fiantbebe met fijne 
genabige flanben : toaecaf gïjpDemfcl]uIbigD5Dt 
upt gantfcü^c fielten tebebancfeen* cCenbijfbeno^ 
l)erbencöt/böt ben ^eeie €Ö?ifty.^ neber-gebaelt i^ 
upt mx ^emel/om aen onfe eüenbige(bie baec faten 
iw be fcljabute beiS boot^/ ) befe accl^ie enbe btt licDt 
tt^ geloof jg te toonen. ïï^at bejS ïioninc6jsJ<§one 
(feggc icïi}t32^ geïiomen/op bat l]^ be fcOaepfeen^/ bie 
bacu boolben langD^ befe luiibe boffcDagie/ foube 
foecfien/enbe niet alleen befelbe foube lepben na ben 
recöten tod)/ maecoocft op fijne epgenefcDouber?^ 
foube tueberö^engen:'ttaelcfi ÖP boet foo bicfttoijls^/ 
Ql^ Bp pemant mebe-bepït Bet licöt bej2^ geloofd / en 
geiijcöeenentb;eeben ^oeontfangOtfein b'^vclie 
<©0bt m titt ^.üercfte. (€en fefien obei'benciu ba^ ftet obec^ 
utt met fulcïi.ö toeiïaet aen be OBobbelijclie boojficDtigfiept 
imolftitt ocenfin^' toe te laten bat ben menfcD/bie^iob toaee* 
tnmrïö te. ncfltelijcö en in goeber troutoen foeclit ( 't en 3p b&t 
ï)209m fip felf^ tDxlle) ban ba* bupbelen enbe ©etteren baU 
to9?t» jTc jjc opflellingöe beb|ogJ)en iDO^be: enbe baerom 
töeefï boo^feliett / gelijeli ftp tot allen tijben gefeofen 
Beeft upt bc BepUgen fowmïoD^ i^iopfleten enbi 



Van het Geloove. 31 

fSpoffefen/ ölfo niet en fnï toelaten bat fietteiTe/f]a«' 
re tjooffjept met oel^epnföemamerlicMeptöe.öio 
benjat alfo üeDecfeen : oft fp en öonnen altijtsf ooaen- 
fcütjnelicfe ban öen infienöen öebonöen loodden: a\^ 
ïjet oocö plagO te öcbeucen/foo toanneec Den Doofcn 
bpant fijne oeöaenteberanbecttneenen^ngeldesï 
Ucöt^ öoo? fcDönenDe mtcafeelen / öte OBcöt onöec 
Den roem banop-recöte/ ntetenlaetoefcOieöcn. 

ïget 2. point. ai^Uec-bencfit öat öefe gabe alfo om ^oe bat 
«iet gcgebcn iö/ Dat fp in gccnbei* manieren met ec^^ nicmanöt 
nigeneerfligöcpt of toeöocnber menfcftenbefeomen g"Si 
lian b30?tieni niemant en lian 't geloof bcröienen / han/nactj* 
titet meer (fo ^uguftinu^ fp^eecfet) al.cf eenen onge^ tanis boo?. 
fcljaeföen blocli berdient batöenbeelt-fniitierban \^Jl^'^ 
fiem maöeeéfraentiebeelt^vDiis^betranclitöél^eere/il^ "^ ^ 
ijit baer ban De Duplïernilïen in uflertljceftDocn 
blincfeen Dat fcDoon en toonDerlicö licDt. (ien tbjee»^ 
ben oberDencfet DatDefe gabe toelom niet gegeben 
t.ö/infulcöer boegen nocDtanss/Datfeboo.uen pegc^ 
Ujcfe DerepDt5p» Want <0oDjcJ bJille i.sf/Dat alle mcn^ i.ad xii». 
fcDcnfaügb30.2Den/enïiomentotöennificD£rtoaer^2. 
Öept : en ÖP berlicïjt alle menfcöen fiomenDe in Defc 
toerelti alfoo Dat/ toaer 't Dp alDien(na Bet geboelen 
ban <8oDDelücfee2eeraergi) Datter pmant in De \3i\U 
Decniffe leef Qe naer ïjzt upt-toijfen ban De b3et Dec 
naturen / aèoDt öem onttoijffelijcö fouDe fcnDen oft 
cenen €ngel(gelp Dp geDaen öeeft aen De ^«€ö?i- 
ftiana) ofteenen5Cpo(tolifcöenman/ Dieï)cmin't 
geloobe fouDe onDer-toöfrn : aü^^n i^ 't ban nooDe/ 
bat 6p met een ftil gemoct De benfïer fijnDci: s^ele o^? 
pene aen't licöt Der toaerDept.fCen DerDi obec Denfu 
Boe groot Defegabe5P/ toant(foo De toaer Dept ge* loaa. 17. 
cupgBt : ) Dit 10 Det ecutoigft leben/ Dat fp u f^cnncu 
Alleen toaeracötigen <ecDt/ en Dien gftp öeöt gefon* 
ben Jesum Christum : toant Doo^ fiet geloobe Itent* 
men <0oDt enDe alle ï^cpligen/ enDe aller fcl^epfeisn 
beginfel enDe epnDe. l^et geloof i^ 't gront-toercö 
ban alle goeDe toecc&en ; toantfonDerfjctgö^loof Hcbr.n. 
i^ 't onmogljelijclt »6oDe te DeljagDen : enDe toeDer^ Mard uic 
om footoienietengöelooft/falberDoemttoo:Den; 

!a Dat meer W Die niet en gelooft / Die i$ ban hu af 

C&2ii 



;2 Denl.Boeck. Hetll.Cap. 

i.?etr/i. €B?f(!um De^ft on^ *0oö öoft^löcfee üeïoftett geoc^ 
^et ^cp ben / op öat top gicc öoo? moaen Dcelacljtiöö too?^ 
maccftt ^^" ^^" öe <0otrtielöcfic nature, igiec upt foo ken/ 
om üttu ftoc ocoot mK toel-öact en o^^atie Det t^ gecocpcn te 
h/hlHfï^" 3ön tot öet QclooW cnöeDat öDp onöcr fo bccl Bon^ 
c3 öert-dupfcnöen/ öie alier bertoefcn tonrcn totecne 
fcD?oomelijche enöe to^ecbe booöt / alïeen fonDer u^ 
toe berbienften / enöe encfeeïijcft öoo?öe^recljter$J 
licföe too^n becloft ; znhc fjiec-en-boben nodj geroer 
pentotOetrijcfi öec i^cmeïem (€en bierben cber- 
leaöt ftoe grootegcnaöebanöenlgeereöefcljietitigf 
aenJlotB/ öemtrecheniïeuptB^t bperban^oöo^ 
ma : ijoe groote aen J^oe / ö^»i Deb^ijDenöe ban ben 
gemepnentoatec-bloet: fioe groote aen ^D^ajDam/ 
tiem roepenöe upt ©^ ber CDslbeeufcOen / enbe upt 
befe toel-baben leert ïtennenbegrootBepbt ban Jjet 
toelbaet utoe.s? roep.ss tot öet geloof. 
ï^ocujp Het j.point. <aberbencöt met öoebanïgefo^gbul^ 
htXrm ^^öDcpt 't geloof betoaert moet too^ben/ alfoobat 
mocwiu 09p beel lieber b^omelöcö öef)oo?be te Herben / ban 
een ftrop-b^eeb baer af te toöclien: Dterom feggt ben 
Gal. 6. ^poflel : toaer 't bat top / oft ooch cenen €ngel upt 
bent)emelanbens p^ebiclue/ btefpber bannen ban 
<0obe.fCen ttoeeben/ aenfcljoutotbeontallöclie me- 
nigte bec Höartelaren/bie allegaber beel lieber l)eb> 
ben geljaet öaer leben / al.^ Ijaer geloof te berltefen. 
€en berben / bencöt met Doe grooten pber en neer* 
Piöïjt^t Ijet felbe boo? fo beel ^pofioltfcOe mannen/ 
boo;j menigDte ban perijclielen/en berfcftcpbcn fco?- 
ten ban booben berb^epbt i^* i€en bierben/ be reben 
ban ï^':fc felierCepbt enbe bolflanbigljept W om bat 
<0obt felbe/bte be toaerljepbt W be leer inge bes? ge- 
loof ^Ijeeft geopenbaert: toanttopbocDglicïoobeit 
!.Thcir.2. om batDet 45o^t gefeut Deeft.^^bp-lteben fiebt ont^ 
fangen ( fp^eecftt ©aiilu^j ftetapi^oo^nbe^' geljoo^^V 
«iet alj2^ 't aBco^bt ber menfcljen/maer fo bet toaer- 
aclnelijcfe t^/ 'taDoo^bt Cobt^. (Bclj boe groote 
eene gratie i^ 't <^obt te Oebben tot fijnen mecfier / 
cnbe boo? fijn Deïepbt in te gaen ben toecij ber mu 
man un toigbeptliCen bijfben/Oier upt ïïomt iwtjat bc €a» 
S" H°"i* tljolijcfee religie noclj failleren nocö beranbereii 
ïtomcte ^^^/ ««^^B «ïwft beöo^ben mi^m ü'alber-fiepiigDftc 



Van het G^loove. 53 

Icccfngc bcr lÖcrcRc : enbc bemcrcöt toei/Ijoc bat nu öciigig 
foobccÜjontia'tjiUcaaltijt't fclUcGcloof / aitijtöe»"«f^/"^ 

felbc löcnnoe ÖLTl?.!^ctcficüljjft|lacn/öaecnocl)4Xn£ 
tan^ef fo niemcDbiiiöiöc fcctcn Der hetterpen 5ijn / en too?o<iu 
tot allen tijbcn geVöecft öeüDeu. fCenftdcn/ obec=: 
bencfet Ooe groot be Ijcpligfjcpt i^ bcfer feerclic : Ijoe 
bat befe uptgcfcöcncn Oeeft in foo bed .fDaeoOtJcit 
enbe iBartelaerss : toateeneontfjoubingeberfpüfe 
in b'<Êremijten/ ^x^at ceneberbulbiglieptinlijben/ 
toat ecne menicDte bcr miralielen Debonbcn Xoop 
ben. ïBant [jct bocDalmogcUjcliiöacnbenGtloo* ^^^^^"5. 
benben/ alfoo ^at oocö na menfcöcïijcüc boo2fïeniö^ 
8ept/een peaelijcö fcftulbigö iö bit geloof faeiibecc* 
ben. i^cn febenflen / ijcft gabe en too^t op geene an^ 
berc maniere beter betoaert / banmetgoebcteerc^ 
lien/enbebaerom ea gcDeurt öctnietlicfjtelöcli/bat 
pemantafbaUicïjtoo^beban'tgeloobe/bieftcmmet 
C6?ifto bereenigljt in <0obt-b2ucbtigöepbt enbe 
goebe manierenrmaer [loben al/ foo kert upt fjct ejc^ 
gmpel ban CoineliusöVljoe getöicljtigö öter toe 5Ön/ 
'tgebvbt enbe b'aelmocfle naer öet getupgcn be0 Aaor. 10. 
<»^ngeljc?/ bit \)cm fcxih^/ u\oc gebeben enbe aelmceO ^^,öe aci. 
fen fijn in gcbencbeniffc opvjeülommen boo? <0obt0 moemi 
aenficBt/ enbe nu fepnt mannen in goppen/ enbe iicrrrercftcn 
boet öcm ftaien eenen ^nmon/bie tcegenaemt too?t J"^ "i ^^^ 
Petrujs? / alö oft b? fepbe / l)at bp om föne gebeben '^ '* 
tntjz aelmoelTeït geroepen Ina.^ uptlju Soobfcöap/ 
tot bet €>eIoof Cöaiftt gefu. 

Een Gebedx voor deCatholijcken, opdatfyiobet 

Geloof volftandigh blijven mochten; cndevoor 

de dwalende , opdat {y daer toe mogen 

komen. 

/^ MijnenGod,ó oncyndelijcke goeiheyt,en hebt ghy 
^^niet hemel ende aerde gefchapenvoormy? maer 
"wat IS al dir?als ick verlooren was,foo hebt ghy my met 
veel mocy ten gekocht ende vcrloft, enufelven gegeven 
voor my. Ik kome dan met groot betrouwen tot u,'ende <0ot)t ié 
bidden, door u dierbaerbloet;\viji^my dé \veg,door de öftinrniffft 
wekken ick wandelê mach;op dat ik kome tot het cyn- ^^ boom"/ 
de,dat ghy myvoorgeftelt hebt, tot het leven,hetvveick fttlu ' 

^ ghy 



34 Den 1. Boeck. Het 1 1. Cap- 

ghy voor my berey t en fo dier gekocht hebt: want aerp- 
gefien ghy niet te vergeefs gemaeckt en hebt,maer ye- 
der dinck ordineert foetelij k en fterckelijk tot fijn eyn- 
de,en al om my^ ja nademael ghy om mijnent wille van 
den hemel ter aerden gekomen zijt,uyt ecne oniiytfpre- 
kelijcke liefde , op dat ghy my als eenverloren fchaep- 
ken in uwe weydc fout mogen leyden: ja noch duyfcnt- 
mael bereytfoudtzijn om tefterven , indien uwc over-» 
vloedige onder- rechtinge ende verloflin^e niet genoeg 
en waer.Ben ik hieromme niet meer als fcker,dat indien 
!©ai ik maer en wille , ghy my ten eyndc toe geleyden fult in 
menfctj i^ den rechten v/eg? en dat ghy,o Sonne der rechtveerdig- 
htntl^ hey t my verlicntcn fult,indien ik mijn herte voor u niet 
toUt öat en fluy te , dat ghy my uwe wegen leeren fult,indien ick 
!)P tot Dat niet en ftoppe de ooren mijnder ziele : want ghy zijt ee- 
*P"?^ fal' "^ oneyndeïijke goetheyt, en ghy wilt dat niemant ver- 
i.Tim.j. * loren gae , maer dat alle menfchen tot de kennifle der 
waerheyt komê.Hoe kan ik dan twijfelê,of ghy zijt bc- 
reyt om my te ftieren,is 't dat ick u oprechtelickbidde, 
gelijk ik op het vyerigfte doe?0 eeuwige waerheyCjghy 
en kont my door logen- tale niet bedriegen! O opperfte 
goetheytjghy en kont my tot quaethey t niet verleyden! 
U eeuwige wijflieytjghy en kont of ghy en wilt my niet 
in eenige dwalinge brenge,ftellende voor my diverfche 
<5obt bet^ en donkere wegen , ghy die daer zijt 't waerachtig licht 
iicöt Étn in de duyfterhey t , die verlicht alle menfchen komende 
om op öcrt ^" ^^^^ werelt,op dat een yeder kennelijck worde,welc- 
iccljtflen ken wegh goet is , en wandele in dien. "Want wie en kan 
toegl) te niet mereken de bedriegelijckheden van.de oude ende 
feomeiu nieuwe Ketters, naerdemael fy al te famê bekennen het 
eenigh fondament te wefen haerdcr leeringe , dat fy en 
alle menfchen vaftelijk moeten geloovenaen de Catho- 
lijcke Kercke , dat defe aen haer de ware Schrifture o- 
vergelevert heeftimaer datmc in d'uy tlcgginge van die, 
^t balf« niet de Catholi jcke Kercke , maer hun gclooven moet; 
^ttfKiu ^" ^^^ alleen , om datfe ha);e uy tlegginge de befte noe- 
men? So kleeden haer met de Schrifture deie grijpende 
wolven in lchaeps-kleederen:alfo Satan verandert hem 
felven in eenen Engel des lichts.Ick voorvvaer,ende een 
yeder, die eenige wijlheyt heeft, fal in dit, en in alle an- 
dere faken, oock die veel kleynder zijn, liever gelooven 
aen de heylige Kerke, liacrdf.wd al^e Kctiexs pok lee- 



Van het Geloovc. 3^ 

ren , cliirmcnacn defe moet gelooven in 't o\Ti'-Ieveren 
der Schrifture, 't welk eê fondament is van alle gcfchil- 
lcn,die tuflchen ons en de Ketters zijn. In der waerheyr 
den ouderdom beveftip;t defcKercke : de mirakelé ver- ©é fcfte- 
ftercken hacr : de heyligheyt der geeflelijcken recom- l'^"^?!' ^^ 
mandecrthaer: maerdcfe andere'"maecktdenieuwig- heCh^'U* 
hcy t fufped ; en de tweedracht, die onder haer is,en de 
vryigheyt des levens,is genoegfaem om haer te weder- 
Icggê.Enhebt ghy niet gefeytjO alderfoetften JESU,dat Matth. 2?. 
depoorté der hellen gene macht tegen uwe Kerke heb- 
ben fullen: dat ghy by haer blijve fult tot het cyndc des 
'U'crelts?Hieroin en ka geene ketterye,die de macht der 
hellen is,dere Kercke vernielen : gelijck ghy,dienieten 
hebt konnen verlaten.Ik geloove u veel liever,o eeuwi- 
ge Wacrhey t,als eenige verloopene dwaren,die de hoo- 
Teerdye,ydelheyt, en de onkuyicheytgebrocht hebben 
tot kctterye,als toteene toevlucht van allêquadé:maer 
boven al d« hoovecrdye : want fy ftellen hun felven als 
Rechters van alleH.Oiit-Vaders,en van alle tijden, en 
fo vallen fy in den afgront van alle doliugen en ellende. 
O goeden |£SU,hoe konnen dit uwe Difcipelen zijn,die Matth. t r, 
fachtmoedig en ootmoedig van herten zij t? Mijne ziele t?*^ gebeöt 
heeft u aengehangê^laet doch uwer rechter- hant bidde S^jj^Jjj»* 
ick,my onttangen , op dat ick nimmermeer in dwalinge ge op te 
gebrocht worde, enindiéickonverdachtelijkmeeniire tiaeiu 
dwalinge quame, herftelt doch mijne gangé ten rechte; 
want ghy v,Tet o Heere.dat ik buyten u niet en foecke. 
En hoe wel ick eene armé fondaer bendo is ' t my noch- 
tans van herten leet,dat ik u vertoornt hebbermijn hert 
is bereet o Heere,miin herte is bereet,indien het noodig 
is my felven t'ontÜaen van alle officien , eere, n)ckdom, pf^i. j^, 
en oock mijn leven te laten , naerdemael hier gehandeh 
wort van eene eeuwige doot,en van een eeuwig leven,en 
Van uwe liefde,mijn herte is bereet om u te volgc,op dat 
ick uwe wet mach volbrengen; en ik weetdatghy door 
uwe oneyndeli) ke goethey t den verloren fone, die tot u 
komt,niet verltooréen fuk^dat ghy niet haten en lult,de 
gene, die u beminnen: dat ghy de arbeydende en overla- 
cene niet verworpë en fult;want ghy zijt eenë oprechte 
Vader der armë.Hierom enverfmaet my dan niet, maer 
helpt my o mijn Hcht ; op dat ick niet en ontllape in de 
doot. En geraerckt ghy door uwe oneyndelijckebarm- 

<© 2 bertig- 



56 Denl.Boeck. Hetll.Cap. 

liertigheyt gewilt hebt , dat ick het ware licht van uwe. 
Catholijckc Kcrckc lien foudc,verbreydt uwc liefde in 
Roiu, 8. mijn herte, op dat ick fcker zy, dat noch doot,noch En- 
gelen,noch Arch-engelcn , noch Princelickhcden , noch 
krachten, noch tegcn\voordige,noch aenftaende laken, 
noch hoocheyt,nochdiepte,noch eenigc andere creatu- 
re,my fal konné aflcheyden van de liefde Gods,dewel- 
ke is inu Christe Jesu ; want ghy zij t mi j:i leven, en- 
ile voor u te fterven is mijne winfte, als ick mijne doodt 
voor de uwe fal gegeven hebben,als ick het tegenwoor- 
dig lcvé,mijne eere,glorie, rijkdom,met u rijk verman- 
gelt fal hebben, en lal ik niet gcluckig wefenpMaer bo- 
ven al,indien ick u bemint fal hebben en nauwelick een 
droppelken van liefde voor den afgront van de uwe we- 
der-gegeven:want hier toe alleen fo fuchtc ik, dat ik u- 
>ves mach zijn, dat ick u mach genieten om uwe liefde: 
op dat ick in u,die eeuwigh zijt,eeuwigh mach leven, 
ende met u een mach zijn in der ceuwigheyr, Amen. 

Pradijcke om het Geloof te oefFenen, ende tot 

hetfelve te komen. 

l*Ci^^yt^tttht be tocrcfeen ban ben Cölifïctt 
^^ menfcB op ïjtt geloof/ a\^ op cenen gronbt- 
itcm flcuttcn/ fo t^ 't hat lopocöucciolicligeleöcnt^ï 
i)ept Hebben/ om ïjct fcfbc te ocifcnen : nuiec piirttU 
pa'iicli in Int gcbrnpck ber ï^cpUöee Sacramenten* 
^et felbe toojtoocïi (ebenDigö gemneefet / foo Ujan^ 
neer peniant 0; feiben oni;£erb^aei3i)t/oft fjp gelooft / 
of t ïjp fo fijne 'mcttiim bolö?engt / aï^ een tiif^ \3^üttf 
acïjteUjcfe gelooft^bjant öet lebenbe geloof b^2eng0t 
boo2 b^ncöten be toercöen boo?t:3in fulclier boegen 
ooclvboo? öet cenfien alUr creaturen ftanftet geloof 
cnbe Iteföe tot ben Scfteppcr ber felber/in on^es ber ^ 
toechttooaticni luant foo Hugoa S. Viit.getnpglu : 
alle gcfc{)ai,iene Dingen roepen tot onjS / ontfangljt / 
geeft lücber/bltet/ ontfangftt toclbaet /geeft toeber 
ubje fcDult/ bliet be ftraffe. ornbe top m liebben niet 
min in tegenfpoebige al^ in boo^fpoebige faften oc^ 
tafie om liet geloof te oeffenen/ aengefien bat top in 
tegenfpoet / eben als? tn boo?fpoet fpne OBobbelicfta 
en i^aberlicfte ftanbt oocö feonnen bemerclien/ enbc 
beljopebereeubjigec bergelbingönnoniJ b^rtoec^ 



Van het Geloove. 37 

fecn. gnfocUjcr foo biclitöilö alffet ban Öettcr!(J oft 
ban boofc mcnfcijcn toojDt bcrmdt / foo mogen top 
<0obt öancltcn boo^ öe gabe t)zë geloofi^ / enöe foo== 
banigetocrcfeenbocn/ t^i^ öunncc balfcöcc Icmn^ 
gen contrarie ^ftn» 

2. ^et tsf noötfalicltcfe/bat ben mcnfcï) om tot Tjct 
oprecljt geloof te liomen/ föne toeblucöt neme tot 
<0obt/ enbc bir^tic bat flp berltcljt macfj too^ben- 

3. 2iüe ajfectien fjaet enbe npt aflegge/ op bat B? 
met een onpartijbig üet^te ban befe faöe/ macïj 00?- 
beelen ; Defonberlich moetmen afleggen b'affcctten 
tot tijbelicöe goeberen/ betoelcöe beel mcnfcDcn ge^ 
bonben Jjoubt» 

4, 3lefebe<0nbt-©aber^: maermetbcgcncbie 
be ^ettersynaer ïjct quaet exempel ban b'oubeöct^ 
teren/ljebenfbaegö0 üebojben IjclJt^cn» 

5» l^anbele met een gbcicert man / niet met mcp^ 
ningebanbifputeren/ maer om te Itomen totüens» 
ï\if(c ban be opredjte toaciöcpbt- 

6» ^otbienepnbeaelmoeffengebc/ cnriemoot^^^''^f^^* 
moebelijcft btcftloil^ begebe tot (jet geDebt/enbc ben Zitmt» 
^ctu fal fepnben/ oft fünen €ngel/oft fal btoingen beDm too:t 
eenen nteutocn ©etru£? te üonien / bat i^ te feggcn / f^}^^^' 
eenen '3£po(IolijcïKn man / oft toelfal gljeben eenen S "^ 
©DilippuiS?/ gelijcb bp Qcti^zn ïjzcft aen titn <öcfne^ homeiu 
ben i^amerlincït* aBantben genen bic bjaeclit aen ^'■°v-«- 
be Deuren ber toijfOcpr/enbe toacöt aen öe flijien ban 
öare benren/ tiic i$ gelucöigl)/enbc öp fal öet kben 
btnben / enbe fal faligïjept fdjeppen ban hen %ere. 

7*<^l)P moet boo? al beneerftigen/bat 0]n 't öcrte ^0^ ^^^^ 
ban ben genen/ t^it gijp geccne op ben recfiten biegö ^o^,S 
fout brengen/ totnt met eenige toelbabcnjüjant (jter oatjén uan 
tnbermacO meer beïieföe tot fijnen ebcnaeftcn/ ban öaoiDirpii* 
lange rebenen en bifpuratten : en aïbiiö lefen \np be^ l%nmt^* 
feeert te m(m bc bermaerbc oüremijtïBapönutiuö» ban onfm 

8. benige v6obtb2ucOtige Doecjcëeaè/acn bc gene Ébm-nae* 
hk in btoalinge lebch ter öanbt ftcllen / bare binbe:^ o^^r^^T 
ren beïjulpfaem toefen oocFj tijbcltcö/bcfelbecnber;: gnmoef* 
toöfe«möet€at0o(»jcF{g9eloobe/ bü i.cfeenefon^ 
berlingc bebcnbigbcpt ban be liefbe* 

9 • 3-ö*t falie/bat gfip axbm pemant u befeeeren/ 
bic nu tot föne iar^n gchomcn i^ / foo moet öDp ö^== 



;8 Den I. Boeck. Het Il.Cap. 

fo?gcti/nacc öcn tatt ban^.jpctrujf jfaöer/ccn ban 

öc tteiucrilc mede gcfellen ban ben Itj^gignattu^en* 

bc ban onfe ^ocietent/ bat ben felben Ijem af trecfee 

ban bet fonbigb Itbcn / toant Dit ocnicpncUjcIt bö 

tncnfilje Incöcrf loiibt / bat fp Ijaec tor öet recüte qz^ 

loobentctenbeocbcm 

^n moctê lo» ^enccficn bat (jet onöefóof bc cerfïe fonbe niet 

pjiöwtoC' en t^ \)C[x\ een mcnfcb bic onocloobiob too^bt / niaec 

lni5?£öat l)p boo^anberefaiitcn/ enbeboo?ft!epnacötert 

ïcbccuige ban te ocDobcn enbe ftoiliipmen ber Ig.iüercben/ aU 

Dan öc iö. lenftöHenjö tot ongeloof 6omt / foo i$ betfeecp^ofö^ 

Il mQ?t?n telftcfe(om frt fclben enbe oocö anbere/in bet geloobe 

srtoot ach" te be\öarcn)öatmenbegeOoben enbe boflupmen ban 

ten/ ais ^ öeX^.^^ercficaltijötmctncetfttöOcpt boo^flae/ bz^ 

f "öf ^^ ftft fcï)erme/cabe onb^rbanigli 5P/al,6 oor li beobeclebe^ï 

SISc^kL ringc ban bc bcpiige Baöei'en / enbe be gebobenbec 

<0becfjept : boo^t^ fijn ieben niet fïappelöclt naec be 

maniere ban ben gemepnenman/ maecbperigl> 

iijcft/naer Ijet exempel t^zt J|epligen ^^obieJ/fcöicbê* 

1 1 . Het ï0 nut / bat ben genen ttiz ttoflfelacDtigö 

i0/ in ï3zt gene bat l)zt geloof aengaet / ba(ïelöcb ge* 

ïoobe/ batter beel ïietterpen 3t)m ja bat meer i^/ gc:^ 

i.cor.ii. lijtu öen 3llpo|lel fpjeerfet batbetnootfabelöcbiiS/ 

batter feettcrpen gebonben tco^ben / op bat t^c gene/ 

/ne defid biegep?oeft3ön/{ienbaertoo^bert.€enanberen/bat 

?»d Pet. ' be betteren ban be bepligc ^ercbe / en ban be ftepli^ 

ge 13aberjs bertoo^pen 3ijm i^en berbcn / oberleg^ 

gen / bat be toaerbept maer een en W be baeïcbe/ op 

batfe een pegeliitb foube mogDen bebent too^öen/ 

Öceft <©obt fijnen fone gefonben; berre i^ 't ban ban 

baer/ bat DP be felbe fourrc toiüen berbo?gen/ om be 

menfcöcn in bolingen te laten ballen/ o'berfulcbcs 

moet öp boo> bem nemen be felbe met aüe neerfiig^ 

ïjcpt te foecben» ffiaer bit moet gefcöicbcn met eene 

gróote ootmoebigftepöt / aengefien bar be boobeer ^ 

öigbept ben ooafp^oncb ban alle feetterpen i^ : toant 

cenen bettec alle be Concilien/ <0ubt-aDabersJ/3lee^ 

raec^/ ï|cpltgen/ enbe onfe boo^©aber^oo?beelt 

enbe bertoójpt/ op bat bp alleen fcbijneberflant te 

ncD^upeben/ enbe en ban nocbt-anc? geene anöere re^ 

hznz ban fijne leeringc boo|tbjcn(Ten/ 'mn bat Iw aU 

icen boben alle anöere / ben oprccèi(?n fin ban be 2^* 

^tt^üftm gebpnb^n fiecfr» Pra- 



VanhetGeloove. 39 

PraAijcke om te difputercn. 

1^ 't faccftc trat oDp B^t bifputeren met be httut^ 
nictm liontontgacn/fa moet göP ijoo? al blagen/ 
(op öat öe tifputatte niettebergeef^enöcfcötcöe) 
toïc bat ben fcöeptfman oft ben oo^belaei: fal toefenl 
3|£? 't fafee bat u boo2 anttooo^be gcgeben too^t/ vIDc 
^cliiiftuce^bjaegDt toelcft bed§cö?ïfture t^/en ban 
toaec onö bie gegeben fal too?bé^ljpfalonttoöfelöcfe 
anttoo$2beit/ ban tjcl^ctthc : b^icgDt/ toaecom bat 
be fecttcrö be felbe ban beranbccenenbefcOenben: 
toaerom bat fp be Catöolöcöe öercfee fonbcc eemge 
ttöijfel gclooben toanneer fp fept/ toaeracötig bit t?S 
^cöJtfture/enbe becfmaben notDtan.^J fjare uptle^? 
öinge als? oft fp baer in foube bolen^ enbe inbien top/ 
om befe toaeröept te boo2gconben/be^cD^if ture al^: 
leen moeten gefeupcfeen/toaec fullen top gefcö2ebett 
btnben/batbeboecfeen/bietopbe^cO?iftürenöemc/ 
fcB2iftuere5ün^ ^Baecuptmennootfafeelijcö moet 
laten bolgen/ bat beel tceffeUjcfee öooft-puntten be«S 
geloofis / gelooft moeten too?ben/al i$ 't bat be felbc 
niet gefcftjeben en 3i)n/enbe batmen Biec in tot be % 
KeccBe al0 tot be columneen Bet fleunfelbectoaer^ Augan.de 
Sepbt fijne toeblucBt moet nemen. 3Baei: af ben Ig. «'^e ad pet. 
"SCuguftinuo feec toelfept:gcft en foube boo^aer be SX* 
fcD.Jifturenietgelooben/ 'ten toaer/bat mp baectoe nich.'cs, 
be bcumogcntöept enbe autBoritept ban be ^.^ttt^ 
fee/ üctoeegljbe^ S^'t fafte/ bat 8p alfban Bern bege^? 
ben toilt tot be Hecche/foo moetmen be l^erclöe foec* 
feen enbe onbeffeennen/boo? feöere meccli-teecfeenen/ 
te toetc/boo^ be eentgBept ba leere/boo^ BepligBet^t/ 
oubecbom/enbeobeclebertngeber tlpoftelen/ toant 
Bet i^ eene uptfinnige fafee/enbe een beb jocB/Petina 
principii,genaemt/ batmen be l^ercöemoetterabe 
oaen/om te berftaen benfin ban bc^tB?ifture/enbe 
Q\^ men bsaegBt toclclie tsat be i^eccfee i!2?/boo2 ant^^ 
tooo?be ferijgöt/ "^at Bet bie i^ be toelcfie ben toaec^: 
acBtigen fin/enbe uptïegginge Beeft ban be fcBnftus: 
re. €n a\$ men boo^t^ b^aegBt toelcèe bat befe han 
tjS/onie? geene anberegctoonten toojt/ban Baecliebec 
üeccfee; enbeal.s?gBpBaerp2aemt/ teiebatbitaU 
bu^ leett/ fullen u anttoooiben/ fiacen geeft ; maer/ 

^ 4 « 



4o Denl.Boeck. Het II. Gap, 

tt wttn/hm geeft ban btoalinge/ cnöe üp^thlafmu 
ï)ept. 91110 gl)ti tDilt i3jeten/ toaer upt bat flet blijcöt/ 
batfp öcfen geeft fjeööcn/ enfuttanDerjefgeenant* 
tDOO?ïïe fenjgeii öan/Dat liet alöu.3 i^. Cen laetften/ 
om tnfjon al te Ocgnjpen/ foo enfuUcljpanöersj 
geen fondament enbe fteunfelbanï)etgeIoobeljeü^ 
feen/ban be rafcrnpe ban eenige pöele fiecfenem 

€en anbere maniere om met be ftetterö te bifpus» 
tecen/fult gljpbinben bp ben o^.^.BerontujJ* 

Schiet'gebedel^^ens door de vcekke daffeSlie van defe 

beradinae door den daghfoude tnogen 

gnderhouden worden, 

pfal. 33. (^ Aet tor hem cnde wort verlicht , ende foo en fullen 

^»-^ uwe aeniichcen nier befchaemr worden. 
Matth. II. Komt rot my alle die arbeydetende belaft 2ijt,endc ick 

lal u vermaecken. 
loan. 7. Soo wie dorft heeft die kome tot my ende drincke. 
loan! 8. Qft ick ben ' t licht der werelt, den wegh, ende ' t leven. 
Pfalm 94. is 'r dar ghy heden fijne ftemmehoorr, foo en wilt uwc 

herren nier verhcrden. 
ïccl. 6. Hoorr fone, cnde onrfanght den raer des verftanrs ende 

enverworpr mijnen raer nier. Onderfocckr de wijf- 

hey r,ende fy fal u geopenbaerr worden,ende als ghy-? 

fe verkregen hebr, foo en verlacr hacr nier. 
Icrem. 6. Sraet op de wegen ende befier ende vraegr naer de oude 

wegen welck den goeden wegh is , ende wandelt in 

dien. 
Dcut. 32. Vrager uwen Vader, ende hy fal' t u verkondigen , uwe 

ouders, ende fy fullen 't u fcggen. 
Prov. 22. En gaet niet over de oude palen, die uwe Vaders geftelt 

hebben. 
V§tth.24. Sier toe dat u niemant en verleydei wantdaerfullep 

veel valfche Propheten opft^en. 



Het 



Van ccncn ftaer des levens ie verkiefcn. 4 1 

Het III. C APITT EL. 

Beraet van den tweeden middel , ofc om eenea 

ftaecdcs levens te vcrkielen , om tot ons 
eyndete gheraecken. 

N3Cec battDPtotbeficniUtTeban'ttocWacBtiolj £^ff/ 
<atioof gffclïomcn 3ijn/ fooi'eftcertbaec nocïj ^'Jiji^,? 
tmm anöcren miööcl nootfaüeltcïi tot be faügOcpt/ ban «©out 
Ijctberfeicfen/ te loeten/ banecneflaetbauleben; ontfangm 
aiBant aengefien/ dat <6otït ben menfcDen Ijerfcljep^ moctmm 
ben bectoecfetngöen ol)egI}elieu ijeeft / bie oocfe ban tttnitfm 
jonaUiÊfaf beoninenuptiêfcïiijnen/ enbecenenpe? cmmftaet 
ööelijcöen feljtcfeentot eenefefeere maniere ban les; toanirtciu 
ben / qclijtUtmi)^ eenen boo^ficbtigljen babec bejS 
fiupföefin.K!^ fijne éinberen plachte boen^ enbegfie^ 
mercfet top niet gefcfiapen en 3ijn / om onies leben in 
lebigfiept te ber jïijten/maec om t'arbepbenifo moe^ 
ten bjp rijpelicfi cnbe in tötj^ t)ter af met onjj" felben 
jberatien/foo fieeft ben l^eerc 3lbam/naec bat öp ge^ 
fcöapen toa.ö / gefleit in 't ©arabö.ö / om ï)at Ijp ijet 
felbe boutoen en betoaren foube. aBant fiet 10 boo?* 
fefter battec ontallicöe menfcl)en ö^^roJ» fl^eé Qua^ 
iicfe lebcn /enbc oocït eeutoelijchen qualicö baren/ ^p^^"/* 
ombieftoiüe/ batfp ïiaer niet en begeben tot bien Sq^ 
(laet be0 Icbeng^/ baer fp ban <6obt ^Imacötigft toe gaenoec 
geroepen too?ben/ofttoelalfulcfeen berfeiefen/baer b«icm^ 
fp meer boo? öare quabe iuften/ ban boo? eenig ber^ Swn 
flanbigö beraet / toe gepekt enbe geb?eben to02ben. * 

^aer is? *tfa6e bat pemanDt nu toteenen flaetbe^S 
ieben.^gljefeomeniie?/ befen moet fp felben boo: bit 
beraet baer in berjterchen / enbe niet gebucrigljlicft 
ïjem ban alle ftanten laten fiertoaert.o en iicrtoaert.ïÈ 
b2üben ; maer fiem in ben felben bolmalien» 3Bant 
f)et en i^ geene lilepne beftoringe/ een^ anbersf leben 
grjootelijcfe^te berbeffen/ enbe Jet fijne tebebla^ 
Oben ; enbe alfco nimmermeer gfieriift te toefen* 
aCDant baer gbeenenflaet/ oft maniere ban leben 
gebonben en too?t/in bt\S3zlchc be bolmaecfetljepbt/ 
iik in be liefde gljegronbt iö / niet en lian befiomen 
to02ben- €nbe al-öoe-toel bat pcmanbt tn fijne 
l^rHeberliiefingö^gD^f^Uleert ïjeefr/ inbign befc 

^ 5 Riéi; 



4Z Den I. Boeck. Het III. Cap. 

niet m ItnH beranDert tDO?ben/foo moet ïjp fpfelbcn 
tn bicn btritcccFicn/ cnöc een tocblucBt nemen tot 
ben a^aöcc der öarmöertigljcpbt/ op öatöelaetftc 
btoalinge met erger en tooide/ öan De eerfïe* 

De ziele, ^let/ oigeere öoo^ ubjeonmetelijcöe 
öoetïjepbt/ Oeöt qljp mp gefcljapen,- maer it'k toete/ 
bat ïjetmp nutter toare/ niet geboren te 3ün/ ban 
niet te \3)mn ben tnecD boo? ben toeïcöen icfe al$ ee^ 
nen pelgrim (in'ttooeft-Ianbtonbetoanbelt/ enbe 
fonbertoater/ geflclt3nnbe) maclj geraïientotu/ 
biempnepnbecnbe alle mijn gelucF! m. (©/toaer^^ 
acljtigOlicDt/ bie alle menfcljcnberlicOtl otoecü/ 
bwerljept/ enbeleben/ altoaermoeticlirepfenom 
tot u te feomen/bte mijnen öerber 3ijt i %ep]}t mp/ o 
Igeere/ toant ith bUnt^t ben / enbe een tilepn fiinbt / 
mettoetenbemünen uptgancfi/ oftingancfe: baer 
5Ön beeiberlep loegfien / enbc beel manieren ban 
ieben : i^ 't fafte bat icö titfzn beri^iefe / bie mp goet 
fcljönt/ t)k fal mpmogljelijc^toteen quaetepnbc 
brengen : i^ 't bat icli eenen anderen feiefe / icli b^ee^ 
fe *t felbe. ïi^ant bner its eenen toeci) bte ben menfcö 
fcOiJnt recljt tcsijn / enDe fijn upterfte lept ter boobt. 
3Bien i j^ ben tuecD be?s menfcfjed feenbaer^JBié fian 
befen boo?-feennen^ €nbe alle onfe boo^fienigïjeben 
3ijnonfeïïer; maeralj^u/ be toegen bei? menrcöcss 
genoegen / foo fult glip föne bpanben oocli tot b^cbe 
bebeeren» l^icrom biii ith u ootmoebelijcb/o ^ecrc 
boo^ ijetbinnenfre utüerontfermIjertigijeDen/ bat 
gljp mp toilt toonen ben Itterï^/ bien icij moctbe^s 
toanbelen in ï)t(c tooelïe totlticcni{Tc-3Bant b^ie bin^ 
gen 3ijn mpf luacr / fegöt u'mn iBiJfen-mart/ enbe 
l)et bierbe en htn ith met allen niet ; ben toecD be^s 
arenbtsÈ in ben bemel / ben toecö eener flange op bert 
fteen/ eenjs fcbips?U)ecö in bet mibben ber 3ee/ enbe 
eeniS n\a\\$ toecö in föne ioncftïjepbt. 

Chriftus.^ap u i^ getetou ftet iicöt ban mön aen^ 
ficïjt.^iet ban toel toe/bat gljp niemanbt anber^s te 
rabeengaetbanmp/ bieb'eeutoige liaijf bept en al^ 
tijbt gereet ben : oberlegïu toel/eer gljp pet begint : 
J)iet bat gbp u nieten berbaeft/ bieft eenen (taet ban 
Icben ter gelegenber t^t) t / enbe niet om bat u too^bt 
öcp^efentcen/ bn exempel eene Dnpfb?ou toe te trou:^ 

toen/ 



Van eenen ftaet des levens te verkiefen. 45 

toen/ ofte ecnigepjcbenöe/ eere/ fcfeerc meöe-gefd^ 
lenoft gemacft; tiant DooafeecliecDaereni.ömct/ 
Daermcn foo nccrrtigölöct^ op moet letten/ alie^op Jföêmoct 
Ijet ber&iefen ban eenen itaet/ acn Den toelchcn öicH^ SnS 
tDpI.öutDeeeutoigefaüoöept/ ofttoeluttieeeutDige mijtten* 
öeDerbeniffe i.ö öangenöe, jiercn/rou* 

De zieie.^^e berfcfjepöenfjept öec (laten treeft t mp ^^ öacfiÉ, 
nuöectoaertief/ nu Dectoaert^/ foo bat iels met m 
toeet/ toaec ic6 mp öeeren/ ofttDattcftbecfeiefen 
fal.Berlttöt mp/gijp/bie baec 3Öt Bet toaecacljtigö 
licfjt/enbelepbtmp op ben rechten toeeD/ ben toecö pfai. us, 
Uan utoe gljeboben/ toant möne begeerte i^^Uu 
onberfjouben» 

Chriftus. 5ilengefien gB? ttiijnen raebt toiltbol^ 
gljen / foo toacfit u/ tot bat göp u met mp beraben 
fteöt ban utoe finnen te berbniDen aen eenen feecfec^ 
ren ff aet/ maer Doubt u beerbigï) om u tot alfulcften 
te begeben/bieu albermeejt totutoersieïefaligljept 
na mijn aentoöfen bienen fal: toant geltjcöertoö^ 
ben fiecèen/ fijne gefont^ept t'eenemaei fielt in Ban- 
benbaneenen oerbaren jifeebecijn/ enbenieutoer^S^iRimoct 
anbero boo;> befo2a[jt en i^/ bantoteeneoprecBtcfccrmcnoe 
gefontbept te gecaüen/ oocfe gereet toefenbe/ bat ben ^^fln ?« 
iMcbecijn-meeftcr b^anbeenbefeecbe / tö 't fahe/ bat d „IfpjaKe 
Bp fulcfï^ goet bint/ om fyn ieben te beljouben ,• bef^ •soöts te 
gelöcben moet göp oocft boen / om 't eeutoigö ieben ^^J'seiu 
te beljouben. Boojtö gelijcfe eenen repfenben man / 
bien ben tecD onbeöent i0/cnte toeet Dat Op bol pe- 
njcöclen i.s? / foccht eenen iepbtfman enöe (aet Bem 
ïepbcnrboet gbïJ oocft alfo/enbe feomt bolgbt mp na. 

De ziele. (^cB oft icö toijte/o foeteu gefu/altoaer 
bat iefï moet gaeni 

Chnftus. 25ibt mp Bier bagelijcl»!^ om/eabe fegBt A^or. ?. 
met ben i^.^auluörl^eeretoat belieft u bat ih boe4 

De ziele. 3Bat belieft u bat ith boe/ o mijnen ^cb/ 
toat toegB belieft u/ bat ich feiefe/ toat ampt oft of- 
f icie bat ith bebiene i mijn Berte i$ gereet/ o i^eere/ 
mijn Berte i^ gereebt / aenfiet mp/enbe toec|t müns? pfai. 107. 
genabigB» 

Den Engel. <Cn Bout niet op ban te roepen tot bm 
i^eere / bjaecfit 'i$ mojgenc^ b^oego tot []cm/ op bat 
i)p u gebeneOijbe / enbv' u fepnbe föncn Cngef / Die u 

icrbe/ 



44 Den I. Bocck. Het 1 1 1. Cap. 

lepöc/ öcUjcli'ta^ücurtiö/ Den iiinöercnbmigf> 

Tob.y.' rael/ (CoDiajai guöe ^jncoO. €iibe (tdtu geloof te 

tueccft/ toant na'tftlbe fal u ocfcijKdciu g^öat 

ööp utoen öicnacc/ oftfonc geeft tcUmnm/ toat 

uioe beliefte i^ : Doe \3ee( te nieec fal utoe Igeere 

enbevaotïtöitöoen/ öie altijöt gDcreet (laet/ enöc 

Itlopt/Uoo? De öeure u\s)t^ Ijeiten/ om u goeöen raet 

te öJjeben / om u te lepden / jae fclbe/ om u op fijne 

fcl)ouöer^ te D?agen/ toaecDetuoobioÖ^ 

<®m tot Chriftus. ^telt u boo? oogen [jet epnbe/ toner toe 

fiefe hen* jjat tcli u gefcljapen fteb/ cnöe oberlegöt/ of u oefen/ 

SS fal?' oftöienftaet/tot'tfelbeepnöe beauamelijcli fouöe 

nun obrï^ liomicn D^eiigen : toant t)it moet gUp boo^feftec toe- 

ieggmtjet ten bat eenen pegBelijcïien eenöeclep maniere ban 

'2*"?J/^fMeben niet bequaem enijS: toaerom fouöe icft an^ 

nmn ^^^^ ft»ö DeelDerlep manieren banlcbeningljefteft 

5011/ tim ïjeböen/dan om Dat ie h begeeröe/Dat mijne fcljepfelsiJ 

Dft Def£ii jiooj berfdjepöen toegen/tot mp fouöcn homen/ en^ 

naet on^ De om Dat itU eenen pegelijcf! toilDe roepen en trcc^ 

tetüat feeiv Doo? alfulc^e mibtiden/Die ith Itenöc een peDer 

fPrtöciÉiit, öequaeu] te toefen^ tu^ necuit n epnt?e cerft fonDer^ 

ïingD boo^ oogen/enDe ftiefï Daer nae miDDelen / Die 

utot ftetfclbe fouDenmosen b^enaOem 3©antöet 

niet toüfelijcU geDa^n en i^/ De miDDelen tefiiefen 

boo^ïietepnbcj Den toec!)eermentoeet/ toacrmen 

toil repfenj De meöecijnen gcbiupclten/Doo^ Datmen 

toeet met toat fiechre men bebangeniö* (i^nDetoie 

falDerDocDfooDtoae.5?/ enDe onbeDacOtgïjebonDen 

too?Dcn/Die om in De ftaDt te öomen/fal ftiefen eenen 

toecft Die moepelijcli/ f02geiöcfe enDe bol roobcriof en^ 

De moojDenaer^ef lö / ai0 i)p eenen anDcren ban bm^ 

Den/Diefefterberiie?^ 

DenMenich.^iemant Igeere/macr menbinter/ 
bie Den eenen of t ben anbereii ïiiefen/gljelijcb fp feg^ 
nen/om Dat fplicDen geenen anberen en fionnen ber^ 
hitfcw/ of t tocl geenen anDcren en toeten. 
Chiiftus.^nbe op toat maniere laten (p öner boo^- 
ftaen/ benfelben ^kfp berhofen ïjcbben / tebooa- 
repfeniiie^ 't niet bDO? möne bulpe enbc gratieMnbe 
toat i0'er betamclijclier / bat icb nnjne fjulpe enbe 
bp-ftanbt gftebc/ ben göenen hit mijnen toilleoft 
goebe infp^ahen berfmaebt / oft t^u befelbe bolgln^ 



Van eenen ftaet des levens te verkiefen. 4 ^ 

^th bm macötigD öefclbe müöelijcö te ö^i^cnm 
alle manieren öan Icben/ entre öoe Det felbe om Dicö 
Uïiüe/ bat fp mp QWm^ oeben. ^usmoetoDn 
boo? al gaöeflaen Ujat icli ban u tierfoecfie/ in lüat 
maniere enöe ampt/ Dat oüp u leben fult berflljten / 
gnbe toacDt u toel/ al^ u öit feenneljjcli fal toefen/ öet 
felbe te berfupmenrtoant ith Den utoen l^eere/ utoeit 
©aöer/ itU ben öenöontnclibecl^oninoen/ enbc 
Heere Der 0ep2-ïiracDtcn/tüie fjeeft mp toederftaen/ 
enöe b^ebe göcïjabi. ^uo? gaet u felben te rabe/ 
befgelöclien o^obt-bnirfjtiöe enbe toöfe itiatincn / 
öieuljicringoeDcnracötiJonnengljeben : J^orfuni 
Banbelt met ben gobbeloofen niet ban Oobbclpcöc 
fahm/ nocö met ben onrccOtbeerbigenbanrecDt^ Ecci.37. 
becrbigfiept/ met tim blinben ban be coleuren/ met 
be toereltfcfje menfeOê ban fiemelfcöe binoen; maec 
gaette rabeben tuijfen enbea3obtb^ucBtiöenj^ltöt 
(jelijcli boben oD^fepbt i^/ boo^oogöen Bebbenbe u 
epnöe/ enbe oft göp ten opficDte bit alleen/ enbe ban 
utoer 3iei^ faligfjcptbefenraebtaenbeerbt» 3Bant 
i^'t fa&e/bat gftp u öierbooj alleen geboelt Detoeegt 
te tbo^ben / ( aengefien battec niemanbt macüttgft 
en i.97 göclych mijnen ^poftel gD^tupgöt/ te feggcn i^cor, 12. 
l^ecre ^efu/ ban öao2 ben Ja»^ee|l;roo moogDt gDP 
uinalle.ö geruft fjouben. 

Den menfch. Sth fie toel/ D l^cerc Sefu/ fiet gene 
bat beter isf; maer eplaeief! bebetooberingeberp^ sap.4. 
bele ftlapptngen becboncftert goebe bingen / enbebe 
ongeftabigöcpbt ber Quaet-luitigD^Tt berïieert ben 
finfonberargljcpbt» 

Chriftus. iDaeeötu bloot ban alleaertfcDcaffec- g^cntteec* 
tic/ trecbt aé öe begeerte/öie gljP in b'ure beo' boor ö ueu mma 
Ijebben ftilt/alföan fult gOp alle bingen infïen fonber °^,ö?J|^" 
beroerte ban eenige paffie / enbe fult befeennen/ bat gKaHeu/is 
Ijet pbele bingen 5Ön / tik u nu bafl Douben/ en boen m\i am^ 
fajeefem <i!nfoubt gOpalfban nietbegeerenöetfe^'^ff ?i"9^" 
lier itelcbea enbe ben bequaemflen b3egö gebolgt te g^""^*"* 
ïieüben^ toant in mijn firanglj ooabeel/ i$ 't bat göp * 
ü\jDe raben toel oberleglu / gïiP (uit opentlijcfe t'p^ 
belijepbt beö toerelbts? befcDulbigcn, IClö-nu toojbt 
gOp bjcbcr-ftouben boo? u engljs- n gOemarfe / riicb^ 
bommen enb^c^r^/ Qüütli met ^en?n bail-&oubcn* 

ben 



46 Den ï. Boeck. Het III. Cap. 

ben Ijjtn ; alfban foutJt öljp tod totlïcn Ijet feltcrflc / 
5©m ticrbê \\\ foo grootc oiifcftcrljcpöt bcil!Ofcn te IjeDbeiu fecï 
wcmw?^ aeiV toat (jcbben mijne l^epligöcnöeöacn^ fj^iju 
tepDt Dc'^ in öe toilöecntfTcn oeöacu / op öat fp öu toeich ban 
ijtttm gare faligöepöt ernfrelijcfe fcuDcn beïjertcn / enöc 
Sbf K?y ^^^ ^^ üoocen / in toat boegen / öat icïi aen ïjaer hct^ 
ten Den tcfoubefp2cïtcn. JBantdaecftaet o^fcD^ebem ^jcft 
rupracii fai Dcni in be toilderniiTe lepben/enbefal tot fön t)ec* 
toe«ij Dcö jj> fpjelien^ 

oilxTf* i^crtcecftt u ban t^ 't u mogclijcft , enbe en ïaet u 
ben tötit boo> u fcïbcn niet ontö^c!ïen/boo? utoe 3ie:: 
ie fegg' icl? jcnbe befcDöemt u/bat aöP foo bicbtoijl^ 
foo beel tijdc.ö met faechen ban gecnber tueerbe on*^ 
nuttelijch obccD2engf3t/enbc hat Ijet u f ajiigö fcljijnt 
te ballen/ toanneergïjpfomtDijieneentgcgljeöeele 
bagen foubt moeten öejlebentec bate ban utoe 3te^ 
ie/toaec toe ftet u al gegeben i.$^/ töbt/jlubten/ vijthf 
bommen enbe anbere beliommeringen. ^^ 't faecfee 
bat gïjp hit boet / foo fult gïjp naberftanöt boifiec^ 
biglj enbe gecufl toefen m ben roep / baer glip u toe 
fult begebettj bacc-en-tegen anbere menfciicn / tiz 
foo niet en boen/ altijöt een^ anbere lebeii berlicffen 
enbe p^ijfen / enbe beel tegöenljepbt^ in Ijaa felben 
berb^agen/ enbe nocl) beel mcec b^eefen» ïBant ge^ 
löclieitoij^ bat ben gIjenen / biein ben beginne beiS 
toegDiJ begint te boolen/ altöbt beb^eeft ijef/ bat/ l)oe 
ï)P berber boou^-gaet/meer enbe meer btoalen fal j 
alfoo befe menfcöen öcbDen eenen toegD berftofen / 
fonber mp/bie nocïjtanjS Ijaren lepbt^-man bcöoo?^ 
be te toefen ; enbe öierom lö 't bat fp altijbt bjcefen/ 
enbe niet fonber reöene befcö^oomtsönboo? bcpe^^ 
tjjcftelen/ bieljaerin eenen onbehenben enbefiiü^ 
becacöttgen toegD ontmoeten.lBant bit leben i0 ee^ 
nen toegij. €nbelret mifljaegljt mp grootelijclisJ / 
bat icli b'eeutoige 3Büf Bcpbt 5önbe / altijbt gereebt 
enbe ben oBngel ban grooten raebt ben/bat niemant 
mpnaebencecljten toegij en b^icgöt/ enbe batbe 
gene / tit mgne bienaer^ 3ijn / niet een.ö en blagen / 
toat mijne beliefte tjS: Ijierom i.ö't/ bat/ bieniet 
boo?fien en Itonnen 't gene bat toeliomenbe is? / bal^ 
len op fulcftö/bat öaer albermeeft öeöacgljt ; al w 't 

Sap > 8, bat üfe/ DU alle bingen tot ben ^pnb$ toe ilerchciijc:* 

ften 



Van eenen ftact des levens te verkiefen. 47 

^cn^tï\-tj2\jWtï\ foeteïöcfeen fcBtcfee/altiitj? öcrcet 
öen/om ftacc den cecüten/tien gebaenDcn/en öeu on- 
bcblecöten toeg/öie tec faligöept ïept/te tDijfen.<9c8 
of fp maec aïfecn bit en bebocïiten/toat icfe fjaec-Ue^ 
Den bc caöenbe/bie Oaec tegen tooa?Dig ben/niet min 
ban oft fpmpmetfiarelicöamelicöeoogen feonben 
aenfcfjoutDcn en aenJooren/tDat ith tot öaec fp^eec^ 
fee/ toantidiD^bbemetbenmenfcöinljetlgepügö Matth.ttit. 
^accament toillen toefen totöetejntbe hc^ toereltjsf 
toe/ op bat begelDobigcn aïbaec caet/ enbe rufte bejs 
ïjerten fouben bintien. ^engefien ban bat Icfi Ijact- 
ïieben bat gebaen ïjcbbe / enbe nocö ontaKflcfee toel^ 
baben bagOelijcïi.'e? betoöfe^ toaectoeberfmabenfp 
mijnen raet i ^a( ith mijne fiant upt-repcfeen/enbe 
en falbec niemanbt gebonben too^ben/bte baec eeniEJ 
naecfalfien i ^etoenufiigöepttrecl^ttotbefenoft ^f*»'-'- 
bien ftaet/b'eere/oft eec-gierigDcpbt/enbe b?pbom/ 
ïocfeen eenen pegöelijcl^en : £Daec 3ijn M mibbelen 
omtotgetgoet epiibetegeraecften^ 3ön bit raben 
boo: menff öen/bie boo? reben/enbe niet boo? be f in^ 
mlijthim moeten gelepbt enbe geb^eben too^ben I 

G E B E D T. 

DEn menfchs Ickbelijde,als heden voor u,ó mijnen Pfalm iig, 
Godt, ende mijnen Koninck. lek heb gefworen ®*JfJ^ 
ende voormy ghenomen t' onderhouden de oordeelen j^g^ ^^ 
van uwe rechtveerdigheydt : den wegh die ghy my fulc i^tttt/ om 
töonen fal ick ingaen , hoe fwaer dat dien oock Ibude '^ bolgtjcii 
uiogen wefen, want ghy kont ende fult my helpen , die ^fTiS uio» 
d'opperfte kracht en macht zijt^ hoe verworpen datfe nenfaU 
is , want ghy wijs zijt ; hoe moeyelijck datfe is , want 
ghy goet zijt. Niemandten kan u volgen, o Heerc ] e- i'oan. 6. 
su/tenzy datghyhemtotutreckt; trecktmydan, ^^"^' '• 
cSHeere : niemant en kander komen, dan den genen,die 
ïijn kruys op hem neemt; legt my alfulcken op, als 't u- Manhal, 
"wer Godlij cker majcfteyt belieft. Want ghy zijt den 
Heere,ende wy de dienare; ghy zijt den Vader,wy uwe 
kinderen; ghy denKoninck,wy de onderfaten; ghy zijc 
de wijlheyt ende het licht;wy in alles verblint; ghy zijt 
ten laetftendenHerder,ende wy de fchaepkens. Doet 
Heere , dat ick mach aenhooren uwe ftemme , ende dat loan. 10, 
ick defdve kenne , om die naer ïg y olgen 3 want die de- 



48 Denl.Boeck. HetllI.Cap. 

fe niet en hoorteen is van uwe fchaepkens niet, noch van 
uwc uy tverkoren,gelijck ick bctrouwe dat ick ben,ende 
dat ghy my niet en lult verlaten, die gereet ben om u te 
' volgen,maer fult my leyden als eenen goeden herder,op 
Ibid. dat ick mach geraken tot de waerachtige weyden,ende 
dat ick mach leven in u,ende overvloedclijck leven, die 
daer zij t mijn leven, ende alle mijn goet. 

Pradijckein'tvcrkieferivan eenen fekeren ftaet. 

^'6^1^^ T\ ' <etxflt i0 1 öcm bf rtreclien/ \^ 't fticcftc dat \)tx 

fciffpftibê mogcUjcfttjö/of minitnftenaaebcUomitienn> 

bmtccfteii öcn ban cencn tijöt langlj aen ö'cene %\^t flelUn/en^ 

m mite tie fijne "^xzXz fupberen doo^ ïict ^Sacrament dec 

Kicftn öï^cfite; toantincencquaetiniiltgc 3tclecnfalocc:» 

nemijfi)cpt[iomcn.23emcrctit()ta-cn-tioben/ dat 

get boo? al nootfahelijcfe i^i fp fclben ocljecl obec te 

Ccben aen <0odt/toacr doo? o^fcfjiet dat een menfcO 

öereedt tó te bolgen den bjegfjdteöemoetocfenfal 

tooiden ,• nocO en degecct nietdatde<©oddelütb^ 

bJöfOepdt Oaec boege naec fpne dtoaeföepdt/ oft dat 

den €^Dddeïöcfien/6cpltgen/ende tDel-beöagelijclicn 

^' «^TfT. I toille/naer den fijnen gctioclien too^t. ©ooniïS moet 

Si/ ÖP Öcm fonderlingfj bcgcben tot ïjet gcdedt/ tot acl^ 

<5oDt* moeffcn/ende andete <0odtb^ucl)ttge bjecchenjaen - 

^«otigc g^fien ^at dit eene aldec-grootfle faccfte i^l bjacc in 

aennnnm >ï^^" andecsf niet en moet onderfoecften dan den toil^^ 

tot öefcu ïe <0odt^ alleen / al^s? die alleen b^eet toat ponden ftp 

cpiiöc^ öen onjG? gcgcben öeeft/ ende nocfj fal geiteden te ge^» 

ben» ^^aeu-en-doben toeet <0odt toat maniere ban 

leben onö beguaem r.cf* ïIDncc toe grootelücfi.ö die^» 

nen fuUen de telkenen om berfcOepden geeflcn fon^* 

decfjennen, 31t>acc af öter nner g'efp:oït»m fal laojdé* 

®c voitt* ^e tVueede/ <DiclJlt3ij{.ö ten Ijepltgen ^ac ramen* 

trtchp/öift'^^ tegaen/ cndeï}etfclbeontfangcnl)el)Dcnde/oot^ 

toii!ö tcc ' moedelijcfi / ende met een geöeel ibergeben fijniS 

i^.com* felf^/ epfcljen ende feggenri^eeretoatfcelicftu dat 

muiuc tcfidoei a©antftctaenberfcöepdengcDcurti3e?/ ge^» 

^ ' iijcfi den faligen ^ClopfiujS <0on5aga / dat fp alfdan 

de flem me deö l^eerciv ende fijnen toille göcljcelijcli 

berjlaen ende geftcnt fjebben» 

<De derde/43eerne iiooren fp^efeen geefteïijcfte en^ 
ö$ op4;eföt^ mann<?ninditllu(li, ï©amdënl^cere 



Van ccficn ftaet des levens te verkiefen. 49 

pTacftt aemepnehjcö boo: een anDcr/ maccalbci^- :©ftjfrbr/ 
meelt öoo2tïen23iecOt-tiaöcr/ onö te ftcnncn re ge- örrftfiücftc 
ben/toat Dï^ ban ons' geöaeii toif t Ijcbbm : 3llöui5 io^ fnlakJhMia 
Qzfm getoeeft acn ben l^epligen ?Cpp|Mpaulu.s{/ öcnbaii 
alö Ijp gefonöen toaötot 3tnamain .\^taet op enbe ncfefahf» 
gaet in De jlabt/ enbe albaec fal u gefept tooiben/ 
toat gfjp fuit moeten boen. l?et felbcUcrtclt p. Ki^ Ador. 9. 
beca gefcftiet te toefen aen be (alm Zcïc(a:\xicnn tt 
^iele Uan eeuen IjePligen man btClidnöfgOtfom:^ 
tijtjo? meet toaeracöhge bingen/ ban febentöacö^ ^'=^'•37. 
m$/ fittenbe tn 't öooge om te aenfcDoutoen. 

^e bierbe/ 3ch fieb boo: al gefept p^ofjjtedjcb te 55e btcrue/ 
toefen batmen fpfelbe bertrecfee/ affm'en bit Deraet „Jet bc?^ 
boo2 Oanben fjeeft : maec alti bit niet gefclneben en ttecum 
fean/alfban fal liet nut en paofötigfj boefen '^ nbont^ef ?^"/ f«iï 
eenen tijt ïangft te öerïiautoen enbc t ' obecleggen be j^ i^jji^if 
poincten/bie Ijiec naec geftelt boo^ben ban bc manie^ naSoigm- 
re ban beraben en mebiteren/en befonbcr/ toat ma> 08 vomtm 
niere ban Icbc batmen in be ure bei^ boots? foubetoil-r'^^'sj^^^^ 
ïen beröofen fjebben. Igicruptenbolgïitnoctjtanss u^qm/m 
niet/bat alle menfcfien eenen of al ben fclben toeg tn nam paa* 
fullen gaenjbp erempel ben fclierftcn/bat Wbt relt- 5 w 
Oie:maer toant beel menfcijc baer toe nitt bequaem 
en 5ijn/fo en i$ be religie boo2 be fommige be fcacr- 
(ten toegö niet; a©ant een pegelijcft D^cft fijne gabe/ 
en fijnen roep. <én een pegelöcFi moet blpen in ben ^-^^r. 7. 
roep baerftu in geroepen iö/ naer ben raet ban ben 
^. ?Cpo|tel gaulusf. ïBant/ gclöcïi bm fclben Hpo- 
tlel te ficnnen geeft/ faleenigOmaeclifelfeggentot 
ttn genen bic *t gemaeclit Oecfr/ HDaerom öeöt glip 
mp alfoo gemaecfet i ^aer 5ön in ï)et lic öaem ber-- 
fcïjepben libtmaten/enbe be libtmatencn Öebben al- 
Ie 't felbe biercö nfet/ maer bet een Deeft b'anber ge^ 
b2ccli : b\i^ moetmenfjierinanber^ niet naer bol^ Rom. n. 
gen / ban be befte gaben/ te Wtm/ be lief be : ïl^ant 
<0obt en is? geenen uptnemer bet per foonen. 

^e böfbe/ <;§tjnenl]ep!igen€ngelerren/ tnbc l^^^^^^ï* 
aenroepen ; toant acngefien Dat l}p om gcgeben i^ §Sb^ 
tot eenen leptfman enbetoeffi-gefelomon.dinonjSöcnoatijp 
©aberlanbt te Icuben / gelijcli napbaeï gegeben "«öftitocg 
t)J getoeeU acn ;Cobia^> fonber ttoijfdfoaiö fijne J';!^™'^ 

^ mee{ts 



50 DcnLBocck. HetllI.Cap. 

meeffe fo?ö^ m$ te ïepöcit tot him tocöö / tnbt ma# 

ittece ban leben / öte albecmeefl met öen <0oöDeUjc* 

lien iriaie ober een feomtj op öat Dp alfoo beoene Die 

onöec fijne befcOecmeniJTe gefteït 3ijn / enöe öe hiu^ 

beren <0obtj0f toeDerom foube mogen brengen tot 

paren ftemelfcDen ©aber. 

^tunt/ ^Defefte/Boo^alijeJ'tnootfdMöcft/gelrjcïiboben 

^ö" ö«t Qcfepbt i&/ beberepbinge be0 Ijerten/töaer beo? tm 

ieii/fonöet menfc5bafleUjcfeboo?bemnLemt/ t^omfjelfenben 

affertiaotb)tüebiebembana5oba[macf)tigögetoontfaltoo?' 

P" "»'t ^^ öen. ^ocB men moet tn geenber maniercn/fjem ge^^ 

lonorr» j^^j^ ^^^ ^j j öeraben / boo? al eer bat onfe 3iele gclpcö 

een toeegöfcöale gelöcö (tae/op bat bip Oet gebjicljte 

ban ben •©obbeljjcfeen bjille te befcftepbelijcher fou^ 

ben mogen fiennen,|Baer i^ *t bp albien/bnt top be^ 

fe gelöcfeftept tn nm niet en binben ; foo moeten top 

m^ btcfetoöïjS oeffenen tn't bupgen bar onfen toiUe/ 

^t fcbeit* totbten feant baerfe ben meeden aföeer öeeft» 

m/r'^^mw ^^ feben(ie/€nbe op bat göp öet gerlef/enbe on* 

Sc ober " gertef/om tot Bet epnbe te gerafeen te beter fout ften^ 

ieggê öact nen/fal't goet 3ön bp gefd'aif te te fteUen be rebeneti 

%** hf ^/ en gerieben/bie ftaer tn befe maniere ban leben ber^^ 

tmm/m toonen/ enbe hk Bet felbe aenp^öfen^ enbe baer na be 

boo? of te» rebenen bie baer tegen flr öbcn; oberleggenbe/of Bet 

ö^^J^"^/ gerief/enbebebeguamigBeben/Bet ongerief/ enon^ 

uaaS beguamtgBebê niet en obertoegen^enbe fult be ftoa^^ 

mu rigBeben in't fcBaifte gepelt bp u felben oberleggen^ 

Schiet- gehe de kjsns , vpxer door den genen die hem be^ 
raedt , fich door den dagh kan vcrwech^n, 

Pfalm 8j. T Eydt my Keere totuwcn wegh , ende laet my wan- 

'*-^ delen in uwe wacrheyt. 
Pfai. ii8. Den wechvanuwerechtveerdigh-maeckingcleertmy, 

ende ick fal geoetfent worden in uwe wonderlijck- 

heden. 
Aaor. 9. Heere wat wilt ghy, dat ick doe ? 
pfal. 1 1 8. Uwen dienaer ben ick, geeft my verftant dat ick weten 

mach uwe getuygeniiren. 
Prov. 16. Het herte van den menfch befchickt fijnen wegh, macr 

des Heeren is ' i lij nc gangen ;c befchicken. 

Deiï 



Vanccnen ftacnies levens te verkiefcn. fi 
Den wech van den for is recht in lijne oogen , maer die Prov. u, 

wijs is, hoort de raden. 
Van den Heere worden eens mans gangen befchickt, ^''ov. 20, 

want wie ifler van den menfchen , die fijnen wech 

verftaen kan ? 
Spreeckt Heere, want irw'endienaer hoort. ' Reg- 5- 

Alle wegen eens mans duncken hem oprecht te zijn, ï*fov. 21. 

maer den Heere wcget de herten. 
Och oft mijne wegen gefeeckert worden, om te onder- P^*^- ' ' S. 

houden uwe rechtveerdigh-makingc. 
In allen mijn herte hebbe ick u gelbcht, en wilt my niet l^üi. 

verftooren van uwe geboden. 
Leydt my voorts indenpadtvan uwe geboden, want Ibid, 

die hcbb' ick gewiit. 

MED IT ATIE 

Van den Houwelijcken ftaec. 
D'cerjle voor^Jlelimgc. ^U\t U bOO^ IjCt ilCltfCflÜn bC^ 

l^ceré/en fijn Ijcmelfclj fjof/beccpt tot allé fijné toille. 
De tweede, ^{t^t öat J)p Ijcm getDeeröiac u te roe* 
pen tot fulcften eenen flaet / iu öen toelcfecn öDp D^«t 
alöec-aengenaemfte toefen mocöt. 
IIJ €t I ♦ point. ^enmercöt ten eecften / Dat elcöen 
'■^-■'titenaei: 45o^t^ moet öerept 3ön tn alie ftaten 
Hem te öienen/ nocB en moet ampt of ftaet feiefen/ öa 
na fijnen alöer-fiepligötï^n toilleiöp öte berfcDepöen (tEentfiatt 
leöen infön Ucftaem gefcöapen öeeft/enöe meniger^- ^tsu^itn^/ 
lep (taten m fijne ^eplige öeccfee tngeftelt ijuft/ S|et i.!?"* 
toeet beft toat oa^paofijtelikltcrfouöe mogen toe- mmm/ 
fen/enDe tot föne meecöcre glorie ötenenbe ; öegeert niacr nacc 
i}it alleen ban Ijem/ ende leeft te b^eöen metutoen uulfkTtll* 
reep- (€en ttoeeöen / fjet ftoutoelijch i^ ban a3oöt ' * 

tngeflelt tot berb^epbinge öeieJ menfcöelijcften ge^ 
(ïacfjtö/ op bat fliec boo^ meec5telen<0obetnber J^et^pnue 
ceubjicDept fouben bienen/enbeop bat ftet foube 3ijn ^i^.2^* 
een remebie tegen be onfupber ïjepbt ; Ijebt bit epnbe " 
altöt boo2 oogen/ enöe öoe fcbabelijcfe öet 5P/ om ee? 
nigO anber epnbe fietftoiitoelöcöaen te gaen/ leert 
upt liet exempel ban 2ara/ toienoTeben mannen 
ben boofen geeft berfmacöt f^ttft/om bat fp gun (foo 
ben €ngel getiipöDöe) tot befen flaet begeben Dab* 

€ z ben/ 



^2 Den I. Boeck. Het 1 1 1. Cap. 

W om Bunnc quaöe ïuftcn te gemeten/gclöcö peer*; 

öenenmuplen. (€enöcrben/ acnmercfit'töeneöeit 

3©öfcn-nian fcgljt:een goct öcel m lot ië ccne gocbe 

Djoutoe/ in 't Deel öec genec/ öie <0oö bjeefenjfp faï 

eenenmanocgebentDojbenboo? fjjnegoebe toerc- 

^omm hm, m ten i- leect/öoe ncerfïiglj gijp moet öeaeeven 

ban <0oDt ^^qh <6oCit öe parture/ Die Dp u toegefcljicfJt Ijceft en 

[ü« bcaVe* öetrout / gelflcli öp mam al fïapcnde/€bam gcge^ 

wi moft, ben Deeft / fo fal Ijp u oofe/ al^ef gijp op öem betrout/ 

eene gcben^gjnbten göp nu een beïiomen ftebt/benlit 

op be boo?f(cötig8epbt (öotjt^/ bie u befe befcfticbt 

geeft ban alle eeiiUjigbept; en bancfu bendeere baec 

boo?. i€en biecben / aenmercht Boe ben ^rcD-engel 

i:iapDacl boo? €obia.ö eene Dup^-b^outoe gefocflt 

geeft/ enbe ben boofcn geeft gebonben Oeeft : en bibt 

bien felben 3ilrcö-engel en oocö utoen 23etDaerbet / 

m ben ^etoaerbec uwt parture / tk ië i of t toefen 

fal/bat ÖP u aütijt Delpe en beftiere/en befe fafee/baer 

u en utoesss parture faligöept meeft aen fiangöt/ ge^ 

liebetebeöertem (Cenbjjfden/ aenmcrtfetfioe^^ 

b?aSam boo?fünen fonefïfaaceene gupi^-bjoutoe 

^fim.^" gefocgtöeeft/ enbolgBtgfaacna;entoacötueen 

SirttcDÉt te nemen fonber raebt oft benebictie utoer <B\x^Z'^ 

<^uDetm ren i aengefien bat fulcli^ berepfcüt be eerbiebinge/ 

fainwnfij^ bie gljP Duu fcöulbigft3Öt: toaer toeu oocïi ber^ 

foccftcn ^ maent utoe ontoetentfiept / blinbe liefbe / en felepne 

* erperientie oft erbarentBept.€en feften/aenmercbt 

bat fommige menfcfjen met groote <6obtb2ucïjtig^ 

\i,zW en beel bibbenjsr Jet Doutoelijcft aen|Taen/fom<' 

luige anbere boen öet felbe boo^ beel ongeoo?loofbe 

nnbbelen : enbe bat befe boen / eben oft fp ben toegö 

boo? af toegen focftten/ remebie boo^ toonben/ bene^^ 

bictieboo^malebictie/ f)un eerUgebenben boofen 

bpanbt / om <0obe in ben poutoeUjclien fiaet te \M^ 

nem iIT^ocD inbien göp nu foogcöaenOebt/ pepnft 

<5obt* toat gljp eenen anberen raben foubtienbe fupbert u* 

b?ucDtige ^^ i^xtxil bcrnieutot utoe mepninge/ enbe rantfoent 

oraöm wtoefonbenboo^aelmoeflen enbe goebe toercften : 

DouiDcitc: toant anberic? gelijcit ongobbelycfe bit Jjoutoelöfi be? 

ftmfiact öonftiiJ/ foogemepnlijcbJ^omenbaer uptfeerbit^ 

SJif"^^tmenö^ö^oeU^ b^nefitw. Sïenwereöt ten feben»^ 



Van ccücii ftact des levens re verkiefcn. 5:^ 

(len/toat tehcmix oOp Ijtbt/ toaec upt aDp flupr/ bat 
<©oD u tot hm fjoutoclicöe roept/ Qlfi fijn (lercbDcpt 
ban tocacn öc.^siicOaem^/ of een naturelicfeegcncp? 
oelicFiöcptbart toegen Der Etelen/oft eenig tnaetjcn 
al.o öÖP tcc tafelen ^oöti^ oetoeejt fjebt/ oft naer bat 
ÖÖP <0obtgebcbcnöebt/ enbe offert u utocn ï^cece 
op/ bat fönc Deplioften toille in u gefcljiebe.gnbien 
ö!3P n" öcöout 5ijt/bebancbt ben felben/bat befen in 
11 bolb^ocöt tjBf / en betrout u bafteluö/ bat Ijp utoen 
(laet/enbe toercüen fal gebenebpen/iiS 't bat göp ben 
fclben naer fijne loet beteef t. 

laet 2. point. ^Cenmercöt ten eerden bat *t fiolutoe^- S?yL« 
Itcl! een groot cSacrament 10 / en bat ftet beteecfeent £,0^^^ 
be bereeninge €i}Mi enbe ber ^. Sertèe/<5ob3S en ^acta» 
ber 3ielen / ber gobbelicfeer nature met be menfcD^- ^^^ *^* 
licöe/en bcfkt neèrfligBlicö inbien gDp baer toe ge- 
roepen too?bt/Doe bat g{)p fout mogen betoaren een 
onbeblec&te bebbe/enbe troutoe aen utoe Ijupfbjou* 
toeigelijcö €l)Mii0 O^baé fteeft aé fijn fiercfee» (€en 
ttoeebc aenmercht bat bit Sacrament gratie geeft/ 
inbien 't aengenomé too^t in ben ilact ber gratie/ op 
bat fp bcpbc be laften beö öoutoelicfti:? mocöten b?a^ 
gé; en fo beel grooter gratie geeft t)it fieplig «Sacra^ 
ment/Doe be bebotic/met betoelcfte mé fjem baer toe 
berept/grooter ië. 3Jenmercüt té berbé/ bat Det Bou:^ ???f,^^' 
toelicö ban <öobt in 't ©arabij-ö ingefteltij^/ en ban goötTn't 
CöHfto ge-eert/eerft in be i?. USaget MARiA.en go- pataDgjs 
fepö: baer na in be b^uploft ban Cana a5alilea/met jf mD^ 
3ijn eerfte miraöel» hierom benc[« Doe Ijepügljlp/ San St-t» 
en met mat een repnigfjept göP na Ijet ejcempel ban no fctt^t- 
onfe Jliebc B.20ulDebeüoo2t te(ebf/cp bat€p?i(ïu$^ «rtgDe* 
gjefujs f}ct toater ber tritiulatieberanbereintoijn ^^^* 
ban confolatte. 31cnmercftt ten bierben/ bat boo? 't 
felbe beel bc(etfe(enberfaligöeptgetoep?tto02ben/ 
Inbienmen 't felbeacngaet foo 't betjoo?t / en baer in 
toel leeft: baerom bancèt ben If cere/bat öp Dcm ge^ 
toeerbigt Deeft / boo? foete mibbelen onfe bjoof öept 
t'onberöomen- fHenmerc^t ten bijfben / bat be 
ÖÖeBoube perfoonen b'eene benanberen / metfeer 
groote ïjepltg&e ïiefbe moeten beminnen/ foo ben 
2lpo|t^l fegöt : <0Bp mannen bemint utoeöupsf- 

€ 3 b?au- 



5^4 Den I. Boeck. Het 1 1 1. Cap. 

b?ouU)c/oclijCh Cfi^tflncf fijne ïiaht bcmtrtt ftccft/ 

coioff. 3. eiiöc Ijccft fp fdlJcn \}ooz iwt öcocbcn; en fcgt noclj 

nicccj Denum^ moeten üiinne yup^-b^oulrienOe^ 

minnen / olje^ Ijunne epa^ne licöamen : alfoo bat tien 

Genef. 21. jnenfcl) om Dun/ jiDaöec en iBoeöer berlaten moet/ 

enöe Ijun acnDongen ; en ijoe leelicfi f oube i)et toefen 

befen üanöt ban foobaniöc bciaaöennoDe te fcöeu^^ 

ren / enbe gelocft IjonDen tegen malhanDeren te baf? 

fen/ enöe met toooaticn ie flrijDeniUiant fuitU een le^ 

beu öoo^ onfp:eiieltclie bittertKpDt/meer eene Doodt 

enDc IjeUe / Dan een leben macD a^^noemt tooiden» 

t^rtgc* ïg|eta*point. ^enmerclutnföelijfr'toöemacfeen 

macM m ongémacfi t)c^ Ijoultjelicöen üatt^Mm eer|len/tiat 

öSu- Öct eenen onbinbelicöen banöt ijs / toaer boo? be oe^: 

uiciöW» Dow^ö»^ aen malfeanberen o^bonben 5ijn/ en f? gaen 

aen eene feer noutoe compagnie ban aUen goet enbe 

quaet: enbe bacromftaet toel t'aenmerclien/ met 

toien men tceet in befe compagnie» fCen ttoeeben/fp 

moeten b'eene ben anberen fcecliente beliebcnin*t 

Qoetjtoant ben man(fo ben ^poftel fegöt) i^ befo^gt 

booj be bingen befer toerelt / fjoe öp fijne Hupfb^ou^ 

toe óelieben fal / en infgelijcfe be Ijupfbjoutoe Ijoe fp 

ftaren man beljagen faK ^ocU (jun ilaet toe te fien / 

bat öun niet en Debccbe eene ai te gcooteliefbe/ gDe? 

iijcli gefcOiet iö in tCbam en €ba / in ^^ampfon etï 

;Dalila/ ja be bieembe ï]upfb.20u toen Ijebüen ^alo^ 

mon tot afgobecpe getrocften. fCenmercfit tenbec^ 

ben / ti!M göeen ban b^ïytu^n macDt en fieeft fijnief ep^ 

Oenölicöaemsi/ gelöcti tm ?(jpo|leï fegljt / maec fï> 

5ijn elcfi fïaben getoo^ben ban ben anberen/ gelijcFt 

j^ae fe!ja=' ^. g|an€>ulbemontleect»i€en biecben/ bemerciit 

ïïcirjch ijf t gn bat op*t alberneerfligfie/bnt niet alleen be fiecftté 

miaSe^ be$s licfiaemö / maec oocö be fiecfiten ber 3iele/ ban 

patture eeue quabe toebec-partpeober b'anbec ftomt: en bat . 

gchofctt tea(jtb*eeneb003Si^/ Dptjanjssboo^refteröen anberen 

ijcbbcii* i^^^ctft : en oberfuïcx* bat gijp beel ncerftiger letten 

moet op be fcöoonljept ber 5teic als be.es Iicdaem j?/en 

fo beel te neerftiger moetmen toefen / om be quabe 

oeb;jefien te mpbé / ftoebefelbeals? eenefmettige fa? 

Iie licOtelicfcer geöaelt too^ben: fegljt mp/ ith bme 

ïjct u / foubt oDp nm e^n^n melaetfcfien / oft bit m 

mm 



Van eencn ftact des levens te verkiefen. 55 

nigcr fcDanöto^c öcoöt pitcütigö toaer/oft hk ont^ 
crfttoaec ban fürje ouöerjJ'tOoutodijcfe acnbccc* 
ticn^ ith en mcpnc öct nitu ginöer felbcc manieren 
bUet/ enöebecl meer ben onbcugöelijcfccn. Ce tooo^ 
nen/fegt ben aBijfen-man/met eenen leeuto oft met 
eenen b^aecö iö öebagelöcïiei: / ban met eene fnoobe 
b20ub)e: bie baec Ijecft 10 Qclijch ben genen / tit tz^^ 
nèn^wpiocn gebat geeft: maecban eenen boofen 
manfegötbenfelben: batöpgfjelöc^ eenen leeub) , 
uptcoept en berberft fijne öupfgenootem €en laet* 
ften/aengbefienbat begöebacötenbec flecbelijcfee 
menfcüen blooöe 3ön / en onfe booaficötigbeben on* 
feecfeec ,• bibt ben %ere ootmoebeiijcli / bat fip ubje 
toegfjen befliere in fön toelbeDagöen / enbe u gratie 
berleene/bienoobefijcfe i^ tot ben (iaet/ in ben toelc^ 
feen Dp u geroepen öeeft. 

G H E B E D T, 

Om in den Houweli jcken Staet Godtvruch- 
telijck te leven. 

OMijnenHeere,ó mijnen God, door wiens voorlich- 
tighey t alle dingen beftiert worden , ghy hebt my 
uyrverkorenomuin 'thouwelijck tedienen,mijn hertc 
is bereydt om uwen wille te volbrengen , in den wek- 
ken ick geerne my over- geve, om den wekken ick ver- 
lareVader ende Moeder,cnde fal mijne parture aenhan- 
gcii;macr voor al keere ick mijn aenficht tot u,ick heffe 
mijne oogen rot u , op dat ons houweli jckeerlick , ende 
ons bedde onbevleckt worde : want het is u bekent, dat ®^ partu* 
ik gcenc parture begeerten hebbe,noch en begeere,dan p^^gjfj,^ 
omuwcnt wille, ende met uwe vrecfe. leken hebbe toiUfbe? 
mijn confcnt nietgcgeven,defen{laet t'aenveerdenom gcctt 
mij ne wel-lufte. Helpt ons dan, ende maeckt ons bey- toojDeiu 
den een met u , op dat wy u beminnen en dienen mogeq 
miCteene fchoudere;opdat wy wandelé fonder klachte 
oft op-fprake. Van mijnent wegen , ick benbereedt te 
haten Vader ende Moeder, paiture ende kinderen, ende 
al dat ick hebbe,liever dan u, ook met eene dageliklche 
fonde te vertoornen.Ickben bereyt liever tellerve,daa 
dat door mijn exempel oft onachtlacmheydt de mijne 
van \\ foude afwijcken , die daer zijt ons leven. Want 

^ 4 feker 



öoo^ Ijct 
tocDoc Dcc 
«©nöctm/ 
offalig/of 
bccöocnu» 

I'rov. 22. 



is/uoa? De 

*t quact 
rtcmpcl 

tcceiu 



ijuüne 
iiootD^uf^ 
tigljcpöt 
ban (6ot>t 
tnortm be^ 
Ütemu 



56 Denl.Bocxk. HctllI.Cap. 

fekcr ben ik:,dat: byfondcr de kinders fullen wefen door 
mijn tocdocn,of crfgcnacm van d'ccuwige lali2;heyi:,of 
plichtig;h van d'ceü wigc door , v/antnadasWijfemans 
gevoelen , een jongelingh oock als hy out fal wefen, fal 
van lijnen weg niet wijcken.Helptmy dan o Heer,mija 
ecnigc faligheydt , ende verkeert onfe tribulatie des 
vleelchs, in confolatic des geefts, op dat \vy uwen naem 
ghebenedijdcn , en dat onfe hiiysghenooten oock uwen 
iiaeni loyen , maeckt dat fy u vreefen^en wy al t' famen 
d' een den anderen beminnen : want u plaetfe, oPrince 
des vredcs, is in vrede gemaekt, noch in' t midden mijns 
huys fal woonen die hooveerdigheyt bedrijft, fo dat l^y 
niet en wilt u\Men geboden onderdan igh wefen , en by- 
fonder dat gebodt, dat ghy u gewceraig;ht hebt ons foo 
menighwerfaen te prijkn,feggende: Dii is mijn gebod, 
dat ghy malkanderenbemint,gelijkik u-lieden bemint 
hebbe, Ontfangt doch biddc ik u mijne goede begeerte, 
cnde verleent my dat ik noch door woorden, noen door 
wercken yemant vanu afkeere ; maer ter contrarie,dac 
ik een yegelick in de dcught mach voorgaen : want wie 
ccenc forge endraegtvoor fijne huysgenooten, is arger 
dan een ongeloovigerhoc veel te meer, is' t fake hy door 
M'oorden of exempelen hun tot de doot leyt,hun noode, 
of daer roe brenge,datfy u fouden verfmadê,en(ö goe- 
dertieren |esu)u weder aen den kruyce hcchten.Ick en 
bevinde niet wreeder te wefen , dan alfo aen de fijne te 
fchencken den beker des eeuwigen doots,alfo de poort^ 
open te doen aen den vyant,alfo uv/e tempelen,de ziele, 
die ghy my bevolen hebt,over te leveren aen de duyvel, 
om van hem gcfchent re worden , niét willen of derren 
hun vermanen, van de perijckclendaer fy in zijn; maer 
forgvuldiglik rijkdommen foecken,en allen overdaet of 
pracht toelaten.Weyrt doch,ik bidde u fulks van my,en 
o mijn Vader, maekt dat wy uyt gantfcher hertenu be- 
minnen mogen,en eerft focken u rijk; bedelaers noot,en 
rijkdommen en geeft ons niet,vcrl,cent ons alleen onfcn 
nootdruftom te Icvcn^ Doch,indicn 'ta]foowaer,datu 
beliefde my dit te weygeren,ick weer wy fijn u kinders 
ó Vader der bermhertighcyt en Godt alies troofts , ghy 
weet beft watons profijtclick is, en ghy verbiet onsbe- 
nout te zijn , en gcbiet oi^s alle onfe forge op u te wor-» 

pen; 



Van eenen ftaet des levens te \t rkicfen. 5^7 
pcnxn dit doe ick geruftelijck, en fo my dat tocftaet te 
docn,mijn zicle,mijn lichaem,inijn levcn,parturc,kindc- 
rcn het is al u, en voor u alleen beware ick de felve , ick 
leve voor u en met voor my,u dragc ick op my felvcn,al- 
le mijne en mijnderwercken, opdat fyueeiiwichlijck 
loven ende glorificeren van eeuwe toteeuwe, Amen. 

Pradijcke oft Regel voor die in den Houwe- 

lijeken ftaet leeft. 

'♦Ti 31^ tot befcnflaet omroepen tö/ moet bfm tot 
*^ <0obt.ö olorie/cn om Dat fulcfeö ^©oDt^ toille 
ti$ alleen aenbeecöen/ en dat na eene generale öiecO- 
te; naec goebe bebencftinge/ en beel gebeden/ en ael^ 
moeffen: fo Ijeeft ben ^ngel i^^obia^ geleert/ ja oocïi 
ban êem teontfjoubeneenigebagen/ omalfoobesf 
bupbelö macött'ontgaen; enbetoattoonberfoube 
liet toefen/bat fulcftjsf jt^emant nabolgöbe,- gemercht 
foa bcel \\\ ben Doutoeljjcfeen ftaet/ oocft ftebben eeu^ 
toige fupbeiljept \^t\x^^zn i 5^a bten ban men albuiS 
Ijeeft Bet öoutoelöcö ingegaen/fo moetmenDemla^? 
f en boojilaen t'famen aengegaen te öeOben met \\y- 
lie pacture een compagnie ban allen goet en «ïuaet: 
enbe boo? al/ bte gefiout \^l bient te Oefojgen bat fij^ 
ne gefteele familie <0obe aengenaem 3? : Ijp fal baec 
upt Hupten alle onbegclijchc; enbe fal toacljtcn foa 
bed Ijem mogelncfi x^i bat <öobt ban befelbc niet 
becgramt en too:be» OEijt enbe toccch fal ï)p aifoo be^^ 
beplen/ batter ntemant lebigl) en 5?» 
2. l^p fal alle bagen boo? ijem nemen/in ben naem m\t bagm 
tz$ -Igeeren gefu Cft^ifli te boen / al bat Op boet/ in p" ï^^"» 
tooojben enbebjercfien/ enbe ïïp fal befo2gljen/bat ^pöS" 
5P bagelijcfeö mx^t Ijooren / '^ abonto' Dunne con^ 
fcientie onberfoecöen / ten mtnften alle maenben 
tzw^ biecOten enbe communiceren/ cnbelipenfal 
ntemant / ban op fulcfeen befp?ohen coubitie aenne^ 
men/ oft oocfe bp ftem fjouben. 

i. ^atÖpbeföne/leereop'tneerftfcïiftetefcBoü* ^PfuUeit 
toenbuple of ongeoo2loföe fcDoufpelen/ maer mceft toeprm 
Ijem giiijtmaeclie alle onfupbereboccften enbe beel:^ Sene« 
bcn^enbe befo^ge in bteplactfe43obtb?ucDtigeboec* oneetbare 
feenenbebeelben/ opbatbcfelbeboo^eenp^gelöcfe ijow^nu 

<e 5 bp 



58 Den I. Bocck. Het 1 1 1. Cap. 

bp öc ötintcnbcoogcn jünjcnöe inöicn 't foo te paffe 
quamc/mcn fouDc mat m 't ocinepn mogen lefen op 
Pot mm m\c ocfcttcenDc bcQuamcui'c/ foo öen Oepligen €1* 
°ï,5/^"f 3ear(UiC(öeöc: balend feDcn enDcbananöereaöoöt^ 
Bott^ ie. iJ^ucütf ge geOouöc per fooncn fal O? lefen enöe tie fö* 
fcufdi» ne boo^ijouöen/ om nact* te bolgen. 

4. <©en man tja? öejof b^outocn Dooft/ nocB 't en öe^ 

taemt niet batbeb^outoe öeeifdjapppeöebbeobec 

Ijacen man ; bp fal nocfjtanjef gebacbttgft 3ön bat DP 

Ijaec moet Ijouben/aliseen meDe-gefellinne:enbaec;» 

omfal Ijaecalief een licancfeecbaetfeen (foo ben 31lpo^ 

ftelfegljt) eeren. I|p moet oocö fjjniaöupfb^outoe 

feiancfibept berb^agenenbeonbec-recDten; (toant 

foo ben 3fipoflel leeft ) inbien be b^outoen i?et toillen 

Ueren/ bat fp ijet t*Dup0 Dunne mannen blagen. 

^otfp 5, 31^00? al i^ 't te blieben alle ftröbinge/ feijbagte 

ttofeD2"fht^^^^^ quaetbermocpen; enbebebjoutoemoetftaec 

fcijoutociu mijbenbantebeelfp^ehenjo^/ enbe ban moettoillig» 

Oeptj toant boo: bufbantge bingen/too^t [jet ïjoutoe^ 

lijch eenonbecöaagelijcli jocfi- ^^e geljoube moeten 

|)un bede boen/ om malfianberen tegeliebenint 

goet; enbe allen goet moetonberf}ungemepn3ijn/ 

cnbe om geen binclï tct toerelt/ en falmen aemiemen 

cenige berb^eembinge bun fijne pavtuere/ oftban 

!)areb|iettben oft magen. 

^aw <^*^un Jabijt oft ïüecöinge 5P matig/naec ben fin 

ijcpüt m bes^ Hpoftelö/ ^c b:ontoen(fegl)t ()p)fullen met een 

butmtiu tamelöcli D^bijt / met fcljaemte enbe foberbept öaec 

bcfeiecen / Det toelcU ooch plaetfe fteeft in be manjJj 

maec be b^ouloen bolgê licljt iyact^ gelijcb boo? fot^j 

tecnpe/ en 3ijn qucilijcftom meecbee cteraet hc^ Itc^ 

Oaemjafr't toelcU oocü felbe meec cieraetiS ontfangen 

. foube/ ban be Ijeuf fjept enbe beugbt ber stelen. 

i^oc fp 7» 3HLÖ' ben i*jeece eene b^ucöt becleent fjeeft / bte 

ta"ü!ht f^ïï«^" ft Oaeft al^e? 't geboren ijS / enbe baer nae/foa 

^oöiop- Dctecrflliangefcbieben/ »6obe met groote affectie 

flfferm op-offecen in ben tempelbes^ ^l^eeren/iaoocö bage* 

fuiuii* jjjcj|0 / op bat bp baer ban fcbicbe enbe ojbonnere/ 

't gene 5? tot fijne mcerbere glorie/t en 3? bat <0obt 

be b2ucljt met eene onrijpe boobt beliebe te fjalen/oft 

tot cenen aeligieufen (lact te roepen.lip i$ <©obeen 

Den 



Van cenen ftaet des levens te vcrkiefen. 59 

ben mcnfcöe onöancfebaec / fo tof e De craben 45oht^ 
alfo cntfanot/ Dat Ijp 't geünipcli Dec felbcr/Dcn ce- 
het tocpoere eeneii ooöcnDUcb ban Du Icben / Daec 
ïip De felbeniDeceeutoiöljcpttoeDtromberliröoen 
faljttiaec De IttnDerc moetmen neerftelicft onDertoij^ 
ff n/ terjlont ban ionth^ af/ p^incipaiijcli öoo? 't tx^ 
empel ban 43oDtb?ucütiöf)ept/ manierücft (jept/De^ 
oelicfefjept matiöljepten facOtmoeDiofjept:U)antDe 
InnDer^placljtc in Ijiin/ ai^ in eenen fpiegel/tebcc* 
.becIDen oft iipt te D^ucften Den aect of t maniere ban 
Ijnnne ^öuDerjef/Daer-en-bobc moetmen öun ocffené 
oföetoennéin43oDb^ucDtiöeoeffenmöeienbefcfj?Ü' 
ben öun memorie met lleplige Dingen te beröalen / 
oft met fententien tot een <0oDb^ucljtiaO ieben poo- 
oenDe / boo? te öouDen.^n 't ho^t men moet botgten 
l)et bermaen De$f 3Bi)fen-man^/ €n geeft ubaen fo^ 
nc geene macljt in fijne joncfeijept/maer boogt fijneit 
iiecfe,- toant eenen fone / Die men fijn Uiillefeen geeft/ 
Die fal fijne moeDer befcljamcn- €ijDelijcfi goet fal^ 
men alfo foecöen te toinnen / Datmen nocDtaiiö föne 
meeile öope op ^oDt fielt/ enDe Datmen Defelbe met 
<0oDt Deplt j in Den armen milDelücfe bp te ftaen/ op 
Darmen oocli in Dit Ieben öonDert-boutontfange/ 
oeiijcit De 3BaerDepDt felbe belooft Ijccfu 

8» ^e bjoutoe fal in minDer Dingen get Dupfö^' J^°^^^ 
fin regeeren/en maïien Dat fp onberifpbaer 3P/ Doo^ Sf?" fict 
eene feecljbare en üeplige conberfatiCj toant Die pDe- mmit* 
le/nieutüjef-gierige en ongebonDen ban oogen/trecbt öfpimfai 
een anDer to't fonDe/ oft immersi fcljijnt t)at te Doen. ïf "J^"^ 
(€er contrarie De fupbereenDe eerbare (gelijcfemen ijupfg^ 
ban een bermaerDeb?outoe leeft) enbentnieman- tm^» 
Den Dan baren man / nocO ijs qualijcfe oen pemanDt 
anDericf befeent /en Defe na De bermaninge Dejef JDjj - 
fcn-mans?/ fal Baren man goet gcben/ enDe geen 
Quaet/alle De Dagen Oaers^ leben.ö;fp (ai upt baer fel» 
ben toolle enDe bla^ef foecben/enDe fal IcDigljept blie* 
Den/ enDeDeftant geerne aeu Den armen openen. 

9*e§almen alle maenDen rebeningc üouDen ban 
ontfancfe enDe upt-geben/ enDe bier falmen geDacl)^ 
tiglj toefen/onDer De toxnninge te ftellen/'t gene me« 
Den armen upt-geDepltfieeft* 

10, %IU 



6o Den I. Bocck. Het III. Cap. 

10. %iic laer op 't laer-getijöc utDe^ö^upïoftj^ / 

Roemen fult qljp ö^ie binöé tom/ttn cecflcn/gljp fuft Diec D- 

So'en r]f on ^^" ^" commuiücecen 10 't mooclycö met utoe göe- 

•r jaccge^ Ö^^^^ familie: ten ttoeeöen/ pepft neerflelijcft/ en be»» 

töDc Df -sj raebt u met u fjupf b^ouloe / om 't felUe toefeomenöe 

t;upiaft^, jaec beter te beflieren : ten öeröen / offert al ftet utoe 

aen ^oöt / in 't ,§acclficie öec iBiffe / tiat oöp tot 

oefen epnöe fult Doen öoen; iiptöeplenDe oocfe eenige 

lob I. aelmoeffen ; alöiie^ toaj? goD o^tooon te boen / fo te 

^cO^iftuce becDaelt: te toeten/ fi? offerbefacriricie 

^00^ fiin öupföefin/enbe fupberbe Det felbe» 

Schiet-Cjebedek^em» 
Pfal 7. \T ^"^'■^H^^i'^» cnde Godt, in u hebbe ick betrouwt , 
^"^ behoet my voor alle , óaq my vervolghcn , ende 
verloft my. 
Pfa. y4. "Worpt uwe forge op den Heere , end e hy fal u op-koe- 
fteren , ende en lal in der eeuwighey t den rechc\xer. 
digen niet in onruft laten. 

MEDITATIE 
Vanden Weduwelijcken ftaet. 

d'Eerjievoorfteiiinge; ^Cenmercïit bat öOp fiset tlt 
<3obt.ö regentoooibigfjepbt / enbe bat oÖP ban {jem 
genoot too^bt/ tot eenen bolmaecfeten ftaet» 

Dettveciie, 23ibt0cmbat göp fönebopfe gooren 

mocftt/ enbe toeeröelijcfe naer utoen roep leben» 

t^ot bat'- pj €t I point . ^enmerctit ten eerften/ bat een pe? 

men eeiicn *- -^ gljeltjcft eenen ftaet moet fuefen naer ben toillc 

maet^"^"' <0obt$? / enbe \3iat een openttijcfe telien ban ben Ijotï^ 

* Ie <0obtjef ïjat Ijeeft eene loebutoe / betoelclie <2Bobt 

ïjaren man afgenomen fjeeft. 3Ccnmercl5t ten ttoee- 

Luc 14 benbefetooo^ben/ ^nbien pemant ftomt totmp/ 

tnt^e en fiaet niet fönen baber / moeber / pupfbiou* 

toe/ feinbcrie?/ b^2oeber lOf enbe fufler jöf/ enbe baerenbo^ 

ben fpfelben/bie en macO mijnen^ifcipel niet 3ijn: 

<ï5ot>t tJic en benefit bat 43obt nu proeft utoe getroutoigSept / 

p;ocft tmt of t gfjp Oem meer bemint/ ban alle befe. JIDeefI bait 

fn^hf"m h'^^ gcbacDtigO Det bonnis?/ bat ober utoen man feomen 

ben al be/ ^^* ^^"^ 't fclbe fal Ober u feomen ; mogöelijcfi fuU 

mmu gbp D^ben bp Ijcm toefen / bien göp onmatelöcfe be^ 

Eccief.36. feiaegjitu ontnomen t^ 5ün» Stenmcrcöt toattefee* 

nen 



i 



Van eenen ftaet des levens te verkiefen. 6 1 

tim a6p Btctcnboben nocD Ijcbt ban bcfen roep. ^J^c- JSat mt^ 
fe 5ijn öicfetDil.ö onb^uclitbaerDepb / ficcftte / Darter "^•'p ij"f« 
geen parture u en p^efenteert/ Datööprudebintin rcnilact« 
tjefen ftaet/ enöe een beaeerte om tot öe bolmaecbt' öoujcrDm. 
ftcptJttefiomenj enbe Iet opbietooo^tJenöess^ipo* i.cor.7. 
hW €tm b^outoeöieonber ben man i^/ befe/ alfa 
iancö ai0 Dpfeeft/ 135' in De toet berbonDenj maer in^ 
Dien Oaren man oefto?ben i^/fp (js ontbonDé/ ban De 
toet DeiC? man!9f;Dat fp troutoe aen Den genen fp toiit; 
maer fp fal faüger 3i)n; inDien fp fo blijft/ naer mü^ 
nenraeDt : Docfjicömepneöaticöoocfe Den geeft 
<aoD0OeDbe* 3,^aerDitij2^meeftte berftaenbanDe 
gene / Die tot flunne iaren gebomen sijn / toant boo? 
D'anDer (fegöt Den felben)ii5 't beter te öoutoen/Dan ^ 
tebaanDem I't^^Ï' 

^et 2, point. 3Cenmercöt ten eerften/toaerom Den moe Dm 
ftaet Der toeDutoé faïiger W te toeten om Dat fp/ ge^ ^ff "»* 
Jijcfe De maegDDen/ 10.0 enDc b2p 5ünDeban't geboDt L%,t 
De$? man33?/mogen ^oD bapclö'a Diené/ enalDu^ ge^^ tjoutaeiöcfc 
löcfj Die öonDertbouDige bjucöten boo2t^-b2engen/ te iioum 
ölfobjengenDetoeDutocnboo^t De fi^ftiöÖbouDige: g"* ^ 
ontftagen toefenDe ban De begecrlicfeDcDen / en Bare gcrnSi 
toiiiuften/ ban beel fojgen/en ongeruftigfieDen/ban fe^ ftacis^* 
toeerlijclie eenbet fatie/ ban maeltiJDen en p^atfit m 
De fïleeDeren/ en familie; Detoelcfee in De menfcöé De 
üefDe <0oDjef belet/ toefenDe Defe fo beel te meerDec / 
tjoe onfe liefDe min berfpjept iie^.^emercfet Dan Dat 
öÖP 3Öt al<e? ontbonDi ban De toetten De^f toerelt$?jgp 
en f^tbt ni«mant aen toien göp moet foefeen te beDa? 
gen/ om toien göp u paleeren moet ; nu en fal utoen 
manu niet meer lepDen totbancguettenenfcBou- 
fpelen^göpfult a5oD loben/Dat g8p niet/ gelöcfe an^ 
Dere/toenfcflt een parture te binDen; Dat gfjp ntet en 
toeent/om 't aftoefé ban Diê,Dat gDp niet onpatten^ 
tig en 5ijt om fjjn berbepDen/i.ö 't Dat Dp goet toajs : 
Dat gijp niet en öoef t te toenfeljen fjjne abfentie/ al^ 
fp moepelicö toa.sf.^ebt gDp eenen goeDengefiaD/fa 
ij)tbt gijp Dien geb jeeft te berliefen. ^ebt glju eenen 
^uaDê geïjaD(o gcoote featijbig8ept)fb f^tbt gfjp Dié 
rfamengegaet/ en moet! beminnen. Berblflt u Dan 
(foo ^mia öomana ti^öe ) öat g&p nocö goeDen en 

toenfcBt/ 



6l Den I. Boeck. Het 1 1 1. Cap. 

UjenfcBt/ om boo? fjcm meer/ al^ boo? u/ te b^eefeti; 

nocfi quaöen en foecht om altijtjef te berfucfjten.fCcn 

laetften/ aengefien u aeoo>loftnocö i^ utoelteföe/ 

öie belieplt toaiSf/in 4300 te beceentgen/ öoet Der iipt 

oantfcftec frette/ en Debencltt u gef ucft deö toeöutoe^ 

ïijcfeen ftaetflf/Dien be l^opbcnen oocft bcrftcbcn enbe 

<5ot)t tó gepjefen Ijebben. (€cn ttocetien/ om Dat ben Igcere / 

boogi)t m bpfonöer boo^ de toebutoenen toeefcn fo^ge bjaegt : 

baTöe taV ÖP liOf ban befe boogt oft mombaec / enbe eenen #a^ 

iutociu troon ban b'anberemocb be gene/bte Ijeröoutoen/en 

mogen met feggen/bat fp bat boen/ om alfo ban ben 

man geljofpen te5Ön / om O^ïre öinberen op te b^en* 

gen; aengefien fpbujofboenbe/ ftare ftinberen oocb 

öerooben ban fjuiuie moeber/enbe ban't moeberiijcft 

gemoetj fp (iropt saet ban onb^ebe/en tb)tft/enbe be^ 

fc bedatenbe foecftt anbere erfgenamen, gnbien f? 

geene liinberen en öeeft / toie iffer bie fjaer ban gee^ 

ne onb^ucötbaeröept/ enbe oorloof fieubt ber fefeeren 

ludith 14. faLIHenmercöt ten berben/oocft *t ejcempel Si^^itl}/ 

betoelcöe om be toebutoelijfeefupberfiept/ uptgefeo^ 

ten imtn 't boïcö ban gifraél te berfoffen/ <am bat 

0BP(fegt be^cö?ifture)be fupberöept bemint bebt/ 

gnbe naer utoen man geenen anberê geöent en ijebt* 

l^ierom fteeft be bant <0obtief u berftercfet/enbe gbp 

fult gebenebijbt 5ön tn ber eeutoigbept fegbt ben %• 

üoc öat be 45ctft* 25emercbt ten bterben/bat be ^.JlBaget Ma- 

ïl,4!iaana RiA een ejcemplaer ban alle toebutoen enbe maegö- 

Tlihr^l ^'^^ tjS/baerom oberbentfet boe öepligblöcfe fp in be^ 

^atïoSn f"^" ft^^ï geïeef t fieeft-^epepd boe fp ftare finnen bc^ 

boo2 alle toaert Beeft/ baren tijbr bebepit beeft / een pegelöcö 

toeDutoen ^oo^ ftaer ejcempel enbe bepüge conberfatie/ bequa^^ 

*^* melijcb tot be <0obtb?ucötigöepbt getrocïien B^ef t* 

uot tent ^^^ ^* P°"^^' ^fienmercöt ten eerfien / öoeenbe in 

tocöuine toat manieren eene toebubae/na ben ^poflel ïtatt U^ 

Dacc leben ben moet aenfteKen* (€en eerften / fp moet alle Bare 

Jwim^^"" ^^^^^ tot «aobt beeren/ enbefoecben Bare familie tö 

' ' gouberneren / onöerifpbaer 3bn tn Bare maniere / 

beujS en (lil ban toefenj ben tijt t^it fp placbt te befle* 

ben/ om B^^^^n man te belieben / nu aen ە32i^u^ te 

öangeni*t bermaecb en genoegte be0 \s)tttW fcBou^ 

I .Tim. f, bem toant een^ to^bub^e/bie in ip^elbm leef t/bte t^ 



Van eencn ftaet des levens te verkiefcn. 6; 

Ql0 UbcnDe Doodt, ^enmercöt ten ttaeeben/ ben lof 
ban be ^. aBebutoe ^»^nnc/^P en qinthifm ben ^"c. 2. 
<J!uangelirt)upt bê Cempel niet/tiicncnbc»0ob met 
baden enbebiDbenbagOenbenacöt. ^Cenmercfettcn 4>p moe- 
becbé/be maniere ban giubitlj fp baftebe alle be ba^ iaialn'h'* 
oen öaecjs^ lebenö/befjalbenbe ^abbotfj-baoen/ en- «em "d 
be be nieutoe |ï>ane / cnbe be Jpeeft-bagen be.s^ Ijupis^ ba» au« 
ban 3fcaël / enbe fp toaic? ööeöleebt met een öapren f»^ö- 
ï!leet/enbe fp DabbeBaer in 't oppecfle öaerö öups?/ ^* 
een ftille fiamec gcmaecöt / in betoelcöe fp met Bare 
|oncö-b:outoen aefloten tooonbe.^o berretoaief Bet 
ban öaer bat fp na be fcBouto-fpelen oD^oaen foubc 
Öebben/ oft bicFibaijI.ö öaerïangöicfbeöupfen laten 
binben. 2Cenmercftt ten bierben be tooo^ben bejs? 9Ü* 
goftelief fo eenige/een oprecDte toebutoe ijj/enbe bec^ 
laten/ tjit öopeenbe üetroutocop <6obt/ enbe3»j ge^ 
pabig in gebeben enbe fmefiingennacöt enbe bagö» 
<Ênbe Bf berbiebt Bun lebigB te sön/enbe te ftoteren 
ban 't een Bup^ in 't anber / enbe beel ban tooc:ben 
te 5ön. ©oo.Jtoaec lebigBept (taet Baer albermeeft tt 
bermijben/ enbe perijcèeleuögefelfcBap/ gBelijcft 
oocfe ben mobbecbec gif^cigBepbt. Berres^ B^tban 
be toebub3e(fegt benig.^ugu(linu£i)bat fp Bate laet Augufi. de 
bebangen met be begeerlflcliBept bec rflcfebommen/ ^°"° ^*^* 
f tt plaetfe ban be begeerlocöBept beieJ bïeefeB5?;b)ant 
top B^ööen bicötoölief bp experientiebebonben/ in 
fommige b^outoen / bat be toelluflen geblufcBt 3ön* 
be /begieciöB^Pbt meer i^ont(ïeee6en getoeeft» 

Gebedt eender Weduwe, 

O Mijnen Heere, dieonfenKoninckzijt» endeVa- . 
der der barmhertigheden,helpt my, die alleen ende 
verlaten ben , die behalven u geenen anderen helper en 
heeft,acn(iet my van den hcx)gê fetel uwer glorie j want 
tot u hebbe ick mijne oogen opgeheven ; gny zijt mijne 
eenige hope, ende mijne oewaringe : want ick en mach 
niet omfien , naer menfchelijcke hulpe : want vermale- 
dijdt is vanu , foo wie betrouwt op aenmenfche ; ende j^oe fp fjet 
Cet ghy hebt mijne parture , tot u geroepen , op dat ick af-flctbm 
uyt gantfcher herte my toekeeren foude tot u : ghy zijt ^anf^'o! 
rechrveerdigh, Heeje , ende u oordeel is oprecht i want t« „loct 

hy opDjagm; 



64 Den I. Boeck. Met III. Cap. 

hy hoorde u toe, ick ben u danckbaerhey t fchuldig, dat 
^hy hem cencntijdtlanck hebt laten mij nwefen. Ghy 
haddet lij nc daghen getelt, dieniet enkonnenvoorby- 
gaen: ja ick wc te oock,d^t ghy de mijne gctelt hebtjCn-* 
de overfulcks ick verwachte oock tegen dat mijne ver- 
anderinge komen fal, ende dat ghy mijns fultgedach- 

i.Reg.i. tig welen.Verwachtende lal ick u verwachten o Heere, 
ende ick wete,dat ghy my in den tij t der tribulatien niet 

ludith I. verlaten en fult ; en ghy fult my veel beter zijn,dan tien 
mans.Vertoont u doch,ick bidde 't u,in den tijt mijnder 

Efther 14. tribulatien,ende verloft my door uwe handt,ende helpt ' 
mvjdie geene andere hulpeen hebbe,danu,o Heere; die 
alle wetentheydt hebt: mijnen noodt ende voornemen 
. is u bekent , hoe dat ick u begeere in defen ftaet acn te 
hangen uyt gantfcher herten: want ghy hebt gefeyt dat 
ick faligh wefen foude, indien ick allo bleve; op dat ick 
alleen dencke,hoe dat ick u mocht behagen ; op dat ick 
heyligh mochte zijn naer lichaem ende ziele ; verleent 

«Örtcbt my , ick bidde ' t u , dat mijne eenigheydt door u gefel- 

om m \ito fchap oft bywefen , my mocht foet worden ; op dat ick 

fmAUk tt "^^^ enfoecke van de menfchen bemint oft ghefien te 

bmöeiu zijn, oft van 't verdriet verwonnen, geen gefellchap der 
menfchen en foecke; maer dat alle mijne ghenoegh te 

Luc. 2. mocht wefen met de H. Anna : gheduerigh te wefen in 
bedinge ende in fmekinge^datick mijn huys-gefin hey- 
lighlijck mach beftieren; met Judith in ' t fecreet voor u 
leven; op datter niemandt van my een quaet woordt en 
fpreke. lek fal my altijt met eenigh goet werck befigh 
houden, ende fal u altijt voor oogen hebben, op dat ghy 
mijn gheheel herte belirtenende beflaen mocht. Ick fal 
mijne hant den armen open doen , ende den hongerigen 
mijn broodt breken ; ende mijn herte fal betrouwen op» 

Pfal. 9. den Hecre : want u Heere is den armen verlaten ; den 
weefen fult ghy eenen Helper wefen; ende ghy hebt de 

Matth. f. barmhertige faligh genoemt , want fy fullen barmher^ 
tigheydt verwerven. Toont my defelve , ende verhoort 
het gebedt uwer dienftmaeght , die haer gebedt niet eH 

Daniël 9. ftort fteunende op hare rechtveerdighey t, maer op uwe 
menigerhandebarmhertigheydt. Letopmijnghebedt 
ö Heere , ende en vertoeft niet om u eygen felfs wille, " 
mijnen Godt ende eenigh betrouwen , Amen. 

' pradii 



dt |i 

4 



Van ceiien ftact des levens te vork iefeti. Cy 
l'raAijcke oft Regel voor ccne Wcduv/e. 

Lfsj 3£ een rijp Dcrnetcnöeg;enccaïe bkcl]U/ D? fo go^futé 
-*-^ berrebatijelcgcrtiiS/lierhtcftDefcniïaet/entiC mnSu 
neecflïöDïiJcö nenuKcclu Dtfitoöl.ciDctepntic/Vöacr= n^ictba-- 
om gfjp tot öeit IwebatöelijcFien iiact öcrccpen 3ijtite fcKfoi (au 
iDcreii / om Dat oOp t3an De ma? ijt bc^ man^ onttla^ 
een 3ijnDe/ <23oöt b^peiijcli foubt mogen Dienen ; 
fcl)Outot Oet gefeifcljap ban manjS-perfooncn/ en m 
liet exempel ber Ocpligen / bliet alle familiatitept/ 
oocö ban utoen 23icc[)t-babeï: ; 't b^elcli foo loei Den 
toeDiOijcn alicè Den maegljDcn gcOoDen Ujo^t;en Daec^ 
om / Dat boD? DefeDient/ pepnft Dat fjet u oocfi aen;^ 
gact. én fp^eecfet nimmermeec fegOt Den l^.^iero^? 
npmi!S?/met Den manallef/op Datu/Dtc ober-comt/ 
niet bcfcDaemt en maecöe j mmt <OoDt upt gefteel u 
fier te/ nocD en begeert niet bemint oft geacöt te 3önt 
ban De menfcöenj flaet Dan na De boImaec][itöePt/en^ 
De b)cp2t ban u De beïetfden Der felber:onDer De 
Vxjelcfte bjel De meefte tö fo^gljbulDigöept booa aert^» 
fcije Dingen,- toaec banfegljcDca^po|le[:aQ^o?pti.Pctr.j. 
flUe ub)Cfo,:3r)bulDïgOepDt op <6oDt. 

z. (DnDerftouDt geerne metDcöepIige3BcDubje ^pruiicit 
guDitö D'echigöcnt^ftomt felDen opDeftratê;toeeft f/cnTnn' 
ti pegelijcf! gefp:cecfifaem/maGr nlemantgemepn- met ii ^; 
faem; eri berliaeït niet ïicljtelöcö bp pemant 't gdet/ aaDuu* 
Dat göp ban a3oDt ontfangcn ïjcbt ; en filaegöt oorl^ 
niet licltrelijeö/ berftalenDe nbje tegenfpoet. 

3. bemint pcenitenttale U^ercl^ienmetDifcrettej pagcbaö 
fcIioubJt foobeelal.e^gf)p[iontmaeitnDencffjanc!^ Ktm 
(juetten; toanteenetoeDulöelebenDe in toeelDeie^ al moeteiu 
iebenDeDoot : Di^i^omgeb^uiïcfttfTecütefiieeDeren/ i-Tim.j. 
bliet enDe mi$?-acFit grootffiepDt / ente lof Der men^; 

fcljen : aBant a3obt toeDer-ftaetDen BöobcerDigcn/ 
Den cotmoeDigen geeft Bp gratie* 

4. ^engefienDatbea3oDti5'-Dien|ïigrjeptDesf ge^ lacob.i. 
xm/ Die föne tonge niet en fnoert pDel ie? / berboïgljt 

met Den ê.:opf)eetïDabiD/Den genen/Die fijnen nae^ ™. 'oo. 
(lenïjepmelücftlaflert oft blameert : aBantgeliicfi 
«en ferpent bijt in 't berbojgen/niet min en Doet Bp/ ^"^* '^' 
Di^ fiepm^löci^ acDt^r&Iap fp^cccl^t. 



66 Den I. Boeck. Het III. Cap. 

^ocDÉt s. tDm 3Cpoftcl mJü oiijG? acn öcn tueöubjclijcljm 

Sl?t firn ft^^^/ ^"^^ f^ö^^^ ^^^^ ^? f^^^öö 5ün/i«t!jen fp foo blij^ 
iofbacr/na ^^n / Dacrom (jccact u/of t u niet öoet en toaet/ ten 
raet ba ee=: minften )3002 renen tflt fHpbeilicpr te Deloben / enöe 
"^/^^'f"; boloftt Den raeöt ban eenenNÖoötb^ucfltiöenenöc 
toTnl'cöe ï500?ficftttgcn25iecöt.^^^ : bceIiiclKecfoo3t:u^ 
fupbctijfpt tjaiiinu^ ïeert/lxjo^t öe Degccrlöcïiïjept bertoonnen/ 
im nim^ j,j^ j^i^t ^n to02t boo^ eenige fjope ontftcFicn/be toclc^ 
«nmtöt ^^ niecjtenöed bergaet/ footoanneeï:meaöoo2ae^ 
«seioouê. loften aen ^ob almatlniijlj/hcn gcOeelen Dooni op- 
offert enbe niet be b?uci)ten alleen, aBacljt u te bec^» 
fmaben beoene/ btetcoutnen j niaecbancïu<25obt 
boojbe gabe/bte iifj? ban öem ontfangen Jjebt/enbe 
bebiaert utoen fdjatfo?tDbulbigf)löcït» 
S(!ïïm|aüc 6. ^Uen jaeiv oft in ïjct iacc-getijbeban ubjejs 
Sun mS lï^^ï^'S? afiijbjgftepbt / fult qïw gebiecljt enbe gecom» 
voadmet itiuniccect ïjebDenöe/ meteentnnigögemoet/ ïjet 
grootcöÉ^ p^opooft ban ben toebütoeiöchett ftaet t*onber()oii^ 
mrXf T ben/foccfeen te bernteubjen, 

7. eêtet boo^ al/ bat glj? ben trjt neerftelijcfe be^ 
bcplt/boet aJtflt toat Qoztf^/Qel^l^mommm fegt/ 
op bat ben bupbel altijt u beficïj bmbe/ iis 't bat gbp 
tijth 3ijt/b3erclnboo? ben armen/of om betec tefeg^ 
gen/boo;>^ob aneen:^e.c? mo^gcn.^ fult gftp alle ba:* 
rjen toat ban bebotie lefen / en biDt <(3obt fonbec op^ 
l)ouben/en befp?oept albUjU ulnc b^ercHen met beba> 
timp bat gö? u in ben l^ecre bermafeen moogïjt. 

8. |^teu$?-giectg8ept tn ftljou-fpclcn tefien / fult 
ObP blieben/ enbe be pookten utoerfmnen met alle 
neerfiigftepbt betoaren- 

9* Mottht bepaffienub3eiEfgemoet$?bageli)c!i^ 
te becb3tnnenjp?tncipalöcö fioobeerbpe/grammoe? 
btgbept/b?oeföcptenbeonbecbulbtgöept; toantbe 
pattentie tö toel allen man / maec p^inctpalrjch beu 
loebulDen ban nooöe ; om be geloften beef l^eeren te 
berltnjgcn-3cïi fïraffe be gcne/b!e ith beminne fegt 
ad Heb.io. ben Igeece/ enbe ben felben boo? fijnen €ngel/ fegöt 
Apoc. 3. aen €obia!S:a^m bat qöp <0obe aengenaem toaect/ 

moeftgl)pboo?betentatiegep?oefttoo2ben. 
Mtemeefïe 'o* 23iecbt enbe communiceert bicètoijljEf/ en tit 
öuipeaeiiê all^ ttoiifd-acDtige ^nb^ moep^ïöcft^ bingen/neemt 



Van eenen ftacr des levens te verkiefen. 67 

utoe toebïucftt tot \\a l^- <;Sncrament en ijcutoacin mt ocpiig 
BulpccnöeraettjanDeiU^ccrc/öcb^upclitlDClccni^n j^-^"-!' 
25tccöt-Batïer/ niaer Uccöint u acn ijccncn. m ij/cn ' 

1 1. 3Dce|l mtlttotDé armen/cnbecnlactiueaiaiu epn-jcDicK* 
Oaen onactcooa ftont öOp/ en becfaeait oceuc fdjat- üjus uut^ 
ten/ latenbc Cö:i|iu0 utoen 23?uptiegoui / om een g;;/* 
(lucfe D200t.ö roepen aen utoe öeure:en 5ijtniet pom- mut tot 
peuö in utoe felecöerc/ latende Clï2itlum nacclu Vcc^ jeu anmit 
fen in fijne lebert; enöeinDmtGöunictmcccenl^cr- 5^"» 
mooatit/ geeft geerne ttoee minuten met Ijc: €iian^ 
öclifcö meucöen / enöc met be ^areptana : l^nn een 
luttel meeli^ enbe olie / maecfet eerjt een ftïepn b^oo* ^ 
beöen boo? IgeliajS/enbe 0Ö? f«lt ben fegen oft bcne^ 
iiictie bectoecben ban ben lïeere/ enbe ben meel-pot 
en fal u niet begebcn/nof D be olie-jfecupeft en fal niet 
Ijerminbert too^ben. _. ^ ^ 

12, fjö't bat aljp feinberen DcDt/D:enarjtfccp tnbe Jf^^,[^eiï 
bjeefe be?es peeren / enbe offectfe öcm bagelrjcfe.d/ en goDtuiucip 
fiebeeltfe oocö aen atoen enbe öaren €ngcl23cteaer^ umm 
tier; op bat öem geliebe Baberlijclie fo?gc aen W te ?;°""\'^ 
tragen: maertdeet bat utocftactgoebefo^ge te b^i'^ ' ^ * 
gen/om alle occafieban fonben te bjeprc/en teenfcfir 
ntet be moeber ban ben ^. ïubobicué ëoninclJ/ 
525lanca genaemt / utoe feinöeren lieber boot te fien/ 
iian te fiooren/bat glip ter Vuerelt fout geb:ctl]t peb* 
ften/ oft opboeben / boo: be toelclie <J5obt boobeiijf ft 
foube bergramt bjojbcn/ enbe Cljaifïu^ "^^xn^ toe^- 
öerom geferupft; en laet u geenfinö mi.e^-acïjten/ 
jiocft en beberft utoe ftinber^ nietbooa te beel toe te 
tjeben,- maer Routfetn eerbiebinge/meer boo^j licfbe 
aljef boo2 macfit / enbe bermaentfe meer booi eyem- 
pclen/alsJ boo^ toooaben tot De beugöt. 

Schiet -Gehed£l;enSt 

/^ Elijck des dienft- magers oogeji in de handen haer- P^al. uit 
^^ der Vrouwe: allbo lijn mijne oogen geveftight op 

u. ó Heere onfen Godt. 
Uwer ben ick , maeckt my faligh , iiwerecluveerdigh- Pfal. 1 1 8. 

maeckingenhebb' ick feer gelbcht. 
Den Heere is geworden de toevlucht voor de armen,, en ^'^^^- 9< 
Hulper in den bequamen rijt, ende in de tribulacie. 

d? ?& ME- 



68 Den L Boeck. Het 1 1 1. Cap. 

MEDITATIE 

Van dcnftaetdcsreynighcydcs. 
ÏJeteeYjlevoor-hereytfel/'^tnftljOnyot iW ben IJCrtlCÏDe 

Apoc. 14. aBaegöcn/öctllammeöcnlEsuMallcfin^bolöenöe» 

Net tivcede. 23iöt <i3oö/inö'ien tiat tot jüjnögc mect^ 

becc qlotki^/ öatöetOcmgdiciJcutotöefeaftaet 

tt roepen/ of inöien gö? ö«3er in 5W « öï^^c in te bc^ 

toarcn» 

t^oeweu llTEtKpóint.^enmercl^tteneerften/ batmenben 

fc f ^T<^ ft^^^ ^^^ ïeben.ö moet berfiiefen / Die on.of albec^ 

nSmoct iJCQuaemflc imntjc ben üeflen toea üc^/om tot 't mu 

ücnfien/ tüigO icbcn te ïiomemöoebanigDijSf onttoijfelijft httt 

tocicheii Dê ^ecfj bacc be mcejle ijuïpe/ enbe De minfte Deletfclen 

ftmmöT Sün-^^»-'» ttoeeben/onberfoecfit toat Dulpe gebonben 

ümbe/icn löo^t in ben ftaet be^repnigöeptöom^obttebie^ 

tó* nen : enbe gfjp fult tiebinben/ in ben eecften/ bat fp u 

geeft b^pigfjept: toant eene b^ouUje/ i^k in ben Dou^ 

tolijclien ftaetijOf/ en öeeft Ijaecs^ licDaem^ macDt 

i.cor.7. ntet/maei: fo ben ^pofielfegljt: ^en man aen toiett 

fp gebonben i^/ te mtm met tooonïnge/ tafel/ruft- 

plaetfe / enbe fön gebobt onbecbjoipen : toant eenen 

man i^ Detflooftbec b^outoe/foo bat fjetnoutoeïijcö 

Ephef. y. gcfcïjieben fian/ bat b'eene fonbec b'anber üeöouben 

5P / of bccloren gae : ató ttoee ffaben met eene \\ttm 

gebonben: toant/naer ftetfeggen ban<S»2|oftannc3ef 

ClWfoftomus^ : foo ffln göeene fïabenmeertnbe* 

btoancU ban een anber/aïje^ man enbe b^outoe: maec 

een iBaget b?p ban ItcDaemenbegemoet / macö 

<êm groot <i5obt btenen naec öaec epgen geliebcn» (Ceti ttoee* 

S^J^^hf ^ ben/ ben ^att tjt^ fupberöeptjs geeft macöt om fon? 

nattm bei:beletfeltebtbbenenbe<Öobetebeöagen:toantee^ 

fupbcc* neongeöoubeb^outoeenbemaget/bencfttalleenom 

ijcpt^. ^t gene bat <i3obt aengaet/ Jioefp na flet iicfjaem/en^s 

i.cor. 7. ^^ ^^^ ^^^^ Oepïtgö macft tuefemmaer bie geboutot 

W bencht öoefp ïjacen man behagen macö/ enbe i^ 

berbeelt : toant be liefbetotbenman/ enbe tot be 

ftinberen/ enbe be U)e!lu(t/ al iö fp al geoo^ïoft/ belet 

nocfitans?en berjlcopt/ enbe ftoaCiU enbe treeft tne^ 

bertoacrt.^ Detg^mo^t/ niet anb^rs al^sJb^gramtf 

f(D3P^ 



Van ecnen ftact des levens re vcrkiefcn. 6<^ 

(cï);)pp^:tie toclche (joc Ujel fn reiïc Occft/nieten (act 

fccn mmfcO tcontfldlcncnticteDltnticn.iCcns.tiC' ^uiso:* 

fm ftaet bcrloft c^ncit mcnfclj bait tcibulatie dC35 Jcnbcriofi 

blccfcDsS/ ben toclc]^cn(naecljctfeoömbaitDcnia*Sueö'^ 
gauluö)öc geöoiiö^ r)cljbcn:cn ban bed fo^gcn cnöc uiecfcü» " 
qualen/ öacc bcpöebegcDoutieDacctnbcctoecreni 
als^fiJrtöicfitoüi-öaï^ïtiocöe/onb2ucötbacclicpbt/ja^ Ibidem. 

lourfie/ttoceD?acüt/mocpte/ mie fo;ïgc int opbren- 
gen ber hinderen / D'ongeöoo^jfaemïjepbt öecfelber/ 
enöc öare qUviDe manieren; laooclifomtijtit.öeene 
fcDanöehjcfee öooöt: toelche faecfeen niemant en fian 
ontblucljten/bie booj ben bant b^ öoutoelijclt.^ acn 
een anber berbonbcn i0. tz^aer-en-boben foo sijn be 
ferancftfjeben be.$jgemoet.$?/ enbebeöltcöaem^ben 
gcDouben bpftan.ö gemepn/be badclïC fecr bichtoijIiS 
eene ban bcpi^c tecjïont na be b:uploft bebangen/en- 
bc alfoo/bepbc t'famen elienbigö maficnrenbe Ijier- 
cn-boben moet be baoutoe/ enbe oocfe ben man/ om 
be iief öe be.9' b^outoe.cf / aüe jaren een feher pecijcfiel 
beje? bootjEJ tn 't baren ber ïnnberen aengaen. 
. Het 2»point.3i!enmercf!tfjoeDoogB enbe berfieben ^«ijoogu 
ben maegObdijföen (laeti.^/ bienCOaifluöbpben J»^«jj^f^^^^^ 
ftatt ber o^ngelenbecgelijchr/feggenbe; bat ^ie niet macam^ 
en IjoiilDen oft ten öoiitDclijcH bejteeöt toorben / fyn in:ftnv 
aïo' ojngclcrt <öobt.9f/ enbebaeromconbècferenbe^amsf. 
engelen oodi gecrne met be macgOdcfeen.ö / ge^ ' ' ' * 
lijcii in ben föabploenfcften oben/ ben €ngdDcm Damei 3. 
baegf)be b? be b2te feinberem l^iercm (efen tep bp 
ben iDijfert-nian: bat geene genoecDte 10 te toeecbc- 
ren tegen eene feupfclje3ide;gaoodtbe8epbenenEccief.2^. 

ftebben befe geleert / enbe in be ^pbülen io' t}iz oodt 
boo: be gabe ber ©^ropljetpen ban <0obt bergebcn; 
Ceii ttoecben/ to02t eene $Ui^ boor be repn igöept een i.cor. 1 1. 
biu^bt a3abtiS : O Boe groot 10 befe tocerbigïjcpbt I 
tóaér af ben l?,©aulu^ fegOt: gcJj Dcbbe u ten 1)0U== 
todijcfe belooft aen Cö2i(tuc?/om u al.öeene fupbere 
maget Dem te (eberen* (Cen berben / Bemerdu Ijoe 
be maegfjben bolgen tnbenöcmdDctïammdien 
bjaer-toaertö batöetgae^ foo bat niemant ben lof 
a3obtö foo fingen en èan alsf befe, (Cen4» ^00? Apoc.i^; 
befen ftaet toaaï:«t eenen menfcD eenicBfin^ CD^fto 



70 Denl.Bocck. HetllI.Cap. 

i^ot Hat ocïüch/benhJcichétDcfcntieö^^ciiiöiöetoijföept/b^ï^ 

^ij?iitu9i fen jtaet beiïiofcn tjccft bDo^ i)cra fiiUcn/ boo? lyaU 

?ina^^cm öerlKpltgilc magct/boo^ fDnc^poftcIcn/cn allen öie 

niöcuoo? ftP mceftbcmiuöccöclöft ^.5(iOtinnc«E^/(Jf.al03ÖnDe 

Dc i?. den alöcc-cCielfIcn fiaet in öcn toelcïicn !)ct 3act bcc 

hSuntat öf ^tie fouDe boo^tD^engfjcn öe iionbcrtflc b^ucfjte» 

Sceft! ^^^" 5". i?P en Ijceft oefen ü.ut niet alleen berftofcn ;-. 

Match. 13. macr ö?' Ijceft boojfti fclben/öicn oocli aengecaöen / 

fegaenDer^ïï^ie 't batten han/batöie'tbatte; enöoo? 

Matth. 19. fönen^tpollelfegötDp: ©anmacgïjöen enljebich 

1. cor,7. geen ocboöt ban Denüjeer^/maecicïi geberaebt/aljS 

beciüo.Jben D^bbenöe oratie / cnbe icIN mepne bat bit 

goet ifif; €n toeberom ^iz föne inaget ten Ijoutoeltjfe 

bciteet tiie boet toel / maec bie Oaer nietten Ijoutoe^ 

iijcl!befleet/bieboetbeter:enfpfalgljelucliigectoc^ 

fen/ inbienfpalfoo blöbe naec mijnen caet/enbeicfe 

inepnebaticHoocfe ben geeft <0obiSöebbe: maecbe*' 

nteicifit tiat onbec be maegjben beel btoafe 3iin / foo 

Matth. 2f. iBartOeuc^leect/ enbe maecftt bat gïip boo? lief be 

en octmoebigDept onbec befeniet en toon gereftent* 

^Dcgcootc ^et 3» point. ^enitieccftt be groote bUjbfcöap/bie 

ö»?m aef ^^ ^^f*^ ft^^^ ij£^*€en !♦ 5l^ant Ctl^iftuö Ijeeft belooft 

f?n fiatt öat QilQ tiie gene/bie Baber/ en |13oebec/l§upfb?oujï 

IJ?» toe/oft lüinberen/om Hem beilaten fal (jebbenjljon^ 

bertlöecf meec in bit leben berbcijgen faL€n boo?* 

Mauh. 19. toaecCtjHitnsf en Heeft fjem foo gemepnfaem met 

niemant getoont; al0 aen be maegöbehen.cs/ foo ïjct 

biijfit «pt ^. Catöarina ban^enen/en bupfent an< 

cant 2 ^^^^ J ^oö bat be ^^upbt met reben feggen macB : 

^Mjm beminbe i^ mijn/eu icit ben fijn/ bie tuffcöcti 

be leliën / te toeten ban fupberliepbt geboebt too?bt. 

aencf. 2. (€en 2. ICengefien be geljoube pecfoonen ttoee too?* 

ben in een bleefcö / fo 10 te bemerclien bat be maeg- 

ben alleen fjun epgen crup^ blagen/ maer be gebouw 

be Hebben 6et cnipjK^ ban ttoee te bertoacftten; be* 

todche lipt be ferancfeOeben be.ö gemoetjsf / enbe bejS 

ïicöaemje? / en upt anbere ongelucEien boo2tfeomen : 

EccieL;. |gteroni fepbe ben aiBöfen-man/ batftp bebonben 

Habbe eene bjoutoe bitterber ali&' be boobt/ (te toetert 

boo> Haren man/) gelijcö eenen man oocft bicftmiljS 

i^ boo| föne b^outo^^ J^ierentegen b^ i^epnioD^pöt 



Van cciicn ftact des levens te verkicfcn. 7 1 
al6' cm Ulilicn onöcc bc öooancn/ geeft cencn licflic- 
Iien reucfi/en bermacclit 43böt/enDe Den mcufcljcn. cant 2. 
(een 3. aBant acnceitcmagetiD02tftetbcrb02gl)cn ^füxoou 
IDaiina ocgeöen/en ccnen name Detcr ale Uan foncn Jjp"öcf 
f n bocOtcrj2f/ecnen ceutoigcn nacm/ Die niet en )jcu maegijDe* 
gaetrenöetoiecnfietmet fegöt l^ieronpmu?^/ öatiöcKen 
Ijcter 13:^ eenen btcnaec <6oti.ö te toefen/ a(.^ eenc bic^ ^^l[''\ 
naec ban b^outoe of manden öat'et bctcc iö ben geeft loannis'j. 
tcbtenen / als Oet bïecfclj : toant fiet bleefcl) boo? bc 
toeUufte eer bectoecfet toon/ban berfaet^Henbencfet ^acnic. 
'ten bierben / bat niemanbt en meet opftlimmen tot S^i^J. 
ticfen ftaet/ ban bieban ben i^ecre glierocpen iëif^omm 
toant een peber Oceft fijne gabe ban (8obt/ enbe alle moet Dan 
menfcfjen en batten tiit tooo^n niet/ maer bic alleen/ p^^fl^^ 
Qcn iJDien Ijct gcgcbcn iqf. €n fo ben l?. 3Cpo|Iel fegt/ ra°vm 
baer 5ijn berbeplingen ber gratie maer eenen geeft / tDo:Dt* 
mtpegelijcftuptbenlenbefooBctfiemaelicfr. §itt i-cor.7. 
ijicrom toat inrpirattenberen i^»ö3eeft'u ingegcben ' '' '^* 
ïieeft; toatbatutotbitïebcnljecft mogïKn Detoe^ 
gen/ al.i^ oocö fomtijt^ tö ItrancfeïjcPt/ armocbc/ge^ 
öjehenbejijltcöaemö/ ^t* cninbiengDpbenliecreDociD^ 
fjbo2t roepé/ en berfteent u [jertcniet/ maer bctrout f°^'^^ 
i\ gefjcelop ben I^ccre : enbc ten cerften maccfu/ Dar jjj^^j^ 
booj gcftabig/en bncrigl) gcüeöt/en ootmoebtgficpt faiicn. 
nbje finnelijcfifiept bebtoongen b^ozbe: tocl toctenbe ^^^"'^J- 5»- 
bat niemanbt fupberlijchleDen en ïian / 't en 5P bat ^'^- ^* 
a3obtb$o2fonber[inge gabe bit gfjebe: b;antboo^ 
b'octfeningebc5 0otmocbigi)epbtSï/moetbenettig' 
liept bed fupberljent^j befionbcn töD3ben/en niet min 
boo? gef)ao2facmlicpbt onber utoe Obcrgen : toant 
^. ?lugnftinuö fegfjt fp^eficnbc albud ban 3{bam / 
batbeougcIjooaraemiKpt besiblecfcl]<g berlionbig:» 
i)cïic ongcI)oo:faemljcpbt bcsi geeft(?. ^ienmerclit 
iner na bat geüjrlicrtoijsj ben ilact tic<^ fnpberïKPt55V 
fecrfioocfiis?; alfoo oocö ben balin benfelbcnfcer f^'f-n^^ 
leelicö en ftoaer 1.2?, Wiim inbtcn eenc biupt 4Lï)2i(ti uctlmt^ 
benopperften ï^onincli eenc ontroutoè boet/ befe 10/ fo oaci? 
balt m eene afgrijfelijcl*cïontoig[jepbt/en to02t ban »^ ^^-'^^i 
ben l^eere berlaten/en tot een.ö anberjj fptcgel ftomt Zxunt 
te ballen in bc alberfcöanbelijcfïftegetelien. Ir^tcr^ unm 
om o magct en toilt u niet bermeten/ chbc toii^ in u ^^^' "• 

;Sr 4 oogen 



^I. SI' 



f;z Den I. Boeck. Het 1 1 I. Cap. 

oaftcn ^ün: tMtici* b;ccil eiiöc öctDacrt met öc oppcr^ 
lic neccjlra^icpöt u licrf/ enDc ii liclmem/op bat aïïp 
repn moorjljt iijn naec öen itcïiacm/ en na öcn geeft. 
^Ccnmercfutcn r.lioclietiiBncgöen om bcfai fchac 
te betoarcn OeDöcn i^zux^t fiaec !cben berlorcn. <3^e 
antïercrii5fc;§. ^jlgiöaenöe^.^Cngrabcfima fjeb- 
ben ban '^oDt tjeiluxgen öat Ijare fcóoonfietn fouöe 
bergaen ' liebcc ban iseittanbt t'onfircïjten.^pieögU 
u aen befc/ tniDe bantöt €)Obe boo^ fijuc öabcHt 

G H E E E D T 

Voor de gene, die den ftaet des Rcynlgheyts 

vcrkofcn heeft. 

ICk fal u belijden, ö Heere, en ick fal n prijfen^o Godt 
mijnen Salighmaecker: Ick lal uwen naem belijden, ó 
alderfoetften JESU ,want ehy hebtmy verkofen dat ick 
hcylig wefen ioude, naer oe ziele, en naer den lichaem : 
op dat ick alleen foude dencken omu te behageniwant 
<3B«tc eene Vrouwe, die aen eenen man verbonden en gchouwt 
b^autoc / is,die denckt het gene dat de werelt aengaet,hoe fy den 
T^ ?-^!'jri / man behagen mocht^maer ick fal dencken,hoe ick u al- 
r!cnckt ^^^^ aengenaem zijn mach: ick en begeere van niemant 
't geiic De geacht,of geprefen te worde, ik en ibccke niemanden te 
tocrciDt behagen,noch vreefe yemanden te mifhagen,als u o on- 
inS 'Dffc bevleckt Lammeken , want wat fal het my baten , dat 
bcncK-t al* d ' andere myprij fen, aengefien ick t'eencmaelu toebe- 
ken Ijoc hoorc , en ben aen u door'u dicrbaer bloet ondertrout > 
%Srt\\ Ic^ ^'i ^ ^ volgen , alwaer ghy gacn fult, cnde geiijck des 
UU ^ ' dicnft-magets ooghen altijdt zijn in de hariden van ha- 
re vrouwe; alfo lullen mijne oogen 's nachts cnde dacgs 
naer u fien. En ick en fal niemant aenfien , oft mijn her- 
Pfal. 122. te op niemant ftellê,alsopuogocdé Jesu, die mijne ee- 
nige liefde ziit,ende de begeerte van mijn hcrte,en mij- 
pfaL 81. ne'oogen,Och oft mijn hcrte en mnjn vleefch haertTa* 
men verheugden in u, o mijnen levenden Godt ! och oft 
ghv in ftilfvvijgen en ecnighty t fpracckt tot mijn herte; 
Pfa', 1 18. \vant uwe woorden zijn loet in mijnen mont boven ho- 
ï^oc ctwt j{iQ}i endc honichrate.en hierom hcbb' ick mijnen monc 
JciTiies ^^' ^" mijne lippen tot u opgeoiTerr,cnde allen cieraet ende 
tatt tntc welluile des werelts veracht: want eene maget,clie leeft 
ferliUfiÊ in c^eno.echtejen converiatie van veel mcnlclic is voor u, 
t^e^ tut» ^ o Pon- 



Van eencn ftaet des levens te verkiefen. 7 1 

üFoiiCcync des leves,levendc dooc: O Enpicldes grooré "i^^gfj^ 
races, ghy hebt fomrijts v?. defc EngcHche ftaet gefeyt: 4jt)2ifïi 
Die 't vatten kan,dat hy 't vatte:ghy hebt hiervan geen bewfijt. 
c:cbodt,maer wel eencn raet P-eo-jve. Och hoe kan ick u H^^^' 

t» ' , , 11^^1-rir j Match. 19. 

genoegh g?danckcn,dat het u gelieft heert my aaer toe 
te roepen,op dat ik het vatten Ibude, 't welck alle men- 
fchen niet en vatten rv^'at is dat?u\ven raet.den llaet der 't «Sclieöt 
Engelen , het Ichouwen der perijckclen, maeltijden, en °p^^J,f/Jg 
klappernyen,die by uwe Wet niet te gclijcke en ziin,dat üoijjecoeH» 
ghy alleen my fout wefcnvoor al ,en al in alles : Hccre 
bcwaert dit , dat gh v in my gewrocht hebt,ende en laec 
mijne lampe met de dvvafe maegden nietuytgaen dqor 
een ydel betrouwen , ydeleenlbrgelijckeconverfatie. 
O jEsuBruydegom mijndor ziele,ik hebbe uwe berm- Pfal.47« 
hertidieden ontfangen , in het middel van uwen tempel 
mijnder herte, ghy hebt mijne rechte handt gehouden , 
ghy hebt my den wijn gefchoncken , op dat ick vlieden 
loude al dat droncken maeckt , den wijn die maeghden Zach. 9. 
doet groeyen, den wekken als ik fal gedroncke hebbê, ""^^^ ^* 
foen lal hy op 't laetfte niet bijten als een ferpent,noch 
als een Balilifcus iijn venijn verftroyen, noch en fal ook 1°^ 20» 
^elij k t broot des galfighey ts in de mage va die dat eer, 
in galle niet verandert worden; noch en fal wefcn als de 
lippe van eene hoere,als een droppende honichrate,wiés 
uyterftc is bitter als alfem. Va waer komt my doch dit? Prov. f. 
van waer komt my doch dit? dan van u o Vader va fuy- 
vere ractrontfangtmy hieiomm.e,ghy die my geroepen 
hebt.u wil ick alleen aenhangen,enbehagen;en verlaer 
my niet, ende en ver^vorptmv nietiu begeere ick allee» 
te aenfchouwen, hierom liet naer my : om u begeere ick 
te hooren,hierom laetuwe ftemme luyde in mijne oore, 
ghy zijt mijn hope,mijne liefde, mijn levêiftelru als ee- 
iien fegel op mijn herte , als eenen fegel op mijnen arm; Caat. 2. 
want ghy weet dat ik u uy t gantfcher herte (fo ik hope) 
lief hebbeden uyt gantfcher ziele , en uyt alle mijn ge- ifai. 43, 
moet,en uy t alle mij n krachten. Indien ik gacn fal door 
de watcre,fo wilt toch wefen met my,op dat de rivierê, 
my niet en overloopen; indien ick gaen fal door 't vyer, 
weeft gy mijn verkoelinge,op dat ik wefen mach als ee- 
nen onverbrandê doorn:ten laetflen weeft ghy,my allee 
eenen God mijnder herte , en in plaetfe van alle dingen. 
Amen. 5f 5 Een 



74 Van eeiien ftaet des levens te verkiefen. 

Eene Praftijcke oft maniere van leven 
voor eene Maghet voor-gheftelt, door 
eene tTamenlprckingc met den 
Engefbewaerder. 

«lEetim^ P Ngcl. ^ttlt u boo? oogcn al.ö ccncn fpteöcl / Tiet 

fpiegci J-» leijcn ban Mari A,tjet toelclt iie? eene ïctr ingc boo? 

malmt^ allemcnfcöcn : €cni* '^mo^gcrijStDachcroclDo?^ 

fceii0/i6 öcn 3önj)c,/omï)cïfi met bc acmcn ubjcc 5icïc ben oe^ 

iKtiebcn lirupjlen CbniIuuK iCcni. boo?,Octtoatutcbom 

f4"^ia^* cnbc te lijben ftaet bien bagö/enbe offecet ïjem al op* 

•^ * 3i^rbepltutoentöt/enbebel{ommedngcn; enbeop 

bat oOp een gecufl leben moogöt boeren/maeclu bat 

tsc maniere ban ulDe oeffeningen licöt enbe OBobt^ 

b2ucljttgïi 3P; toant bacceniiSnïetpjofütelöcfeec/ 

^oi fp ï)a= oiti tot geruftigbept te gecaüen. ©ecöeplt utoen tijt 

h ïhi^lnt ^^'^ ^^ bibben / meöiteren/ goebe boecften te lefcn/ en 

nioctnu " ïjciut-tDeuck te boen/$c. "Bthtm <0obt obec al te^ 

öenUïoo?bigï)/enbe5i)t metïjem gemepnfaem.^ert 

be alber-faügfjfte maget M a r i a , afs^ utoe alöec- 

minnelicöfte moeber j enbe bebcelt l^act u leben enbc 

u boojnemen ban fupberljepbt. 

Mager. gicN fal ^m boen boo? 45obt!Ê? gcatte ; be 
toegen ban mijn ï}up^ bztntvthm / enbe mijn b^oot 
ïrinoVtÊ ^" ^^^ ^^^ "^^^ lebigljiif li eten / nocl) geen manjS pci'^ 
f^outueu foonen enfal ith gemepnfaemsijïijnoclj met pemant 
aiic gije. alleen fp^elien/ ban in 't opeabaer j nocb oocfi Itcljte^ 
hf"?S'' ^^^^^ ^^ ^^" ^^öO niP alleen begeben / foo bed alö 't 
«nS pc", tttogelijcb fal b:ieren/ toant icli (joore tjamt gefcD.^e^^ 
foonciu ben (lact: 3Bee ben genen/ bie alleen i^. 

Engel, ti^it ijflof-bjcerbeltcfi gebat'n:fcboub3t fo 

\yccl al^ gijp hom/ be conberfatie öcc menfcljcn/ 

Eccief.4. jjj^jjg yj0Q| al ber mansJ-pecfoonen- 9!^ 't bat göp pe^ 

manbt meccbt bte u (Ireelt / enbe p^ijfl: / u biclttoilsf 

foecbt alleen te fpjeften / oft u anbec teben geeft ban 

onfupbere liefbe/ becfoept Dem a\^ eenen bupbel.al 

iiS't batbp miffcljic een €ngelsf lebé fcöijntte leben; 

toant anberë göp fnlt leelicfi ballc/ofimmero fult in 

^otf^ gcootperijcljeltoefê.Cnontfangtbanftunnietlicï)» 

timtutt ^^^i^^ öaben oft b^iebetti en toatöt u ban bemint oft 

geacDt 



Van eencn ftaet des levens te vcrkicfcn. 77 

OCLicTittetDilknsnii banpemanötj en Inet niet toe ban gabnt 
batmenoocairucOtinötdcrafte/ watt tjetcrcmpcl ofiiKicüeii 
ban ^. matUci / bic oocH met öe ïjanöt ban öen l^. Jiu 
J)etn'rj ijacropenöarenöc/tDepgeröegefontalJC' 
inaecïutetDOJöcn: ccnen liuö fultaftp l)ouöenal.ö 
eenen (tcith eiï öe ure öcc^ öoote; ocbjuplit een öege^ 
iijcfi () iDijt naer utocn tlaet/ fcl)out öe bcfonöerljcpt 
en cucieufhepbt / cnöc eene obccbloeötöD^pöt ban 
tooo2öen/ foo binnen al0 buptenö fjupcf, 

Maget. (öf O mocbt ich öe alöediepiioOfte HDaget f^^iatlm 
naecbo(aen/öie(fo tcö ftoore) maec fcben-macl ui 't Ln dc i^* 
(Cuangelte gefp:ofeen beefrren alsf fp fp^ehen foube/ .ji^aget 
I foo bebe fp bar fèec toijrelijcïi/ enbe ootmoebelijcli. f-^^J^^L 

Engel. Bc^Daert booj al beootmoebioöept / enbe Ee jSaS^ 
cnfp:eccfttbanutDefaëennietj noclienfoechtooch Dm moe* 
öeenen lof ban nme bebotieoft penitentie/en foecht i"j na«^ 
oocF! niet b'anbere te boben te gaen/t toelch al telie^ elnfait 
nen5Önbani)oobcrbpe: maec oeffent lieber b'oot-beröaeiöÉC 
ttioebigfiept/nietfo met tooo^jbenCt toelcft mecften^ DcjgtjDen/ 
beel een beclïfel ban fjoobcrbpe i$) a(0 met eene oot^ %^Qaa 
moebige bienfibaerliepbt/ en acfit een pegelöcfe / jae hctmm* 
toch be toerelbtfcOe menfcben/ bcut afö u felben» 

Mager. iBoetmen f|cm ban niet poogen be befïe 
gratie nac te bolgen ; aïé in bicljb3ijl0 te biechten / 
tommuniteren/ enbe fiilcöe bebotien i 

EnL-jl. l^et is? beft Ijier in tm 23!ecl)t-Baber oot* ^pofT? am 
tnocbcUjcïi gefjoo^raem te 3ijn; bjant Op legljt u upt èiWtja* 
ben toiüe <0obtö / aen \xiim gD? ten mïnften ben 8. m mot» 
bagli op eene fehere utz biecljtcri / en tiaet nae com= ,"",f^J^ 
mnnicercn moogljt/ 'ten 3pbatreceenige 1^. bagen S^^^^ 
Quamen : en ban oocö moetmen niet ifonber noot te 
birhb:>tliS &tecf)ten- ^engaenbe be biecöte / enbe fjet 
bcL'hiefen bec Biedjt-baberen / bemerclit ftiec in 't 
lione/bat 't met recfjt mifpjefen to02t/fonbef reben 
te bcranberen ban 'Btecl)tbabcr; oft om tat gijp fij^ lïcetibia 
ne bermaninge bfiebê fout/ oft om ^cit ghp boo? fjet ^^\ ^ ^ 
herballen b^eeft fefepnber bp fiem geacOt te to02ben/ veialicu, 
oft berfioopt bp eenen anberé om utee beugt oft an^ 
bere rebenen aengenamer en meer gefien te toefen : 
aa^acbt u ooclt toêl ban eenigé BiecDtbaber in 't be- 
fonb^r geüao^fa^mBepbt^belooben/ toant fulcbjs 



76 Den I. Boeck. Het 1 1 1. Cap. 

öe JBiifc feec ontraden ; ü\^ Ijct gene öat <6olï0 inïf^ 

fiacaijt/feer periculeus i.ö/becl ftoarioD^^^nonöcc^ 

toojpcn/enöc nauu^lijcjc too^t bebonöen Uan eentgc 

synod. igepliöé gcb^uphtBcd meer/ Inacljt u Ijan te tjelotïé 

Mechi.üt.j Q^n 5gj^^ aj(j>^|^ f g Diecïiten/Ujant fulcjr onreDelicè en 

^•''' iuöifcreet ijo?/ enDe €)0bea».'cn0ni5 aeuöcnaem/euDe 

boo? fijnen Bicanu^enbe prelaten/ lierhlaerttiat 

fulctie Deloften bp öem Uan geentier tceeröeen 3ijn* 

<g>P fuiim 53itit Den latere öaifjp u eenen aeleerben en goeöeii 

5^'«" ^lecDt-batier berleene/ ende btecöt boo^gaen^s' aeti 

^tm* öcni Qlleen:maer en Ijangljt öaer fo feer niet aen/öat 

toi/foiiDcï: gijp ontflclt fout h302öê/uititen öpdoo^boot/fiehte/ 

am Dim ^c.lieel min boo? beöel berOUerfté Quam becanbert 

J"§°"°^" te tDo?ben.<0ob i.ö't tik u regeert/ja Jjct is bicfetoijljeJ 

goet tjat fulcïie beranberingen ftomen / op bat nie^ 

mant fön Detrouloen op inenfcfié (teüejtoaer ban bc 

^clj2if ture fegt: Bermalei^pt is ben menfcö/bie op 

ben menfeDe öetroutot,53^aegt ooch anbere^ötecDt- 

babers raet in be öiec&ie/ als 't u belieft/ enbe Do«t 

«toe b?pigöepbt/ enbe om ïjet feggen oft refpect bec 

inenfcljen en berlieft ^ie niet boenbe onboimaecfete 

biecöten» 3©acDt« oocl? ban bupten be biecljte ix\x)t 

tonfeientie t'openbaré aen pemant/öpfonberlöfe tiiz 

ub3l 25iec0tbaber nkttn W toat bat en ië niet fon^ 

bec perijiicLtDé Biecijtbaber ais ban<iI5ob baet tot 

gedelt/ flaet ijet toe u t'onberrecDten/ enbe t'onber^ 

Deat.17. fcDepbé tuffcfien mclaetf öept en geene melaetfDept* 

f^ot f? Mager. |Baer fal icö banbe berbienftett banbe 

fojiDccDe boï^omen geOoo^faemftepbtoocli genieten/ ais icJi 

ö?l'ï[« fonber belofte mijnen «öuberen / ^iecöt-baber oft 

ïjoazfdcms 0\yetftm geöoo^faem ben / gljelücli be gebenebijbe 

Lepötö / ji^oeber €^obtS aen ben ^, gofepö gctoeeft i^ 4 

uocijtantf Engel, j^abien gijp ban €>ot:t tot befe maniere 

nm" « ban leben geroepen 5ütjalS Qijp met oprecDteliefbe 

feiutt Dfb* poogDt ulDcnepgcntoilleteberfalien: berepbtom 

bcubomü* gejöoo^faemöepbt tegöelooben/ inbienfulclisben 

toillc 43obts toacr ; foo Ijebt gf)p gftelijcïte berbien^ 

ften,- maer göpmoetuoocötoacOtenboo^be pede 

ban gierigOepbt/enbe beminnen b'armoebe in lioft/ 

nibe ft leeberen / fonber nocïuans upt te fleften : oft 

naeDct etempel banonfe3l»©^ouUiemoogBtgöp 



Van ecncii ftaet des levens te vcrkicfen. 77 

utoe govoeren l3ccbcplcn/ccnföcc[!5l30D^ tien armen/ ^o< 1^ 
ccnföcd^boo^öciJeccfte/ cnöc cenfDcdiS totutoen ijumiegoe* 
cpgeu nootö^ufc/oft anticrfin<9?: enöe nl0 oöp altijöt JeZ^rm* 
metterljcctciiDercptitfultsön/omaüenugoetoni ijj,\ "'"' 
öc (ieföe 43oöt!e?tclJcrIatcn/ al^JficmfulcbjSfoube 
IwlicUcn/ ocüzupchenöc nacr utocn (iaet utoc ooeöc^ 
ren ; foo fult oDP oocö boo^ 43oöt toaeracBttgölijcö 
arm öD^ï^chcnt ujojöen j cnDe met Den Hpoftcl niet 
Debben / enijeallejS Oefitten : bco) al/ foo tcli u nocO 
ijeübe gefcpöt / fcDoutot beel conberfatie / tjoobeer^ï 
bpeenöelebigljepöt; enöe boo^foo beelal^^öecon* 
berfatieaengaet/ en öoubt geen gemepnfeljap / ban 
tot bien epnbe / bat göP tot <0obtb?ucOttgDepbt pe- 
manbt itioogDttrechen/ oftbanbiefp?eecfeenmef 
oroote fimpülmht enbe eenboubigïiepbt / niet ban 
googe bingen hocö al^ meefterffc fpieöenbe. 

Maget.dDmbelebigDcpttefcDoutoc/nemeiltboo^ man m 
mp op tDercfte-bagé/'^mo^gcn.s^ m\ minflc eene ure jg tm 
in be iP^cMatic/ of toat goet.i^ te lefen te bejteben/be JJÏ^i^t / 
^if(c te öoorc/en metecne geejlcliche Communie/ om de u* 
ten minften beclacDtig te too^bé ban 't facrificie:Oet mjm te 
önber beel tör^ toel te toercfeen/oft boo? be öereiie/ ^JK^ 
of t boo? ben armen / of t boo? mp ,• enbe tufTcDen fiet oag ^oti« 
toercöen fomtijt^ ban <0obb2ucDtige bingê te fp^e- biütmm 
feen / oft ^it te berbeplen met fiet lefcn ban een goet J^/J " 
boecjcFïen ^ oft ooth berfoeten met een geeflelijcli ge* ' -^ * 
fang.i^aer be noene/ftebbenbematelöcft getenjnaec 
een öiepnig rujïsf/ oft eene goeöe tTamen-fp?efeinge 
fal ith toeberom toat lefen/en baer naer mp op mort 
toercö fiellen/fiet toelcfeeoocfi onberb^ofeenfal tooi»* 
ben/ met eenf g gebebt of ftet lefen ban eenen roofen- 
ïjoepfeen. ^Cen laetjlen fal tcö lizn bag bejlupten met 
fiet onberfoecfeen mönber confcientie/ enbeflapen 
gaen/ alisf of 't ben laetftennacljtfoube toefen : met 
een goet gebacl)te/ bolhomen berouto/ enbeoeffe^^ 
ninglje ban liefbe tot gefum mijnen ^B?upbegom / 
Ijem bertoacfitenbe alle ure met be toöfe maegOben. 

Engel s^ 't bat göP alfoo boet / foo fal icfi met 11 
geerne öanteren/ fo fult gïjp ban u toen 23nïpöegom 
bichtoijijSbefocijtenbegctrooft too^ben: p>incipa^ 
lijcö is 't batgBponberDowbt bcUëfbe met een pe^ 

Oer/ 



7^" Den 1. Bocck. Het III. Cap. 

^oc fp htt/ fonbec tegen (Irijben oft acljterfiiap : toant fjct 

tÉH lll^rh- ^^*^ft^/ ^^ ^^"^ bocütcu ban ftoobceröpe/ cnbe Da 

tm bai! ttDceöe/ij2?eene moeder ban al!e bcrbuterljepöt. €n 

acijtcc:. beblecdt ijierom utoen monbt niet met öe aeü^etien 

^tap» ban eenioen menfclj / nocö en iecm Ub^e ooren baec 

tce met : toant gfip tjeüt u feiben / enDc ume tonglja 

oen 45otjt opqeoffm; 3üt oocfe neerflial) omboo?t- 

3©at 0<3ncli te boen / toaec af öe teecfeenen 3ijn ,- i* ban 

m"hlfn? »ï^'^^"öï af-feeec / maer met pebec compaffie te 

mttpmi^ ÏKbüen: peberpancipafijcfibpanben beminnen en^ 

tipaiijch öe foet aenfp^ehen : 2. becfoepen ban genoegljte be.ö 

fibcfocijt toereibrö / enöefijne finnen betoaven / enbebie bec^^ 

tooSm. f^^^^^^^ • ^* grooten (jaet ber fonöcn / ooch ban bc 

minfle geerne becfmaebt too:ben / enbe niet excufe:? 

ren fonber noobt / maer genepgbt 3iin om fj>-felben 

te berifpen/ cnbealtijöteenanbcrtefoben: 4-feet 

fo?gbbnlörgb te5ön/ omniemanbtteontfltcöten : 

5. gijeboelen groote begeerte ban bolmaecbtöepbt : 

6M armen te beminnen enbe Ijelpen: 7* geerne boo? 

<5obt pet te Iijben/enbe min felagen a\^ göp placOt/ 

om bat göp ben toiKe OBobtief iu alfeg^ aenmercbt en^^ 

öe bemint 1 8. balden nae 't geHebt/ nner 't i^emelfcïj 

fijoobt enbe fijn ©aberlanbt : 9* btcfetorjlö met 

<6obt fp^eficn/enbe ban bem/enbe ban fijne ©affie : 

10, om geen refpert ber menfcben pet goetsJ laten / 

oft baerom eene goebe göetooonte acbter-laten : 

ii.be bebotie tot onfe C ©^oubie bermeerberen 

tnbe ber b?epben : 12. eene ftilte ban öcr ten enbe lic- 

öaem genieten. 



p/al. 17. 



Schiet - (jehedeks*is» 



*pN En Heereis mijnen hiilpct endebefchcrmer, mijn 
*^ herte heeft in hem gehoopt , ende ick ben gehol- 
pen geweeft. 

rfal. 17. Mijnen Godt , mijnen hulper , ende ick fal in u hopen , 
ghy 7ijt mijnen befchermer, de hope mijns fahg- 
neydts, ende mijnen ontfanger. 
Pial. 29. Q Heere ick fal u verheffen, ghy hebt my aengcnomen, 
ende ghy en hebt mijne vyaiidcn over my iiiet ver- 
blijdt. 

MEDt 



Van eencn ftaet des levens te verkicfcn. 79 

MEDITATIE 

Van den ftaet des Religieufèn menfchj begrijpen- 
de drie deelen ofn Meditaticn. 

Het I. bereydtfei. g^tzM ual^ m öeii Igemcl / cnbe 
ocHfict 43obt Den Ijcere in D'ecutoigc glorie / boo?^ 
IjouDenöe aen allcgaöcc / c^nenpeofjelöchennocD^ 
tans' na fijne berbienften/becfcöepöcn tooon-fïeben. 

Het 2. bereydtfil. 23iöt öen jgeere bat öp fjem (jfie^ 
töeeröige u tot iixithzw ftaet te roepen / enbe baer in 
te DeUoaren / öaer ijp Degcert Dat Dp leeft tot fijnöec 
ineeröcre eere enCre glorie, 

H€t i.point.cDberpepft ten cerften/bat alle ttien^' fmmn 
fdjcn gcfcïjapen 5i)n/ om te ftomen tot b'eeutDi- Ê mm/di 
ge faltgljepr in ben ^emeljenbe ftier beneften.öin bit sefcöapcH. 
lebcn 03cf5 gfjcrafecn tot ecne anbcre / ^iz gelegen iiJ 
in bc boIöomentDept ber beugben/ enbe Ocï^ligöcPt. 
il^efe ttDce3Önoaöboo?geftc!tatóöetcpnbe/ enbe 
ïjct mt ban 9ï(e onfc gcbacöten enbe baercfeen* fCen 
ttoeeben/ batfeaïlegaber/in toat ftaet bat fp oocfe le^ Matth.f. 
ben/berbonben 5ijn tot be bolmaecluDeïJt: toant Bet MÖï?, 
eenen pegelijcfeen toegefp^^ofté i^:Beeft bolmaecèt/ tm tot De 
gcUJch uuoen ftemelfcDen 3^aber bolmaecfet i^ ,• ge^ uoimacht» 
iijcö ooth'tgOene ben^^eerefepbeaen 3tö?aBam : ö^^^* 
3Danbelt boo? mp enbe toeeft boïmaecfet/ bjant fegt 
Cö^iftuie?/ 't gene bat icfe fegge aen u-iieber/bat feg^ Marci t ^ 
ge icit een pegeirjcfe* €en berben/ bat be boïmaecöt^ ^.^^ "» 
fiept nier in gelegen i^/ batmen <6obt beminne/upt gg gj^.'^ 
gantfcfter Oerte/enbe genegentfiepbt/enbe niet bup? raatcht- 
ten fiem / ban om fijnen bJiüe j enbe toant 6et fiem u«pï»t. 
alfoo belieft j maer om bat pet ftoaer i^aerbtfcfie 
goeberen te befitten/ fonber befelbe te beminnen ; 
baerom en iffer niet p^jofijtelijcber tot be boimaebt^ 
fiepbt/aljss alle gefcDapen bingen/ foo toanneer u titn 
Igeerebaer toe roept/ niet alleen metter affectie/ 
maer oocb metter baet / foo becl fjet immers moge^^ 
lijcb i.ö/af te gaen/enbeberfaben- €en bierben/bat* 
ter toelberfcbepben ftatenenbetoegOen5ön tot be 
bolmaecbtbepbt/ maer bat een pegelijcb foo beel in 
ficm i^ I öeDoo^t x% tracfitcn m%x b?n b^rfieb^nften / 

09 



8o DcnI.Boeck. Het III. Gap. 

Matth. 82. opbatnïfcobeaoDöcljjcfteaocDcrticc^ntfjcptitmcct 

loan.ij. tiercm mocljte too.jbcn: cnbccccftDoo? ai moetij? 

flifulcöcfiicfen Daec Ijcm 4Bot>t toe rocptjtoam/nic^ 

mant tot ö^nt Itoiucn en ftan/'t m 3p ben i^cerc (jcm 

txethCymot tocDcrotn/allcgabccen èattcn bat tooo^t 

ntct/ maer bicn luf c öct geöeben tsf. <0clijcft Bet ban 

feec foiQClkhif^/ ben roepenben niet te toillenaen:* 

l)ooren/a!fo oocft Doben fp felben te bJillen Dlieocn/ 

cnbc nabei'öant met be ö«P^-b?oulue ban ïotfj 

öcDtertDaert^fien/ cnbealfoonbe^uaem aemaecitt 

to02bcn/tot <8ob^ i'ijf {ijOft toel beginnen te timmc* 

ven / enbe niet honnen bolboutcen / 10 boo?toaci- be^ 

fpotten.ö iMeecbig. 3Bant beter i^ ö^t/lam oft fereu;» 

• pel/ uptbeonbolmaecfttöeutbe^flaets?/ in'tnjcö 

ber Ijemelen te gaen / ai^ mét ttoee fianben / oft met 

ttoeeboeten/oefmetentetDO^benmöetüclfcliebper. 

öSttö'ïni ^enbpfben/batben aeliaieufen ftaet/naerfijn boe^ 

mtimw- fen (fo berre ai^ pemant ban 45(^W toeocn baer toe 

feil fiaet, geroepen tö0K)ben albeubeguaemftcn enbe feïterficrt 

toeglj iöf tot be boimaeehtbept j enbe boo? alfulclien 

ban alie l^^epligen/ jae €i)2i|tuö felbe boo^geöoubeit 

iö- i€en eerden/om bat lip Uiep^t alle beletfelen ctitjz 

occafie ber fonben/ baelclie stjn ten eerften/ben epgeit 

ijpilie / ten ttoeeben toeüuftigbept / ten berben rijtft^ 

bommen/ bie tTamen teeclj-genomen lüo?bcn/boo2 

be hm beloften ban <6{jel)oo^faem8epbt/ ^upber^^ 

jhepbt/ enbe ^rmoebe* (oTenttoeeben/ befenftact 

neemt toecl) alfe gelegentöcpc ber fonben/ toant befe 

©epiofü:» inhc ileligie felben gljebonbcn UJO^ben j maer tec 

hni öX contrarie beel beïiulpfaemOcben enbe exempelen bec 

gieufSi bcugljben. (€en berben / alle toereltfcBe beliomme* 

riacu ringöcn / al,^ sün öup^-b?outoe / fetnber^ / bo^^ger j^ 

lücüe faiien / enbe bier glj^Ujcfee ,• ban toelcfee ben J?. 

Gregor. f. iöregoriu.ö fegöt : ^e 31^1^ en fean göeenfin,ö tot 

«orai. j)oogOe bingen bergeben Ujo^ben/ i^'t bat fp met 

öet gljetöoel ber fojgfien / gebuerigïj in htfc leegljbc 

belemmert b!ijbe, (€en feften/ oberbencht batb^ 

ïleligie niet alleen be beletfelen en toep^t/ maec 

oocft geeft groote beljulpfaemljepbt/ om tot be bol- 

maecfetbept te gerafeen, (Cen eerHen/ acljterbolgen^ 

be öet öDemepn göcboelen ber aöubbelöcfe^f ftDa* 

len/ 



Van eefien ftact des levens te vcrkicfcii. 8 1 

kn/nlo" oocfibcrfcijcptjen opcüDnrinöcit/ tüon öacc 
btu'lccnt inöcii ina^infli btraiifcnMTc büuallcfou^ 
ben : tüiiiu Ijctcen tilDei-bolbonierijlcbol-öocmnol) 
i^/ cnöc ccnen flaet Dan penitentie fo IjoogD/ bat te'c 
riteinant toe oeötoongcn en han teo.2i}en/ enDeoDa- 
fuif hij Qciijth eenrcDeeDeboopfeI»3f]enoemtUio2i3t* 
(Cen ttöceöen / bloepen öaec öeöiirnjl) upt öcfe fon^ 
tepnen tot DeiieliöicufenbeeiberrchepöenDeiiuIP' 
feien ban ai*attej toant fo be toaerljept lebersï plaet- 
fc fjeeff; (^00 toaerber ttüec bergaber t fiiüen teefcn m«"^- li» 
in mijnen naem/baei* ben icli in 't mitben ban ijim- 
lieben) fo önjpt fp fncc ftebe: toant ben foeten gcfuss 
cnbe fijne l?» uioebec bp be ïxeliijienfenhjoonen; 
cnbe be €ngöe(enalteaöecenemettjimljanbelen* 
(Ccnberben/ toantbe ileligieeenefcljoïetji^enbe ge* 
buerige oeffeningeberbeugïjben: Ijier bp loo ftomt 
noclj een belept / cnbe foet beitieren ber obecften / be 
b2oeberIiclie buipe enbe onberfrant altijt bcrept/ en^^ 
bè be gliemepnfcdap ban alle goebe toci'clien. (Ceu 
laetften berieentfe eene gecufre ure besj bootij^- fo om 
liet lanclJbuerigl) oeiTenen ber beugben / als om bat 
ijeteenfehectefient.sban bepjebejtinatiej mat fout 
gljP boclj meer mogen \uenfcDen / o CtcligieufepeC' 
foonen/bie tot befen flaet geroepen 3ijt i 

i^n 2. pomt. <8becbencht ten eerjten be Ireer- ©^bffr* 
bigljent tict i^diqiz / tutfc be0 geeftelicften lebeno" ; ^^^ 
enbe öoe Ijeerlijcft batfjet i^/ boo^Iietbecfmaben gin-, nVbc 
be.ötoeceït.i^/berbebenteUïQ^ben/ bcbcnbelioogl)- èccrtfiyc^. 
bc becaerbe,- nretfjopenbe/ niet b:eefenbe op bef ^5 i«^f»'^* 
netben/maecaljsmeeflerenbecbertötnnei'banuiles kl-S''^' 
flaen al0 op eenen trap boben alle fcljepfefen / niet '^ 
ï)ebbenbe / nocïjtanö af befittenbe : löant beier en lö 
geen onberfcHil tuffcften niet te fjebüen/ oft mei: 
tebegeercn. <Örijcheacmoebe! toelrber toeerbig* 
ftepbt alfoo fp beöoogDftei\67 foo cniffer nicton^ 
toeerbigfter/ bangöp/ oaeligteu^/ bte p2ofefi'tc 
maeelu banbegelieeletoerelbtberioocïtent te!]eb^ 
ben / cnbenof f}tan0" aen befelbe boo2 b'affectte u tot 
tenen boecFi / fcfj^ift/ hleebt / oft beeibt fterrher \act 
berbinben; murmureert enbe onpatientig u b^aegt/ 
toanneer pemanbt ban utue ^berften/u ij^f^ ott^ific 



82 Den I. Boeck. Het III. Cap. 

utoec bcrbocmeniffccntïeiïricft toilt af-nemen j i'ae 

meer öan öe terdbtfcljepcrfoonen/ om lietbcrliegi 

Ijan öunnc tübelöcfte goederen. (Bm De liefde <0oti^ 

toacDt ü btin fuicjc/ eiiöe aengefren bat gïip ftont toe*' 

fen (foo berre gfj^j totlt) l|eere be^ toereltjöV en "ocu 

tD02vit u fclben niet iu eene ellenötgöe enbe fcljanöa^» 

ïeufe tlabenw. (Centtoeeöen/ IjoeïoffcïijclilKtt.ö 

Gencf.i2. met 2(lb?aDamtegaenbupten fijn ianöt/ enbefürt 

maeg[jfcDap/)aefön felben teberloocljcnenboo^be 

geOoo?faemïjept/enbeben ^eerete bolgjjen/enbete 

Matth. 19. mogen feggen met b'3Cpo(ielen:.;^iet top Debben'tal 

beiiaten/enbe u gebolgijt: maer boo^toaer toat eena 

bjoebefaecfte i^ 't/ bat gOp/ naer foo liloecïiefepten 

bbo? bupbclj3f beb^ocb berbiint 3ijnbe/ aé eene pïaet^ 

fe/officie oft gOematli / oft bacnbtfcDap blijft ïjan=» 

gljen/enbe b^tctht Bet bcrbonbt tuffciien u cnbe tuf:? 

fcïjen €>obt ; jae ïjierom fo beel te boofer enbe ellen^^ 

öiger/öoe gl)p meec bedatcn Ijebt/ Doe g[)p u geree^^ 

öec tot alle.ö obec-gegeben öebt:toant foo be if .Ba^j 

beciS ïeeren/ foobantgïj toebec- nemen ban fünen ep^» 

gen \x)ilk/i& een groot facri(egte/enbe om be melan^^ 

colie/eiibe ongerufïliept be^ gemoetsf/eene martelte 

be^ bupbel0/boo?-b0be ban eeutoigfie pijnen : maec 

get leben ber <6obtb?ucï)tigïjer ïleiigieufen 15^ eené 

oprechte naerbolgincOe ban 'HIpotïolüche mannen: 

en boo^bjaer geiijcfe Det fcer eerlijf ft W allejef te ber* 

laren / alfo i^ 't oocti nootfaïieïijcfi/tmmerjs mettet 

fterte'tfelbe te boen : 't toelcfi tn ficm felbenbeel 

mi Jeit f toaerbec ts?/gemercFu baer gefcBiebé ftaetr^o toie 

isciigicuö niet en berfaecïu al toat ÖP öefit/ en fian mijnen bif?» 

^OJtftuö cipel niet toefen/en toeberom : ^teniet en Ijact ©a* 

nfbo^öt ^^^ ^^ iBoeber/enbe Ijier-en-boben nocfj föne epgen 

3ïc!e/ en lian mijnen bifcipel niet5ij>ï- ^^«^n berben/ 

benefit bat be toeerbiglicpt befe^^ ftaeti^ grootelijcM 

bermeerbert too?bt/upt bicn/bat ï)m iieügien^ eeii 

lebc (cpt/gelijcli aen Clj^iftus? en met Ijem/al^ aen't 

Lnc. 18. ij^iip^ geljecïji ijss.^aerom fegt bcui|cerej31Biit göp 

^'^' *''• bolmaclit 5ijn/gaet Dené berfioopt ai toat gDp Beüt/ 

en ftomt bolgt mp na. €n 't te? boo^toaer eene groof 

te/ja albermeefle glorie ben igeere na te boigenjenbe 

Eed. 13. ^i;u fieligiew^ bolgt niet atlv^enlijcö €DnM n^^»^/ 



Van ccncn flacr des levens re verkiefen. 83 

mncr ooch a3oti öen jöaöeiv tcctDölcu !jp nacc 't fcg^^ 
gen ban öcn ^3» ^dcrnaröuiöf/tufTclJÉ^n lioo^fpoetcnöc R^^^nard. 
tcijtnifpcrct han tJcrojmciidiehe önnjïliotTt ccn t?eett °^* '• 
ticreeulDioOcpt : gcli)ctiöcn ocncU/ üp Den toclcfeen 
Occnebcranöcrnigc ca iö/ oft oUei'-loumieringe öec 
becöecringe, £en Uuröcn/peiMt «ace öc iccnnge bec 
(©udec a^aöcren/ öatDen aeUgicuöonJiiet öe jjl^ar- 
telaerjEJ gerehcnt to02Dt / aiDc tooaöt gcnoemt ecnen 
tempel enöc geöui'igc offtTnnCie/ Uct aengenaem aen 
<ï3oDt:tDaec upt/ aengej'icn öartec met tocetöigec en 
fean Wfcw öe beerlichOepöt dec aeügie iipr fcdijnu 
(€en bijföen / öencöt öat in trien fcij^oomelijclien iBatam 
bag öe.fif oo^beeljsf/ öelooft i^ aen be aeligieufen/tiat ^"^ f 5^^" 
fp meöe fitten fnI(en/op öc ttoaelf itöeic/ Uonnijj ge^ Soft ié ui 
benöcoUecöettoaelf gejlacötéUangfraeL ^uncbt Dcnöaci) 
u niet / öat in bergelijcljnige ban öefe eere/ Uerfma^ J^^ °*^^ 
belijcfe enöe eerlooie(5Ön/al(e crjcfeen öe.ij luereltisf^ Jffff^* jo 
(«Hen laetften oberöencöt toei/ öat betieplig&ept/ ge^ 
ieertOept/ enöe öuipe be.ö naeflen/boo^ 't meefte beel 
gefpjooten ije^ upt öe ^eiigieufen : enöe öaerom i^ 't 
bat ben l^eere fjem getoeerbigöttoft/ utotbefen 
(iaet te roepen/ toacljt u loei ban enbancöbaec tesgn 
aen fijne 43obbeIüclie ^^aUiicnt. 

^n i* poinc. öbeclegöt batmenalleenlöcFi/ upt sintif öe^ 
Bet iteligieu;^ enbea3ecfle(u&leben/beftanDigege^ iiöicisüe* 
noecfjte fcDeppen fean:toant Ijct booifelKr ié batftet aSfciftj 
becmaecö betf gemoetsf in a3obt alleen 10 tjt^ te tcömöiiu 
grooter / ïjoe bien berbec allen fahm te baben gaet : 
gnbe foo ^ernacbu^ gctupgöt/ <2^at it$ boo^toaer be 
eenige enbe toaeracötige brengt/ biemen treciJtnpt 
ben^cöepper/ enbe met upt bcftf^cpfckiv m p^in^ 
cipaiicli upt be toaerat [jtige annoeöe/ boo: be bjelc^ 
fie [jet ïjerte ban eenen i^eligteu^s ban alle gcfcljapcn 
iiefbe toon beb^ijt : enbe alle gefcD^pen bmgen met 
be boeten treebt» ^^aec-en-bobenuptbebolliomen 
fupbecöepbt/ boo2 betoelcfee ben ^eligreu^ maecfet 
een becbonbt met fijne oogften enbe met föne3ielc; 
om foo met ben l^. goDnietecnjüfcpeenemagette isanïj 
pepfen : toant toeet boo2feftec / 't en 3P bat gïjp utoc onöerDou. 
oogöen neerfleUjcfe betoaert/ enbe utoc Danötoocfe S?"?^* 
kian flet aenrafein ban e^n^J anbecjc^ ijanbt onrfioiibt/ "' ' 

43 z aö? 



84 I>en I. Boeck. Het 1 1 1. Cap. 

Cïjp fuït u fclben itx't pmjcöcl üdlcn ban fcfti>D^a» 
fte /foo Ijet öic!itoijl0 bcbonöen i^. (Cnbe be brengt/ 
btc upt bcfe tjcuoljt fpjimt tö foo groot / bat fp (ge« 
iijcfi €ato ecnilcpbcnfcr)nicnfc!jgstiipaïjt)öctlc:? 
ben bec mcnfc ftcn bcrgelijcfet bp 'tiebcn bcr <a5oticn: 
cnbe bmiercftt Doe tn'^toerclröïebcn bit tDOjtbc^ï 
ïet.€en eerflen/boo^ tijbelöcfee beftomnuTinge/baii 
toelcfee be ïteligic niet aüeen omfïagcn ijCJ / niaec 
ï)iec-cn- tegen/ brengt boo^t.sf eene toonbcriöcfte ge- 
«oecDte/boo2 een bevjlerben fönber pafTien/cnbe ge> 
biirigngeücbt/enbet'famen-fp2eftentneta3ob:f)iet 
bp Itonit noc8 belicfbeenbebetfoctgefelfcftapbet 
geefleiijcftec b^oeberen enbe 't bonbcrtboiu/'t todcft i 
Matth.19. ban beaBaecftepbtfelbe ben ïieügieufen belooft i.ö 
In btt (eben. <8ber toelclie bingen gbp u ^it^ te tnin 
bectoonberen moet/ ftoe gfip blaerlijcftec nagoet 
bonniö fult bebinben / ba t upt genomen oneerlöcbc 
enbe bleefcbeljjcfte bjellufiigOeben / alte genoegbten 
geniet toojben ban eene i^eJigieufe sieïeimet fo bed 
meer bermabenief/aliaf be rufle U^ [jerté/ meerber i^ 
cnbe obecbloebiger ban geefïeüjclie enbe Igemelfclie 
bertrooftingeralfoo bat met veben/be Beligic ban be 
©cOcïigie ^eplige ©abecjJaen een aertfcb enbe öcmclfcl) ï3a^ 
bjojt am rabijö too?t bergeleecfïen:toat iffec ban bat tegen be 
fcös*!fcae^ Religie macOtoo?bengetoeerbeertl <Dii0bitalfoo 
jêteiu ^ijnbe/ foooberlegbtïjoebeelgbpnenaBcbtfcbul^ 
bigD 3öt / bat fp u onber ontaHijefee/ i^it Dp boo^-bp 
gegaen iö/ berbofen beeftienbe tot ben albec-febec^ 
flen toegö ubjetfaltgïjepttotföngefelfcbap/ enbe 
bpfonbere b^ientfcOap/ geb^ocjt Dceft/ enbe banclit 
SemfonbecopDouben. 

G H E B E D T. 

Bcrn.rerm. t^ Heere,groot is over ons uwe bermhertigheydt, dicJ 
de ingut. ^^ ghy met foo onfprekclijcke kracht van uwen geeft, 
met foo onweeïdeerlijcke gave uwer gratie getrocken 
hebt uyt de ydele converfatic defes werelts,in de welc- 
ke wy te voren waren gelijck fchaepkcns dolende fon- 
der herder,fonder u,oft(dat fchroomclijckcr is)wedcr- 
fpannigh aen u,o foetcn Jesuj hoe groot is geweeft deic 
bJintheyt rhcc groor dcfc boolhcyi regens u op te ftac, 

o on- 



Van ccncn ftacr des levens te vcrkiefen. 8^ 
ooncyndclijkc goci:hcyt,ii te vlieden,ute verfaken?hoe 
groot een gcluckis'tde werelttelchouwenPendcuytlb 
veel duy rcnde,van u geroepen te worden tot uwe vricnt- 
fchap, tot u erfdom, tot u huys, in ' t welck den menlch 
fuyverder leeft, weynigervalt^raflcher opftaet,voor- 
fichtiger wandelt,dickwijlder met uwe hemellche gra- 
tie bcdoutwort, fekerder ruft,berrouwelijckerftcrft, 
haeftcrgefuyvertwort , ende overvloediger vergolden. 
Van waer komt het my doch?dat ick voor andere hoore Bern. hom. 
uwe ftemmc leggende :\Vilt ghy volmaeckt wielen, gaet ^'^J^^^^^^ 
cndc verkoopt" al dat ghy hebt, ende komt volghtmy ^^^''^^* 
naer. Van waer is my dit geluckr dat ick gevonden heb- 
be de koftclijcke peerle,ende den verborgen Ichat, ende 
hebbc konncn verkoonen mijnen acker, om die te koo- 
pe,van waer komt my dele genade? dat ghy my,die daer Ma<th. 19; 
iiet Ib veel in defe Zee fchipbrake lijden, geroepen hebt 
in de arcke der laligheyt; o Jesu van Nazareth,en hebt 
begeert van my eenen Nazareum te maken j ende op de 
bergh Tabor, u glorie te laten acnichouwen; ende ver- 
heften tot de heerlij ckheyt, van een x'^poftelijck leven,en ^g^betx biea 
handelin^e te hebben in den hemel. Gebenedijt mijne neiiDe tot 
ziele den Heere,cn alle mijn gebeenten fegt:Heere,wie ^^^^^^' 
is uwes gelijk,die in hetLichaem mijns moeders indach- ^j j„ S^ 
tigh lij t ge weeft mij nen naem,op dat ick , die u te voren jioct» 
toebehoorde, door mij nelcheppinge, ende verloflinge, ^^^i. 34. 
foude uwe goddelijker Majefteyt toe geheyligt worde, 
tot ecncn tempel ende otter hande? wat lal iku wederom 
geven mijnen Heer, mijnen GodtPvoorwaerjals ick u fal 
hebben gegeven^al dat ick ben,en al dat ick vermach,en Bernard. 
is dit al niet gelijk een fterre by de fonne,eê druppelken ^P^^- ^^^* 
by de rivier,een fteen by den berg,een koorn-graentken Ifai. 40, 
by den hopejwatfegg ick? 't is algelijckals niet voor u, 
ende de gcheele werelt,als een ael ken der wage.Wat bé 
ik,dat ghy mijnder gcdencke rout?datghy my fout ley- 
den uy t dele werelt,die geheel in boofhey t geftelt is?dat 
ghy my met Loth fout brengen uyt Sodoma,op dê berg 
Segor?uyt Egipten,in't lant van beloften?uy t de woeftc 
Zee,in de feker have , uyt de \velcke met de belofte van 
armoede, gefloten wort de begeerlijckhey t.oorfpronck 
van alle quaet,ende verre verjaeght worden menigerley 
vyandcn,eiide de baren der tencatiengebroké. Ik bidde 

45 ^ u 



26 Dcnl.Bocck. Het IlI.Cap. 

uöHeere,fn wilt niet toelaren, dat ik dcfcwcldaetoyt 
vergere, dar ick oy r re rug;j^c kcerc;of achtervvaerts fien 
met de huys-vrouwc van I.oth:\vantdic fijnen vyant al- 
dus be\vacrt,cn metfovecl byftanrs niet en kan weder- 
ftaen, wat falhy uytrichren, wcfende van dele onvcrfie? 
verre fy van my dan,dat ik arm wcfende om u,foecke de. 
M'ellufte'des rijcke,ergens af klagcvrccfe dat mv yet fal 
afgenomen wefen; bhjvendc gebonden met cc draeykê, 
daer ik te toren fchip-kabeh hebbe gebroken? verre zy 
van myd^ttmijneoogengedagenop ongelijke per foné, 
my mijn ziele ontroove,of door tcgroo:e gemeynfacm- 
hey tmet hun my u vyant make; dat ik yemants aéfpra- 
]{e,regenwoordigJi€yt,of liefde verfoeke, acngefien dat 
ghy,dic alle goet in u bcfluyt,enGod zijt,van allé trooft, 
my tegenwoordig zijt. Verre fy van my,dat ik,die my u 
hebbe opgeotfert tot een brant-offer,en mij n eygen wil- 
le afgefworen,als een roover,va het gene dat u eens toe- 
ge-eygenr is geweeft, befchuldigr worde, niet willende 
ook in een kley ne fake,my aen mijn overften onderwer- 
pen:want wat is't o bermhertighften ]esu? fijnen eygen 
willej-aengaende woon-plaetfe,olEtie,oft eenige andere 
faken,te willen volgen? dan te miS'trouwen,van u God- 
delijcke voorfichtigheyt,en fijn eygen wijfhey t,voor de 
uwe te ftellen?en dat ik, als een peert,aenu,als ridder;en 
niet aen den toom,dat is mij neÖ verften,door den wek- 
ken ghy my regeert > wederfpannigh zy; en my niet als 
een ftock,dootlichaem,oft blinden, laetlevden,en han- 
delen, noch ook voor het befte en oorboorlijkftehoudê, 
het wclckc ghy door mijne overften fult hebben geftelt; 
maer dat allen,'t welk den eygen wille,(den wekken te- 
gen-ftrijdende voorts-drij vende,wederftaêde, hem ver- 
^fhc« openbaert) heeft voorgenQmen?Verre fy van my,dat ik 
fadit 't tocs uytdc have,wederö kcere tot fchipbrake, die ik nauwe- 
S^'^Si''^^'^ lik naeckt ontkomen benjdat ik keere naer het vier,daer. 
ïcUjS»^^ ik half verbrant uyt geraekt bc;dat ik uyt de plaetfe der. 
welhiftigheden envoor-fale uwes huys , afdaie naer E- 
gypten naer ' t huys van de ellendige (lavcrnye;van waer 
joude my doch aen komê defe onwijfiicy t oHeer.Voor- 
waer die gulfigheydt die Adam vcrjaeght heeft uyt hec 
Paradijs, en 't vermaeck der finnelijkhcyrftoot den Re- 
ligieus uyt het geeftelijck leven, en macckt dat die gene, 

tiaer, 



Van ccncn ftaet des levens te vcikïcfcti. 87 
daer op-gevocyet worden in alle wecldcnjomhelfcn don 
drcck der Ibndcn, endc de hoovcerdye, die dacrdenaf- Thrcn 4. 
valligcn Engel verciert zijnde met alderley koftelijcke 
geftecntenjgcworpe heeft iiyt den hemeldie lelve Imijt 
tien Religieus , dieflave is fijns eygcns wille , in den af- 
gront der carijvigheden,en onder\vorpt,aen veel perijc- 
kelen en verftoorthcden, d' wclckede afvallige Keliei- ï?J^|jf"'^" 
cufen plegen over te komen. O ellendigen ende blinden i^tliqiui^ 
RcligieuSjdie gelijk eencn anderen Elau,voor een fcho- plaüj te 0^ 
tel vitfen, het recht lïjndcreerfte geboorte verkooptj Ucchomcit* 
aengelockt zi jnde,door begeerlikheyt van eenige plact- 
fe,officie,oft ander verworpen creature, wat lal hy doen 
Heerepals ghy fult komen ten oordeel.Ick bidde,ó God 
van Ifrael , die my met Abraham geroepen hebt uytUr 
der Chaldeeuwfchen, die my geley t hebt,gelijck u uit- 
verkoren YolckjUyt Egyptcn,iii de kracht van uwe hant, 
in teeckenen ende wonderheden, ende inuwegroote 
macht,ende in uwen verheven arme^bewaert toch 'tge- 
ne ghy gevrocht hebt in ons, op dat der aerde kennelijk 
zy, datghyzijtdenHeereonlenGodt, ende datuwen 
heyligcn naem aengeroepcn is over ons, Amen. 

KORTEN REGHEL 

tot de volmaeckthey t. 

^ re urnen tijöt/ enöe Dcletfclcn/ op Dat gijp allesj ögS"!/ 
met ooeDefcljtchinöe boetjbeneerltigOt u alie toeec^ mmmWe 
hm *t felbe betec enöe betec te tocrcfe te fteiïen : ooc!i jaccucmtot 
reiieninoc Douöenbe met ufeIben:bertrecötuaHejfJ3;^^J; 
jaren tot eeniae üiitc; enöe oDerïegl&t öït bp u felben hm ödo? 
op ettcUjclie öagcn/ enöe Oier-en-boben fcljicht gier «tcftjcte 
toe noclj aüe maenöen eenen geJceUn of t immers ^f|t"{f"?^ 
eenenDalUenbagf). S 

2. ai)beröenclu allebagen met ben ïjepligen 2^0^ ijouDcn 
nabentura / toaer toe gbp geèomen 3öt/ bat g&p ge^ ^3" 5,^"?^ 
(lobben 3Ütaenbetoerelt/ enbeöatgöpfoecfiteeii^?J^/i^^^^^^^^ 
totgerijchbommen/ eereenbeb^eugöt/ biegöpinrcmetcbe^ 
mangeltnge aenbeer t f^tbt/ tegen öe tijbelijcfee enbe «ï"u 
aertfcBe/ teant alfooDoo?<0obt^ gratie/ fuïtgöp 
ontgaen be blintïjept/in betoelcfee be fïoutoeaeligt;: 
eufen placDten te bailen/öafeenbe aïtöt na licBame^ 

45 4 Jöcfee 



«8 DcnI.Boeck. HctllI.Cap. 

iijcTtc bctrtiaec[ïfe[en ; enbe 't en fp bat imt tJicgela^ 

tcntoo^öc/ naer [jaren epQDm töille tclcbcn / nibe 

fooöanioOc loaonplactfecnDc officie te ïnefen / alö 't 

ïjaec belieft/ foo bergaenfe liau intuentJigïie ö^oef- 

i)eptit / oft bullen acn alle liantcn bic liilooftcrö met 

murmuratic. 

ï^omtn 3. TDanclu <0obt ten minfïcn b^ienioefó baeoft.cf/ 

«öoDtijf* boo?u\yenroep/ enbicrteeneniacciüclifcljcnbaal) 

^ubcDauc^» ^"^^ ^^^'^ ennbcimcbiteert alle mnenben rmmerjjban 

utn uoo? be p:innpael|le degels? / enbe Icrtec toel op/oft cjljp 

lönê roep* ooc6 boo »töancli o^baen Ijebr. ^liipt baftelijcït bp 11 

felben / alfo b>el be minftc aio be méefiefonberöou^ 

Déib)antbtefeöcrlijcherbetfupmtto2bé/al3efbcfe» 

4- ïlDeefl geftabiijlj in't gfjebebt / enbe in alle utoe 

toer chen/oft ftanbelingerijfp^ceclu met <6ob in btec 

boegen/ al^ oft göp alleen met ftem toaer t in be toe^ 

reit/alfo fal iKt gefcf)ieöen/ba t gf)p u fult bcrïKugen 

in ben l^eere/ enbefonbcr ftDangfjept berftellen alle 

finnelöche bjellufügDeben, 

5» 23emintalfo b'armoebe/ bat u niet en lian af^^ 
gijenomen loo^ben/gDemercftt gl)p nietepgftenjsJ en 
Öebt/maer al aen «aob op-b:agen; gcb^npcht be ge^ 
mepne bingen oo^boo^lijcö/enbe fcljaemt i\/i^ 't bat 
gijp arm tocfenbe / niet te b^eben en siit/ met 't gene 
bjaer mebe ijaer be rijlte bes? tuereltieJ te b^ebé lioubc» 

6. 25etDaertbe fupberftept metljetgabefïaenu^ 
toer oogen/met fobertjept/met 'tblncluen ban lanft^ 
burige Oanbelinge enbe t' famen-fp^eïten ban onge^ 
lijclie perfoonen ; 3©ant W Ijet perrjcöel bemint fal 
baer in bergaen* 

7. iDoetneerftelijcIi u befte/ om ben:eu.£?-gierig' 
Öept alöeene pefte ban bebotie t'obccluinucn; toant 
befe met menigbulbige lagen enbe ftriclam ben 0e* 
Ugteusjfoecïut'onbcr-lu'uppen/ baerom toaö'tecr^ 
tijt0 onber bet)epligÖe ^ubt-Baberö een g!)emepn 
fp2eetft-tooo^tj eenen goeben iieligieu.ö moet )3yi:fcn 
rtöm/boofenbeblinbr» 

8* lebt be gel)oo^faenU)ept alfo lief/bat gf]p niet 
enU)iit/nietenaenbeert/nietteb3erclien{tcrtronbet 
bltalberfehcrfterecfjtfnoer/ nocl) ecnigöfini^ booj 
nienfcö^lijcli^ toöföcpr/ oft om beter tefeggen boo? 

bupbelss 



Van ecncii ftact des levens te verkiefen. 89 
bim'jclö bcrnuftdcpt/ti' oberfle foecltt na utDc hïüU 
te ttctlicnjbDiiiu te öcrgccf^ roemt g!)p u olier alful^ 
hc alKltoo^faemOept/ Dieöen tjcplujtjen 23eniacbu.sJ 
noenit te toeren öcchfel ban üoofljeptnnaer befojQljt 
bat t)c ^^bert'ten ban u geboele/ öat gf)? niet en üjep- 
gert/ niet en öegeert/öan öcn ecnigen toüle a3ot;t0. 

9. Wilt gijp eenen itcligieu^ toefen fo beDtDtngt 
utoe tonglje/ fp2eecöt een jegelijch bJtenDeUjcft aen/ 
berOaelt geerne Dat in ()aec lof meeeöigD i^/ fb^ijgljt 
tnfgelijchj0f t)at benfpelijcti i^* 

10. 3Bacötuneec|Ielöcaban'tgemepnfcDaptïec ^"süe* 
ffonljertige/ beel mcrr ban öc feibe na te boigé. <^at Sc aou!^^ 
uU3e Ijanöelingeb^ienöefijcli 3P/cnöe gemepnfaem/ lan miu 
eeröaer en niet fjooffclj/ ö'oogen ten mecftenbeel ne- s^f"rm 
bertoaectö gejlagen / utoe (inaU^ toepntg en toel be^ Sah dh^' 
bacljt/'tlicüaemililenfecgtjüaer/toteentedenban fdfoutut 
be nitoenbige gecuftigl)cpt.'30 't öat glip t)n al acD- ^o^ritiu 
tccbolgljt / fult tooonen m 't tanbt ban belofcen/tn 't 
aectfctj parabiief / fult toefen b^ient ban ben 232up? 
begoïti/fult bebinben t'utoaect be l^ jiBaget Maria, 

al9 eeneiDoeber/ enbe fult u gemepnfaem maecöen 
t)m Ijepligcn €ngelen:namentlijcfi utoen ':öetoaecs 
ber : ben toelclien göp tn alle.ö moet te rabe gaen/ en 
Ijem üebelenalle utoegoebe toercfeen/eïibe begeerte/ 
bat öpfe getoeerbige boo2 fijne fupbere Dajiben op te 
offeren aen be a3oöbelijck jjBajeftept. 

Dagclijckfche Vernieuwinge van eenen 
Religieus. 

r\ öontnch ber koningen/ Cljaitle ]esu, g^p ï^tht 
^^ mp geroepen boo^ utoe onuptfpacftclijhe Derm=: 
ÖertigfKpt in befe plaetfe ber toépbe, in bc toeiïie mp 
niet geb>elien en dan/ia't bat ich aen mp felben niet 
en geboefte ; maer toaer toe liebt gbp mp geroepen i 
toacr toe ben icfi gefeomen^op bat ich be toerelt t'ee^ 
nemaelontloopen / enbe al bat öaeraengaet met be 
boeren foube ftooten/ bat icb u met goebe troutoe en 
ongebcpnft mijnen toillefouöeofferen.^ietb^ptoil^ 
Ugblijcb ben tcb gebomen / cwtjt l]cbbc u eene belof- 
te gebaen: mp felben enbe al t^at mp aengaet beb it^ 
öp-gDcoffert toteenen b^mt-offer aen «toen berOe^ 
«O 5 ben 



90 Den L Boeck. Het III. Cap. 

ben nacmncli ben oeftomen om met u öe mtn(!e Uan 
al te toefen ; toel toetende öat gijp d'ootmoeöigöc 
berijeft / enöe be Ijoobcecöigfje berneöert ; toaerom 
10 't öan^ dat ith fieöen ban berootmoedinglje / ban 
beleegöftcplaetfe/ of t ban pet andere mp falüeüla* 
geni enüenichdaerommet gefeomen^? en toilicfi 
ban niet Ijoozen upt utoen mont/aljof gfjp ftomen fuït 
aldecgoederticrenflc }esu ,b?ient hfimt optoaertö i 
maet datmcec iö/doo? utoc groote getoeecdigDept/ 
iel» den bectooapcnftcn ban «toe dienfidoden/ begee== 
re acn u geliicli te toefen: ende gemerclttdat gijp 5Öt 
gljeljoojfaemgetoeefi tot de doodt / ende dat tot de 
boot deöcrupce.öf/ acötcclatcnde boo^ mp een erem^ 
pclbancenebolfeomen geljoo^faemljepdt : toatdat 
Ijet 3P dan / dat münen ^betjlen fal IjeDden gljefïelt 
oft gefloten/ tnb3atfaecliedat(ietooch5P/ ithfal 
i)tt Ijouden booi 't dcfte/en boo^ Ijct aldef-redeltjcli^ 
(leitoant icli toeetgljp 5öt deecutoige toijOjept/ende 
b on-epndelijcfee goetliepdt/en niet en fean mp detec 
tï\ nutter toefen/ dan dat tcfi mijnen toillc met dé u> 
toen gelijcö-fo^migU tnaht-, en m jjn oordeel boegbe 
naec 't redjt-fnoer ban u €^oddeliicli oo?beel en toö* 
Ie: den toelc&c doo? mijneObecflen/upt utoen naem 
mp boo;jgeöoudcn too?dt:nocl) ie ïj en fal 't niet doen 
doo? bedtoancli/maer bjptoilliglift fal ife u offeran^ 
de doen/ ende arm toefen/ niet met den name alleen/ 
maer metter dact/ deibcndc oocï^ met ülüfcOap/ïjct 
toelcïi mp nootfaïKlicli te^om utoeliefde,-toant daer 
gljprijchendcmacluïgljtoacrt/ ommp u bloot en 
beljoebig bedt gcmaecfetraaldergoedertierenfté Ie- 
su,toie iffer doclj/die d'armoede Demint/en Ijare ge^ 
mepnfcljapfjaet/ bergadert rijclidommen / en laet 
niet toe dat bem pet gebzelje/gemerclu dat gtjpl^ee^ 
re niet en bedt geljadt/ daer gijp u Dooft op neder^ 
ïcggen foudt i O eeutoige ïDijflicpt en i$? dit niet de 
maniere/ op detoelcfeeonfe doof Dept Ijaer fclben be^ 
ïiegt^ J^oe foude ik mp derrc berflouten u te blagen 
om te fitten in 't oo?déeHja oocli te oo^deelé/te belijd 
ben/dat icli al berlaten f^tbbe / bekommert toef^ndc 
meteene ft lepne ende bertoojpenfaöe/ ende aende 
fclbe met onlieDoo^licöe affectie blijbende geDecötio 

oeluc^ 



Van eenen ftaet des levens te verkicfen. 9 1 

(jeluchiger i^ 't Dia boo?toacr naecfet tu DIoot ban 
aücjo^ te toefen/ en noctjtanö al te befitten,- uteae^ 
ntetcn/en utoe ooeberen om utcent toiUe^^cft bidöe 
u l^jeice/ boo: utoe groote öccmljertigl)cpt/maecltt 
Dat ich mettec daet bolb^engc / 't toelcfi ith met ben 
tnoiibe beUibe/ enbe batter boo^toaec met en 5P/ oft 
beöacht fian toozben/ bat ith foubc mogen begeeren 
oft b^eefen ban ü, toant in u alleen 10 't al betTotem 
toat bjtl ith ban toeten/ aenfcDoutoien/ oft befitten / 
meer ban u^öoe foube ith u ftonnen beiiaten^ toel t$s 
ïiet toaeiv bat 't blcefcïj/ mp nm be toecel tber bint/ 
maec Ijet berftant recOr enbe b^aegDt mp op tot n f 
'tbleefcljbancftt mp nebectoaertö ,• maec get bec^^ 
(lant boenmp optoaertef: 'tbleefcBbatbinbtmp/ 
maec utoe liefbe/ bie ontbint mp.:25etoaectmp ban 
l^eece / alie? ben appel ban b'ooge / en befcftecmt mp 
onbec be fcïiabutoe ban utoe bleugelen/op bat icJt ixi 
onbebecbelicbbepbt/aen u gelijcö macO gftemaecöt 
toojben/ enbe bat u alle be finneltcfee genegentfiept/ 
aljE^ ben fjelfcOé afgcont becfaöe- aCDant ith toeet bat 
iö 't fafeen/bat icli öet pecijcbel beminnc 't 3P in toe- 
gcnegentöept tot eenige cceatuce/in 't aenfcfioutoen 
bec felbec/of t' famenfp^abe/ icfi fal beclocen gaen/ 
oft immecis^ ten minflen fal ben fpiegel mönber 3telc 
boo: eene Iilepne bleclie befmet enbe foc berbnpiïcct 
too^ben/ bat it\\ u / o ^eece / niet en fal fionnen aeni' 
fien / tot ben toelcften ith Ijebbe mijn oogen opgelie^ 
ben / tot \^tx{ toelcften icb alleen fuclue/ben toelcbett 
icli upt gantfcDec Occte beminne enbe omDclfe* 

S chiet' Gebede hens» 

'I/'Eert wederom mijn ziele iniiwerufte, want den Pfal. 114. 
•^^ Heere u heeft vvel-gedaen , want hy heeft mi j ne 

ziele verloft van der doodt, mijn ooghen van tranen , 

mijn voeten van den val. 
Mijne beloften fal ick betalen den Heere , voor d'aen- pfal. iif.' 

ficht van alle fijn volck, in de voor-hoven van des 

Hecren huys, in ' t midden van u Jerufalem. 
Ghy hebt o Heere in ftucken gebroken mijne banden , ^^^^^ 

u fal ick otteren het facrificie des iofs.endeden naem 

des Hceren-aenroepen. 

In 



92 Den I. Boeck. Het 1 1 1. Cap. 

P^^I- Jf • In my zijn ö Godt uwe beloften, die ick u, tot lovinghc 
fal weder- ecvcn. 
Wantghy hebt mijn ziele vander doodt verloft, endc 
mijne voeten vanden val , op dat ick behagen mach 
voor Gode in 't licht der levenden 

MEDITATIE 

Van de volherdigheydt eens yeghelijcks 

in fijnen eygen roep. 

Het in-heelden derpbetfenfal :{ijn. ^CcnmCCCftCtl be IjDij- 

bctoocflc tocrelöt/ cnDe ij^^cfcD^pöcn luoon-ficDm 
inbcnDcmcL 

Hec Gebedt, 25ïbt <6obt OHI bOlOcrbtöDCpbt \Xi bCtt 

roep/ bacc Op u in geroepen Deeft, 

II? milfa' T-T ^^ i^point.^Cenmcrd^teerftbegcöeeletoerelt/ 

fcijcpt Dat '"•enbe be berfcljepben foonen ban creaturen in be 

tutTcijEiiDe felbe: enbe fjoe grooten onbèrfcljept batter lö/onbec 

5"*"""" befeibe/ fioe ongöeljjcli b'eene fterre i^ ban b'anbere 

scbonöm irt ftlaerOepbt/ enbie rebent bp u felben/bat in 't gee^ 

tDo:öc in t (lelijcft (tcftaem ber ^. öerche/ooch bufbanige ber^ 

?irif,nii^** fcOepbentöepbt ijS^boo^eobtö ojbounantie. ^en^ 

i« è mercfet ten ttoeeben/ toat eene groote (iooringe baer 

'Utu\ku oprijfen fonbe/ luaer 't bp alöien/bat be bingen / bic 

b'ecutoigöe 3ï)lifOepbt b*een onber b'anbcr göefteit 

mit tmt X^zz^ti b'02b2e omb:apenbe / be neberjle boben b'op^ 

Im&x ^^^^^^ '^^^^'^ ^ tDierben; Oet felbe fouöe fonber ttoijfel 

foaöe/Dat gefcljieben/ toaer 't bat een pegfjelich ia fijnen fiaet 

xit^t frijic^ niïfnoegljen fjabbe / enbe naer eenen anberen toilbc 

bSi^*^^' ft^en, 33Dant toatfouber bolgen/ toaer 't bat een pe:= 

tDietDt; göeïijcïi in be aepuölic[ie oft gljemennte/ oft in Ijet 

Öof be^ i^ontnc ii0 toilbe b'cerile toefen/ toaer 't;bat 

een pegelijcfe in Ijetfcljip ber ftepliger öercfie toilbc 

aen bet roer fitten/ toaer'tbat elcli ban befteenen 

beefDcmelfcljgerufalcm/ineenefelbepltietfetoilbe 

gelept too^beniOet gene bat gfjp n\ ^t^t bingen fiet/ 

foo ongeregelt te 5ön/ toeet bat I)et oocft feer ongf)^^ 

fcfjicfet enbe berifpeïijcl^ i^ in X)t^z fahe, 

i^etz. point. 3Cenmer€fttteneer|ten/beparaboIe 
bp S.Matth.i2» 2Cl-toaerben]^eere/ aenfijneber^ 

fcljep^ 



Vnn eenen ftaet des levens te verkkfen. 93 

fcljcptien dicnaec^ef bcrfcftepbcn ponben gecft;acn bc 
eenehböf/acnbcnanbcren ttoce/ acnbcnanbcrcn 
ten I ecncn pegclijcfe nacr fijne epgen öracDt* %etit 
ban te b2ebén met u lot; enbe toeet bat Ijet beter 10 te 
fteneecitigöcn/ x^^i oÖP öoo: goebe toereken utocu 
roep berfefeert / ban bat oD? aijs nu naer ben befen / 
cl^ ban naec eenen anberen roep foecïit te ftacn» 
2ienniercfet ten ttoeeben/ bat top ailegaber repfenbe ^^ ^^^' 
perfoonen 5ijn/enbe bat fiet Deter \^ in ben aengeno^ acngeraJ" 
men toeg/s6ob x^xz onfenïïeptfman i^e^/en onisf boo?^ men \kt%i 
^ditit naer teboïgen / ban eenen feo^ten en onfeheren ^o?t boo? 
toeoöfonberlepbtfman tefoechem ^enmercfetten "'^Vb^u. 
berben/ batbefe toerelbtalsfeenetfjoon-plaetfeoft gcnmocu 
tDeatre iief/en batmen ban u ntetepfcDenen fal/ toat ^loeöat 
pcrfoone göp gfiefpeeït Detit; maer Doe toel gfjp bien ^ ^ J^^ hoIJ 
perfoon/bte u opgelept i^ gefpeelt ftebt/ totc en toeet puctfe i^» 
niet/ bat bie ben perfoone baneënen bienaerber;^ 
toont Beeft/ beter ban eenen anberen/ ben perfoone 
baneënen l^onincfe / \^t\\ p^üis oocö bobenöem be^ 
Balen fahalfo \^ 't ooch tn x^z^z faüe/ben l^eere en fal 
niet toegê/ toat jïaet göp beleeft bebt:maer met Boe 
grooteliefbegBputoen ftaet beleeft Bebt* ^enmerF^t 2©iciiat 
ten bierben/bat top alBier in be loop-bane/om pjö^ \^^\ 
iopen : maer toie i.ö 't i '^xz in be loop-bane ben p^iVe n/öm 
beïjaelt en toeg b^aegt; boojtoaer niet ben i^omncli m^^^ 
oft ^^ince/maer ben genen/bie bapperber loopt» ö^tit* 

%t 3* point. 2{enmercfetbetooo?ben besjttpo^ 
ftel0/ i«Cor. 12. <(Daec3önbebeplingcnber gratiën/ 
maer 't iie? eenen geeft : baer 3ön bebeplingen ber be^ 
bieningen / maer Bet \^ eenen i|eere j enbe baer 3ijn 
bebeplingen ber toercben/maer Bet i^ eenen <8obt / 
öie Bet al toerbt xn eenen pegelöcben^^iet gBp toel/ 
batgBptebergBeef^arbepbt/ om eene anberebe^ 
bepIingBe te boen / enbe anber^ te toereben / ban 
43bbt$f toille i^. 3ïenmcrcbt ten ttoeeben / bat öter pocro:gc^ 
jiaer bolgBt : €enen pegelijcben too?t b'openbarin- if. (!"„ 
gcbeiefgeeftjefgegebentenp^oföte: enbe toeetboo?^ toeymet 
feecfter bat gbp geen profijt genieten enfult/ 't en te ubwu 
3P bat gBp leeft naer ben epfcB enbe gratie utoe^ 
toeps^/ enbe niet naer eeiief anberiJ roepje^ : nor B gBp 
^n fiebt gDc^n^ r^bvn om te murmureren / toant 

gelöcb 



94 Den 1. Boeck. Her 1 1 1. Cap. 

gtlijth ben ^poftd feofjt: vDit toercfet aiken ben cc^ 
ncn felben gcefl/ bcplenbe eenen pegclijcfi foo 't iicin 
belieft : cnbe op eene anbere plaetfe / €en peoelijclt 
Beeft fijne epgOen o^^be iiPt al5obt/ ben eenen aU 
öuö/ ben anberen alfoo. 3ienmercht ten becben/ be 
i.cor.7. tDoo^ben be$f 3Cpoflel$': €Jeiijcfe l)et Itcltaeni een iö/ 
cnbe Ijeeft beel ieben/foo iief be l^eplige McttUt: enöe 
fiet licöaem en i^ niet een libtniaet inaec beel ; i^ 't 
bat ben boet fegöt/ toant icït geene Oant en ben/enbc 
1 .cor.i2. tjc oore/toant icit geene ooge en ben/ icfe ben ban l)et 
Ucliaem nietren i^ fp baerom ban Ijet licöaem niet^ 
boel) b'ooge en macö tot be bant niet feggen / UU en 
ïjebbe utoe bulpe niet ban boen ; noclj bet Ijooft/ ben 
boeten / gbp en 3ijt mp niet ban noobe ; maec mecc 
be lebenbeieflicbaemj^^/ biebeljranclittefcöijnente 
3ön / fijn noobelijcbeiv en t)it top bouben boo^ b'ou^ 
Wamm cbelfte / bk beftangen top met meerbere eere : ïjiec 
men bol* upt fult gbp befïupten bolbecbigöepbt in utoen eer^ 
tjctöigprpt (fcn roep/ altoaec bie oocftflecljtec : aengefien Op 
Snin m"' ^anb'eeutotgeïBöffteptingegeben i^s : ftiecom om- 
mnmiitn fepbt ben ICpoftel te boopen/ toant Dp gefonben toa^ 
toep, om'tCuangelie te berhonbigen* ^ienmerclit ten 
i.cor. 4. jjterben/ oocft be tooo?ben beief ^tpolleljer : €en pc^e^ 
iijcit blijbein ben roep baec bp in geroepen tjg:toant 
gelijcfeer flaet tot ben €p!jefien in 't bierbe : 3ilen ee^^ 
nen pegelijcfeen ban ou^ i$ gratie gegeben na be 
i.cor. 7. mate ban Cb^iftns^ öifte* ^00 ban/inbien göp gee=^ 
ne groote macöt oft ftracDt en öebt/ ban om tien 
pont op te Beffen / toaerom poogbt gbp u ttointigïi 
op te nemen / enbe baer aen berften i iDaerom toilt 
gbp / hie Itlepn ban bermogljen enbe ban moet 5iit/ 
grooter ftfeeberen / om foo te feggen (bat W een 
ampt of eenen flaet aennemen t^it grooter enbe boo^ 
ger i.ö/ban gijp, Ifienmer du ten bijfben/ 't gene flaet 
Luc. Q. lyp S. Luc. cap. 9. j^iemant fijn bant aen ben ploegl) 
©leföncn fïaenbe/enbeacbtertoaerts^omfienbeeniiÊÈberïuaem 
ffiöoM^ ben rijcfee <3obt0. €nbe leert bier «pt/ bat foo toic 
htquatm fijnen roep berlaet/ bien onbëguaemtiffbenrijcbc 
öai tijcfte <0obts?/bat Wf)p too^t baer upt gcfiotcnienbe boo?^ 
<öoot?» ^Q^j. ji^( j^ jjgf ^j. jjf ^i,p0( 0,10^ ftranc ïf in 't teben te 

öaen/ ban ^toee fianben enbe ttoee boeten Bebbenbe/ 

(bat 



Van eenen ftaet des levens te verkiefen. 95 

(bat i.sf/ in cencn bolmaecöten (ïaet oö^üclt^öii^ 
öe ) in Den b?anöt öec ftelUn oö^flooten te too2öcn> 
3(enmct:cfet ten feften/batter becl toancfecIDaec 31)11 
in öunnen roep / om t^at fp flet goet ban gunnen epj* 
een roep of t niet en befeenrien/oft öaer op niet en let^ 
ten: maer bemercfeen öet goet ban eenen antieren 
roep / fonber te ietten op ftet guaet / cngemacft enbe 
perijcftel öeiGf felfö* ^BantDetiieffeeciiec öatelcben 
ftaet fijn boo2beel enbe acbterbeeï/ gemacö enbe on^ 
gemacft/ mebe-Daengöt : niaer geljjcb Ï}H eene bot- ^oebtoaijs 
tigöepbt enbe tTecDtigbepbt toaer booi eene müf== ?rt?mfft!,rt 
f cfje/bat fp foube toillen fjebben be bleugelen ban ee^ nm te ton- 
nen ftrup.é-bogel/ enbe bat (p ftem foube benflben be ^en te m^u 
grootbepbtberfelber/ nictaenmercFienbefjaer on- Ef"^^^^/ 
gelijcbe grootfjepbt: alfoo iööetonrebeliicftbepbt eenen doS 
enbegeenetoijföepbt/ naer eenen Doogenoftgcoo^ mtm u 
ten roep te ftaen. t^^^* 

G E B E D T. 

^\ Eeuwige wijflieydt,mijnen Godr,hoe onfcker zijn 
^*-^onle voorlichtigheden ! W'yellendighemenfchen, 
wy en weten niet , waer toe ons keeren , wat wegh wy 
beft ingaen mogen : ghy weet alleen cnde liet, door wat 
wegen onder alle omwegen, ick ibude konnen tot u ko- 
men , ghy raeckt van eynde tot eynde fterckelijck , ^^n jjoj, 
fchickt doch , ick bidde't ü foetelijck door uwe hertc- |)ciöeli)eli 
lijcke innighfteba^mhertigheyt, dat ick mocht volher- f* ^^'J?^' 
delijck wandelen den wegh dien ghy my gewefen hebt: ^l^^ ^J 
op dat ick mocht komen tot u , naerwien mijne ziele «öoDt 011^ 
verlanght, gelijck eenen hert haeckt naer defonteyne gü^tecfeii 
der wateren ; ende maeckt dat ick niet en forghe , door ^^^'^* 
wat wegh ghy my leydt : want ick en foecke den wegh 
niet, maeru, mijnen Leydts-man ende mijn opperfte 
goet. Ick iie dien oft defen door eenen leer hoogen padt 
gaen, maer ick lic oock dat hy als een menfch fterft,en- 
de als eenen van de Princen valt. Ick fie eenen anderen, 
in 't nederfte ftaen , ende aenghefien men te vergeefs 
ipreyt het net voor de oogcn der gevleugelden, eylacen 
den ellendighen menfch op d'aerde wandelende, al en 
valt hy niet van hooghe, hy valt nochtans in de ftricken 
der jageren : een ander boude het midden , ende noch- 
tans 



96 Den L Boeck. Het III. Cap. 

tans niet den rechten \vcgh;\vant lijn lichaem bcfvvaert 
Sap. 9. de ziel, endednickt neder den fin, met veel ghedach een 
belemmert fij nde , maer ick fic andere,die m ecnen iali- 
BÉt gelutlt gen padt , u ills eencn Ley ts-man volghen, die op hunne 
^^ïSf"^''^ noeaeftaen, cnde veftighcn hunne llappen op hunne 
al^ ffucii ^^^c^^c in hunne ordre , die in de loop-bane loopen,. en- 
gifptfmaii de achterhalen daer vele, cnde ly behalen den prijs 5 
boïgciu welck anders geenen en is, dan ghy,ó mijnen Heere en- 
de GodtiWant wat iflèr voor my in den hemel,ende be- 
halven u ; wat hebbe ick begeert op 't aerdtrijck ,dan u 
Heere? totden wekken ick, vermoeyt zijnde vanden 
wegjhake ende lnacke,ende brandende van liefde fuch- 
te tot u , die zijt de Fonteyne des levenden waters , tot 
den wekken mijne ziele dorftendc is nacht ende dagh ; 
maer uwen alderheyligften wille moet gefchieden : om 
den wekken ick my geruft houde in mijnen ftaet ; ende 
ick danke u datghy my den wegh geweien hebt, inden 
wekken ick wandelen mach,ende den padt van uwe ge- 
boden : ftiert mijnen ganck , op dat mijne voet-ftappcn 
niet beroert en worden in der eeuwighey t > Amen. 

Pra^^ijcke* 






Mt\\\ 

^önHorp/ Ujcl! Oetoarcu. 3Bant \)zi\$ fefiec/gclöcü cnfcii {^\v^ 
cnDe tic te= gen baöec Ignatuis \uxi / bat hm incnfcO beöoo^t it 
Vitnh^at' öolöcrbcn xw fijnen begonnen fiaet/als? ilP ben fclben 
fcDjiftebc^'nietrüpbcraet aengljenomen beeft, ^s^aeromntet 
uiatau fonbcc reben fijnber bcrfcïjepbcn o^b^en ban religie 
tuitw / onbeu be toelche oocli !^ onfe J>ocietept / W 
niet en aenbeecben / be gene W een.ö eene anbere t^p 
t)zn aenbeect geöben. 
iloebat ;^e ttoeebe/toeet boo^fefier bat aüefïaten ïnm ge^^ 
SooahftÉ "^^^^^ enbeongenïacft fjebben / tw^t pepfl bichtoöL^ 
ftatcn Dc aenbacöteiijcö op be felbe: en toeet bat ban ^z !]oog^ 
ftoacrfïe (te ftaten/be ftoaerite uaüen 5ijn. a©ant eg>.3Cugu(ii:5 
öcbaiicii ,m^ belijbt/bat öp geenebeugbbfaniei: menfclKn en 
^^ fieeft öljebonben/ban ^it xw beüiooiter^ gcbco^bect 

c» 3Ü» / nocDboofec banbie tnbe tilooficrc^ acbter^^ 

ntDcrm >»3ert^ gegaen 3ün»ïSierom ban <!3obt geftcit fönbe 
\mt ha» in eenen neberen (laet/btentDem ootnioebelycfe enbc 

l?oU 



Van ccnen ftaet des levens te verkiefen. 97 

bolmöétötdijcft: enöealtoacrt oOpccntlcrfnoutitnimtcf: 
iyijf / Qij)^ fout ftonnen/ om eenc excellente iteföe tot f» swofc 
<6obt / ortDec ö'Kpofïelen inDenijcmelööcrehcnt^'^^*"!^^^^^^^ 
tuD2ben/enöe boa^ Deel ontalltcfie cclioieufcn gefieit hn'u 
tD02tien» 't^ttntith enbeongemncfibanberfcïjep- 
Den ftaten/öeeft ^eec iloDer icuö 53ïfTcÖcp ban ,§a^ 
moeren in ecnen üoecfe befcD^eben / bieoftenocmt 
too2öt/^en Spiegel öe.ö nienfcöelijcfien ieberi,o\ 

^eöeröep2actijcfte/ arbeptopualöecneerttiGS- ^tbau 
(Ie te beljalen 6e boImaecFitliept utoe.^ tlaets? / öie in K'^e^; 
boimaecfue lieföe gelegen C^/notlj m ftaet niet licD- nitt^ li 
teiöcfe naer eene anbece maniere ban leben. m tem 

;De bïeröc / fielt u boo? oogHen 't patroon ban ee^ ï^gS? oSi, 
tten uptnemenben en Depïtgea perfoon / bieinfoba-gen^ ^ - 
nigen jiaet aljö ben ubjen/ben toegö tot öet eeutoi'gö 
ieben gftedicfeelycö af-gelcopen ö^cft / enbe bolgöt 
bien naec : neemt fultUc tot ntoe patroonen enöe 
boo:bïööer^ / enbe bpfonbec bient ben ^* €ngel u? 
toenbetoaecbec/ al^Dm ïept^-mattubje^baegBs? 
moelebeaïf, 

5c^/V/ - Ghebedekens^ 

MYnherte is bereydt,ómijnGodr, mijnherte isbe- Pulm 107; 
reyt: ick lal uPfalmenfing;en in mijne glorie. 
Als een laft-dragende beefte ben ick by u , ende altijrs pfalm 72. 

benickbyu. 
Ick hooreu toe, maeckrmyfaligh, want ick hebbe\i\ve Pfalm 11?, 
rechrveerdigheden onderfocbu 



h AEN- 



98 

AEN-MERCKINGHE OP 

HET TWEEDE BEELDT. 

WM üetbepöt söP w te hthttvm tot 
Den l^eere utDcn Boht/tn a! u goet ? 

CPoet u ó fondaer om u te bekeercn tot 
^uwen Schepper^ende Verloflèr^en blijft 
niet [a] twijfelachtighrwant de doot volgt 
u. Siet[B]Je{usgereetoin ii t' ontfangen , 
Aenfiet fijne wondenjet op fijne [c] pijné, 
en hoe dat hy u goedertier lijck te gemoet 
gaet. Verfinaet de [d] werelt met haer be- 
drog;verfoey t de [e] fonde3als een fchric- 
kelijck monfter > volght Jefiis^ ende de [f] 
deugt,die den[G]Engel u toont:let op den 
prijs die daer toe ftaet , ende neemt uwen 
toevlucht tot haer5door[H]berou van fon- 
den5endedoor[i] bicchte aen den Priefter 
gedaen : volght d' exempelen van [k] dic 
penitentie ghedaen hebben, op datghy 
mooght voldoen voor Godt, alfo fi^ilt ghy 
verloft worden van het jock des helfchen 
Pharao, ende fijne flavernyen j ghelijck de 
[l] kinderen van Ifi-aèl door bet uyt-gaen 
vanEgypten : blijft hier niet ftille ftaen, 
maer trekt voorts naer u vaderlant, als een 
reyfende man^baent hier toe den weg door 
[m] aelmoeffen y [n] vaften ende fo] bid- 
den. Och hoe verblijden haer [pj de En- 
gelen overeenen fondaer penitentie doen- 
de : ende wat eenen grooten loon fal al- 
fulcken ziele te verwachten hebben ! 



Van eene rijpelijcke bekeeringlie. 99 

Het IV. Capittel. 

Beracdt om rijpelijck tot Godt ende ons eynde 

te bekeereii , als wy van den recluen 
wegh afgcweeckcn zijn. 

\ T/^t fal 't u Datcn/D repfcr/ öat gfj? Dct cpnbc u* 
^^ toerei feben^ toect/öat u öoo? 't gijeïoobc <0oDt/ 
ÉU ben WQ\) tot <6oö/ ftcnbaec o^tooabcn t.ö/ en bat 
OÖP ecnen ^att be.ö leben.ö bcifeofcn fiebt ; i0 't faöe 
bat gijp buiof becre gekomen 5ijnbe/af toijfet ban ben 
recfjten bjegfj/u epnbe/gelucft en faltgftept bergeet i 
©oojtoaec *t foube bitct gjeteeft f}tbbm / bat gD» 
<0ob nocO ftjn gebobt niet en liabt gefecnt: toant ben me. u. 
fenecDt tiit ben toiKe fiin.ö Igeercn toeet/ enbe niet en 
boet/ bie faï gcfïagcn to02ben met beel fïagen» <5z^ 
Ujcliectoö.ö b^n2£po(lel fept/bat f? geene onfcfiult en Rom. i. 
Sebbenitoant als? fp <0obt gefeent öabben/fo en fieb^ 
ben fp Bern al0 <6ob niet gc-eert of gcbancfet,- maec 
fp 3Ön pbel gDetoo^ben in öunne gDebacïjten/en f)un 
ontoösf Ijerte 10 berboncöert gDetoo^ben: toant feg^ 
cenbe Jun felbé toöe^ te töefcn/5önfc btoafen getoo?:^ 
ben/en baerom ö^eftfeOob gelebert in be begeerten 
fiaer.ö Oerten in onfimbecliepbt/ en fcöanbelücfte lu^ 
flem gö 't (ahc ban/bat gijp (tk bit leed) neef) boo? 
menfctjelöcfee ferancliöept afgc&eert sijt ban utoen 
<6obt / ban u goet/uteen alberliefften Baber/ en al^ 
bermacljtigllen.^cöepper j tcft bibbe u boo? 't bloet 
ban €l)2iftu0 geftijj/en utoe falicbept/bat gbp niet 
lancofaem en 3öt om u tot ben l^eere te bebeeren/ en Eccief. f. 
flet felbe niet upt en fielt ban baglje tot bage* a©ant 
onberfieniS fal föne gramfcOap ïtomcn/en in ben tijt 
ber tozalien fal Ijp u bernielenimaer fteect u tot bcm 
opöcfen felbé oogenbliclt/en berfiicbt tot liê. JDant 
fijne macöttge bant i.ö ober u uptgerecfeti feecrt toe- 
berom/ enbe feeert u op ben reebten toegö/ tot utoen 
^eere utoen <0obt, 3©ant öp beeft gefept : ben on^ ifai» yj . 
gobbeltjcltenberlate fijnen tóegö/ enbe een ongfje^ 
recljtigO man föne gebacbten/enbelaet fiem toeber;: 
fecerentot benl|eere/ enbe bP fal fijnö ontfermen j 
tot onf^n <0obt/ b;iant Dp i^ beel om te bergeben. 

i^ 2 Den 



loo Dcnl. Bocck. Het IV. Cap. 

Dcnmcnfch. 3cfi tocct/cnöc ftcniic opciitljjcli/öct 

tmhc ixiacr toe oat tcli g^fcDiJpcrt ben/ te tDeten/ om 

iöoöt öenüjceccteöieneuj enöe öat Ijier in al mijii 

oeludt enbcfaliaöc).ïtit ocicgen i^ ; macc tont fnl ith 

pfai.37. öoen i 3Dant mijne DoofOeDen fijn boben mijw hooft 

getoafTeit/ enbe tjtlijtli cencufwnrenIafi3ünfpop 

tnp bcftoaect.gich belJinöcbat icli neöcr gcöacit ben 

ban perufalem nnec gjccicf)o/ die ter contrarie uPt 

gcricOo moeite mijn repfe nemen naer ïjct ïjemelfcï) 

gierufaïcm : enbe nocljtan? foo ben ith mctUeel au^» 

tiere menfcïjen berbltnt o^-'^neeft/ öat tc!i boo?mp 

tiam alföan miJn fetben tot <i3oD te beliecren/alö iel! 

eerfl 43obt metalöerlepfonbenöcnoeoljfaember^: 

toornt foube Debben : icïi Ijcbbc boo^ mp öcnomen 

alfban mp tot fijnen bienfl te bcoeben/ alö ith onbc^ 

Quacm foude toefen boo^ mijnen ouberbom/ ombe 

toerelbt ïanger te bfenen : enbe alsf ith ben nieutoett 

toijn/ ben fleur enbe lenglit nnjn.^f lebensf aen be toc^ 

relt oefcBonclien f)ebbe/bnn foubeicFi mp felbc/fiap 

enbe dracljteloo]^ 5Önbe/ tot hm biciift <^obt0 beae- 

ben:en mepnt oïjp bat ftp mijn.ö genabicï) fa! toefcnl 

Matth. 1 1. Den Engel:i§oo^t ben j^eere fecïgen:Öomt tot mp 

bte belaben enbe belajl 3ijt enbe icfi fal u bermaften: 

pfai. 16. ^etrout in ben l^eere/ enbe boer toeï / enbe gijp fuit 

geboet too^ben in fijne rijcfebommen^^CHeen en ber* 

Ecci. j. toeft niet u tot ben ^eere te belieeren / enbe en fielt 

bat niet npt bandage te bage; Uiant onberfien.ö fal 

fijne gcamfcljap liomen/ enbe tn bentijtder to^aften 

pfai.7. falDpubernielem ^poetntebehecren/ op bat lip 

iitoe 5iele niet toecft en neme alj3?eenenieeuto/ enbe 

3501 «rftc batter niemant gebonben en too^be / biefe berlofTe 

niiötieiont ^nbe üelioube. <lcnb:ieetgüpnietdatmendicfetoi)!$J 

"J"*f"f^ altelaetremediefoccftt/ aljS^defiecücenugebjonelt 

Stö enbe beroubcrt iö-J 3Bat profijten fuHendaer doel) 

toeöer te iiomcn ban dit iiptfleïlen •? en ftet gijp niet dat eenen 

itócreiu j[j00ai niet geboogljt en han U)ö;jden dan als^diett 

nocl) joncö oft een roede lö; olfoo ooclifult gl)p gc^^ 

lucliigl) toefen/ i^ 'tfafjedat gftp in tijtö utoen lialss 

bupgt onder öet foet locfi ban€l):i(iu.(^ 5jefu5^ utoen 

j|eere/endede{iIemieïttnderenbanBabplonien(bat 

fijn be op-lilimmende gcbacDtcnjilaet aen d^n (leen/ 

op 



Van cenc rijpelijcke bekeeringc. lor 

op bilt glmmctte langljtJcpöenöe/Defdbefoutfion^ 
uen bC!:tt)ninc»3Btint toie iffcc fieö/ötc Ueftoadjttot 
öat de ficcfitc öerecijcrt io'^J^ie ijaf ceiïen toijfcn rep^ 
feuDc man/öic fijne repfe upt|telt/tot öat öoo? bé ac== 
öucigcn regen/be tocijé niet te pafTercnea 5ijn^ ïöie 
iffcc tiic tiecDepbt bat ben b^iet / Uc (jp Qualycft af- 
fnijDen fian / gcijaaffeii fp alöeenefcfiipptr.ööabel/ 
^at löf tot bat bequabegetoDontebtepecöca)o:telt 
tö/ enbequabcrfp om upt te roepend 3öiei1Tccfoo 
btoaecf/bie boo?t£? t^att biDa(eu/a!^ f)P bemecclit bat 
ftp Uan ben recljtcn toecft gclöeticn t^s e ^it iffec bic 
i)et pnclj fijn'iict fonben / nu niet op-fKff^^n fionnen^ 
be/om aen be boeten CÖ^tfti onfes^^^SaligO-mal^er^/ 
cnbe be.0 l^:tefïec$?afte leggen / fal üonncn berb^a^ 
öcn/nocft gcooter getoo^bcn fijnbeU^et gene ban bat 
tïi)P ecnen anbecen fout caben tn foobanige faHe (let 
giec toel op) geeft befen raet cim u felben. 

Denmenfch. (üplae.s^ ! eni.s^banbegebacfttemfTe 
beö boots? niet öracljrigOgenoegijommpbittoij.ss 
te mahen / be toeïcöe mp fal beccafTen/ enbe ftomen 
oclijctt eenen bief in ben nacDt/ enbe op fulcöen ure 
bie icft mimi ben bectoacOtenbe -J 

Den Engel, ^iet loel toebat GÖpmbefecUoegen ^^ntiwc^ 
ttietge|li-aftentoo:bt : be^ajijle gt)p nu feloectt enbe Jj'ljjf^^^f 
toelbacenbe 5ijnbe/ Oobt bergeetibnt gijp in be ure ijcpit dcö 
u\uci:J boobtc?/ ufelben/ cnbe 43obt mebenietin- öoots/rn* 
bacOtigl) en 5Öt. <Den bpant falualföanbapper^^j'^^J^^^/» 
Mjzh aenballen enbe beftrijben/ enbebatfoobeelte am üaiutv 
feiocchcr / ftoe bat öp u bicötoijlber obertoonnen Dcj^bp^ 
fieeft/ enbegiipboc^bemenigO-bulbigfjepbtu'jrer a'«^» 
fonben te ftuacfeer fult toefen/ foobeeltege'inelbi- 
ger fal ftp uaenbalfen/ IjoebatualfbanbeftracD^ 
ten i^ct 3telen enbe beö lichaems" te meer fullen ont- 
bieïten. 311 i^ 't {aht bat 43obt belooft Ijeeft bergif^^ 
feniffc bm genen bic met een routeigïjO^rtetot ftem 
ïtomé en öeeft Oier toe nocfttanö niet belooft u gra^ 
tk te geben / nocf) toegefept / bat göp ben bagl) ban 
morgen fult belebcn. l^oe grootelijcr fult glip in ben 
bM) beö 002beelö befcöulbiaOt tDO?ben/bat gbp bv^- 
na be gelegcntijepbt utDcr faligöcpbt beronacïjt^ 
fac!nt/eiT ben UKgö uijoer Uebertfcniffe/met grooteii 



lot Denl.Boeck. HetlV. Cap. 

arbept enbe berfcD^pDm pcrijcödcnotfocljtficbtl 
Wat ecrefalljctOemöaniDefcn/ ïiicöcIjedfönIC' 

Matth.7. ben qualpcii oUeracb?acl)t()ccft ^ toatfal ijp alföaii 
maepen/öic in fijn icbcn uoo: fp fclben fmciten/ en^ 
bc ccuiDiac tormenten öcfacptDceft ^ ODftfullcnfp 
plucftcn tDijn-ö^upbcn ban öc doornen jOf ban be bu 
ficlen/bijgen^3.ö bit ecnc Ocrepiiinot om ben öccö^ 
tec te becfoenê/b'een fonöe op D'anöcc te bcrgaberéi 
Denmenfch. gcfebcmcrcöe/ cnbefiefelaerlücft/ 

Rora.2. battec niet b^oebigec en fal toefen inbeceeutoig^ 
öept / ban batmen in tim työt ban ijenabe/ fp felbcn 
bergabert eenen fcOat bec gcamfcbappen/ in tjcn 
bacb berotamfcöappenenbebanto^afte/ enbebat 
boo^ bien top <0obt meer becgramt / enbe meec on^^ 
nelijcU gcoaen öcbben/ fjoe bat (jp in bit leben genap 
bigec t' onö-toaertjS ijS getoeeft» 

©CU betuê ^^^ E"^^^- ^^ "^^^^ ^^^^ ^P ^^^^'^^ f ^^^ ÖÖP in u 

jö/tcoijcc* upterfle faliglj fout too^ben/foube *t niet een uptfin^^ 

öcnchcri ntcOepbt toefen tj Jec te bliiben in ben llaet ban eenen 

S möe ' nioo?benaer cnbe bpant ^aobtsaf j in ben ftaet ban een 

fiaüeiöcftê fiabe / lieber ban b^p te toefen / enbc faten aiïen "^m 

ftm Dcï tijt ban berbienften enbe «öobt te bcftagen boo?-bp 

fonöm» g3(,,^ i go{ >t fafee bat gïjp ^obt \\\ bec eeutoictbenbt 

toilt lief ijcöben ^Vi\^t beminnen / toaerom toilt glip 

ïjem nu Ijateu^ \t 't bat gïjp Oem aif ban fuU bemin^ 

nen/öoe grooteUicti.ö fult glïp u beb:oeben/ batgbp 

«toen Babet/ utoen l^eece/ cnbe ai u goet/ foo langii 

fult getiaet bebben» 450p en iaet biet geen gelegent^ 

ficin oft occafieban eenigï) tijbelijcft getoin boo?-bp 

gaeiw enbe fult göpberonacbtfamenb'occafie ban 

ceutoige riicïiöommen te beliomen \ ^enfiet eeni$ 

ftoe fo:gbbulbelöcfe tid^x be l^cpiigen getoanbelt beb« 

ben in be tegentooojbigbcpbt <i3obt5f/ enbe b2eefben 

ben i^eere gefijcft op-rijfenbe baren tegen bacr-üe^ï 

ben opfiaenbe/ altbbt beb.2eelt toefenbe/ niettegen- 

ftaenbe bat fp ftaer nergen.ö \\\ fcliulöigb en feenben/ 

en toaren nócfttané tot geeMbert:jt:cnonbef02gijt* 

<!Bnbe gftp foo menigbmaclbanmnbermaenttoe* 

fenbe/ op bat icft mp foubemoycn bevbc3?geninu* 

\m bebecringe / öebt mu foo {aiigb U^cberfpaunigft 

geto^eft. €n \m u niet boojftaen bat ftet foo ücbt 

' ' - i^l 



Van eene rijpelijcke bekeeringe. 1 03 

10 1 fp felben xz öefeccrcn/ (feüt ben Oepliaeit 5ïm^ Amb.iib.2; 
l)?ofiUj2{)tcö fieö bebonöni tiat öet bcel licDteci!2f/ depoemi. 
batmcn \yz\\\ foubc Deljouöm iitfynccerfteonnob' "^" '°" 
felDepbt/ öan BemtebcgetouotgcneUiaecacBtiae 
penüentie:cnDe al z\\ toaerögc anDcr^ niet/ toat ifTee 
b^oebiger dan te (ebenmeenengeöuengenfirijöt/ 
Dcnaeutotfiepöt/enDeeen önagen banconfcientic 
fonbec op-Oouöcn öagïj enöe nac öt \ öeeft \^\i utoen 
^aligS-rtiaöer Dp u becbientiis^ öit fijne boet-ftap- 
pen naer-gebolgöt / öem te berbeUtgen om öat D? 
oenaötgö enöe öecmfiectigö i.ö getoecfï; entietien 
fpot metfiemteOouöen/ om bat öplancömoeöigB 
enöe facBt-finniglj x^K €n toeet gtjp niet/ fegötben Rom. z; 
^poftel/ bat be gocbectterenDepbt enbe goetöepbt 
<0obt0 u bertoacDttotleet-toefen üan u boo^ieben 
lebend <öcö Öoe groot ii2fbegoetDcpbtbieBPUbasj 
gelijcfeö betoont in u te fpijfen / V onber-öouben/ te 
befcBecmen/enöe alle creaturen om utoen bjille ! en 
èan u bit nocft niet met alfen beloegen^O^cö oft göp 
berftont/enbe bat in befen utoen bagD/ "^it tot uteén luc 19. 
b?ebe iö I €nbe toat x^ Dct bocD "^^x u af-fjout ban 
utoen €>obt / ban ute faligöepöt / glorie/ goet en^ 
be faliglj leben;ban 8et omgelfcn enbe liefbe ban ee* 
nen foo goeben ©aber ^ ïDatiöljetanber.^efbanecn 
luttel geneucDt.ö enbe pbelöcpbtbeferbjereïbt/ bc 
toelclie nocDtansf met S^ groeten angöft enbe fo^gö- 
bulbigfjcpbt gcfocïjt / met b^eefe De-oaert/enbe ber^^ 
looren 3ijnbebefcö2eptto02bt; baer-en-boben Bier 
namaelö met oufpjeöelijcöe pijnen/oft toelalBiei: 
mctgebucrige tranen betaeïtmoettoo^beni roant 
ftomt göp een^^ onbcr öct getal beruptberöorene/ 
foo fult göp toenfrljen bupfent boobeh ge|ro2ben te 
ïiebben / iieber '^d.w bat gfjp <0obt almacluigö ber^ 
gramt fout IjebDcn. »0act ban/ enbe geeft u tot ee== 
ne toelUiflc ban ccnen oogcnbIic!i/bie gD? baer naer 
met be eeubjige ttrajfe moet behoopen- Öeliecrt u/ 
befeeert u/ enbe fietbjatonberfcöeptbatteristuf^Maiach.j, 
fcben ben recïjtbeerbigen enbe ben gobbelooferi/tuf^ 
fcben \izxi genen "oxz 43obt oft fijnen bnant bicnt» 
aBant öp i^benigeere/ enbe baer en iis?geenenan< i.Reg.j. 
beren neffen^? Dcm/ Dp J^ b^n genen W bootflaet en^ ^^rai. 44, 



io4 Dcnl.Boeck. Het IV. Cap. 

be ujebecom Icbcnöig uioccut; ïjp is? grootbabig/ett 
I. Tim. 6. 30112 ocoot-önöigljcpt CU (jeeft geen cpiïöeifip is? mU 
Urn t}\i on\Ut\}cUjtU i^/ en tooont in mi lici)t/baerj! 
men niet atn öomcn en ïian : cnbc Do^ft ööp u nocft 
Ijeciioumt cm bcfcn macljtigc %ci'e tcbeifmnDcn/ 
nibelicbccflcntc Ijangen fijnen cnbcutDcn gefbio^ 
ten bpant hoo^ccc-fucOt/gicctgtJW enöepöcUjcpt 
öefer inerelt^ 3ierufiilcm/5lleiufa!em/Uelicmu/be# 
ïiecrt 11/ tot iiluen B.e^xe uuu'n *i5obt. 
Auguft. 1.8. Dcnmenfch. <^ch m Ijeö uict/ O fjcpligen €ngd 1 
Qonf. c.y. tiat tcü Ijtcr tcgljen foube beranttooo^bcn / al^ gïjp 
mp fegt: ^taet op/göp bie ba^c (ïaept/en berteclit 
u laan ber boot/ enbe utoen ^alighmaftec fal u bet* 
ücDten : enbe obermibt^ bat kU behenne/ bat 6et m 
alleö toner i^ / 't geene mp boo^: oogen geflelt toojt/ 
fo en Ijeb ich niet baer icft n\p niet tuijt inebe foube 
fionnen beröebigijen / obecbjonnen toefenbc ban b« 
Ujaerljept* 5Bant icU foube toel uptfinnigö biefen te 
fonbig^^en / bp aUbien icli mp lm boo^^ftaen/bat icli 
tïaccailc mijne mifoaben gijeene gljenabc en foube 
ïionnen bcrb)erbcn:enbc teeet ith tat ith eenen goe^ 
ben tmc bermljertigen ïjeere Ijebbe/ hk niet tegen* 
ftaenbe bnt fipgrootehicliö boo? be menigte nnjnbeic 
fonben becgranu too^t/ nocljtanj^ gOereebt i^ nujne 
fonbcn te bccgcben;f)otbanig foube befe nnjne boof* 
liept toefen/quaet te builen 3i)n/om bat ijp goet i& i 

Ghebcdt van ccncn die hem tot Godt bekeert , 
uyt den H. Auguftinus. 

HEereJefu Chrifte, Sone vanden Icvendigheii Godt» 
die met uy tgheftreck re avmcn , tot de verlofilnghe 
van alle menfchen , ghedroncken hebt den Kelck van u 
bitter iiiden,komt my vandacgh tehulpe. Icr^ armfiin- 
de,komc tot deri ghenen die njck is ; ellendigh , tot cicn 
genen die bermherrigh is : en lact my docJi niet onghc-^ 
tl ooft wech gaen. lek kome tot u honijerigh zijnde, en 
laer my niet gaen onverfacdt. Al is ' t dat ick verluchte 
eer iele ete,verleeni my,dat ick naev dcfe veriiichtinghc 
mach gefpij ft worden. Voor al,ö alderlbctften JESU, ick 
belijdein de teghenv/oordigheyt van uwe grondeloole 
berinhertigbey t, tegheq mijn ey gen felve mijne mifda*. 
^ ■ ' r- den. 



Van ecne riii^elijckcbekceringe. 105 

den. Acn'ict , ó Heerc,hoe dat ick in fonden ontfanghen * 

ende gbcboren ben, ende ghy hebt: my ghefuy verr ende 
^hehcylicht, ende ick heb m'y nad::rhandt met meerder 
londenbefmct. Want ick hcbgheborengewceftmhec 
gene dac ick niet en konde ontgacn ; maer heb my daer 
naer vn^A'iHighHjck in mijne v-uyhghcdcn ghewentelt. 
Dit is het quaet, o Hcere,dacr ick u mede onteert ende 
my Iclven befmeurt hebbe ( die ghy nochtans naer u 
beek en gehjckenifle gefchapen hadt) hooveerdigheyt, 
ydele glorie, en meer andere fonden, met de \velcke ick 
mijne arme ziele nu behvaert ende gequetft vinde,Siet, 
Heere,hoe dat mijne fonden boven ïnijn hooft gevvaifen Pfalm 37. 
2ijn,ende als een fwaer pack my felven overladen; ende 
't en zy fake dat ghy,\vien het eyghen is genadigh ende 
bermhertigh te wcfen , my byftaet met uwe krachtige 
hanr,ikfalt'eenemael te niet gaen. Slaet uwe oogen op 
my,ó Heere,die heylig zijt,enliet,hoe datmijnen vyant 
tegen my opftaet,feggencle : Godt heeft hem verlaten, pfaim 70, 
ick fal hem verbolgen ende vangen, want daer en is nie- 
mantjdie hem uyt mijne handen kanontweldigen.Ende 
hoe langh fait ghy vertoeve n, o Heere ? keert u tot m.y, pf^j^ ^^ 
ende verloft mijn ziele ; bevrijt m.y door uwe ghenade. 
Weeft uwes foons bermhertigh , die ghy niet fonder 
grooten arbeyt gebaert hebt , ende en acht fo feer mijn 
quaet niet,dat gay daer door uv^'c goerheyr fout verge- 
ten. Wie is den Vader dic lijnen fone niet en verloft? ofc 
wie is den fone die van den vader metiijne ghenadighe 
hant nieten wort geftrafrPSo dan,o Vader ende Heer,al 
ift' dat ick een fondigh nienfch ben, ick en kan nochtans 
nier laren uwe fone te zijn , want ghy my gemaedl hcbc 
endehermaeckt. Ift da: ick ergens in gelondight heb , 
fu\"v-crt iny , ende door mvc geeffelinghcn ende ftratl'en 
ge luy verr lijnde, levert my over aen uwen Sone. Is het 
wel mogelijck dat een moeder , het kindt dat fy in haer Ifaia49. 
lichaein gedragen heeft,kan vergeten? ende al waer het 
by aldien dar zy het vergate ; ghy nochtans als eenen 
goedertieren Vader,hebt beloottons nier te vergere. Ik 
roepe tot u,cn ghy en verhoort my niet -ik ben m droef- 
hey t, en ghy en trooft my niet. Wat fal ick alder-ellen- 
digilenmenfch feggen oftdoenrik ben verworpen van 
U aenfchijn^aenghclien dacmy defcn trooft ontbreeckt, 

« 5 ^Vee 



io6 Den I. Boeck. Het I V. Cap. 

Wee my, van hoc grooten ^oet ben ik gekomen tot een 
aldermceftequaet!waerginckick,en waer toebenick 
gekomen! waer bcnick,en waer ben ickniet! waer heb- 
beick naer vcrlanght,en waer naer vcrfucht ick nu! ick. 
hebbe ruft gelbcht , en fict ick ben beiiaut; fiet ick fter- 
ve,ende mijne Salighmaker en is metmy niet: endehec 
waer my nochtans beter niet te wefen , dan fonder mij- 

^* nen Sahghmaccker te wefen : het is beter niet te leven , 
dan fonder het waerachtigh Leven te leven. Waer zijn 
uwe oude bermhertighedcn, o Heere Jesu 1 fult ghy al- 
tijdt op my vergramt blijven? vcrfoent u over my,ende 
weeft mijns genadigh,noch en keert u aenfchijn van my 
niet; die het Iclvc om my te verloflen, niet afgekeert en 
hebt van de gene,die u befpot en befpogen hebben. Ick 
belijde dat ick gefondight hebbe , en mijne confcientie 
getuyght my, dat ick de verdoemeniffe weerdig ben, en 
nietmachtigh en ben voor mijne fonden te vol- doen; 
maerhetis nochtans feker dat uwe bermhertigheyt al- 

*2. Ie mifdaden verre te boven gaet. En wilt tegen my niet 
optceckcnen , ö aldergoedcrtierenfté Heere, alle mijne 
bitterheden, noch met uwen dienaer in 't recht treden; 
macr wilt my naer de menighvuldigheydt uwer ont- 
fermhertigheden alle mijne londcn vergeven, Amen. 

Pradijcke tot cene rijpe bekeeringe. 

T\ '€ci*(!e tt btirtcvdun bat ftet on\aijfTclöcï! ööe^' 
-■^ bam 10 1 pet anötT^ öan öcfc fafee «icer tec Dcr^ 
ten te xut\\mi Inacr aen *t al / enöe befaiigfjept Uait 
be uienfcïien gelegen i$?« aOant toat batet ben mcn^ 
i6. fclje/ bat f)p bt gcijeele iDccclbt töinne / enbe bat jjp 
fcijabe ïijbe acn fijne 3iele K 

<De t\TjeebiVbnaeiijcjc\sf abontjc^een ban befe naer^ 
bolgenbe üemeucïnngen bn fp felben oberleggïjen / 
toner boojDpmacfjbertDccfït enbe boo;>tj5-gljcb^e^ 
ben too2bcnj twbt t'famen/ eec Dp gaet fïapen/ober^ 
bencücn / oft (ip gercet x$ te flerben.a^ant ben fïaep 
ecntoaeracbtigöboo^Dcelbtiie^ban be boobt/ enbe 
oocït btx{ inegö tot befelbe» ^oe bicöbjiliof x^ 't glje^ 
beuct/ bat ben gfKncnbte's^abonbtiS gbecuflelijcli 
\^ gacn (lapcn/ '^ moggïjcn.i? onberficn.sj boobt göe^ 

bonben 



Vancenerijpelijckebekeeringe. 107 

bonUett i^i ^xyt gi)p lorjö/ foo cnfultöDP «tot 
ttn fï'3ep niet Uegeben/u flcUcnöe in pcrijcltel banbe 
f eiitoigije ööoöt, ^zt i^ cènc öcouUjclycfic fticcöe te 
baüea in öe Danöen ban öen Ubcnöcn Öobt. 

<I^e öecDe/fcöeccDequame uren Inec toe fcDicften/ 
befonberlicl! '^ l^eplioll-öaegljö» j,13aer eplties! foa 
berre 5i)n top betblinDt cnDe bci'ilapt / bat Itjp licft^ 
tedjcfi bintren niti^ gcnoeglj boo^ m^ tijDeliicii p^o^ 
fijt i maec boo^ onfec 5ielen faligfKpöt / eïiöe boo? 
<!3oi3t^-tiien|l/ fconnen topqualijch eencnooaD^n^ 
bUcfe btnöcn / aengefien öat onö geOeel ïeben bp-na 
tn tijbelijcöe öefeommefnifTen becfieten bjo^bt* 

Korte bemerckingcn dienende tot onfè bekeeringe > 

ende om een goet leven te aenveerden , die wy dick- 
wijls, maer Ibnderlinge teghen den nacht behoorden 
te overdencken. 

B^^mercfetteneerjïen/bat gftpaïjO?ecnenpc[grfm ®«re 
en repfenben man 5Öt/ enbefp^eecht u fclben aen SSuóu 
tn befet manieren : a©aer ga ithi tot toat epnbeben Debiecöe 
icfe gcfcBapen/enbe ben toegf) ban bit leben ingetre^- Piacttjcfec 
bcni 'tg.öboo.2b)aeropbaticöeen0foubegcraften ^^xi> 
totD^t üemclfclj !ïerufalem- iBaerlepbtmp ber^ Jjg./g, 
toaert.^oocfe tj^t leben bat icft lepbe/ enDe \^m toegïj 23Émmkt 
bie ich ingetreDen ben ^ iBanneer fal it^ Iiomen/ en i"! ÏÏ^^-^'*: 
bcrfcOijnen boo: u aenffDijn / mijnen a5obt i eplae^ „^„^^11 
müne mooninge i^ berlengljt ! srmi 5ijt* 

ternereet ten ttoeeben/bat eenen repfenbé man/ ^"1*°"^ 
bagcitcrifi^booKefmoetgaen/ enfoecltenbe ^ojtfle g^^aite 
enDeiel»eciIetDi?gen / en oberfegDt oft gOp bit boet : uagije 
bao:bjaer intixtw bat u/ober b^egH gaenbé/ ben feec^ jyo^t 
feerftcn geteefen toiert/ foubt gïjp bicn niet ingacn \ JScnöc 
xDaer 't bp albien / bat u in eenige fahe ban grooter dc» ftozt* 
oebjicljte berfcïjepben xt!ï^tx\ booagclept toterben/en ntï\ \3im 
foubt gl)p ben feeciïerften niet bcriiiefen / befonber / 2"?^"^'''^^ 
toaer 't bat u befen gftegfjeben toierbe/ ban een feer * 
toijjg^en berdanbig man^-aeb^upcfu ^t^t feibe toöf* 
ftept / in ftet gene bat ub^e 3iele aengact» igoo^t toat 
be eeubjige b^ijföepbt fegftt/enbelietgöene bat glftp 
uxizn anberen fouotraben/ ftcltbat boo.: u feiben te 

tocrcfe» 



io8 DcnI.Bocck. HctlV.Cap. 

tocrcii.^iecht u bic ritoijltf /cnUe ontfanot 't ^.^a^ 

tvmmnt/cn\)tbt iiicöcitjöcn met u cpgeri 3ielc/ ijs 't 

bnt öüp <0oöe \orit bdjciqen/ fo bat gljp tot ot^enbcc 

trjt/ niereen ure lanc b en Dfijft in be bpantfcïjap/oft 

berlnten bnn *0oö 9(llmac[)ttgij/tn öe mactjt ban öe 

bpanötöec OcUcn/ lebenDcnaerfön goctöuncfeen. 

ai^plaes? / bccl lui)fer 3ön tïe {iintjeren bcfei* toereiöt / 

öan öc {unD;?ren tre^ licötö in tnm geflaeOtc 1 

Cfnb«5 ^caicccfu ten öeröen / berrcljepöen bel!ommc> 

^f" ' öat ringen öer menfcften / enöe toaerom batfp Ijaer tot 

wnhKt ï>cfcll3e begOetJen met gantfcfter ftracöten / foo ban 

im tjacfï 3tcle als? ban ücftaemnc toeten/ op öat fp rrjcfeöotn - 

becgaeu. nunï fouöen ntogen bergaöeren / oft toel tjat fp eerc 

enöe gonfte bcr mcnfcljen fouöcn behomen/enöe t^:it 

boc^ eene tojjie tijtö/ oft eenen oogenDiich: enöe Wc 

. feonnen öichmael op öen fcibcn oogljenblicft / öoo? 

eene ülepne faute/oft boo^ een bjoo^öefien ban eenea 

nuaet-bjtlltgen / oft boo^ Oet fcfjietcn ban een loot / 

berlooren gaen. l|oe beel te beter 10 fjet ban te benc^ 

ftenopbeeeultjigceere/ enöe goetgnnftigOept ban 

beneeutoigOen i^oninch enbeftinc aijchbommcn I 

Ecci. I. Uöelljept bec pbelftepöt/pbeKjépt öerpbelD<?pt / en* 

öe öet en i^al maer pöelïjenbt. 

^emer cöt ten bierben/ matbe ïiontngïjenettbc 
J32tncen öefer toereibt 3ün / enbe loat bat «öobt iö i 
ri^'p en 3ija anöcrss niet ban tooimen ber aerben/fla^: 
ben oft onfe mcöe-ïinecl)ren ; fteben 3ijnfe / en ixwy^ 
gen niet* ^berlcgljt l)cc bat ban b'eene 3ijbe eenca 
Vt!0^rtiöeraerbcn/caonrcnnieöe-ltnecl)t / banon.ö 
begljeert geöient te toefen / enbe ban ö'anbere 3üöe 
<ï5oöt : fiet l)oe ncerfligl) enöe beerbigï) bat öe mea^ 
fcl)ea3ija/ ftaer nictteaioepelijchbailenöeoaiee* 
neap^inccte bicnen/ bic Ijarea meöe-fniecljt iö: 
cabc Ijoe beel beloften moet <öoöt bpbaengen / ci\bc 
bcrmacnbec^ uptfenben/eer ïjcm ftet tieaöe beel bc- 
bjcfea too^bt/ enöeöat bit felUe nocl) niet eer en glje^ 
iclnctf boo2 bat (jet ban btn mebe-lniecijt goet glje^ 
bonöen enöe toegelaten toojöt: oberpepnfl ftoelee^ 
lijcli enbe ontecrbigl) bat fuïcftöifif/enbefeg()t:|l^P 
i^ goet oöobe am te Dangen / te (lellen mijn betroii:? 
toen op mijnen l^eere/ ulijnen <©obt. 

(€ett 



Van ecnc fljpclljcke bckecringc. 109 

(Ccn büfocn / btmctcin ccrflmael ai$f oftcr nu ce - ^g., ^u^^ 
nio^ ix)cï?ccoin öefiomen toaren uptbc OcKc/foo Uan öm/DcuaÊa 
öc i^cpöcnen/ al0 ban De CD^iftcncn/ endc öte utocjsï «'t ^" 

mannen/ ©^incen/Hactj^-Öcccen/ $c. to^aegöt IJ^'^^ jkï« bet> 
toclchen loon öacfp ban be toerdötboo^ Jjarcn av^öicufte* 
öcpbtontfangcn 6cüD<?n» <Cpiae$l fjoebcel töo^öen- 
Dcc oöcbonDen öic göep^efcn bdo^ben Daer fp nf et tn 
3ijn / en gepijnioöt uoo^tien bacr fp 3yn i €cn tUxc- 
öcn/ öoc beelgocDe tocccöcn fuitUm ©aince / Dp ejc- 
empcl/tercercn «öoti^iroaöc lionnen uptrccDtcn/bte 
fulciien acbcptit acnnccmt/ en fV Mben in fo bed pe* 
riiclielenrtelt/ oui De bjeultte bicnen. i^et ijö"on> 
tlbijfeiicli/ oft Dp föube ücOtelicfe tot grcote Ijcplig- 
Ijepbt fionnen gcra&en/ enbe berre enbe toijbr b'eere 
<0obtj5 [ïonnen becbjepben: fegöt ban unter öecten: 
3Dat batet ben menfcïje W t faïie bat öp be geDceïe ^^^«h. ig. 
tDerelttDmne/enbefiineepaene3telebec{iefe^ 

(Senfeftenbemeccfit/ teneerften bat gljp infjef^ftife^ 
gene ^at u te boen ^att/mzt en ftont uptretöten fon^ Iit',Vfnf * 
ber<0obt/ Oiecom fcD.^ijft Ö^t öem altoe/ biebe ^etèoöt 
macBtige bernebert/ enbe beryeft ben oorniocbi-imtDoeu 
gOen : enbe 3ijt boo: al öefo^gDt / i)üt gijp öem foubt f" ^^"j^»^ 
mogen beljagen. (tenttoeeben/ batutoe bienaeris SiiDöcim 
enbe anbere hk onbec u bcbel (taen / foo beel alö öet focchm om 
boenlöchi!Ef/goetenbe<0obtb?ucDtig(i 3Ü». ^BantiJf^^^ï^i^ 
Öet i^ boojfeöec / bat foobanige geene bequame in- ^ttlt^a^ 
ftrumenten en 3nn/ om Jet geïoobe boo2 te ftaen/ be gcu/ 
eei:e43obtiGftebec0.2epben/ oft pet Deerlijcfeöupttc 
recOten / bit bpanben 3ön ban oBobt ^ImacDtigg / 
en fïaben ban ben bupbel ber ijellen/ hic ()aec-Iieben 
tot alle Quaet geöui-igWijcb bectoecfet» €en berben/ 
battet onmogelïb isf aile toebomenbe bingé t^ boo:- 
fien / baerom al^ men alle menfcljelijc he neerfiig:? 
ïiepbt geb^upcöt ïjeeft/moetmen \>an a\k$ 43obt be 
fo^ge laten enbe bebef en aen fijne v^obbelijclje boo?^ 
ficljtigljepbt. €en bierben/ aengefien bat ÖP alleen 
l^eece i^/ alleen ben 3ü(ber!)oogïirren/ batmen ober? 
fulclJjEJ fijne eere en glorie boo^ al moet befa2gften en 
boojoogfjenfteüen* Wcint anbers? boenbè fouben 
kup Bern grootelijcb^ becgcammen/ enbe onö boo^^ 

nemeu 



iio DcnI.Boeck. Het IV. Cap. 

nemen en foube tot Qcm goct epnbe geraften / a\^ Bp 

fiet/dat top Ijier in meet Deecre Uan eenen öienaci: / 

ban 3iin cere foecfeen : toant \}p getupgljt on^ ftlaec^ 

Itcft: gcft en fal mijne glorie niemanöen andecjj ge^j 

Dé,31Dic iffec te gelijcfjé üp onfen %ere/onfen <aoö/ 

bie liaer tooont in Ijet öoogfifie/eri aenfcljout de ber- 

too:pcn dingen in tjemel enbc aecde^die daec fegljt : 

^0 tpic mp eere fal tietoüfen / dien fal ith ooth het^ 

eeecnnaecdie mp dcrfmaden/fulfen onbcltent toefé» 

ffimfcbm^ ^emerclit tenfedcnjlen/ De öo^tljeptde^lebtnjf/ 

?ftTfndtók ^" ^^^ ^^^^ ^^'^^ boo>bp gaet gelijcli een fcljip/ecnen 

boojbp- pöï/eenen loopenden 'po|t/en eenen rooch.<©aevom 

gaet/ cuuefepnt de fc()3tten Ijanutoe goede toercïienendeael^ 

hflirÜIS* ïtioeffcn / altoaec gijp ecutoeUjcö fult leben : foecht 

iiict inSct öaec fjeerlnchljeden te berferjigen/ende niet op defec 

uptriciieiu toerelt/daec inp boo? eenen hokten tijt InoonacljtigO 

3ön. Iliec naec bcmecclu d' onfeftecljept ban de ure 

bciS doot^ / ende toecft daecom alle ure gereet/ nocö 

en degeeft u nimmermeer tot ru(le/'t en 3P dat gijp 

a5odt naer ïjetonderfoeclienutoerconfcientieber* 

foent Ijtbt/ indacOtigfj toefende öet gene dat de eeu^ 

toige JBaerljcpt fegt:;©e ure die göp niet en mepnt/ 

fal den ^one dec^menfcljen ïiomen» 

0L€\iam* ^Semerclit ten acfjtften/ dat de ©finten boojfien 

fieii/ öat ^ijn ban fodanige perfoonen/die met alder necrftig^ 

Sfim fa Ö^P^ befo^genljctgcnedatftetgeltoftfmancieaen^ 

nmititi) gaetrdie Ijaer licDaem gade flaen/en datfe rijcUelicö 

moet toefê gelocnt lüo^dé / die ftaerüedenfcftaden beletten/ die 

umm/ 6^^^* de'teöenen ban ficcfeté te fiennen geben/ende de 

aiö boo? bcrbo^gen liflige bonden ban de bpanden ontdecften 

l)et tööc* en te ftennen geben» ©oegt dit atoc 3iele toe/en feieft 

loiam ten miniten eenen ^iecöt-bader/ bandentoelcïien 

* ÖÖP begeert ber maent te bjojdé/ató Op eenige fiecöi* 

te der fclbe fal ontdeclien/ofi de loofe bonden ban de 

Ijelfcöe bpanden u fal te ftennen geben/ op dat g()p a 

Dier afin tijt^ fout mogen öeb^pen» <0 J^eere/ toont 

nip uVdc hjcgen ende ondertoijfl mp ubje boetpaden. 

<2^cli of möiie toegen geftiert toierden tot Oet onder^ 

Ijouden ban utoe recljtbeerdigömafeingljen ! geit 

i)zbbe gDeftooren endeboo^ mp genomen/ te onder^ 

Ijouden d'ooidcelen ban uto$ utDtWxt^iQljm- 

Schiet" 



Van de Penitentie. lil 

Schiet - Ghebedekens» 

' t "p N 'zy dat ghy bekeert wordt, hy heeft fijn fweert Pfalm 7, 

-^ opgeheven om te flaen,fijnen boge heeft hy gc- 

fparinen , endedienbereydt. 
Godtder heyr-krachten bekeert ons ende vertoont u Pfalm79; 

aenficht , ende wy fullen faligh zijn. 
Bekeert ons Godt onfen Saligh-maker , ende keert uwe pfaim 84. 

gramfchappe van ons. 
Bekeert my, o Heere,ende ickfal bekeert worden,want lerem. 31, 

ghy zij t mijnen Heere, mijnen Godt. 

Het V. Capittel. 

Van de Penitentie, den waerachtighen wegh , door den 
wekken denmenfch tot Godt, ende tot den wegh 
der faligheydt wederom keert , ende vanhaer eerfte 
deel , w^elck is het Berouw. 

"VT ^bemael öat öcn mcnfcö tn <0ob^ t^gcntöoo^^ ©m genm 
•*-^ öïgDcpt boo^gcnomenljccft/ ficm tot <i3ot!t tt ^itsm^tt 
Defeccren/ entie tocDecom te öeercn tot den toeöö beu %%]%^ 
faligljept / enöe te imtn op ijet epnöe / Ixjaec toeöat bo0°ai ol 
fip ban<0obt^(maffjr!göo^rctjapeni.^j foo moet iiegijtbm 
ÖPÖemDcaOeben totberou'mföntjerfönaeu/ toaec Jjt öeiou 
öoo? Op al.ö öoo^ eenen lio^teu tDegl)/ op ^j^n recDten K^^ 
tegö macö öecafeen ,- enöe aïfoo boo^t^-repfen öen 
toegBbanö^ieöagOenintietöilöernlfte niet öegf- Exod.12. 
racliten / om ben =^eere off^canbe op te b jagen / en^ 
öe becïofl te töo?ben ban be flabcrnpe be0 vDupbeis?» 
;©en eerfïen bagf) ban ^t^t tsiit 1 eribe öet eerfle beel 
ban befe repfe/iö 't 23eroutoi Set tboeebe/be 23iecD^ 
tej fietbecbe/bel^olboeuinge* 

a®ant gDcIöcfeectDö0bat<0obtbeni|eere/ boo: 
fijne toonbcclöcöe enbe foete befdncfenioöe gfi^ftelt 
fteeft / bat be 5tele / bte hm bjeebom ontfangOen en* 
be be fonbe göebaect fjeeft / be boobt foube ftccben ; 
alfoo Beeft ftu geo^bohneert / "t^^i befelbe / hxt nae be 
fonbe berbuit fal toefen met tocebom enbe b^oef^ 
gepbt/Det leben foube toe'oerom ïirijgen : enbe aifoo 
gefcöiebt'et / bat x^t b^ucljt ber fonbe/ te toeten/ ben 
toeebom/ bie ban b^fonb? boo2t,^-get)|OcDt tooabt / 

befelb? 



112 Den I. Bocck. Het V. Cap. 

tiefdbcfonbe/ tucon.sfbenudtïjaööc/ tocbccomtc 

;Dit fccöttocfcn ti^ttoccöerïcp/ 'teen batbanöc 
oclcccbc Attritio ocuoemt tïJO^öt / aiö pcmcinDt een 
IccöttDcrcnfönöcr boo?!ct;cn foiïöcnlicctucflit/ Doo? 
fictobecicoocnbanöc itcüjc^.iicpDt bcrfclbcr ; oft 
boo^ b^ccfe öcr Dcllctt / oft öoo^ ccntalje öuföantgöe 
Ijemcrcïnngc* 't^tnöcriisf/öatfp Contrido noemen/ 
toaec beo? bc 5iele / niet om eeni oöe (Iraffc / niet cm 
Betbctliec^ ban fyne öoeberen/ niet om eeniööepü^ 
nelöcltijcpbt oft moepeiijclnOcpöt/ maec im putc 
Ucfbc beb:oeft i.sf / biel toiüenbe t^at i> bic fonbc 
metqDcbacn enliabbe (ai j>'tbatOpOïKencö!)e^ 
bocUjcüe DeU)eeöljlj)cfi[]epbt oft tranen geb^aeren 
boo^ot) om bat ïjpDrcrbOii2ï)etoppciftegöet/ en^ 
bt fönen aiber-gocbertierenilen Babec/ fijnen al^^ 
bcc-mtïtflcn ^ecre beb^oeft enbe ongelijcfe göcbacit 
ïjecft/ bte Dp nocl)tanj3f aüe ecreenbe liefbe fcl)ul- 
bigJ) 0330 te beUjijfen: ent^t bit US fjet feebtUiefcn en? 
be beroubj bec üinberen / 't teeleft C^obt ben ftemei? 
fcDenBabecfeecaengfjenaemis?/ enbe bat infnlf* 
het boegöen / bat fjet oocft gOenoegfifaem ter faltg^ 
ftcpbt i0 1 M top geencn ^^iec fjt-baber bp be (janbt 
en Debben* Om Dier toe te gljeraec{:en / atoetcn b)? 
meer arbepben/ bantoteenbeangiHjerïjalenonfer 
fonben/ baer top nocBtan^ gemepneiijcft rontrarie 
fien gefcöieöen» 3©aerom ich Ijier eenige mibbelen 
boo? ooaen ftelle/ bie öter toe foiiben mogen bienen» 
LuG. 7. Höagbaiena ö^cft boo.2 b\x [eebttoefen enbe lief be / 
LUC. 18. ftare fonben afgbetoafTcljen : ben ^nbïicaen i^ toe^ 
berom ingïjenabe ontfangengöetoeej!/ aïj^bpupt 
gantfcber berten / enbe upt eene atfcc tie ban üef be / 
bit faltgO tooo2btgefp?obenDceft: <0obttoee|lmp 
armen fonbaer gcnabigïj, 

g^it ttoeeberiep leettoefen begrijpt tn r]em(al tö t 
bat bit niet aïtijbt «ptb^ucfeehjcfe en gefcDiebt) eene 
begeerte om be geboben t'onberOonbenj toaer onbec 
begrepen too^bt boo?al't aebobt ban op fijnen tijbt 
te biecDten: toelcfi fulcfeen firacbtfteeft/ bat biec 
boo? ben menfcfje / b\t een onbolma^cftt berouto 
Babbe / tot een toaeracDtiöD oDcraecöt : foo bat top 



Van de Penitentie. 1 1 j 

ftn roep enöe faügljcpöt te ijerfchtrcm 

T'famen-fprekinge Chrifti jcfu meteene fondige ziele, 
om tot een vohnaeckt berouw te geraken. 

C' Hriftus. 2{cnöoo^tö0pDcnicicn/tïatic{ifp?cfec/petit.^2: 
mïjt öe aei-be DooretietDOO^öcninijnisr moutte?, örbmban 
^tetN.N. icli f'al u b^aöcn/ anttooojt mp» a?n ïjcb imtöcfen 
icö u niet boo? ecnconcpnDeljjcöccnöeonDcDtoon- isbcgrooa 
gfjen üeföe terneren ban mijnen nacmöcfcDapcn^ bcStan 
tod aen/en getupoOt u utoegcrtentct/ öat afip leeft ontfangm 
in mijne tegentooo^bigOepDt/ tot mijnder fpijt/ öat ucbbmen* 
mctrecDte/ toaec'tfaöe Datulebenboo^tjetoereltjfn;»^- 
Deftent toare/om utoent totüe mijnen naem gelaftcct "*"p^^» 
fouöe too^öen^baer icft unocfitan^ a!$? mijnen ^onc 
opgöeboet enöe berfteben fjeln Cnöegfjpljebtmp 
berfmaet/ enöeicöD^ögeftoegen; beno^^D^eftsö* 
nen befütei: Defeent/ enbc ben efel be feriDDc fijngf 
i^eeren/maer göp en fiebt mp niet gefeent:maerom 
bat ith lancömoebigö ben/ Oeb tcït bcrbuibtgö ge^ 
toeefl ober be boof ftepbt bec itienfcöen. 

De ziele, gnbec teaetftept l§eere / tcïi ben gelijcö Pfai. 31. 
OÖ^toDjben ben ^ccttit / enbe ben miiple / bie onbec^^ 
jianbigDsön» 3Icft6^öugenoemt^cBeppec/3ÖOi= 
mmU I enbe mijnen €5obt / enbeom u fpijt te boen / 
geb tcfe u min gDeacöt ban eene fnoobe aeature. 
<j^nbc iö 't f abe bat gDp mp b^aegOt be rebene toaer^ 
om tcb \iOii gfjcbacnljcb / ^toeetanberjef mp niet iz 
bcranttö0O2öen/ban bac Oet mp aïfoo belieft beeft/ 
niet tegenflaenbe/ bat göp Bet bcrboben öabt; toant 
bit mijn becmaecb toa^/al toasj 't u lief ofc leet.^p^ 
ïaeiS ! ©an be plante be.ö boetiS tot \^tXK top bejS ifai.i. 
ïioof tö / en is? in mp gee^ gefontöept. ijBaer toacc 
fal icli oenen gacn ï tot tólen fal \t\i mijne toebUicDt 
cement 38abec ban bermBertigBept/enbe <0obt ban 
fille bertcooflinge / en berto02pt mp ban u aenfcljijn p^^i yo: 
niet/ enbe en neemt utoen ](^. a3ftecftbanmpnier* 
ïiepcbt upt utoe Dant aen u maecöfel mijnen Éeece/ lob 14. 
enbe mijnen <5obt. 

Chriftus. g^s't fabc bat \t}& ben Igeere ben/toaer i^ 
mijne ba^efi^i ©en tcfrben ©aber/toaei: i? b^ lief be/ 

3 . öi^ 



Ii4 Denl.Bocck. HctV.Cip. 

ötc mm mp btïjoijüi <0elooft oOp öat icFt ben ï§eerc 
t)cn/en Derfmact oO? nip ^ s^ocmt öIJP »ip aDasjcc/ 
cnöcljcrfmacöcnocötanje? mijne öcboöcn om u\xjcti 
Matth.23. gefujoren Upant te ceïtebcn i i^oc öichtojjlje? ïjcb idi 
u teiilen becgaöeren/ öeiijcü be lïlocli-tjtnne ticrca^ 
öert Oace (nccftenen onDci* Oarc bleugelen/ enöe gü? 
en fieüOecf niet getotlt ^ i^oe incniamael lieü id* ge== 
fepDt; Doe langlje fult gijp ftoaer ban (jeiïen toefen l 
rfai. 4. HPDaerom bemint gijp b'pbelljept/ enbe foecUt öe lo^ 
gcn-tael ^ jillepnt gijp battec pemant foo üooö gfie^: 
Donben njo?t/bie/al^ jjp ijem iaet bco^ftaen bat ^m 
laonincli ontrent IjemijS/ fjcm acnfcljoutot / flem 
b2cpgljt / noclitaniGf niet opfoiibe Ijouben ban ben 
ïiohincli te bermaïebijbenl gocc mei eenen mif ba^ 
bigeitinben lierefiec gl)e)le!t/ bie ben rechter beci? 
Ixjacljtenbe/ toeet bat be boojïeben ure/ en ooch befe 
tegöcntöoo:big[je/berfcï]epben anbcre op be mercfet 
guoutoelöcfi gepöntgöt bo.2ben / om alfulclicn mif^ 
baben gelijlj Ijp gebaen fieeft/enbe en too?t niet ber^ 
fcfi^icIu-J^ï^nbe göp toeï toetenbe liüt obecmit^ fülc^: . 
i^e fonbeN.be boo^leben ure otttaUijcïte menfcljen 
neijD02pen 5ftn in ben afgront ber fiellen/ Ijebt noclj^ 
fan^ bit op be felbe ure bcrfmaet enbe bcracljt» gcft 
ïjcb u niet tegenftaenbe toeberom geroepen/ en gfip 
cnlieötmpniettöiilen Ijooren,- tiiiDeü mijne liant 
uptaïjcfteïïen/ enbe gDp en Ijebt baer niet toilien nae 
fien: gijp ijebt allen mijnen raebt beracht^ 
lob 10. De ziele. ^eeftg6ebarljtigl)ï^eere/batgïjpm|ï 
gelöcft flijcli gemaee ïu ftebt/ enbe loerit inbacljtiglj 
pfai. 78. iitoer ouber bermfjertigïjeben ; f aet utoe bermljer^ 
tigliJ^ben cn^ önellelijch boo^liomen / luant b^p 3ijit 
uptermaten feer arm getöo^ben. Wie fal mp toatec 
fieben boo2 mijn Ijooft/ enbe eene fontepne ban tra* 
icrem. 9. uc» boo^mijüe oogijenl l^et ie? mp bitter bat icïiu 

beriaten !)eb/ mijnen ïgeere enbe mflncn <8obt^ 
ifaiae 4;. Chiiftus. Vè2c\ï gebacfjtigl) ber menigljbulbigec 
EnL?n°fi' tóelbaben/ hie itU u gebaen Heb / enbe laet om t' fa* 
ne tDEiDi' men gïjeoo^beelt too^ben. 25?engötpet boo?t]C?bat 
öciiaetigc* gf)?? öebt om u t' OtttfcOulbigöen. oJn fiebt gijp mr 
tdtDictop ,^{^( ontaüijclie guaben N.boo^ al'tgoetbaticliu 
Sanaeii beb:icfen Deö/ ioeberom öegDeben; oonb^ucDtbaec* 



Van de Penitentie. 1 1 5 

öierbarcn p^öjs ban myn Dloct/nict met muqt l3cr^ 
oancfïdijctic faücn ban oout cnDe filber om tiat oöp 
mp alle cerefoubt betoijfen/ cnbemp ti:agtien fonöt 
tin u licfjaem : enöe oOp iKöt utoe 5iele bec^ocljt om 
OÖccndertoeerbe/ foo felepnljcbtg[jpmpöl)eacf)t. 
3Dee|l geDacf)tigft/Dat ich mgne (iebe 3iele te panöe i. cor . 0. 
Oöcfteltljeb booni tot in be öoobt : maecmettec 
toaecöepbt utoeri necfi 10 cenen pferen 5enue-banbt/ ^^^'' 48. 
cnbe u boo:Dooft metael j enöeom bat ith ooet ben/ 
w oogOe t.ö booö* iDant gOp ftebt u aenfictjt ban mp Matth. 2c. 
ÖÖ^fteert / enbe gDp iltbt een becbonbt met be boobt 
gemaecfet/ enbe eehe aliantte met be belle/tot mön- 
bet fpijt / op l)at tiefe obec mrjn bloet fouben trinm- 
pöerem gcööebubeminbt/ enbegïjetoaffciïcnm 
itiün epgen bloebt / enbe befen i^ u\iien boobelijeöen 
bpanbt / bte Baecfet enbe fnaecöt naec u bloebt : tcö 
Beb u gefcBapen / en befen foecöt u in alle manieren 
te becnielen ; ic6 noobe u tot eenen eeutoigen loon ; 
befen tot eenc jlecDte genoegfjte/ enbe eeutoigfte ttyy- 
menten : gcf! ben get oppertte gocbt/enbe befen Ijct 
opperfte qnaebt : icb roepe noc iitanö / enbe gbp en 
|)002t mp nietjicfi bibbe u enbe gijn beriloot mnrif h 
toeene/ om bepecycbeieninbeUïelchegfipgöctlelt 
3iït j enbegöp tjoubtutoen fpotmetmp/ enbe bat 
meecijsf/ gfjip neemt in befelbeubermaecu / enbe 
foecbtec nocb meerber. ^efen om eene buple gde^ 
noegbte tDO ^bt met grooter mocpte gljebient/ gfje^ 
fjeben enbe gfje-eert; 3Örte ghcboben [joefmaer ïiatfc 
oocö 3ijn tDoaben onbecbouben : be miine al i^'t 
batfe liegt 3ijn / to02ben berfmaebt> Cbp ftcniclen ïcrem. 2. 
fcD02bt berbaeft fnec af/ enbe gljp Dare |ioo2ten b302t 
garitfclj berlaten^fp (Kbbenmpberfateh befontepne 
banljetlebenbetxiatcr. <en bebichunietgljeplant 
mijnen upt-becttoren b^ijngaeibt / enbe een opreii;t 
faeöt/ boe 3ötgöP ban buöbcrcrgbert/ enbe eenai 
b2emben toijngaert gljetoojben ■? 3jcïï ïjtb oebjacOt ^ais <■ 
batgfjpb2npben boo^tsfoubt bjengDen/ enbefiet 
ïjiectoilbe b2üpbem aBatmoejleicfimeecgbebnen 
ftebben aen mijnen toijngaerbt/bat ich niet gbcbaen 
enfiebi 3©atboofflepbtDebtgDp in mpöebonben/ 

S a bat 



Ii6 DcnI. Boeck. Het V. Cap. 

bat ööpu Dan mp gcftccrt Bebt^enBeb ith titet (lille 
oeftoeoen^en fteb ichnict UccbuiDïg/ lancömoeöigö 
cnöc tjermftertigl) gelnceil ober de miföabcn dec 
mcnfcljen^ 5^ocötanisf/ nacr nllcöcfc tiinoen/om bat 
Icü öerect toaö om te becgcben / cnöc goedertieren/ 
ficbt gïjp mp foo Uee! te öicfiljöijlöer bergramt : gijp 
fieüt Ijet jocft geD^often/ enbe gefept : 3th en fa! niet 
ondertDO^pen toefen : gftp ftebt u beroemt inutoö 
QuaetDept/ macötigl) in boofT)ept. gjs dit/ daer gftp 
wp mede bergelt / d toae^e? endc uptftnniglj menfcö^ 
3Baer fijn u\xit goeden/ utoentroofl/ daer göp uop 
fietroutot ijcbti'M isf al doo^bp gepaffeert gelijclt de 
f cftadutoe/endc gel jjcft een fcftip daer men geen teec^? 
ïten af en dint / alö Oet doo? de golden gepaffeert ig?» 
•igebt gOp niet terftont al dolbaocftt / ftet gene dat u 
ije toereltboo2-gelïouden fteeft/dat utoer finnelijclt^ 
ï)epdt ende 't dleefclj beïjagelöcft toa^ / ende dat met 
bollen toeftaenl €nde D^t gene dat icf\ geboden Beb/ 
qeraden/ja al biddende ende fmeecliende doo? mflne 
liefde ende dierbaer bloedt ban u begeert / öebt göP 
berfmaet» €nde fiet/ ftet gene dat ith fco deel iaren 
iïedoïen/ ende gerecommandecrt ö^ö doo? de ©jo- 
pöeten/ ende mijne uptroeperjE?/ te toeten utoeoder;^ 
ftcn/öebt gftp deracljt. gia^dit d'eer(telieföe/öoo? de 
toeltöe göp in 't doopfel alle dingen derfaec&t öebtl 
toaer doo^ göp mp u felben totalle^sop-ged^agen 
Ï]zbti3$ dit öet gene dat gf)p mp bergelt/ derbende 
Veer ftoutelijcfe feggenr^jcfe en fal ftet in geender ma> 
titeren doen / icfi inbbt mm Ü^fte op doemde goden 
ee|ïelt/endc die fal icii bolgen. 

»De ziele. %t\)l |g>eere toie fal derrcn ftnen om 
itiet u te fp2eïjen / oft een anttooo^t te geben op dup^ 
fent dingen/die gHp daer tegen ïjebt^tDe öemelen en 
3Ört niet fupber in utoe tegentooo?dicl)ept/ende oock 
m de <Êngelenf)ebt gftp booffjepdt gebonden. 3©ie 

low i|. Jjan doclj fupber maöen den genen die ban onfupbe^ 
ren fade ontfangeni.ö/ en feont gijp dat niet die al? 
leen 5in<^0p ö^bt boo^toaer mijne boetftappen ge^ 
uit/ maer toeefï mjjnder fonden genadigO/ ende 3Öt 

lob 7. gedacBtig dat mön leben eenen toint i&. 3©at fal icfe 
u dagn/ ob^toaerd?irti?rmenf({ien/ toa^romDebt 



Van de Penitentie. 117 

öB^tupuua^ttöefldt: Cplacssf! ithhtnmpftWym 
ftóaec geballen^^^tet mijne Djoef fjcpt Beeft m? ber^ lob 16. 
b?uc6t/entïe alfe mjme Ictren 3ijn te niet oeb?acOt/ u^ 
toe ppfen (leBen tn m^/Dec toelcfeer tïerbolaentïjept/ lob 6. 
berteett gantfcBmünen Qtc% WicmotlnixipQt'^iobzs, 
ben/ t}at ith maec al^ m öe booaleöcn maenöen/ aljs 
In De öagen in be toelcfee oD? mp/ o l^eece/bebjaecbe. 
^cfi/ tote fal mt) bat geben i 

Chriftus. JDaerom 3ijt oBp iJ^n n^P afgetoefeen/ 
cnbe en ïtotnt niet toeberom tot mni ^al een maget 
fiaer ctecaet ber getcn/ of een b^unt bé bant ban ïjaec 
bo2f!-cieraet^€n glm l)ebt mp ubjen.jgctjepper bet^ icrem.i. 
Cetcn ontallijcfee beei bagen/ feec rt tüebeconi/ liccrt 
toeberö^^iet ih beb u gereet gemaeli t u eer fïc bteet/ 
tcft Oeb mijn armen uptgeftrecbtomut'omöelfen/ 
mijn booft öeb icb nebèr geboogljt om u te buffen» 

De ziele, ©abcr tcfe en ben niet bjeeröigft genoemt luc. ly. 
te toojben utucn fone. ^enfiet mp/ enbe toeefl mijn^ 
genaötgO/toant icb ben berlaten enbe arm. <!fplae^l 
fiet tcbbinbeeeneanbere toet tn mijne leben/ ftrij^ 
benbe tegen be toet mijnö berftantis? ; enbe icl^ en boe ro»i. 7. 
Bet goet niet bat icb toille. 

Chriftus. ^ieticb fal u berifpen/enbefaïutoeep^ 
gene confcientie te getupge roepen. ï^abt göp f iecö 
gctoeeft/ en fonöt gfjpmetbeclaenbej®ebeci3nen 
cnbe doctoren berguifi fiebben^öab tegen u eenigö 
piocc^ opgerefen \>m cenenboetaerbe/ ggpfoubt 
ïiemel enbe aerbe geroert beDben. €nbe toaer 't fa- 
fee bat gOp 't öonbertfte beei ban (jet gene tfat glip 
booj be toereibt boet/ boo: utoer 3ie{efaligbepbt 
gebaen Dabt' fonbt faligBiijcb gcleeft öebben i Igeb 
tcb nietgefepbt/ btebetoaerbcpbtöen; Mijt\mfii,utth,u 
i^ foet/enbe mijnen (af! i$ licbt/ enbe mijne gcDoben i.ioan. j.' 
en $ijn niet f toaer i entie gijp fegijt batfe moepelpcö 
3ijn : mettooo2ben/ teerclien/ enbe guaet exempel 
trecbt gbp anberen tot bare beberbenijTe. <Bi}P 
bjengöt boo?rjif/bat gbp u niet en bont toacöten baft 
febcregefelfcOappen/ ban penjcbefen banfcmbtgen: 
enbe toaer bet bp albien/ bat pemant Boe groot^n 
\ym\t batbp u to^are/ uin Bet minde bergramt/ oft 
cenigD bicpn ongcïiicft gcbacn öaöbe / ggp en fouöt 

S l u/ 



1 1 8 Den I. Bocck. Het V. Cap. 

u/ oocfe oebeticii tuefcnöe / met ïjcm niet MUm bec^ 
focncn. W:\tt 't (acclu batmiiöcplactfcoftutocn 
l32ïent met öe pcjle bcbaugcn Uaare / oft dat Den mc^ 
ïjum n ïicfc/ oft öefe fpijfeberbobct / gijp fout öcm 
lil ailesf onöccDamaö töcfcii : maa* om utoc 3kIc te 
mooen bel)ouben/u licljaem te temmen/mp oeüoo^» 
(aem te toefcn/enbe te bc(jagenjcn toijt gfjp [jet min- 
fte niet lijben oft becb;jagcn.<!Bn fult gijp ban mp al^ 
ïeen met b^cefen / enbc ban mijn aenfcliünberbaert 
3ijn i €n öeb kh u niet betnpgcnbe betupgljt/ enbe 

icrcm.ii. ocfeptri^ooumüneflemme,- enbeoDpenIjebtniet 
ttjiUen ftooren / noclj utoe ooren tot mpbupgen/ 
maec fijt boo^ts? gegaen in öe (jnaetljcpt ban u boos? 
lime^^iet moaelycli befeuiefultgüPöetcochen 
toojben tot een ftrengft oo^beel/ en o^^nïu B^t l}\x^& 
ban be eeutoigbepbt; enbe fiet utoe Ijanben fijn nocö 
bol biocbt0\ JiBijn bolcïi/ bat öeb ich u gebaen/oft 
Uiaec in öeö icö u moepelijcli gcbaüen i 3Bee|t ge* 
bacïKigïj/o 5te(e/mijnec galle/ mijner armoebe/ en^ 
be rnijnec tcanen/bieicft boo? u m Ijet gebcbt geftojt 

icrcm. 3. ftcb / ixiant gl)p lïOfteüjcIi bjaett in mijn aenfcljijn^ 
glip ïvcbt noclj onltupfcljept bebjebcn met beel boe* 
len/ntét te mm/lieerttöebciom/hcert toeberom/fiet 
ichftaeboc^bebeure/ enbei^loppe j boet mp open 

car.t. S' mijae fuftec / mijne biupbt/toant mön Ijooft i^ bol 
bloebigen boutoe / enbe mijne D^P^blecDten bot 
b^oupelenbesfnacftt^. 

De ziele. g|cft fieö u tot gramfcfiap bectoeclit / o 
ïgeece/enbe icti öeö gefoabigljt/ boben bet getal ban 
bè fanbelienö bec 3ee/ iciibefeemie mijne utifDaet: 
maec en berftoot mp niet t' famen met mijne boof* 
lieben/ nocli en ftcit mijn jlraffe boo,? ö\^cii\Diöl)epbt 
niet uptrbectoont mp uloe goctöepbt / enbe toeejl u* 
toet oubec ontfecmljerttgijebenhibacDtiglj/ enbe 
toojpt acbter utoen cngge aüe mijne fonbcn» a©attt: 
fiet ith neme baftelijtli boo? m^ / enbe bat in be te* 
genb)00?bigöept ban ubje<0Gbbelijcfie.iBa)e(tcpt/ 
enbe gebeel u bcmeïfcb liep^ / u boo^roen ntetmeec 
te bergrammen / be oojfalien bec fonben te blieben/ 
enbe licbec u mijnen 43óöt al^ ben bupbel tebienen. 
(l^ntfangDt mp o l^ecie a^fw/cnbe en bevfmaet niet 
■.-'"'.. ^eii 



Van de Penitentie. 119 

am roii\otgïi cnöc ootmoeDigO ïjctw cöp bk boo?- 
pcoubccrt ciiöe öoo2-fict fjet Occte enbe öe nieren/ 11 
iö Dcfient mijnfiicOteii/enöe öe begeerte/ ï^k kh Deb 
om u boo^taen te bienen* 

Gebedtjoft verweckinae tot waerachtioh 

Iccdt-vvclcn. 

T_T Ecrc lefu Chrifte wacrachtigh Godt cndc menfch, 
*- -*• mijnen Schepper en Verlolfer/t is my leer uyt den 
£^ront mijnder herten, datickuwcgoddclijckeMaje- 
ïtcytvergramtlaeb, om datghy mijnen Godt zijt,ende 
alle dat ick behoeve,den wclcken ick boven albeminne 
ende eere. Ick neme daerom vaftelijck voor my, dat ick 
u voortaen niet meer en lal vertoornen,maer alle oorfa- 
kenvan Ibnden met alle neerftigheyt vlieden: daer-en- 
boven , dat ick mijne fondcn oprechtelijck lal biechten, 
ende de penitentie die myop-geleyt lal worden, vol- 
brengen : Ende tot ee«e volkomen voldoeninge , ofFere 
icku myfelven van dage, infgelijck mijn leven, al het 
gene dat my aengaet, ende al het gene dat ick lijden fal. 
Ende gelijckerwijs als ick u ootmoedelijck bidde ende 
verfoecke vergevemffemijnder ibnden, allboverhope 
ick de felv'e door uwe oneyndelijcke goethey t en berm- 
hertigheydt , ende door de verdienltcn van 11 dierbaer 
blóet,ende 11 heyligh lij den te verkrijgen : ende dat ghy 
my gratie lult verlecnen,om mijn leven te beteren,ende 
in het goet tot den eynde toe te volherden. Amen. 

Pradijcke , dienende ora dit betouw dickwijls 

te gebiaiycken. 

Tp^neertïen/ footoojt bit geb^imcft aengep^cfen 
■^ ban alle gefeerbe enbe vöobtbjucötige mannen/ 
beronber'«3f mo.2geaöj op bat/ alfooal^topon^met 
<!3obt berfoent ijebben/ onfetoercfteri/ bieanbecö 
fonbcr berbienften bjiaren/ berbienfiig fouöe mogeh 
to02ben ban beteeutuigöleben» €en ttoeeben i^ t 
'iöabont.ö in {jet onberfaed^onferconfcicntie tegen 
eene onboo.afientge boot feer goet- fCen berben / alsf 
tDp gebaüenföntneenigegrootefonöe/ opbattoi? 
geene bpanben a3obt.ö en blijben. 'Cen bierben boo? 
pegelücö gebebtitoant Bet Q^bm ban eenen fonbaec 

3 4 ^tt 



Heb. 4; 



Ecclef. 17. 



Ezsch.33. 



ïfal. 24. 

rfal. jo. 
1^31.78. 



ö^act bet 
berouta 
inoetöe 
biccljte 



120 Denl. Boeck. Het V I. Cap. 

cn tjE? 45o\)t ntct acncrenaem» €en bijfbett/fn aïfepe^ 
röcftclen öcööooDrsfcnöeccniac rjcoote bcRortngc. 
(€cn fcflcn/ alö top eentoO getotcfjtio oft moepelijcö 
tocrcft toillcn ncnbeeiöen / enöcöaectoe öe {julpc 
ban De DcmcIfcDc gi^atte berfoeciHen* 

V\ Acrom laet ons tocgacn ( ó ziele ) met betrouwen 

*-^ tot den throon der gratiën , op dat wy bermher- 
tigheyt mogen verkriigcn,ende dat wy gratie mogen 
vinden als wy dehulpevan doen fuüen nebben. 

Keert wederom tot den Heere, ende keert u af van uwe 
onrcchtveerdighcydt,ende hact boven maten feer de 
afgrijfelijckheydt, ende kent de rechtvcer.digheden 
cnde oordeelen Godts. 

lek leve , feght den Heere,ick en begeere niet de doodt 
van den 2;odloofcn,maer dat hy hem af-keere van fij- 
nen wcgn,ende dat hy leve; Bekeert u van uwe alder- 
boofte weghen^ende waerom fult ghy fterven ö huys 
van Ifrac'1 ? 

De verfuymeniflen mijnder jonckheydt cnde mijndcr 
onwetentheden en wilt niet gedencken. 

Een fuy ver herte Ichept in my o Godt,ende den rechten 
geeft vernieuwt in mijne binnenften. 

Heere en weeft niet gedachtig onfer ouder boof heden, 
laet uwe bermhertigheden ons haeftelijck voorko- 
men^ want wy fijn uytermaten leer arm geworden. 

HetVI. Capittel. 
Van de Biechte , welck is het tweede deel van de Pe- 
nitentie^ ende ten eerften van de generale Biech- 
te , ende de profijten dex fel ver. 

U €t fterauto/cn t ^ nocnttiniS mt genocgö/ mact 
^--^top moeten bacc-ea-üobm doo^tonnöelen öert 
toegï) ban ben ttoeeben bagf)/bat i.ö/öet ttoecbc beel 
ber penitentierep bat gOeliJcfe top mettec ftenen ge^ 
ïooben tot be recïitbeerbigfjepbt / bat alfoo met ben 
monbe onfe bclybinge gefcftiebe ter faltgljept. 3Dat 
begint g!)p bier te ttoyfelen/ oft te bjeefen i göp 5Öt 
cenen nienfcb / enbe 't gene bat be anbere menfcfien 
öcfcfiiet i^/ban u oab gefcöiebenibtoaUn/baUen/en 

ontot^ 



Van de Biechte. I2t 

Dubjctétttie 3ön. .ScgDt öan met Den ^^opFicet:gic& pfai. 31: 
tieD gefept/tcfi fal myne onrecfjtbeecöigöeöen tegen 
Hip fclüen boo2 Den l^cere DelijDen ; enöc gijp t)ebt De 
Doof Of pt mijnber fonöcn becgeben» "^Bnsi en feeert u pfai.140; 
ijerte niet tot De tooo:Den Der quaetfiepDt/om font* 
fcfjulDtgOenDe onfcljulöen tn Die fonDen/ nocöen 
UjccfimetbefcOtiemtutoefonDentebelöDen» ï©ant Eccier.4, 
Die fpne fonDen berbo;:gljt/ Dieenfalnietboojfpoe- frov.is. 
Dig 3ünj niaec Diefe belijt enDe laet/Diefal becmDec- 
ttgOepDtberftnjgljcn» 

a©ilt gl)p Dan uptec Darten u befteeren tot Den 
^cere^ fiet fjiec ija? Den bjegf) ; obei*DencfetaIIeutoe 
jaren in bittctljtpt utoec (lerten/ enDe frelt u tot eene 
oprecDte enDe toaeracBtigOe generale biecljteutoec 
fonDen / 't en toaer fabe Dat öet utoen 25iecöt-baDec 
anDecjQf geraDen bonDe. j^ocö en b^et ft niet eenigfte 
pijne enDe moepelijcbb^ pDt aen te nemen boo2 ubjei: 
5iele fali<;il)cpt -, maer Ujcct boo?feftec Dat Defe bier fi^ 
te/i.ö't fabe Dat gijp u toilt laten gelepDen/eben licbt 
ï5 om Doen/aio' aen fommige / De gene Diefe alle toe» 
feen Doen* <0öcb?upcbt öier toe De maniere ban on^^ 
Derfoecben/Die hi^ berfcfjepDen ^utOeursi gOefc!)?e^ 
ben ftaet / toant 't tn fat u niet fttiaerDer ballen te 
feggljen/ icb f)eb Den l^ecre Dupfentmaelbergramt/ 
aliS te feggen/ öonDertmaeK 

2£l is't Dat De generale \y\tt\)tt niet altgt ban noo^ 
De en i^/ Dicbtoijle' iffc nccOtan.^ nut/ enDe fomtoij? 
len oocb nootfaklöcb, 

e^uijS nootfabeiijbal.i2fDeboo2leDenbieclitenon^' HBanneft 
bolmaecbt geteccft l>bben of t bp geb^erfe ba geDeel^ ""'|"J^, 
Ijept/oft hi^ faute ban Iccttoefen/oft Dat Den !23iecljt> tcba noo* 
baöergeene toettelijcbemacötengaDDe: boant bp unsj, 
fulcben gcbal/ fo fouDe Defe moeten geDaen too^Den» 

riêpbKngbtoofb menigljbnlDiglje profijten bp/ miU}m* 
al i.ö 't ti^tW met boo^feber ten 3ijn / Dat De boo?le^ tjcn p?om^ 
Den 25iecl)teheenigb gcb^ethgeljaDtJebben, a©ant öfYpt^re 
fr* b^engln ttn menfcö ten cerften/ tot eene bcnniffe gmcraic 
enDeblepnacljtenfönsffelfg?» €en ttoeeDen/ acnge:= %\tt\jit^ 
fïen Dat bier in een ölcctb bjerb ban ootmoeDigbept 
gljelegen i^ / fco toojöt ^oDt almacötiglj biet Doo? 
oocbbertoecUt/ omDenmenfcö eenigDebpfonDere 

a 5 gratiën 



122 Denl.Bocck. Het VI.Cip. 

orattcncnbcgabenimbeteöeplcn : Qdijthhypfkn 
OftcDcuccn oen öcn aOcnen/ bie öefe fo^alïbultielijclt 
öocn / öoo^ f}ct acnneincn bnn een nieuó ieben / al.<$ 
tic l)civc rehcninge ban alle Iianten nu effen gfjertelt 
i)ebüen.ai^nöe (jiecom too?öt tjit felbe boo^ aüe boo> - 
oefleUtren genen/ öieDaer loteeniieligieujSlebert 
begebcn/om öat fp öaec felben foo bcel te beguame^ 
lijcfieu tot een nteute en boïmaechtec ïeben foui3in 
mogen fcfttcfièn* ivlTen öecöen/fp gfteeftbcn menfclj 
eene gecuflljepöt entie feecfterïjept in *t miböen ban 
alle tmüfelacljtigljeben ; toaec öoo? 't bicfebaijl^ ge^ 
betirt/ datbeel menfcljen öoo^ ben l^. a3eefl geöze^ 
ben iijnbe/ befelbe boen in öe ure bC0 öoot^» 
23emet*cht nocötan^ bJel/ bat be generale Dieclite 
ï^oo; laie alle mcnfcDen niet nut en i^t^m eerften/ en bicntfe 
taïeSV- "^^^ *^^'" genen/bie boo? groote b^eefe en ongei'ufrtg^ 
tcpiofütc' Oeben be^bjerten geb:eben b)o?öen : feant boo^ foo^ 
MHki^/oP bantgbe t\ü^ bet geen^ mebecijne / nuct beel meec 
u niet* g^,|^ tnn}^ enbe eene gebuerige gueiUnge;b3ant fulc« 
fee menfcben Ijaet* te bei:geef!a? tjiec boo^ foeclten te 
b2eben te (lellen / aengbefien ï^atfp befen b^ebe Doo? 
geenenanberen mibbel/ ban boo? be geboojfaems» 
ïjept alleen/ en ec bafl betcouboc bergefelfcDapt met 
eene opcecftte lieföe a3obt0 fullen berhnjgen.ïBant 
adbolangfjalc^fpin bet cberöenciien ban bare fon« 
ben/bienietanberje^ ban bupHerniiïen en 3ijn/befïcö 
5ijn/b30?Dt öaerlicber berftant meer enbe meer ber^ 
boncbert» |ï5aeriö 't falie bat fp metbetroubïenen 
lief be tot O^obtgaen/ fp fullen ijem binden/ enbe 
ban bem berficbt too^ben- (€en (actflen /tö 'tfefter/ 
bat gOp u eeujGf moet geruft bouben / enbe bit fal on^ 
ttoüf^licb beel beter gbefdjieDenbooKcniES anber^s 
goctbunchen/ban boo: uepgetijbjaer af u gefept is?: 
Luc. ie. "^ic u boon bic boojt mp/baerojn boïgt ticfc leerin^ 
ge. tDaer-ën-boben / fyci i^ onmogbciijcb bat eenert 
menfcbfeberlijcltfiangerabentot bet getal fijnber 
fonben: toaeruptbolgbt/ bat Ijp bier toe niet ber^: 
bonben en is?/ maer bat bet genoegb i^ I bat bP Si^»^ 
gbebjupcbe / eene febelijcbc oft menfcbelijcbe neer ^ 
ftigbèpbt enbe fojgfjbulbigbepbt / gbelijcb alj2? men 
placDt te boen in cenige fabe/ biemen emftelijcb be^^ 

ficrt. 



VandcBiechre. 12 J 

[}crf » JDant Tjct ^accamciu öcr penitentie 15? mge- 
ftclt/ niet rot cenc pijnina^ entic QuclUnoc/ macr tot 
troa|lcaDctolac!(5. Ojnöe öittoclbcrftaenbc/ aen- 
nacnOe öc l3002lcJ3cn fonDcn. 

^11 acngacnöc öc tcjDenUtoojtitglje / al$seencn 
xmnfci) I t^it ^oöt nptcr ficrtcn b^ecft / enöe Oem in 
ijljecnbcntianieren en DeoDeeit te l)ert3cammen/ 
ti»ijfe(t/ro maclj tjp ijem toel laten Hoo^jiaen/ öat Ijp 
Daec in niet b^PtoilIig geconfeiueert en fteeft.ïBant 
aengefien / bat Ijpfoo lijpeUjci} enöe tiaflelijCi; bp fp 
fclben gcflxiten Ijecft/ eobt te bienen/ foo en ftan BP 
öit l3oo>nemenoftp:opooft foolicluelycliniet b?e- 
iien/ bah/ t'eenemael contraciebocnbe/ enbe niet ee- 
ncn bolhomen toUIe: enbe ïjet toaer ooet/bat ftp ötec 
toe ban niet te fonbigen <0obt tot getupglje name/ 
enbefpfelben inbefec boegen 'is^mo^gen^toapenbe 
tegen \^tSt benautljeben enbe queütngem 

(Ccn ttoeeben be generale biecïjte / en i^ oocïi met 
niittigO bie oneedijcö gcleeft ïjebben/ bpfonbedijcfe 
nocötan.sf b20ü9"-perfoonen/ naec batfe befelbe eenjas 
gliebaen ïjcbüen. IBant öet oberbencften ban oniS 
tJao2!cben leben / en beel nieeij Oet berOael/ xam fon^ 
bec 'perijchel en i^jen 't ie beel betec gecaben 't felbc 
acljter telatcn/cnbe ïiem nptitreclien tot 't gene bat 
boo2 be öant i^ 1 en bcrboïgen te beliomen ben pjij.ö 
£nbe loon ^xt ^wt belooft ii^^l^et alberbefle en feöec^ 
(te i$? / Dier \\\ te bolgbcn ben raebt ban eenen tDÖfen 
23iecDt- Oaber/ ben toelclten onttDijfelij tè niet toe^ 
laten en \^{ 1 bat fobanige menfcDen ecnc qljeneralc 
biecljte fuKen boen/bie befelbe eend ban geDceï ö^ec 
ieben geCraen öebbenj 't en bjaer faecfie x^^ii ben noot 
\i^\\ (iet % Sacrament anber«( berepfcfjte: enöefal 
oocf! (tcl)telöch öet öeb^ocfi be5$ bpantd ontbecöen / 
boo: Ijet uielcli öp ïjaec fomtDijlen foecln te b.^engen 
totltaerboojlebcnfonben/ ban betoclche fpnuge^ 
liecliKlïbebjijtenbeberlofttoaren/ enbe bat onbec 
ïietbeciifel ban söobts^-bienftigöepöt enbe a3obt^ 
l):ueDtigöepbt. 

Gebed t voor de Biechte. 

O Goedertieren God , die mijn hcrte en nieren door- 
ftraek. 



'tzi- DcnI.Boeck. HetVLCapJ 

ftraeltjVcrIcent my door het bloet van uwen ecnïgenSo^ 
ne, om wiens wille , ghy my niet weygeren en kont , dat 
ick u mach verhalen cnde overdenckcn alle mijne jaren, 
en mifdaden met een rouwigh ende gebroken herte, eer 
ick ftcrve, ende dar ghy uwe gramfchap over my wik 
laten komen, in tijts en ftonde.Öat mijne jonckheyt ge- 
lijck den arent nu vernieuwt mach worden , op dat ick 
allbo behagen mach uwe Goddclijckc oogen , ö alder- 
licfftcn mij nder ziele jende niet uyt noot,of,door eenige 
gewoonte,maer door een oprecht hcrtc,met een betrou- 
wen van vergevenifTe te vcrwer\Tn,met eene volmaeck- 

f rov. 28. te liefde, mijne fonden voor u, ende uwen Stadt-houder 
mach belijden. Want die fijne groote fonden verberght, 
cnfal niet voorfpoedigh zijnjmaer diefe belijdt en laer, 
fal bermhertighey t verkrijgen. U is hetalbekentj ende 
ghy aenfchouwt alle dingen,over aljende zijt gereet om 

lob 10. te vergeven. Weeft gedachtigh , o Heere , dat ghy my 
gelijck flijck gemaeckt , ende foo dickwijls hermaeckc 
hebt,dat ghy metter waerhey t moogt feggen ; Wat heb 

Ifai.y. ick mijnen wijngaert konnen doen , dat ick niet gedaen 
en heb ? Want hoe menigerhande middelen hebt ghy 
my gcgeven,om te komen tot mijne falighcydt?hoe ^'ecl 
exempelen van deughden hebt ghv my in u alderhey- 
lighfte leven, met uwen fuerenarl?Cyt achter-gelaten, 
die ik nochtans veronachtfacmr heb te volgen? hoeveel 
verweckfelen van liefde in u lijden ende doot hebt ghy 
myeelatcn? Ende, cylaes, ghy hebt verwacht dat ick 
goede cnde fmakelicke druyven voorts-brengen foude, 
ende fiet het zijn wilde druyven. Vader ick heb gefou'» 
dight , cnde mijne fonden zijn vermenighvuldignt bo- 
ven het getal van de fandekens der zee,die ick door lau- 
wigheydt ende flappighcy t mijnder ziele by een verga- 
dert heb ; maer ick kbmc om van u gewaflchen te wor- 
dcn,diedaer zijt de fonteyne van het eeuwigh leven;tot 
11 ben ick dorftigh,gelijck een hert tot de levendige wa^ 
teren; ick kome om van uvcrlicht te worden, die mijn 
licht zijt j op dat ick u bcminne,o eeuwige liefde geneeft 
my van mijne uy dinnighcy t, doox^ de weicke ick u,endc 
alle remcdien ende iniddclen mijndcr faligheydt ver- 
fmaede: komt-o mijn licht,le'yt my op den rechten weg, 
o eeuwige Vader, niaccki my mijner foiickn indachtig;, 

oSo- 



VandeBicchte. 12^ 

6 Sone Godts , geeft my dat ick de felve bekenne ende 
wel wege; o H.Geeft, verleentmy dat ick mijne vyaii- 
den , ende de dcot mach vervloecken, en vanu,die mijn 
oppcrfte goet 7iit,my niet en vervremde. Och oft mijn 
gebedt mocht opklimmen voor u aenfchijn, gclijck het 
wieroock, ten minften dcfen dagh , den wekken moge- 
hjck den laetften fal wefen van mijn le\'en ! Ick heb ge- 
fworen , en een vaft opfet gemaeckt te bewaren de oor- pfah 1185 
deelen uwer rechtveerdigheydt. Ende al hebb' ick mijn 
goet voornemen feer dickwijls gebroken by faute van 
leen^'efen, door mijne kranckheydt, nu neme ick vafte- 
lijck voor my door uwe gratieflbnder de welcke ik niec 
envermach, ende overlulcks de felve van uwe Godde-. 
lijcke Majefteyt hertelijcken verfoecke) inder eeuwig 
heydt niet af te wijeken van uwe geboden , ende die N. 
principaelfte fonteynen ende oorfaken mijnder fonden 
met alle neerftigheydt te vlieden. Dit opfet make ick in 
de tegenwoordigheyt van de H.maget Maria, ende al- 
le Heyligen,de welcke ick al te lamen tot getuygen van 
defe mijne begeerte,ende als voorbidders aenroepe, bc- 
fondere mijne patroonen, ftaet my by, ende helpt my,6 
foeten J e s u, mijne eenige hope. Amen. 

Kortcpradijcke , oft maniere om fijne confcien^ 
tie t'onderfoecken. 

T^ € maniere ban utoe tonfcimtk t'onDerfoccïtê/ 
*^ fult göp binDé in fjet ^antboccrftcn ban öc ,§0^ 
baiitept/ eni?einDen ïuftöof ban 5^. Jiaaöeblijöe. 
gn 't fto?t/Dient tot fjct onöcrfoecöen/te oberloopeir 
bc tWw gcboDen <0öDtsS / enöeaenmeccfeen öoe bat 
OljP tegen tizfz met gebacflten / tooo^ben enbe b5et:Ci: 
feen Oebt gcfonbigt/ enbe om bs memorie te öeipen/ 
foo oberioopt uW jacen/ officien/befiommerinöen/ 
beplaetfen baer glip getoeeft/enbe beperfoonen met 
betoelcöe gïjp gfjeljanbeït öebt ,• let oocö toat quaba 
öenegentfiept gfjp in u feiben bebinti toant oöp fult 
fien bat htfe ge»ncpniijcFi ben oo?fp?onc6 ije^ban alï^ 
onbolmaecÊtljeben : meccötoocfetoel/ cnbeletba$ 
glip ^t gljebaente ban be fonbe/ fonber nocDtanS 
tenijf anbec^ fonbente becölaren/ oft onnoobigfj^ 
omlegDwfi^bi^n inb^ fonb?toan onftupfcflepbt/ 

1^ 



il6 Dchl.Boeck. HétVl.Cap. 

bc fonbc toeï uptbnicfu cnbcOet getal öerfclbcrtm 
betten oDplionöti (liPcrcmpeOljoeötcIitoöljSinöc 
tDctie/ tn öe mneiu/oftbagcincfj^ giju 3ijtgcbölUiii 
oft ijS't bat gijp getooontciicDtbantcfonbigDen/ 
noct) en ïiont ïiet gljctai niet uptD^uclien / alfisan i0 
genoeglj tefeggcn/ (joe bcel jaren bat glja coftupmc 
ï)abt banquabeeebeny $r» maerietpimcipaujcft 
naöet onbecfoecfe/ batgfjpeen oprecht leettoefeii 
in u beripecftt/ enbep^opooftbanbetecinglje/ enbe 
namentlftcö ban be occafie bet fonben te fcftoutocn / 
enbe utDeguabepaffien/ alieJtDO^telen ban alle on^ 
bolmaecötïieben upt te roepen. 

OcfFeningeoft beraedt van hem oprechtelijck 

ende dickwils te biechten, 

Ecci.40. pj En mcnfch. <j?en ftonec )ocft tffec gelept op aUc 

^^ be feinberenban mam/ banbenbagljebatfp 

geboren 5ön/ tot ben bagö batfp in be aerbe/ onfet 

aller moeber/ Degrabentoojben: ïBant3§ceretriï 

tu bjeet niet Ooe bat ftet feomt bat fp ban u aenficlu 

blucDten/ enbe berbo^göenöunenbeöunnefonbeit 

boo? u/ ïiit in alle plaetfen aenfcïjoutot begocbc 

enbe bc guabe, H^aer toat boen top ellenbtge^ bj? 

foecften bc fonbc te ber boagen/ batij3(beb3onbeon» 

fer 3tele/om bat fp beranberen fonbe/om bat befon- 

be foube too^ben fonbigöenbc boben maten. 5Bant 

^m o\u bjat i0*t anberjöf npt te ftellen be 23iecDte/ban be me» 

toöfT«f« becijne^ a©at ijg'tanberjSbefonbenteberboagen/ 

mSmm ^^" ^^ bjonben bebecfeen/ op batfp berrotteh fou* 

, tjne fouDi ben / enbe be iibt- teecöenen boo? fiet aenfcbön onfcr 

beöcfhtoftonbjetentijept^ Sth bibbeufteeregeneeftbefcluv 

htue^^ belflcfee befcöaemtgepbt / met be toelcfee b'onöe^ 

twfijteju fcöaemtöeptbebecfet too^t: geneefl b'pbele Deneer^ 

te ban eere / boo? be toelcbe men b'eeiitoigBe fcljan* 

be beöaelt«]^elpt onjo? <0obt onfen^aligömaöer/op 

bat bjp onfe fonben bjaeracljtelijcft enbeop-recDte* 

Itjcïi mogbenbiecljten: enbe göp onfer boof Ijebm 

bermljcrtigB toefen. 

Eed. 4. Chriftus. ^one en fcfiaemt u niet boo? utocr 3icle 

^ttttirt toclba^rt bc toa^rfiepbt te feggfletij toam baerijs 



Van de Bicchtc. 12'? 

xenc befcOaemtficpDt acnDicngDenöc bc fonbc / enöc öc sifcbt- 
cene ücfcöaemtljcpöt acnb2cnoöcnDe De glorie cnDc |l^f/^..f ^ 
gratie- <öber(eg(jt toat profijt ufaltochomcnl3ani,c,ci}amic 
eene oprecïjte enöetJic{itDijl0gefp:ooc!ienüiecljte/ re mm/ 
enöe toat uljomenfalupteenbalfci)/ enDe uptecn ï"!^""'^^ 
ïangl) uPtftcL gr.öien gï)P eene groote tconbe/ na^ S üoo» 
nunulijcft eene eooöef ijcüe ontfangfien tiatit / en aiicmm»' 
fouijt oBp niet tcrftonbt met gvcote neerftigDcpDt ff^fiu 
eenen ineDenjn foecften/ entJcöcmöieontöccfien/ 
Ditt^befonöcv* 3;nöien gijp fenijn fiaöt gljeD^onc^ 
feen/fouöt göp bertoeten remcöie te foecfeen/tót bat 
ï]ct binnenfteutoe^licöaemöDeeHDaectïDoMoopc I 
^nlDien göP ban öen bpanöcgebangentoaect/ en^.55frirpc^ 
bc in utoe macljt toare om geranrfoent te too:ben/ Jjjj^ '^,^^^" 
(oiibt gön iiptftellen totber tijbtbatofttï met beel foiamS^ 
boepen/ batist/ fonben/befmaertenöegfjebonben mgijttiö 
toaéct/ tot bat giju eene lalïigficflabernnetangljen ^°5.^^^ 
töbtöabtggelebeni aBieilTecfoobtone.ö/ bietoilt T/i^^^^ 
in balltngljfcOapDüjben/foo langen tijbt tot bat öp mm/ öair 
beel goeberenberloren öceft/ enbe uptgïjefïoten i.sf boo? Jjft 
lipt een röcö erf- goet enbe IjoogljeeereMDaei: tn^ ^^"^'sö* 
bien ben menfclje terftonbt nae ben bai ï]em cot^ 
moebelijc^ biecötebc / Dp foube ban (fonben aen bati 
't fenijn enbe tTabernpe ontlTagen b3o:ben/ enbe toe- 
berom aen-gljefcfjjeben onber !jet gljctal münbec 
iiinberen / öcm foübe ttieberom toegelaten to02ben 
bagöelijcfes^ met berbienffen fijne liroone te ber^ 
meerberen / enbe beelacDtigD te 5ijn aller goeberen. 
;Dtc \iit al beraröt / enbe nptftelt oft fcftaemt Oem 
te biecljten / Soe groot acDt ï)p te sijn mijnen fone / 
enbe bienaer i öoe groot acöt flp be faligDepbt frjn^ 
bet 3telc / b*eeutDïge erf-goeberen / enbe ( bat meefl ^u m 't 
Iss) mijne gramfcöap oft gcetgunftigfiepbt i <§egf)t ?";'^"" 
mp / inbien pemanbt befcfjnlbiglit baer ban een "o-it dS 
ftucfi baer 'tleben aen fjinglj/ toeleven toetenbebat^ Ijd ouacöt* 
ter op befefbe upre beleupt D»n betbc/ na beplaetfe ^^^^^% 
beö boot^/ban fijne recfite enbe fftnclie 3ijbe too^ben ïnVöct f!w 
gefjaelt/enbe bat öp oocfe obergebjagcn w/ ja batbe h^ijt^tl 
officier^e? enbe beulen baer ontreut 3ijn/ lafï berfoet^ 
licnbe om öcm te bangenjcnbe inbien befen fp felbcn 
mn m\ bJOoabt ban be boobr/ban ^m to^eebe (!raf^ 

fingöe/ 



128 DcnI.Boeck. Het VI. Cap. 

^BebkfïjtefingBe/ bau'tDccïie^ ban fijne oocöercn/ banöeji 

Ifcijfc'"" ^o^JtncfejeJ oramfcftap / icfi ft goije met tm tooojöt 

wiöDri orafeonticbciloflVn/ tJclijbenDefunuufDacbtacnecnen 

onfe jicu octroutDcnb^icnöt/bfenljptDiflef^ecfccreettete^ 

tflwmbc f^"^ ^"^^ 'tfclbcnocOtanjB^beifupmöc te Doen/ m 

iiooötfdftc^ fouöt OÖP fooöanfoDen niet fego^n onbecabtoO enbe 

imh/ öi;c> uptfninïöö te toefen i tCenfiet be öaeflfoöe boobt 

iS?f^^^fi ^^" ^^^^ menfcüen/bemeniofjbulbigebparibenber* 

bpauDm Q^^ctt oiu u fe becuioo^en / ftet getal öec bupbeïen 

fiiije pc- mepne icfe/ bie u oniringelen/ enbc u omgacn/foet- 

t^tMm ftenbe toien fp fouben mogen berfltnben» Wazïom 

vmtm ^^ fl^^^ ÖÖP «b3c faiigljepbt niet gabe i tnaecom 

i.petr. 5*. bectoeft göp / ^i^ u felben enbe foo grooten guale / 

meteentooojbtftont genefen^ ^en tSengequetft 

^t oiitc^ toefenbe / loopt tot Bet fecupbt didamnus , be <jêtoa* 

^Iti^tlm lutoefoecfet Oct ferupbt cheUdoma genoeitit/ om \w 

itmnmia ^^ Winbe jonc]cfien$( fienbe te maeclien : enbc een 

bebiecijtc menfcBcboo^ fijne fonbcbcfcijulbigïjt/ Dceftliebcr 

mbmc^c* cencn oogenblicö becbo^gDen te biüben / enbe tn bcc 

eeuteigO^bt berboemt / ban ban te flraffinge ont^ 

fïagen enbe faligö te toefen* ellenöia»^/ bic mecr^ 

ber acfttflaet op be fcüaemte ban op ii\iyc faligijept I 

ï^ie liebec öebt eeutoelijcb bcrioren te gaen/ban utoc 

fonbe hopenbaren I ïDat foubtgöpin bitftucftu^ 

toen bjienbt caben/ toat u felben i 

Den menfch. l^^cere tth fte bat ïjet ftoaccber tó be 

beöjcben fonben te openbaren / ban te ftljoutoen be 

gene bie noclj te boen ftacn/ enbe icïi moet mpbcr^ 

pfai. 58. toonberen ober onfe uptfinntgljepbt. ^th ben Hom 

vfai. 31. g(j^tDo?bcn / enbe om bat \tU 't goct berftoegai t)cb^ 

be/ i^ mijne pijne bcrnieutot. 3^oo^toacc m[jnen 

«0obt / tcb fal u mijne onrecDtbecrbigbept bclijbcn/ 

enbe göp fuït bergeben b'ongobbelijcbfjept mfinbec 

fonben/ boo? utoe onepnbelijcbe goeöer ticrenljepbt : 

toant inbien icö ftoüglje / tcli fal meer bcfcluilbigDt 

toefen; enbeöoeicblangDcrbertoebe/ öoeicbmet 

meerbere ftoarigljepbt / göeirjcfemen ban ben egel 

fegïu/ baren fal be fonbe bk ith ontfangcn bebbc* 

i^oe fcba» Chriftus. 4^c0 met toat benautotöeben ^ö^ fp be^ 

htim öat uangen in be ure beiS boot^/ t)ie boo? fiunrie Ijoobec^ 

tocchu « ^W ^«ïï^^^w^ P^^ï^ fcDa^mte 3ün tó^bcrDouben ge* 

^ toccU 



VandeBicchte. 129 

bjceft btin oprccr)tcUjchnibcöichtüïrötc6tccDten! mbmut 
toantDocl3Cel3ijnöcc/ötcljunl3ccliarcnbalfcljiïichöoo?pijfic 
iKbbcn öcbiecijt / cnhc mijn bloct met boeten actre^ Köaemic^ 
ben/encie fouDcii nlluan toiilcn eencoprecljte üiecïjte 
fp:cïieai mncc ftoiuicn liautnelijcJienlnöercIaetdc 
ti\ Dcnouöe ureDej5öooti5i]etfeni)ntjei:fonöenupt- 
fpouiueiu (O toat ö;>ccfOcpt 15" 't mp om fieiv öat Dit 
Sacrament/ 't teclfh tch tot troofi ijebbe ingeflelt/ 
toon öoo? öe Ijccf Iiept cnDe pDelöePt Der menfcljen/ 
in eene feer fcï]aöeii|clieDcdcrffenilTcberfteertI tont 
lieüDeili facijtec oft iicOtcc honnen feggen/ öan;25c? 
lijt utoe fonöe/ enb^ fr pi u beroeben tooaöenibiecljt^ 
fe bOD? eenen alleen / enbc bat met een Uioo:Dt / enbe 
OÜP fultöaec ban onttlagljcn3ijn/ oocfibanaUebc 
fonDen beö' toecelt^/ inöien g[jp öie l)abt gebaen. 

Den mcnfch.'t gö aïfo Hlbergoebertierenflen )esu, 
baei' en han geene fafte licbtec 5ijn: maer eplaeölacn 
be bebo2ben natuereen bunclugeencfaficftuaerb^c 
uod) pünelöcijer te toefen* 

Chriftus. 150e fc^ beeft ben menfcD öan niet op ec^^ 
nen tijt boo: bem genomen föncfonbe te Dieciiten'J 
inbien Ijp bat toilt boen op eenigen ftonbe / toaerom 
ftclt bp bat npt ban bagc tot bage / gelijcfi ith gefept 5Mo.3ff- 
l)ebbe/ tot bat betquaetboo^ijetlanc^bcrtoeben/ï^'^J^J^J^ 
mceröer enbe erger/ enbc ben bpanbt flerclicr \r'0:ii uptiïci'm 
toant be fcbaemteenminbertnietboo^betuptrteU hmtt 
ien/maer bermeerbert. €nbe toat grcote oojf^ihe i^ iJi«t)tnu 
baer tocb ban f00 grootefcijoemte i 

Den mcnich. 5icb en lienne geene anbere/ ban be 
b\yya(c booberbpe bcr menfajcn/ bie b^eefen oiufla- 
gen te too,2bcn booj fj^t bonniffe ban renen menfci) / 
enbe fccr ontoiifTetijtii berbiefen lieber booabegci 
liecle toerei t befcbuibtgbt enbe berboemt te to02ben/ 
ban ijunne fcOult boo^eenen tcbebennenenbebaec 
ban bip te toefen. IDp ficbben licber boo: alk mcn^ 
fcben bcfclmnnwmcfm / banboojcenehfonbigcn 
menfci) alleen onfe mif baben te beliji^en / enbe eene 
eerïijcbe bicrorie ober fp felben te beftalen. ïDp 
ïjeöben ïieber ban u in bcr eeatoigljepöt berto02^ 
pen te toefen / ban bat onfe toercncn ban eencn 
too?m ber aecbenbcrifptfoubcntoo^bcn, aa^elaeni^^-iMsS' 

ö liecre/ 



f. 



1 30 Den I . Boeck. Het V I. Cap. 

ïgcerc/utoc oogcn Ijebücn onfc onboimoecïitliept ^c^ 
ficn/öclpt onjof/cnöc b^cecfet öc bnnbcii oufci* fonbcm 
IJ bc öag Chriftus. jDat fuitöDp ellcuöiaömcnfcöDoenm 
c0 00?. öien fcïjjoomclijcben bagD/ ai.ö Ufi fal openbaren öe 
ï/uaile bccljcilentDctJcnöccöupflcrniiTen/ enfalberlicljtm 
tïcruo?gm Dctabcnticc licmn/cnöealfTtTnict liccbo:jöcnenfaï 
fakcii üet* 5yn/önt met beropcnbacrt en fnl tobben/ en bamu 
öï/ ®T »^^f Ocfept oft Of öaen tjcj / oocb in bc nieeftc buptlec* 
tjacrtjccrDj= niflTcn/fal in't licljt boo.: bc oeDccIe toerelt blijcben ^ 
öcucrne* t^ochïaec-fcDÜ"eli)cfefalbaecban bertïjoonen mp^ 
Sotmoèö?/ ^^^ ^^^ ^"^^ toaeracljtiöe fententie : %l hk Ijcm ber^ 
öebcrijcbf* Deft fal berncbcct too^ben/ enbebicDcmbecnebert 
j-uc. 14. fal becOcben toojben» 

pfai. 54. Den menfch. 3id^ecfe cn bebinofje 3ön ober mp öc^^ 
ïiomen/en bebupllccnifTen fjebben mp bebecftt: 't t.ö 
K«b. 10. fcfj^oomelijb in utoe Ijanbcn te ballen/o alniacOtig- 
fien »6obt ! 't i^ fc(}?oomc!iJf li teobcrpepnfen bc be* 
ftlagtnge enbc toee bcc cUcnbigc / tocicbc bc onnutte 
fcOacmte fal betbocmcn tot be ecutoio^ tormenten : 
tilbaec fal be boof öepbt oB^ openbaert enbc onttecfet 
iaoo?ben/tot eene eeubjige fcDanbc/ be toelcfte toaec't 
fafte bat fo bcel joncfiman.ö/fo bed bocDter$?/ fo bcel 
mannen öabben tn ijt bml)U geopcnt/ be fonbe fou- 
bc [)nn tot eene eeutoige glorie getoecft öebben»3®at 
füücn bap Ijiet op feggen/ o m jjnc 3iele i 

Chriftus. iBijnc bcpligeb^ienben onberlncfcneer^ 
tijbtöbe Bunne alfo / hat eenen .flDonincb foube ber* 
üiaten Doebecl (lappen Op toanbelbc/inbien't boeu^ 
pfai. T40. lijchbjare,-fpen fieerben l)«n ïiertc niet af tot Uioo?^ 
pc ^oö* tjcn bet boof Ijepbt/om u ontfc bulbigcn tji: ontfcbiü^ 
öKi^*^ ben tn l}f^ fonben;macr (p toiefTcD^n ^unm fonben af 
bicfijte ge- mctbicïib3ijl^cnbeootmocbelöclitebiecïuen:l^tet 
lueteii bïC5 j^qq, gbcntettcbcn fp foo grooten bjcbe enbe intoen- 
imfeiiöT ^ JölJt^ bliibtfcDapjbaer bc fonbaren gljebuerigftUjcft 
uefouDcis Obcpijnigbt too^benbanbcnbculljunbcrcoftfcten^ 
tciitoo2Dm tic / enbcfoo bed te tojccbcr/ fjoc 't fclbc bepmelflc? 
SfKS ï^^^ gcfdjicbt: fp b^ocpcn fjctfcrpent in Dunnen boc^ 
rugijt Doo? f cm I tw^z Ijct bcmidcnbcbpei:» ^l^uncht u ban bat 
öm umi ^z bïcdjtclancli uptgc(!dt bient te toefen / op bat be 
ijuniïcc draffebfej^^tclangöcr/bcbecgiffeniflTctcftoacrbei:/ 
ronmcii* enbc b' iniocnbiöli fenagDen/ oocit in 't mibben bet 



Van de Biechte.-, , 131 

tocïluftcn/ u onbccö^agdöcfter foiiliic Wfmi 3Bant 
(foomöncn ©^opfjcet fcgtjt ) öc boofOepötban €^ 
pöjaim tö tTamen gljctionöcn/5Öne fonöcn licrDo^ *^^^* ^3. 
Oöên / bc pijnen ban ecnöcc barcnDcr ti^oute fullcn 
!}em obcrhomcn» ^ietonrbecfet Die acn ccncnmet 
een tooo^öt/ enbe ben b2ebe met be fliüiepbt öe0 olie^ 
moetc? / baer gtjp naec bcrla^igtjbe / fal u toeberom 
tocftomen/enbe alle goet met Oaer»|5ocD Tp en open^ 
baccben niet aUeenlöcl! opentijjcft enbc oprecl)te^ 
liicïiBunnebjegOen in'ttêacramentbei:23iecïiten/ cafr.iib.4, 
maec fp gaben oocö een gemepn enbe felaet teccfien/ ^"^"- ^•4' 
enbe openbare feenniffc bec bupbelfc öec gebacliten / 
tnbten fu befcDaemt toaren bic aen ben <8nberlincft 
oft obecfien te openbaren : alföan toaren fp Q\}txi\^ 
enbe fonber fege al,ö fp ïjcm gtjeöeel bebent toaren/ 
toantfp bJiften alfïianbatben <öubt-babermeten 
foube toe-laten/ bat {jun meecberen (aft foube opge* 
lept bjo^ben/alö fp fonbcn bonnen b:ag!jenitDant f? 
bieöunne bracbt öabben berblaert / en b^eefben 
niet/maertecnfcötenberacOt tetoo^bem Cnbebe^ 
metbt bat befe mijne inflelünge en<0obbelöb boo?^ ^''\!^ 
nemeit feer feecber W bat ben genen bk fiemberne^ in Debicctj^ 
bert^ ifalberrjeben too^bcn. ^aeromenberliefen tcbetaox^ 
foobanigöc nopt Dunnen goeben naem/ maerber- njoeDigijt/ 
meerberen dieneer/ toantmöntooo.^btenban niet JfjJ^jbaif 
miffenen i.öonbeb^iegö^löcb/enbe mijne oojbeelen <0oDttoci?» 
blijben in ber eeutoigDept; 3Bantfoo Uh gefept Ijtb-^ Ufücn» 
be/ban ber eeub-igbept af ficbbe icb gcftelt enbe ge^ 
cjbincert : <Dat allé be gbene bit bem bernebert/ fal ^^^""' ^^* 
ber beben toojben j enbe aUe be göene bte met 't ber- 
f toögen 3ijnber fonben Dcm poogbt te beröejfen/ fal 
eerloo.ö beblüongen too^ben boo? eene te fpabe peni^» 
tentie oft lect toefen/Bet bier boo;? ben roocö/enbe bc 
toonbe boo? ben flancfe te ontbecben enbe v openba^ 
ten. 

Denmenfch. <B goeben ]e s ulöoebanige profijten 
bemercbe ith i met Doe beel goeberen/met Ijoz bcel 
beloften noot gDp on^/ om bit leelijcbe enbe fcDabe- 
lijcbe gDcbepnftDept te bertoinnen/om bat onfe sta- 
len bicbbjpIjEJ in u bierbaer blotbt getoaflfcDcn/ enöc 
$ttfe toonb^n foubcn genefen tooab^n/om böt top tot 



<Ö5obtiö 
oMtt al eit 
antfiet al 
toattcr m 
tetoercit 
om Qatu 

Pfal.3r. 



?ral,9o. 



loan. I. 
Pral.6l. 



Eccl. 19. 
Gal.3. 



lob 20. 



132 Dcnl.Boeck. Het Vl.Cap. 

u tocbijromfouben&ccrcn/ om bat top fupbcrbnti 
fjcïtm foubcn 5Ö"/ om bat tup ten laetflcn tot u fou^ 
ben ftomen/ bat top u fouben acnfcl)outoen / rcgne^ 
rcnbc met hm ©abeccnbc ben Hj. <0ec(i in bec ecu- 
totoöcpbt bcc ecutotgDeben. 

Gcbedt om wel te biechten. 

/^ Eeuwige waerhcyt, mijnen Godt,dieonderroeckt 
^^ de herten ende nieren, ick lal umijnc Ibnde belij- 
den endc niet verbergen : want indien ick in den hemel 
opklimme, ghyzijtdaer; ende indien ick nederdale in 
der hellen,ghy zijt dacr tcgenwoordigh. Ghy weet alle 
dingen eer die gefchieden , ende ghy en kont de fondc 
niet aenfien. Ick lal dan tet^cn my fel ven mijne onrecht- 
veerdigheyt belijden, en ghy fult vergeven deboolheyt 
mijnder fonde : lek lal diebclijden voor eenen mcnfch, 
als voor 11 mijnen Godt,en ick weet wel dar ghy door u- 
we goedertierenheytjfijne tonge ende mijne wegen fult 
ftieren. Uwe waerhey t fal my met eenê fchilt omringe- 
len,ende ik en fal niet vreefen van de nacht-vreefe,maer 
iioordee],o eeuwiee "Waerhey tl int welck de raden der 
herten fuUen worden verklaert, ende de verborgenthe- 
den der duyfterniffen fullen geopenbaert worden. Door 
11 Chrifte lefu is gemaeckt de gratie en waerheyt : Ion- 
dcrtj^ijn alle kindere der menfché y<iel en leugenach- 
tiginhunne weegh-fchalen,om dat fydoordeydelheyc 
al tTamenfouden bedriegenden zy ellendige fouden be- 
drogen wordcn,als zy verbergen willen voor den genen 
<lie ' t al liet, en den fnellen getuyge hunder boofheyt.O 
hoe veel fuUender in u oordeel , afleggende het mafker 
der geveynftheydt , voor 2;eheelde wcreldt befchaemt 
blijven,cn men fal alfdan licn de gewitte graven,en dat- 
7,y hun felven fchalckelijck hemden verootmoedight, 
wiens binnenfte waren vol bcdroghs. O onverftandigc, 
wie heeft u betoovert.om der Waerheydt niet onderda- 
nich te zijn ? Ghy hebt u gefchaem*t u felven voor ecnen 
menfch te belchamen , en liet voor geheel de werelt fal 
de boolheyt der acrde geopenbaert worden.O hoe kort 
is den lof der goddeloofen,ende de blijtfchap van de ge- 
veynfden duert als een oogenblickiindien fijne hoover- 
dye kliiïii tot in denJiemeXen üjniiooft de woleken gc- 



Van de Biechte. 1^3 

racckt, hy fal als cenen mcft-hoop ten eynde verdorven ^at 
worden, en die hem ecfien hebben, fullcn feggcn : Waer J^^^j^^fl . 
is hy?De hemelen lullen iijne boofhey t openbaren,ende jj^g ^g^et 
de aerde fal tcecn hem opitaen. Wee u die diep van her- [jteft iiiDê 
ten /ijcen vcrborght voor den Hcercuwen ract ! wiens öagl) Dc0 
vvercken zijn in duyfterniiren,en fy feggenAVie fiet ons, ^^J^^^ ^^ 
cndc wie kent onsrHeere ghy fiet ende aenfchoucop al- ijeclè lijc- 
le plactfen de goede ende de quade, endedaerom en fal relt öoit nu 
icK mijn herte niet af-keeren rot de woorden der boof- Hjl??r5f '!,*$ 
heydt,om te ontfchuldigen d'ontfchuldingen in de [on" ffijacnit U 




'gny 
dight hebt my tot eenenleyts-mantegeven,hemlalick 
hooren als u felven: want daer en is geenen raet, daer en 
is geene voorfinnigheyt Heere, dan die van u komt; alle 
onle vooriichtigheden zijn onfeker : ick bidde u Heere, 
geefr hem eenen oprechten geeft,op dat hy mach beken- 
nen de wonderheden van uwe Wet, dathy my opene u- 
wen goddelijcken wille , die ick feer begeere te weceo, 
ende ii alleen te behagen en te dienen in oprechte hey- 
licheyt ende rechtveerdigheyt, in ootmoedighey t ende 
vcrduldigheyr, in volmaecktefuyverheyt ende getrou- 
we liefde alle de dagen mijns levens, Amen. 

Pradijcke om de fonden te biechten. 

' €cr|!e* ^zmctcln l^at ben bupbel/en nament^ ^^«i t«up# 
ii)h op öcfen tijt Qm^^ U'i^^ iti^cc m tjenecrfttöt/ ^^^^^^^ 
öa;i om tJcimnfcljcnöoojccnegrootcötaacföcpbt/onfebictöp 
oocii fointDijlen De 43otiVi?ucl|tiac/ fonöccltnaf) De te te Doen 
b20u\ö.e?-pecroonen te öoen Dunne fonDen beef ©ö^ Hogj w/c- ^ 
öen/ücöedten/ontfföuiöigcn/cnocenebermaningeftDifgenif 
toe te laten i cnDealfoo meteene grootelooflJ^pt (ge- outfctjui^ 
iijcft Jë.Bonabentura regljt)alle remeöien tegen on- ^m^v^/^u 
fe fonDen eiii>e geö:ecc!ïen onjaft'ontrecïien» Ofjoe 
Ueel aengöcuamec jijn bcoj <8oöt De meefte fon- 
baerjs?/ Dan foobanige gebepnföemenfcOcnltoant 
bit licOtelijcliec ban befe/ om batfe ffou enbe lou 
5ijn / genefen too^ben- a:en pegDeïijch ban booi 
fjet cerfle moet öem getooon maften fönen ":BtecDt- 
©aber/cnb;?inbiert ÖP eencBi3^(igieufcn perfoon feJ/ 

3^ 3 f? 



D 



134 Dcnl.Bocck. HctVI.Cap. 

' ' 'fp felbcn oocft oprccïjtelijcft openen aen fönen(0ber* 

ften , en niet alleen fijne oeö^eften / maec oocfe öc be^f 

feonnocn enbe andere <l3oötb?ucÖtiöeoeffeningem 

2$f tet i(i ;©e ttDeebe^lKaec öoe ijoel bat Ijn oeraben i^ ftem 

f?m"t ^*^' ^^ biecDten aen eenen fefeeren enbe gefetten ^tecDt- 

V5ïici]t- ©aber/nocötan$?/tnbten fjet felbe fcfjijnt fcljabelijcft 

baöcc te te ffln aen be bjpöepbt/ gelöcft üetfomtijt^ gebeurt; 

rf ?i?^^' foen is^'t nietalleenlijcfe goet/maer noobiglj ben fel;* 

een onüoi^ ben tc beranberenieilbe men moet Ueber gaen bp ee^ 

maetktt «en onbelicnben enbe in 't boncber / ban bat be 5iele 

23icc[)tete jjqo? Ijet berflinjocrt ban ben (lommen bupbel/ ges 

fpjcKeii. |.^0(||g„ |^^n,i5j> tDo^ben in be upterfle pjjnen enbup^ 

fternt ffen. 'f€ felbe moetmen boen/ inbien men boo? 

öe biecDte b?eeft ecntgfj perijcbcl ber 3ieïe/ of t open» 

tjaringe becfonben. l§teromüceftonfe,fiBoeberbè 

ïieplige öerclte tngeftelt / bat tn ber b^outoen ï^loo* 

fter0/ ten minftenb^iemaeP^iaerjS/ boo^be^tf^' 

fcïioppen/anbcreBiec(jt-Baber^/ban ben getooon^ 

concii. ïijcben foutjc gegeben U^o^ben^lglerom bjo^t oocb in 

Truiene. |^^ aflaten tic men lubiieum noemt gemepnlijb eenê 

pcgelijchen / ooch ben ï^eltgteufen geoo^loft pun te 

btecötcn aen een pegelijcbé/ i^ie eenj2? baer toe macDt 

ontfangen ïjcbbemiteaer be bifcrete<©ber(len/en t)iz 

oprecfit pberigl) sijn ber pielen / boo^fiengeerne in 

ïiit ongebal / enbe geben ban felfje? oo?lof om aen ee? 

nen anbcren te biecDten/geltjcb spniet reben beöoo^* 

^mmtu ren te boen/ inbten fp bemertben/ bat öunne onber* 

geii<a\j£c. faten angl)ft enbenoutotlKptberconfctenttelöben; 

^iaemne^ berce i$ 't ban baer/bat 3P 't felbe fouben toepgeren 

oiiDecfatm te boen* Boojtoaer btt te bjepgcren/ fonberlinglj in 

tit btmeut i^joutoen ^loojlers? balt feer Ijert/ en t^ie om €6|ï- 

fnmS^' ffui2^ toille ï)un Ocbben laten binben/befe (bp manie* 

hn/tmm ^^ banfeggen)in(iricbenteberUjen:en/ enbe in be 

an^mn ïjaben ber faligljepbt öaer be pookte ber felber / ep* 

bi«ijt-ba^ laeiSlteflupten^êierom fteefttoelboo^fifbtelijcbge^ 

Supcftf ö^^" ^^ faligeH^oeber rCcrefa in öare a^b?e/ 't b?p 

* * berbiefen ban eenen BiecDt-baber gebenbe* <5W 

fin fioe grootcnb^pfjept men ftier moet geb^upcbé. 

^Daerom en ban icb niet geraben binben / battrieti 

be biecDt-binberiS aenloebt : maer ben raet ban ben 

gertoeerbigen ^* 3tibare5 ijt^i^ft mp aUijt goet enbe 



Van de Biechtc. 135 

öe tjoorcn cnbe ïjelpcn / bic ben l^cccctot (jemfoubc J*"^^»"^^ 
gcfonbeii cnbc gcftiect Bebbetij toant boo: befc accft ur/djt.ija* 
ben ^eece Ocm ocatie/cnbe (om foo te feagenjfpijfc/ Deeg pe* 
toaec tneöe Op Ounne 3ie(en foube fpöfen:enbc b'oot= mam tot 
mocbigljcut toijlt bit oocft upt j toant inbicn een pe^ S» "'' 
geiijcfe een anbec betec ban fp feibcn acfjten moet/ fo mattmot^ 
moet ï)p oocfepepnfen/ bateen anbec bequamert^ ten doo^ 
om be 3ielen te Delpea : en niemant en moetïjem (a^ J^oöt^tgt" 
ten boo2jlaenbatï)pbaerombc(ïuamccij3?/ om bat jju„ gefa.i* 
l)P mitTcljten geleerbec en ecbarenbec i.e? / aengefien oew toojöc» 
|3P tocl toeet/ bat öet 43obeaïIeentoeflaettetrec^ 
feen/ te genefen/ enbe be 3telen te (tieren tot Det epn? 
tie enbe be bolmaechtOenbt / tiit öp öun öeeft toege^ 
fcöichtniiaer bat be boojficDtigfjeben bec menfcfieti 
öeb,2iegclöc& enbe onfehei:5ijn«^^it boo2nemen X^an 
fommige toon oocö boo: (offelijcfe geöoüben/bat 5P 
ben 25iecöt-babec gebjupcften / bien ben fteece m 
OunnengctDOonelijcheriltbelofDiecöt-plaetfegeftelt 
geeft / enbe Ijier in bolgen met ootmoebigDept func 
©abcrlijcfte booaficfjtigFjepbt- ^^ toecr tuten Ijp tot 
pemanben fepnt:alfo (jceft Bp gcfonbcn ï)j)iiippum 
tot ben gefneben 3finaniam/ tot ©aulum / ©etrum 
tot Cojnelium / enbe Op en Oeeft lic niet alleen ge^ 
fonben/maec oocü ban té boren onbec-recOt/ toat fp 
moeiten boen/ ja bat meer iö Oeeft befepnbtnge tot 
Co2nelium met een miraecfeel betupgOt. 

^e berbe.U^en moet tot eenen BiecOt-baber ber^ m't moet 
liiefen eenen geleerben / boojficötigen/ rijpen man,- "'[«^ 9^=' 
niet liit beel enbe bfcpenbe tDOo:ben geb2upcftt ; icfi ilc/önuii, 
fegge bat boo2 be b?antoen/toant befc gelp fp moe- dc <öoDt* 
ten fcOoutoen be gemepnfaemOept met ben 23iecOt- ^mumm 
baber / moeten fp oocft Oun toacOten ban bicfetoijliJ* Sct^KjbS 
Öem te befoeclien/enbe langö t' famen-fp?eöen/'t en ^u 
toaer fulcfeö ben noot berepfcOte; enbe bat moet alf^ 
ban met fe02te tD002ben gefcOieben/enbenoptfonbec 
getupge/altoaer'toocfe eenen <i:ngelupt ben l^emel: 
alfa Oebbcn alle l^.3^20^U3en enbe£Bannen gebaen. 
^ie eenen anberen begO in-gaetalsOpöan / en 
bolgOt be boetftappen bec l^epligen niet/ enbe moet 
b2eefen be (tcaffe sijnbec UermetelöcöflePt» 

Il 4 ^e 



1 16 Den I. Boeck. Het V I. Cap. 

^thitc\]tt ^ebtcrbc. iDennioet in 't biechten fönbcrfon- 

iTrö°f' ben iucr op toel kttcn / öatnien 3!i-fdl3en Dncctoe 

fo;t en bêöclje UKi öicpijrontiialjcootmoebigfjcpti batmca 

hiltt iDt' fijn fonbt' uinfp^efte mer goeöe o?b;'C;mct clarc / ge- 

f*^"» fcl)icïitccn iione tDoo^öcn/acljtcrUitcntic öc genera^ 

Ie befcOiilöïngc/öie gecnefonrcn in't Dpfcwiber en ra^ 

ftcnj en Ucin bcei pcrfooncn onber conöuie of befp?cf{ 

too:t!cn gclncc[)t: (üp cjCcmpeljgrïiOiccfitc mv ban 

afijtcrïilap/ iö *t önt ith nclucrlilap gcfpjolicii !icb^ 

l)c;cn fo linn anbcrc fonDcn/fcfjonbjenöc ooch fo bccl 

alé't mogdijch t.$f lange p^opooftcn en Ucrijaelfclen/ 

fontJcrltnglj in*t gene bat befunbeiljeptaengaetigc:» 

nierht bat ccix iawth bcrfjael of öefcijulbüige tn ti^fc 

\mtctktiUl\>m)i^ ntetfonbcr pevijcüel cnts^ / foo 

I1D02 ben genen t^ie Oem Diecljt/alö boo^ ben^iecljt^ 

babcc : 't i^ genoeg öatincn uptfegt be gebacnte ban 

öe baebt oft fonbe / l):it iö / be Ciccuniflantieof om- 

llant/bie befonbefiuaerbcr maeht/ geiijrifijn b'om^ 

ftanben ban benperfoon/ofbregeöout/ of bie BtlU 

gteii^vof bie met beloften befbonben tsf. ilöaec toilt 

gljpubeguamelijffe berepben totbe biccbte/ glie- 

I)>u]kïthtöemaniereban*tgemepnonberfoecö.i€en 

i^ banclit a3ob bat Ijp u t})t ban penttentie l)eeft ge^ 

gcben» i^cn 2. bil^t om lici]t/op bat g!)p ubie fonben 

jmamtu mooglu bchennen / enbe tik becfoepen. €en ^ on- 

toaufime bevfoccfet lu (€en 4. bccbjecht leettecfen. léen^r^ 

f o.ifcifütie m^^^^iit f>i>i\ )jafï boo^jnemen ban u leben te beteren ; 

io^clvi/en enbe g!)p fu!t u feïben mogen onberfoecfien toaer in 

htm tat De iiliwtegen ^ob/teg:n ulDcn naeflen/ en u felben ge^ 

i):£ci)tc te )'0ubtgl)t Oeöt met gïjepepfcn/ tooo:ben/U)crclien en 

mt^miu ^^ijfcfiatcn : oft obeiloopt De bierchen ban ben ba^ 

ge/enbe bergabert bjie oft bier / (aïjTec niet fmaers? 

rn i^ ) om u baer ban in be biccl)te te befcOuIbigen ,• 

mact' boet meeft u belle om een toaeracljtig (eettDe^» 

fentebccioecaen/en fïctcU booznemen ban beterin^ 

ge te mahen. 'i€ is? feec gcraben om eene beerbigfte 

btecfite te bocn/in't bagelicr onberfoecl^ aen te telïe^ 

nenljctgene men moet biecïjten: tot (jet leetbiefen 

f:jl grootcüjcös^ ÏKlpen te lefen be maniere enbe ber^ï 

tttechingeber felbciv boo:ge|leIr/fol, 1 19. 

;2^ebiifbe4?oeb3cl 'tbiehb^ijli^^biecDten tep?öfert 



Van d.e Bicchre. 137 

107 nocDtansf moctmcn nier in \x\C{tiQX)tpt c^chmpu 
hvx 3ïcn Dc P^iellcr^ fouDc icU rnbcn Ijun öaö^licx 
u üieciK^n na ijct iTcii^pcl Dcc X^cpitacn;maer I1002 i^ocuifK* 
lic vöoDib:nclnig(K tocrdtfclje mcnfcDcn/ije? 't öDe^ Sii^^ 

llOCiJil CCllÖ OflttóccmcUl0tn öCtDCCCllCljCtfdlJCtetJatmcljnn 

bocn/enöe Dat in 't ho^t j 't en tuaer öcn noot anöevö ustijtc^ 
Ijcrepfcntc. jt^cnnioctlKmtoacDtcnöatöcDiccijte 
tntt en acrcfjieöe 0002 ecne getooonte/ maee een pc-^ 
gdiitli moet Ijcm pooQcn blealfo te öoen/ al.sf oft l)p 
nac De feiljc rcrftonDt nioefte jlerben ; noct)tan.^ niet 
fcrupnleurelijfft enDe met anaft» '€ liOf feer p2ofötc* 
Mjclx enDe falia!) D'eenc biecOte bp D^inDere te gelijc^ 
Iten/ enDe Dier upt Denierelien \3)at boo^tgancJi men 
ceöaen fieeft. 

;De feite. Bele fiebben feec tocï befcDjebc met toat 
f efVneerDtgfjept/ botmoeDiöljept enDe maniere men 30dt buu 
moet biechten: fjierom ich Uermane alleenlijcfe ïjier ulf "i" .^.^ 
eene fafie/ te toeten/ al0 Den oenen Die öem bieclnen te moet 
toilt/rijnebao2-biec0tefp^eelu: IkbelijdevoorGod, jjcpfou 
écc. oft Den Confircor , Sec. Dat ()p acnmercfec enDe 
erptfrelijchpepre / Dat Dpnietenfpjeecfetaeneenen 
menrcl)/ maécaerïC^obt/ boo^toienalleDingljen 
lüaei* enbe openbaer 3i)n / enDe niet en betcoutue op 
ccnige menrcl)e!i)cbc"boo?ricOtiööept/ maec op 43oD 
alleen enDe fijne onepnDeiyclie gratie ; Dat Ijp Daec 
ttomt al.ö cm getoattcöen te tDOjDen in't bloetCfjai^: 
fti. ZDaer naer als ftp gehomen t$f tot Defe tDOO:Den : 

Mijne aidcrmcclle Ichult, Oft Mea maxima culpa ; Dat 

l)P toeDerom bertocctte leet toefen/ enDe Daer bp tJoe:^ 
gcnDc ten minjlcn met Der ijerten:' € i.ö mp leet/Dat 
tch\3002 foo UceltelDaDen / foo grooten lief De ban 
mijnen a3oDr/ anDer^ niet Dan fonDen in toiffelingc 
oft UjeDergifte iycbbc göegfieben. '[€ i^ goet Dat Dit 
tnfglielycfijsi gefclueDt naerDebiecDte/ totDefelbe 
teoo^Den Diemcn gemepnelijcfe naerDebiecDtc(]erï= 
Ijaet't. SnDien hc ^onDepDt Deö tijt^ niet toe en laet 
èene lange booabieclne te fp^eften/ foo moctmen ten 
mmfleneenehbnc gfieb^upcfien/ te toeten Defe of t 
Diergeliiclie: fjücö biecötempboo^ <6oD almacimg/ 
De l^^ Maria, alle i^euligen/en u BaDer/ toant ith te 
beel D«?bbe gefonDiot/ 't i^ mijne alDermecfte fcüult,- 

U 5 oft 



i^g DcnI.Boeck. Het Vl.Cap, 

Oft itt 't Sldttin: Confiteor Deoomnipotentï , B.Ma- 
KiyE , omnibus fand:is , & tibi Pater 3 quia peccavi ni- 
niis,mea maxima culpa. 

5Cl30f aOp nu op öc lï002feptie manfcre utoc bktljtz 

öcfp^oficn fjcbr/ cCcn cerflen/ looft <aob: (€cn ttoec* 

öen / üegecrt gratie / op öat oÖP u moogöt beteren; 

mifirout op u felben/en betrout op <0oöt : Mcu öer * 

ben/ bernicut uboo^nemenj boo^2 alfoo bcel alö gljp 

iiondt/ Uooiftet b'002faöen/enöe neemt boo? u öie te 

asat ttót^ fcftoutoen: i€cn bf erben/ bolO^engt utoe penitentie/ 

iTicitna öeicfenbeöe43l)eDeDen öie u bebolen 3ijn. <0ljpfult 

mortW öaer mogen üpboegcneentgïje hnflyöingfiebeölic^ 

* fjaemjs^/ al.ö foube mogen spn ongcmacfte(öcfi fenic-- 

lenbe / oft pet biefgfjelöcbjBf bat bet ücOaem moepe* 

Ipcfe enbc pijnelijcli balt ,• oft toel geben eenigöe ac^ 

moeflfe/ ten minften eene geefteiijcfee/ bibbenbe booj 

«toen naeften / enbe fonberltngöe boo? be gene tk u 

niet toel toegebaen en 3ijn ; toant alfoo fult gfipbob 

b^ocOt 8ebben be b^ieberflanbe manieren ban goebe 

tuercften. 

Gebcdtnaer deBiechte. 

Pfal. 88. T Gk fal uwe [^henaden , 6 Hcere , in der eeuwighcy dt 
*• verheffen , die my foo dickvvils in u dierbaer iDlocdt 
gewaflchen hebt , ende in het badt uwer tranen , die ick 
cylaes ! uwe Goddehjcke Majeftcy t , foncier beweeght 
te worden, fie ftorten. O oneyndelijcke goctheydt, hoe 
grootclijcks acht ghyeene ontrouwe ziele, waer voor 
j;hy'tHemelfchpalleys verlaten hebt, en uwe ziele te 
pande ghcftelt ; ende overghegheven m de handen van 
mvc vyanden ? Ghy hebt u ert-dom ten lactftcn aen- 
gefien, ende met lanckmoedigheydt tot penitentie ver- 
wacht , ende niet verworpen vanu acnfchijn , maer wel 
alle mijne fondenin 'tdiepftederZce. O Heere ver- 
fterckt doch het ghcne dat ghy in my ghewrocht hebt , 
ende weeft mijns bermhertigh, opdat het lactfte niet 
ergeren zy dan het ecrfte , naer dat ghy my ghebrocht 
hebt totu lieffelijck omhelicn , door ecne quijdtlchel- 
dinghc aller mijndcr fonden. Och oft ick brandedein 
uwer Goddelijcker liefde , op dat door mijne groote 
flappigheydtmy niet benomen en worde, ende aen een 

ander 



VandeBiechte. t?9 

ander gheghcven, 't gene daticknughekrcglicnheb, 
ende dat ickmy doch niet en verworpe tot mijne oude 
Tonden. O beminner der menfchen, 't is my leet,dat jck 
u tot ecniger tijde vergramt heb , om dat ghy goetzijt ; 
niet ten opfichte van de helle , oft dat ick de hemelfche 
vreughden foude moeten derven. Och , oft ick dit loo 
mocht gevoelen, gelijckmen gewaer Wort cnde gevoelc 
't ongemack des lichaems, het verlies van kinderen,van 
rijckdommen ende tijdelijcke goederen, 6cc. En noch- 
tans die u verheft, verliefet al,den hemel, de hulpe end» 
byftant der Heyligcn,uwc vriendtfchap, cnde alle goe- 
de werckcn. Ende ghy,ó Heere , en hebtonfe goederen 
"van geenen noode,maer \venrcht,datick hier faliglijck, 
cnde hier namaels eeuwelijcken leve, ende dat met een 
geruft herte,'t welck metii vereenicht en aen u gehecht 
'/y.Ick fie het Heere , ende ick ben befchaemt, en als- 
dan meeft, als ick bemercke ende overdencke , datmen 
ten opficht van eene ydele glorie, ter begeerte der rijk- 
dommen foo veel doet,ende dat uwe liefde foo veel van 
my niet verkrijgen en kan: macr ick bidde u wederom, 
vergevet my, o Heere, vergevet my, door uwe verdicn- 
ftenende het dierbaer bloedt van uwen eenigen Sone, 
den wekken ick uwer Goddelijcker Majefteyt opdra- 
ge , cnde in de vereeninge van lijne veidienften , al het 
gene dat my aengaet , om u te dienen. Waer door ick 
voortaen betrouwe ende verhope , maer Ibnderlinghe 
door uwe gratie, een nieu leven te beginnen. Komt my 
te hulpe alle Godts Engelen, alle mijne heylige Parroo- 
nen , op dat ick al het gene dat ick in de tegenwoordig- 
heydt van de alderheylighfte DricMjldigheyt, ende \'an 
u- lieden alle voor my neme, door de Goddelijcke gra- 
tie foude mogen volbrengen , Amen. 

Het ghene datmen doen moet naer de 
generale Biechte. 

C get ten tttftm / ïm Dat gDïi nu met grooten ar^ <5rcji tn* 
"^bm/ met öcn bedoren fone in oratie ontfanocn "^f^^^^f^ 
3ijt/ enbe Oebancfet 45oht mt fietfrinnenfieutoeCnioctmm 
Öerten/ enöe lio(oöt iBaaöalena naer/ entie maecfet <!Bod Danc- 
een pjopoofl/ Dat q\)p naer üaer exempel/ al öet f^ssD^iu 
gljene öat gDp totnocD toe gDeb.^upefit fjebt/ om 



l4o DcnI.Bocck. HctV-I.Cap. 

te pöeïljcptittiefcc toereikt tzbimm/ UDtlt<©obcalj? 

macljtiaU toe-epGcncn, 

cni ttoce^ i^cix ttoceöeii / (act u boojltaen/ bat hit tot u oBc^ 

Sen ban ^^^^^ ^^ * <^^^^ öDp ^Üt UU g^fout gemacf ïu/eu toilt 

met mctt nu met mccc fonbiglicn / cnDe lïcrU)cxht m u felbeii 

te faiiDigc» toebcrom cm toaeracDtigl) Dcrou/ in t}c teoentooo?^^ 

loan. y. jjjgf^j^pj^t \^r^ix 43obt almacljtigf)/ cnbe alie 5ijne lie^ 

belijepligöen/ bic gijp Wcl* toe fult nemen tot glje^ 

tiipgcn jenbc belijbt boo^ fjaer-Iteben/bat gijp in bec 

ecutoigljcpt niet aftuijchen en fuU ban be gljfbobcii 

45oht$* 

ceii öet^ rCen berben / oberïegïjt toelcft bat u ^uabe gencp^^ 

ijni/bao?t- geUjc[iö^bcn5ijn/ enbeboo^naemfteoccafienbieu 

?/" J!.f// tot fonben brengen,- enbe laet u boo^fiaen bat gbp u 

bhetiaw bejie moet boen om befe te bectoinnen: toant l)it fjet 

Dm fcbou^ perijcliel bemint/fal baer in bergaé, €n befen boo?^ 

g.^"* toaer en fcinjnt in geenbec maniere tot een oprecljt 

' ^' berou gehomen/ en toaeracötelijcïi tot <0ob befteert 

te 3ön/ tfcn loekfeen / teel toetcnbe bat ïjp boo? fulc^ 

lien oojfahe feec biclitDüo gebaUcn 10/ m boo^'t bili^j 

toiljj ballen altijbt ferancïiec en ftrancfeec getoo^beit 

iö/en niet tegenftaenbe ijem b^ptoilligüili in t)it fcU 

he penjcfeel teeberom ttelt/ bv exempel te ftanteren 

nietongelijliepecfoonc/metbjoncfiaectia?/ etc. ,§egt 

ntp ter goeber troutuen/ toaer 't fade bat gijp ttoin^ 

tigljmael op be felbe plaetfc / eene groote tijbelijcfte 

fcljabe boo? 't bcrlic.$' ban goeben geöregen öab / en 

font gl)p be fcibe niet fcijoatocn ^ HDacr 't bp albien/ 

tiat gijpop falcliaiplaetfe boobelijcligctoonbtljab 

Oetoeeji/en fout ai)P befe niet blieöen i il3aec 't faltc 

bat uemnnt biclitoii^ liabbe gelneefl in bangier bait 

fijn ieben/ban fcliiw-b^afee te lijben/ban berlieje^bnn 

eere enbe goeberen/enöe fp-felben noclitan^ toeber^ 

om toiltenief enbe toetcns?/ fonber eeniglie rebene oft 

ooifalie/ in be felbe perijcftelen en bangieren toierp; 

fout gftp gelooben/ bat öp in aller manieren begeert 

jbabbe ban fcliip-b^ifie t*ontgaen/of t tocl eer/bat Ijp 

Ijcefttoiïlen berlooren loopend ^efgljcljjcftenbe^ 

i)oo:tmcn neerftiglienbe boo2fKDttöl) te toefen/ om 

alle perijclielen / hie onfe 3iele ecnigfm.e" fouben mo^ 

^m Ijinberen/ 1' outgacn» 



Van de Bicchte. 141 

^kt me bient oocö te btmmluw/ tot tont geb^eö 
top meed öencpa0t3ün/ toant een pegeJijcli tjeeft fe^? 
!iecefauren/ljDaeruptö*anöcrefp?upten;befemoet' 
men uptroepen/ oft toel ai^ fontcpnen toefloppen/ 
't toeift fal tibnncn oefcOieben/ öoo> Ijet befonbet ep 
amen oft onbcrfoccft ( altoaer top naberljant b?cebcc 
af fullen fp:efecn ) en 0002 cenc fonbeilinge neecjliö* 
|)ept/om oaö tn alleö te beuUcrben cnbe te b:efien» 

(Cen btecben / obericgt neerftelijcft ïjet gene bat u ^«^ b«» 
te boen flaet/ en fitt öoe bat gD? utoe toerchen beter Ifl Jf]{, 
enbe bolmaeclitec fout mogen iiptcecöten* aiicé netcc 

€en bijfben/Demeröt toat bat u fonbe moepeltjcfi Jj^ï»""»* 
en ftoaec ban een anbec aengfiebaen tooaben/en toat Jij?M^ 
ubie.$ acngaenbegDemepnelijcli placïjt te ontmoet bccepöm 
ten: en ten eerfien/neemt bit ban be ftant <0obtö tot tot \m^ 
boïboeninge utoec fonben/ en baec-en- bobcn bcrept fa«nt)cpt* 
u baec toe nocD op anbece manieren / om liet felbe 
filoechelijch te berbjagcn. 

Patroon van goede propooften , naer de generale 

biechte, dienende om ons leven te beteren. 

T> gpelijcf! boo2fien fjebbcnbe ben (iact enbe gDele- u p?o* 
■^^gentfieptmijhber confcientie/nemeicfi boo^ mp W^^l 
met^o'bt^Duipe/ fmiTtt 

€en eerften/ bat icfi toel en CÖ^iftelijch begeer te nc naDigcn 
(Icrben / en op befer maniere mijn lebcn toil acnlcg- '^^l^^- 
gen/aengcfien bat foobantg be boot i^/alë tiet boo^ ^^^^*' 
gaenbe f eben getoeeft i^ : oberfulcftjS beriuefe icit in 
öcfcn toeg/enbe in ïjet gene bat mijne 5ielefalig!)ept 
aengaetN. ben tDClcfieii icfitjoube boo^ecn geleert 
en C>obb2uci]tig man / cnbe neme boo^ mp/ben fel^ 
ben mijn gantfclie 5icle te licnnen te geben / en 5ijn^ 
onberteijfingc bie^ acngacnbe te boigen/ enbe tich^ 
toö(0 mét ()em te fpaché ban (iet gene bat ben bcojt== 
ganciiber felberae'ngac^i boonö banftem teber^ 
focf Iien/ bat Op t\M^ b^nelljcli / enbe fonber bermpen 
ban allcïJbermané. i^eipt mp (jier in/ mijnen ^eere 
enbe mijnensöob/ toant gbp ^i)t43ob mijne flercftte/ 
enbe mijne tocblucbt ; en it\\ en begecre anberö niet 
tian tl te foecficn enbe te beminnen upt ö^Jt alberiïin' 
penft^ mijnber Derden/ ^meiu 

(€en 



I4Z Den L Boeck. Het VI. Cap. 

a. p^oi! i€tt\ ttoceöé/acnoacnDe mijne 5teïc/if! mim boo^ i 

m^MttrT ^^ öefclbe ten minjien aüe becrtDicn öaoen met Ijct 

m^ntl ^* ^aciament DejJ aPutaece? te fpöfen / maer alle 

iiiccijteii / acl)t öagen öoo^ be 2^iecBte te fupberêjtoant ich fte 

£!°k" ri l^l^eclücö bat itli boo^ lang bepben bichtuilö bebzo^ 

mewcaat 0^" ^»''" oetoecjl/ enbe feec gebooft Oeübe/ acngefieii 

bat ith boo2 !jet uptftellen altybt ongcicebei* ben gc^ 

too^ben / enbe bat ich mp in geenbet manieren bp u 

inönen almacfjtigen <6ob en fian ontfcljulbigen/ tct 

tjo^fafee ban möne befjommeringe,- toant ti^ ban bc 

5iele/al(e b'anbere bcfjoo^ben te boben tegaen» gjcU 

befcljame mp grooteitjcfi iefin be tegentooo^bigDepöt 

Xi:\\\ utoe <ï3obbeli)C&e|Ba)e|lept/ bat tcft foome^ 

nigljmael mijnen tybt onnuttelijcö obergljeb?ac{)t 

ï)cb met fpelen enbe boo^ (ebigljept/enbe occafie ban 

ceniglj tijbelijclj güetom/ foo fo^göbulbcUjcii \3yaa^ 

OÖ^nomen Ijebbe / enbeaïleen beconacijtfaemt fieb / 

J)et gene batmijnbec 5iele faligOepbt aengaet» 

©angtfcts gicfi neme boo2 mp bcfelbe te fpijfcn met getgc^ 

te gcbcöm ïjcjjt/ enbe u €^obbelijcft tooo^t/ bagelijcliö iBiffe te 

cHbe Daae-' Öooren/ mijne confcientiet'onberfoecfecn / enbe ten 

itjcrümifTe minflen een Quartiec ban eene ure te befleben in ijet 

te Dooteu/ jefen ban v^t goet.ö» 3Bant iclt öiec toe lebe/ en baec 

TnnfSie ^^^ a^fcljijpcn benjenbe ijö 't falïe bat mp geboben i.ö 

roiiicc» altijbt te bibben/ï)oe fal icö bit Jjonnen acfjtgrlatenf 

focchcin (önber be fiecfttê mönbec5iele/fal ith alle neer|Iig> 

Jjept boe ban befe faiue N. boo: al te genefen boo2 u^ 

toe gratie/gdijcfierb^iio' icli foiibeboen/b^aer 't faftc 

bat lU met ecnigc licbamelöfee fiefue bebangé toaer* 

i^an 't lic* ^engaenbe mijn licOaem/iii fal öicr in toel toefié/ 

f a^j" "j" geholpen 5önbe booj ntüc gratie/bat ih 't felbe nim^ 

te fJSfen "^cï^ïtt^^ï^ foo tecitcriijcfi en fal anbeifjoubcn/ bat 8et 

'*^-" * utoeraBobbeiijfltem^aiefteptbjeberfpannig balie: 

maer fal Det in fulcfter boegen temmen ! met mate^ 

iijcli eten en bjincfeen/ feleeberen en bermaftingcn / 

tjelpfe mijnen (iaet toelaet/bat fict altijt bcquaem 3P 

om be 3iele onbcrbanigl) te bjefen en te biencn/maec 

Utoe <6obbelijcbe iBajetlept boo? al. ;i^aer-en-bo* 

ben fal icö m jjn upttoenbige finnen/fonberling mij* 

nc oogen/ooren enbe tonge betoaren boo: utoe öulpe 

tnbpftam/alii^öcpooiunm b^urm inijnb«ï^3tei^- 

(Cm 



VandeBiechie. 145 

(CenbertTÊtt/ aengfjcfienöaticörcïicmnocmoet s.f^n't 
öeben ban mijne ooeöerl( toant tiet u al toebeöoo?t / gcb^mpcn 
lenöe bat icö ban öe felbe alleen eenen aetrouluen Jï5Jööe' 
uptöeplöer göejtelt benj neme ith ten eerjïen boo? S«rL^ 
nip/öe felbe niet al te fo^ofibulöelijcf! te beraaöeren/ 
maec matelijch gelycli bat betaemtjfoo om myn le^» 
l3en t'onöec-Douöen/ atóoocfeomöegene/ hitith 
fcljiilöiö ben te betalen/op öat 3P öie mijne D2oeöer!S 
en feinöecen ^odtjSf 3ün/ in Ijaren noot enöe oebjetlt 
niet en roepen naec ben fjemel om tojafte tot u / hi^ 
eenen ©aber 3ijt bec bermöertiööepbt enbe genabe» 
Cen ttoeeben/op bat tcö mijn Dupfgefin eerlijft naec 
mijnen (laet macDonbec-fjouben/ enbe niet na get 
fot enbe l}\xnit^ goet-bunr&en beö toerelt$?j toant tcfe 
niet en begeece cijcfiec enbemacBtigectefcDijnen/ 
ban ich toaeracötelöcfeen ben^ (Cenberben/ tot eene 
matelljcfee en tamelijclie recreatie, a^anttoatiffec 
leelijclter ban be rijcbbommen/bie met Octfireet en^^ 
be ben fueren arbepbt ban arme menfcljen enbe ban 
mijne ouberiS bp een bergabert 5ijn ; toaer mebe icfe 
ben Demel fean feoopen j enbebe arme enbe öongeri^ 
ge menfcljen/bie mijne bjoeberj^ 3Ön/fpöfen : teber^ 
tjuiftcn met öet too^penban eenen teerlincfei <$u 
gcft en fal boonaen niet toelaten / bat ben armen te 
bergeefjg boo: mijne beure blijbe roepen/ om een 
bmfizn b?oobt.0' / enbe bat ich baer-en-tuffcDen on^^ 
nutteUjcït fal berfpefen/ fjet gene baerbeel armen 
mebe foubcn bonnen gcfpijfi to02ben/enbe a3ob fou^ 
öcnloben enbe bancben/ toaerboo,: ich met eenen 
ban ^m fiemel gebenebijtfoube too^ben. 

Cen bierben/ alö ith rebeninge fal gooren ban 4*©an't 
mijn Oupfaefin; Cen eerflen/en falib mp niet opge;^ j^pctm 
blafen b^agen/maer fal mp laten booafiaen/batmij;^ ^^"ï?/^ ^^' 
ne bienaergf/mijne mebe-linecöten 5ijn..Cen ttoeebe/ * 
fal ïjaer-lieben ban nootfabelijcbe bingen boo2fien. 
iCen berbtn / fal befojgen batfe ten mntjten mijnen 
<0ob alfü neerftclijcb bienen alö mp/enbe en fal niet 
anbersf toelaten / ban bat 3P ten minjlen alle maen^ 
ben eenö te biecfjten fullen gaen/enbe ontfangen Det 
ftoogljtoeerbiglj i^^^gacrament/bjant öet en i$ niet 
reöelöcfe/ o l^eere/ batieli gebient bjo^be/ a\^ ith u 



144 Den I. Bocck. Het V I. Citp. 

gcettcnbicniïcn DclDijfc. ^oobeelalöacuötictccnf^ 

oe andere öic mp onöcitDO.jpen 3lin/ fai t)cf02acn Dat 

aUcbererocrinaetocclj-ptjcnonicn/ cnöecènpcoe- 

Ucö fo tjaeftnljDi 'r mogcljjcfi Wïccln qctitmx Ido?öc* 

y waix of' (^cn böföcii/ljcb it\x bp aip fciUc oUcröocIjt/toacc 

nicn 10^' JcJiiJnn Officie toealKn tccUciüonDcu ben /enöcicli 

berboiiDcn ücbinöc/ O ijcecc/ öat icff mpt'oo bcd tcnaTltigcc 

15 »«rfiC' moet üegeben totceiiooetenöe<0obtb^iici|tiO[öle^ 

iym onuoeeröiaf) / oiitfanalKn JH'D. i:>oon35 1^ nip 

beel te boren jaelionieu / fjet mith icli ter ceren ban 

uUjen a3obbeliJclien öienjt faf iionnen te tocrch ttel^ 

Icn / ()ct toelcd icfi alii^-nu in be tegentooo^Digficpüt 

ban utoe43oDDcincfie JiDaieftept neme teöoen n! 

«?♦ 19.111 f€en fe|len/icl! fit l)at ith groot actjt moet nemen 

gmmxtijt opöcntüöt öïegOpmp berleentOebt j biant bcieu 

filfH oöfï f^^^ hoftclijth i$ I enbe geenfniö te f)erOa(cn : Itiner^ 

« tjengeiu om tcfi ben fclben alDuö \iz'^t^\i ïjeü; ten eerflen/gc^ 

fijcö bit mijner 3iclen faligOepbt nutenbe p^ofijte^ 

lijch foube mogen toefen / enbe boo^jS naec (jet upi^ 

toijfenbanberecOterebene/ enbefoobeel aljefmij^ 

nen eben-nae|tenban mpfoube mogen berepfcfjen- 

7. ï^aii (O^cn febenllen/ aengefien battec niet gcbonbcn en 

fftiap « too?t/bat fo fcer fielpt tot een goetleben/al.ö öet ber^ 

Uchif ftiu iieeren met goebe mcnfcfjc j fo foX icli bufbanige ber ^ 

fiiefen / x^u \i\x toel toete \iM utuec ^aoblijcftec ,iDa^ 

jetlcpt getrou 3ijn : en baeromme bie fulcfij^ niet en 

^ijn/fal icfe met alber neer|lig?)ept fcöoutoen. a^Dant 

\yzi Qiiaet gnet ailengflfen^ boontje? / enbe ftan 11 niet 

aengenaem toefenj gfjciijcft oocü aen geenen goeben 

©aber / oft ^^lintit \\\\\ beöagcn bat fönen fone oft 

ouberfaet/met fobanige menfcfte.n berliecre/bie niet 

anöeri^ en begeeren ^^lw raebt te fiaen / ftoe ben fone 

fijnen Baber fonbe majjen bermoojben/ oft ben on* 

berfaet fijnen l^ontncötoeberfpannig ballen. 3Bant 

\i\i feibe boen be gobbeloofe menfcöen/ onioJ bertuec^ 

Itcnbe en locfeenbc tot be fonbe / toaer boo j €()?iftn.ö 

tjnfen^nligmanertoeberomgecrupft/entïebjpbje^ 

berfpannig aenii mgnen^3eereenbe<6obttoo^ben» 

s. ;8>t» tri» ^en ac(u(len / enbc o^^ bat befe p;opoo<ten ba(l 

wf t?SSf ^n^c gebuerigB iwocöten 3ön / neme iels <€cneer|lcn 



VandeBiecbte. 145: 

tïOD? mp/ fjïcr af met mönc -rviccfjtbabcr alle beer \l%^Jl^* 
tliien öagcn te Ijanbclcn» Cen tttieetjen/op öattclt 't amuon* 
felUe beter te teer cfiemocDtcjlcaen/ fofteKeiclimp öetDouöi* 
feibenöefe pene ban een aelmoeffeupt teöepfen/'ten 
3P bat ithtii N. geöaen Oeübe. f€cn berben/ iiS 't fa^ 
fje bat öet mijnen ^Diecüt-baber goet fai btnben/fal 
ith mp ft iben boo? eenen tijbt berbtnben / met eenc 
belofte ban een fefiere penitentie te boen/ in gö^^^N 
ïe ttii tn acüKcc^:e ben ban te bolbaeixgen 't gene tcö 
boo?-genomen Oabbe. (Cenbierben/icönemebooi 
mp bitfelbe bagöelöcb.6* '^^ mo.2gÖen52S te fterlefen* 
(Cc« böföen / ten miniten aile bjeèen oft maewböV 
bit oocö aenbacöteipcö te oberleggen* 

Gébedt, om te verkrijgen volherdigheydc in 
ons goet voornemen. 

OHeere Godc , Koninck der Koningen, ende Hecrc 
der heyrkrachten , ick belijde u inde teghenwoor- 
dio-heyc van u geheel hemelTch heyr, dat ick uwer God- 
dciijcker Majefteyi tot noch toe wantrouwigh gevveeft 
heb, daer ick nochtans ontallijcke weldaden van uwe 
milde ende liberale handt ontfangen heb, dewelcke ick 
niet tot uwen dienft , maer wel om tegen u op te ftaeii ^ 
gebruyckt heb. O Vader der barmhertigheydc , weeft 
mijns ecnadi^h; wanthet ismy hertelijckenleedtdac 
ick gecTacn hebbe , ende ick kome met den verloren So-* 
ne ootmoedeli jck gratie ver foeckende, ende worpe my 
ter aerden voor den throon van uv>'e glorie , aeniiet het 
maeckfel uwer handen. Siet ick verfake den duyvel,d(2 
wereld t , ende aJle de pompe der felver , ende neme dit 
voor my N.N. in uwe teghenwoordigheydt , ende te 
fchouwen dele N. occafien , door dewelcke ick fo dicle- 
wijls gevallen ben.Ick wete wel dat ick inden dagh des 
oordeels niet en fal hebbé,daer ick my mede fal konnen 
oncfchuldigen 5 want ghy hebt my den wegh gewefen , 
die ick moefte doorwandelen,ende dat meer is,hebt my 
meer dan andere m.enfchen ghedaen , uwe wetten ende 
oordeelcn befonderlijck my openbarende.ende fonder- 
linge gratie daer toe gevende om het felve te volbren-» 
gen. Endcvoorwaerwaer 'tfaecke da: ick het hondert- 
Ite deel ghedaen hadde , van het gh^ne dat ick voor de 



146 Den I. Bocck. Het VI. Op. 

Avcrelt gedaen ende geleden hebbe, ick foude volkome- t 
lickiiwe wet onderhouden hebben, endc Ibude ontwijf-' l 
fehjck onder uwe vrienden ende getrouwe dienaers ge-« • 
reeckent hebben ghe weeft ; maer ick en ben als-nu met i 
Luc.if , "weerdigh genoemt te worden uwTn lone ; maer maeckt i 
my een van uwe huerlingen , ende geeft my uwe oratie ' 
door her bloet van uwen eenigen Sone Chriftus Jefus , 
waer door ick dcfe goede propooften mach volbrengen, 
endc u , endc Chriltus uwen Sone , ende lijne alderhey- 
lighfte Moeder mach dienen, ende met u in der eeuwig- 
heydt leven, Amen. 

Schiet'Gebedeksns. - 

Pfal.iiS. j Q^ ^^^ ghefworen ende een vaft opfet ghemaeckt 

1 te bewaren de oordeelen uwer rechtveerdig- 

heydt. 

Pfal.61. En fal mijne ziele Gode niet onderdanigh zijn? wanc 

van hem is mijne faligheydt. 
pfai. 1 1 8. Ick ben berey t ende niet beroert om uwe geboden t'oiw 

dcrhouden. 
Ibid. Mijne ziele heeft luft gehadt om te begeeren uwe ghe* 

boden tot alle tijden. 
Ibid. Den wegh der waerheydc hebbe ick gekoren, uwë oor-« 

declcn en hebbe ick niet vergeten. 
Ibid. I n alle mijn herte heb ick u ghefocht , en wilt my niet 
verftootenvanuwe eeboden. 



RetiTedie tegen de fcrupulen. 

® c bupbcr TN €n biipbeï ftccf t boo? cene öBetooontc / Wjcft 
SSdPö/" ^^^^ ferpcnt üficUjcfi op De üteUn te bolo&en ben 
fonVacrDic foubaer / Die ban öcm blucïjt / Den felben metfccu^ 
Ijftn toiu puïenenDcnautöeben bcr ccnfcientieQuellijcft enbe 
tiefecereiu moepeföch te baUen / enbe fpn ïjerte/ urttoelcö 
JEsus ^onmclibCjSpe»!^ enbeb^ebeieJbeoöferbenu 
mm m te ruften / ongfjenift te maecften : 3öt OÖP ban bjille 
b?m«S ft^tt^ te ïjoofen/ m\^z onbcrbanigD te toefen^oft toel/ 
oft de üc. milt nip föne beD^iegelücfxliebcn en balfcficn aerbt 
iiauttjepöt icccenf^ennen; enonberfcïiepbenoftbefebenautot* 
ban St Ö^^^" ^^" ^^^ ^^^ ^«3" ö^" ^i\ii}'^t\ 3önf:2>emercöt: 
Dft ban €n tö €^oö niet Det toaeracinio ItcDt/ berücfttenbe 
öeiiüup» qj(^ nienfcOcn/ urttoelcli g^ene buppecD^ben en 
Hfïhomtt too/ben 



Van de Biechtc. 1 47 

teojbcn gebonben. 43act tot üem/cnbe fj? fal u ber? 
fïcötenj neemt utoen toeblucijt tot Omt boo?utoc 
gebeöui/ enöatfooöiclitüilsf al^o^Jpfeonbt, <ït>cn 
tïupb^I ter contracicn firopt bupltcrnifien/ beroert/ 
en ontfleft fjet Derte/toant fjp ben pointe i$ öer bupi» 
(ierijcben. ^aer-en-boben / en iisf ben ïgeere niet 
onfcn pzp^i enbe en öeeft Op niet gegeben b^ebe aen 
öe menfcöen ban goeöen wiiiti laet u ban bafteJijch 
boren ftaen / bat \jtt oene bat ben inbjenbigen pepief/ 
enbe b jcbe be^ef Darten turbeert / ban ben Quaben i^* 
45cu i^ oocfe be ujaeracDtige lief be j ocmercftt ïyan 
^at befe be b^eefe berjaegOt / Itqljt af alleonboï* 
ttiaecfiteenbe fiabeiijche b?eefe/ enbe berllout u te 
oaen tot ïjtm /bi^u foo minnelijcfeen noot / feggen^ 
be: öomt alle tot mp l}it belaben enbe belaft 3iit/en' Matth. n. 
tieicfefaluber mailen* 

91!i!ebefcrupul^ntoo?bert tot befe naerbolgenbe iscbepim^ 
ftebepiingengeb?ocDt:eemgcrafeenbebiec!)te. (Ce^ P%,„ 
göen befe / oberpepf! in ben cerften / toat bat a3obt l^Sm* 
boo? ïiet gebobt ber biecOte/ ban u berepfcDt; i^ tict mm m 
pet bat gijp op menfcïidijc&e maniere met gceber fcrupuicDic 
troutoe / en ongebepnfi u aen ben ©?ie|!er fout opc^ ^f^^J^ 
nen i in fulcfter boegen bat öp Ijiec boo: tot feenniffc fijguiiuiu 
utoe.sJ ftaetj2? macö liotuen i toant aengefien bat nie^^ 
mant ban a!Ie<$ in 't bcfonber en fean gebacOtig bje* 
fen/ enffötenbeen eetgOpufelbennietopboojee* 
nen fotten arbepbt -J tuie iffer W met ben ©jopDcct 
niet en moet bibben om ban fijne berbo^g&en enbe 
biembe fonben gcfupbert te toefen ^ J^oo^Uiaer nie^ 
triant- <6emercöt ban hat bit fo W te bergeef^ i0 't 
bat g{)p alle utoebooziebentDerchen/ fc» toiltin^ 
bacötig toefen/en fo nauto onberfoecfeen / aengefien 
batter naer alle beboir en neeriligöenbt altijbt nocö 
eenige bebecfit enbe berboagen fullen blijbcn/en im* 
tticrc niet feonb toeten / oft göp öaet oft liefbe toeer^^ 
bigf) 5Öt. ^aerenboben / gfjp toeet npt be een-ftetn:= 
niigelceringe ber doctoren/ bat naer een biecï)te 
met beöooMijlie necrfticOept gebaê/u anberjsj niet en 
ftaet te biecfjten/ban bat g'p fefier 5ijt gebaen te öeb- 
bert.€en 2«bat baer groote fonbe ni gelegen i^. i€tn 
3» öat 0ÖP ^Si^t ban nopt utoe bm^u gefp^ofeen en 



148 Denl.Bocck. Her V I. Cap. 

:E>tn fcru^ f^tbt/tu bat fo f^ïtcc/ öat öï)p 't foud öccrcti ftoecrem 

moSl ^^^^ ^^^ ^^^ft geïjoojiaem aen öeniKeöecün/ öieu 

tioojfamt ^oöf geactscn ficcft/ cnDe Douöt boo^ fchec (toclcïi 

fïjnacnm» ooclt Ijet o!jcboeicrt i.ö ban alle irbaceiunbctpijfe 

SflöttSut 3lcccacrö ) öat alleen öenonbctbaniaen mbitfiucfr 

np tjictone bictoric fal beöalen.f€en 4- en bieetoöP niet bat ben 

bcrhrö- i^ecre D002 ben :!Biecbt-babcr tot ii fp^eccfet / enbc u 

sen* bebeelr bat aÖP « fout aeru(i Doubeni U)ilt oDP D^nï 

ban bjeberfpanniol) 3ön ^ j 

Bcttifbic i<Ecn tü3eebcn/bco2fo beelaljj öensaetïietbecouto ! 

tegeit öe jjcc föubcn / tU^ölfert öÖP oft 3P u oprecbtcltjch Icel 

K"uptê 3Ön^"Pttoatoo^faöe^toiit öDpban boo? befe of biecj^ 

upttiDöf» ö^lDCfee nabei'Dant aöobtnocOberaraatimen^ ö8p 

feiar ötis" autojoojt Hip/ jlJcen j maec u oberhonien blcötorjIiS 

ïm\^Êftu^ begeerten cnbe oebacDten; 't i$ ben biipbei t^U u befc 

öerfonDcr J"5ccft/ enbc uacniocfit totJjetbolb^enöenbecfcl* 

bec / berftootfe enDe bcracljtfc / inbacljttcö bat oDP 

m\^ bafielöcö boo^ u oljenomen Ijebt / €>obe aen te 

()angö5.'n / enbe öem te blenen ,- nocö foo btoaesf cnbe 

lip tfmntgö n^ct en 3öt / bat gbp 't al / oocli u toelba^ 

ren entse czn\x)iqz faligbepbt totït bettoerpen. ©er^ 

nicutut bit p^opooftaliemo?oen-(lonben/ laeoocö 

biclitoiIjS binnen ben bage/enbe Defit altrjt utoe 3iele 

in berbulbigljept* 't €n (^ niet te bectoonberen/ bat 

gbp oclepb bïo^t/ boo^ utoe gc^acBten / tot fiet gene 

bat ugebjooni^gctocefïj begebJOonteb?engï)tbit 

inebe : boo^ befe Qï)cfdm I bat fomtijbt in on^ gfje^ 

niercfet too^bt eenige onbetamelijcöc beUieginge oft 

roeringc bejE? ücbaemisf/bat top onbebacOtelicft fp?e* 

fien / enbe ban lïonben aen Der-toepen 'x. iBaer \i^^ 

ftoore u ftlagen bat göp geen (eertoefen en geboeit : 

iuogcIi)c!i gefcïjiebet oocïi bicfttoijl^ / bat göp geen 

becniaetli oft gfjenent Ijte en gbeboeit/ al^eJ gftp boo^ 

ftaet oft gramrnoeöigbepbt gljefonbtgbt iiebt : enbe 

niet tegbenjtaenöe / tioe gDp '^\t min göeboelt/ enbe 

b?ptoüligb gbefonbigbtbebt/ foobeelteftoaerber 

\^ utoe fonbe. 3n fiiieüier boegfjcn cocft/öoebat gbP 

bicötoiilsf min u berouto gbeboelt / fioe 't felbe booj 

3Datï}at <6obt meerber enbebolmaecfeteriie?: toanttoati^ 

fc"?^b'* ft^^ berouto < anberis niet ban een berfaecfeen bet 

%ix, [oiiöm ^^^^^^1 toenfcöen bat b(^ nopt gefcDiet en toare/ nocB 



VandeBiechte. ' 149 

boo^taeit bienfet;tetDillcn 00011 ; gcrrjc&erböijjjomiö/mtoacr 
öeOinert enöe bciCiiulöiaDt te toefen Uan eenigDcmseugau 
fonöivljet 10 genocclj te bcgceren oft te toenftöen Oie 
bolb:ocOtteöeöben» 

tCcn öecöen / öe fcrupulen fp2Upten fiier upt / bat öemctric 
pcinant aena3oötnïet boltiaencniKcft, 3DïItaljp"3fnDe 
bolöoen^ öDP fult meec bolDoen/ D002 een bJcrcfi bat 1;,^ Jpj Ve 
unt liefDe oü^fcïnet / ban boo? bupfcnbt nnbece upt bciDocnm*. 
Ij^ecfe gebaen;ja bit toercli uptIiefDebolb?ocöt/fou g^ö^c fan^ 
be feonncn foo öracOttglj enbe innigö toefen/ bat Det tm. ' 
alleen foube afnemen be fonbe/ enbe onttTaen ban be i^caciit üfc 
fcöultbec pijnen. ,§egDtnipbocöeen0/rntoatma^to?cfKm 
mere fjebtgOp^öobtbergramt^ een anber fjemtn- J'/ "^^^^^^^^^^^ 
nenbe/Dem Datenbe; fcgDt nu een^s upt ber öerten en Dm. 
ongebepnfl/ gcfe Ijatc cnbz berfafie u trecelt/ met al 
bat u aengaetjen u mijnen l^ccre miincn <3obt/ tDtl 
teö getroutoelicfe DeminnemgOp ï)cbt fiem berfoent: 
maer göp becgcamt öcin / t.ö 't bat g[jp Hem onma^ 
tig(j b?ee(l/ is? 't bat gljp ban ftem mijs^-troutot/ ban 
fijn geloobe/en ban ftjne liefbe. <§eot mp nocö eens?/ 
tpilt göp ban <öob bemint toefen:' Demmt tjem:enbe 
Öoebanig gDp <Öob t'utoaect?:? toiit tiebben/ ti2amïjt 
u fobanigö tot ö^m: fjcl» frgöt ö^/beminne be gene s^m rmii 
bic mp beminnen. l?et meefle gcbobt iö ban beliefd f}l^'f.^L 
be/ enbe g!jp b^aegljt u alö oft tjet ban b^eefe toare. nutula^ 

t€en bierben/ ben anberen is? met aifulcfie be lunebaoit 
«outotfiept beis' ïjettm bebangen/bat öp in aff ef^ifien ?f^ »" ^^t 
tajl / al0 eenen bie in bupjlecnijTen toanbeït ; ober al tlnu^ 
tnhc iï\ aliejsf b^eefl {)p te mifboen. I^oo^teenfto^tinetfckc 
bccmaen: Igebbenbe gcfpaoochetï u)22c btecöre /enbe ^vf »^= 
een opfet g!jemaecIitban«i5obttebicnen/ loopt in ^?j^^^^^^^^^ 
ben toeglj fijnbec geboben/ enbebccb2cptu{ierte; SjVeiu 
fcljout 't gene/ baec gljri feèec in toeet perijcfeel gelc^ ^^^5^ 9^- 
gen te toefen/ enbe i.^ *t bat g[jp baec ban niet ïjeel^^j*"f 
fcfïci: en 5ijt; (0aet boon.ö enbe gf)p fuit b:? toanbe^ fjtoct Dam 
ïcn op b"H;öere enbe ben 25afilifcu.c?/ en gfjp fult bcr^ gcitjch 
treben ben Sleeutoe enbe ben ^zafie ,• enbe toeet bat Jf'°Jj!5^^^'' 
ben l^cere fijnen €ngelen u bebolen heeft / op bat fp „en m " 
it fouben betoacen in alle utoe toegen/ enbe bat 5p tn tiüHffd* 
tiaer-liebec öanben u fullen b^agljen/ op batgflP 2f-'^fe 
bp abonturen utovuboctniet en floot aen ben (teen, SL^,f5^*^^ 



i^o DcnI.Boeck. HetVI.Cap. 

©ê wbci ^ict löat bat <0oötb^ucï)tiöe tr\ boo^ficötf ge man* 

too?t mccii ^,^^ ijQcn i^x tlDijffclacötiocfafeeH / Uiatbat öOp een 

Sê toet* ^ï^öee fout raöeniCnöc boet Detfclffte. gn 't gemcpn 

tooniieiu bei* maeu tch u/toilt u bctroavjöcn tn <Ootit flellcn/en 

tocbcrltact b?omeUj(ï ben boofen bpant/niaer meeft 

ftem becacïKcnbe enbe bccfniaebcni5'-toiifii / ali5 ban 

ccncn bajTcnbea Ijonbt UkOc gebaclueii af-lieerenbe» 

3It)aclu u vjDcl ban te laijc licn of Oem pet toe te ïatciv 

boo: öichtDijLö biechten, bccabenentie onberfoecben 

utoec fonben : bjant bat en 10 anbero «tet / ban upt 

buplterntftcn litijt totllen trecfteiij ban in be buplig^ 

ftept of aebacbtcniffe bec fonben te toente(en/en baet ü 

®cn fcru* iip^t rcpntöOept foecöen. jStljout oob Jjet gefelfcöap | 

puicufm ^^^ genen/ bie met fccupulen of biecgelijcbe benout* || 

ffijoutom beben beö öecten gequelt 3ön/ al^ oob ftet geb^upcfe ! 

♦t gerei* öec boeeben / t)\z be Caiibus confcientia^ bau fonben/ 1 

I'*^öli?ö'il oft ban be ftoarigDeben bec confcientie banbelen: 1 

Smeöe ttiaecbobenal/ uptbentaetutoej3f;25iec()t-babecs?/ 

oark gc^ bccfmaet be Quabe gebacbten / bk u inbaüenj enbe 

*^"^^ t S Ö'^"^ ^^^ ^^"^^ ^^ feecöec teecben batfc u mif bagen/ 

?ic"ont^ bat göp tn befe niet en confenteert; en ober fulb^ Bet 

immn ba en t^ niet geraben/ batmen t)k anberio?/ ban in 't ge^ 

jjafcKcutc nerael enbe aen eenenboojficbtiaenBiecfjt-babec 

öe Sm tt bennen gbebe/enbe alfoo bicbbjlji^ m gftp boo^'t 

})autJdeiu bcrfmaben u afgcbeert fuit ftebbcn ban bet ingeben 

Sa luat cnbebebiipflecbcben becfonben:beei'tuban|lonben 

ÏJfacutöiê ^^»''" boo2cen gebuerigb gcbcbt tot oSobtitoantDptias 

upöequa-' bcttoaecacijtigöücbt/ enbe boo2 fijn licbt/ fultgO? 

begcïjaci)^ 'tUcOtfJen, €iecbt lipt alle occafie ban bancb-feg* 

ïiSgn öitige enbe liefbe tot bcm ,• eenfbeei.ö bemercbenbe 

^ bat göp ban be boojiebcn fonben ontfïagen 3ijt : ttn 

anberen bat gbi» ban betegen\DOO?bige enbe toebo^ï 

^ot bm tticnbe bctoacrt hmu Sjsf 't faecbe bat u ben bupbel 

fcrupuicu^ ingeeft bet perijcbel ban te öerballen/ boo^bouben^s 

öwiTfai ' ^^ 't gene tiat gbp tnogeüjcb fuft moeten Ujben / oft 

nU%v ' berliefen om be fonben V ontgaen / toaeOt u ban bit 

bcfitte in 't bpfonber t'onberfoetöen/ maecin'tgmtepn 

öcrbaiiem ^^^^^ ^q jjg i, ^^^^^ j» eenemael op/ toeeft feecber en^^ 

be geruft/ bat be goetöepbt <0obtja^ niet toe laten 

en fal / bat gOp boben ubje macDt beboo^t fult 

too^ben/ enb^ t^'t faecBe bat fi? w ben lail oft 

B?t 



Van de Biechte. IJ*! 

m pstth opïeööt / bat 8p u 't felbc boo^ 5öne öratïe 
fal öelpcn öjageit/enöe licOt mabcn- ^oben al toccfr ^p moet 
iitoeH 25tccbt-baber alis? aen <0oöt gcfioo^facm / ge^ §»ƒ 'J 
mcccötöattecaefcD^clien (lact : ;o>ie ulicbcn {joo2t/ baöcc ge^ 
bieftoo2tmïJ;toantï0 bctoaecOcpttoaeraclKtaO/foo ijmUm 
en fult q\)n in Den bagf) bcc^ 002&ccï!3f ntct honncn De- 5ö»» 
fcOulDiatit töo jöcn/öat oOp fijnen toiïle cnöegebobt 
nietbolb^ocfttenöcbï» 

Oeffeninge by maniere van Gehedt voor eene 
fsYHDHleufe ofte door tegenfpoet ^e- 
dr nekte z,ie!e» 

T 7 We Heyligen Heere , hebben cenen wonderbaren 
^ wegh gevolght dienende aen uwe geboden : Want 
wat ilTer meer te verwonderen dan te wandelendoor 
het midden der baren,ende te onrv- lieden het fweert van 
Pharao ? wat is vvonder-baerder , dan te feggen aen de 
huylende zee, Swijgt ende hout u ftil,ende dat van fton- 
<len«f, de baren worden getemt , ende de fchuymende 
tempeeft,in eene groote ftilte verandcrtjcn uyt veel ten- 
tatien winfte worde getrocken? en al is ^ t dat de legeren 
der krachten defer duyfterniiTen tegé opftaen;nocntans 
onbevreeft te blijven. Voorwaer te verwonderen zijn 
uwe werckcniende mijne ziele falfe al te wel bekennen: 
maer eylacs ! fiet mijne vyanden hebben my omringelt, 
ick ben gedreven in t vlacke der zee , ende de tempeeft 
overvalt my !niet wetende waer ick my kceren oft wen- 
den fal; ick fie alleen de haven van uwe bermhertigheyc 
openitotde welckeick mijne oogen (lac:ende fultghyo 
Godt van alle trooftuacnlicht van mv kannen af-kee- 
ren,op dat ik gelijck foude wefen, aen de gene die dalen 
in de diepte ? Wat fal' t u baten, is 't dat ghy my te niet 
doer,die ben een werck van uwe handen ? o ongepaeide ^otmm] 
Goetheyt! mijnen Godt,uwen willeen is nietdatter ye- j-!J "j^ri**^ 
mant verloren gae,noch ghy en verblijdt u niet in de be- rocDiucöt 
dervenifle der levende ! och hoe dickwijls hebt ghv my tot ^oDt 
vermaent dat ick opu foude betrouwen! uwenKonink- fo^^^^* 
liicken Propheet die roept tot my,en fegtiHoopt in den ^ 
Heere,en doet goetheyt :maer door wiens behulpfaem- 
heydt fal ick ellendigen menfch, wiens finnen van mij ne 

a 4 Hüic- 



1^2 Benl.Boeck. HetVI.Cap- 

kinrfche dagen af,i^enegë zijn geweeft tot quaet,eenigbl 
goet konnen doen ? maer wederom gevoele ick mijnen 
moctverftcrckt,\vederom hoorc ick uwen Propheet tot 
my rocpen:Hoopt in hem,en hy fal 't doen. Maeckt daa 
Hecre dat ick allen mijn betrouwen op ii alleen ftellc: 
wcrcki: ghy het goet in my, want ghy oprecht en louter 
goct 7.ijt: doet bermhertigheyt aê uwe katijvigê dienit-» 
bode^want ghy bcrmhcrtigh zijt,cn fultmylaligh ma-» 
ken, en in der eeuwighcyt lal ick uwe bermhcrtigheden 
fïngen: wam gelucklalig zijn alle de gene, die in u hope; 
geiuckfaligh is den menfch, wiens hulpe en onderltant 
IBatr ÖDO? van u komt ; geluckfaligh is de ziele, die foodanige op- 
S^r^ö'^J"' klimminge By haer iel ven heeft verlint en overley tin 
gflciiUcc ' <^^^^^^ ^'^^' tranen;door de welcke zy wort verheven bo- 
Itiitn ven de hoo2;hey t der aerde,boven alle dcEngclen,boven 
\XiJ}ot» al de henieten : vcrnaerdcrt haer Iclve tot u, werpt haer 
geheel in u,en omhelft Ujwant ghy tcenemael goet zijt, 
u grondeloofe bermhertigheyt en ongemeten goetheyt 
over alle uwe wercken zijn inder eeuwigheytiwant ghy 
en bemint niemant,enverlaethemdaerna5ghy en ro^pt 
niemant tot u, ende verftoot hem; ghy en noot niemant, 
die ghy daer na m.etydel handen ende onbegaeft van u 
wegh feyn:;ghy en gebiet ons niet op u te fteunen,ende 
treckt u van onder wegh , op dat onle wanden met ons 
<ÜJeïoifï)ti5 fouden fpotte,feggende:Hy heeft in dé Heere gehoopt, 
ge ccöeHe/ ^at hy hem helpc'^dat hy hem verlolTe, want hy begeert 
tnnfftjJi hem^of wel dat fy vragen dien boofcniWic is t die u fal 
betroutoeit ontweldigenende trecken uyt mijne handen? v/antghy 
op^oDt de waerheydt zijt, mijnen Godt,en goedertieren aen de 
nioEt" gcne,die in u hopen;ende noyt en is t gelien geweeft,dat 
yemant op u heeft betrouwt.ende dat hy verlaten is ge- 
weellAVacrom danmijnenGod,ik fal op u mijn betrou- 
wen ftellen,ende ick e^i fal niet befchaemt blijven : in u 
Heere fal ick hopen, ende in der ceuwigheydt en fal my 
gccr.e fchande gcfwiiieden;noch mijn vyanden en lullen 
my nic;^befpottcn: want alle de gcne,die u verwachten, 
en fullen niet befchaemt gcmacktwordê.En isu Heere 
(die de nieren en hertêonderfoekt) niet bekent, dat ghy 
alleen zijt mijn verlangen? want verbeydende heb ick u 
verbcyt Heere met uwen Propheet; ende hy heeft my 
.gcfcyi dat ghy pp hem hebt gelet. Ick bidde up Vader, 

iet. 



VandeBiechttf. 15:5 

let, eiide neemt oock achte op my, ende gunt oock eeiie 
kleyne fcgeiiinge aen my uwen verloren Ibne : want ick 
hebbe in uwe bermher tigheden gehoopt , ende die inu 
hoopt ial uwe bermhcrrigheyt omringen,ende nu voort- 
aenial ik voor u leven encie nier voor mv, uyt gantlcher 
herten in u betrouwen, aengcfiendatghy de doo: voor 
my geftorvenzijt , ende duyfent-maelu felvenmy ge- 
geven hebt, ende fonder mate meer bemint hebt dan 
ick my felven , mijnen Godt , Vader der genaden, ende 
Godt van allen trooft. 

Proteftatie voor den m-orgcn-ilondt,regcn de aen- 
ftaende tentatien ende fcrupulen. 

ICiv bckenne inuwetcgenwoordighcyt mijnen Godt 
voor uwe Engelen, ende Heyligcn, ende voor al u he- 
mels hof, dat ^ghymyeencn Godt luk weien en icku- 
wen getrouwen aienaer , tot den uyterften dagh mijns 
levens : want ghy zijt mijnen Hecre,ende ick uwe ilave^ 
ghv zijn mijnen Vader , ende ickuwen onvveerdigen fo- 
ne;ghy zijt mijnen loon,m.aer al te groot ende rijck voor 
my, ende noy t oore en heeft gchoort, noch ooge gefien, 
noch menfchelijckverftant begrepen, 'rgene ghy voor Pjij;9f b#tp 
my bereyt hebt: Ende niet tegenitaendedat die dingen uptbcrfto^ 

f root ende veel in't getal ziin,nochtans ghy zijt onipre- ^^"^^ 
clijck meer weert , dan alle uwe gaven'': want ghy zijt 
mijn deel,ende koftelijck crfgoet. Om. uwent Vv'ille dan 
als pelgrim, ende uytlander,Tal ick gaen,cnde loopen in 
den wegh van uwe geboden,om dies wille dat ghy mijn 
herte hebtverbreydt. Is 't dattereenigenvyantmy la- 
gen leght, opmyvalr, myaenlockr, vervaert maeckt, 
oft liftelick iocckt t' onderkruypen.ghy alleen fait mij- 
ne vreefe zijn , mijne hope,ende mijne liefde. Ick hebbe 
u uytgelefen voor mijnen Heere, ende den duy vel af- 
gefworen, ende mijne ziele blijft aen u gehecht : ende 
wie fal my af-fcheyden van uwe liefde ? hoe foude ick 
u konnea verlaten Fonteync aller goet, ende van felfs 
loopen in eenen af-gront van alle quaet ? hoe foude 
ick u konnen haten,ü oneyndelijcke goetheydr? lbo lan- 
ghe alifer leven in my (ai wefen , foo en lal ick van 
mijne onnoofelheydt nietaf-'vdjcken^ noch en lal yet 
voor goedt houden, van al dat u mis-hagheu kan, 

% 5 i)Ocb 



1 ^4 Den I. Boeck. Het V I. Cap. 

noch en beghceredattervan mij nent weghen yet voor 
fulcks gehouden worde, 'ten zy dat ickeerft hemel en 
aerde , de H. Mager M arta, d' Engelen ende uwe Hey- 
ligen , ende alle creaturen die mijne getuygcn zijn ghe- 
weeft,acngeroepen hebbe om het felve te'getuygen, en 
in hunne tegen woordigheytuverloochene mijnen God, 
ende verkiele alle qnacdt voor u, die zijt alle goet, de 
bitterheydt voor de foetighcydt , uwen haet voor uwe 
liefde , ten laetften de doodt ende den eeuwigen rouw , 
voor het gheluckfaligh eeuwigh leven ende vreught in 
Ujcndc van u mijnen Godt ende mijnen al. 

OeffeningevooY denfcrupuleufen^ 

TCk hebbe gefeyt dat ik belijden fal aen u Heere, mij- 

'-neonrechtveerdigheydt, ende ghy hebt vergeven de 
boofheytvan mijn mifdaet: lek hebbe gefey t,ende van 
ftonden aen hebt ghy uytgeiproke een trooftlijk woorc, 
S^ttrouhjc feggenderUwe fonden worden uvergeven, want ghy 't 
op «SoDt / op my begeert hebt,en my hebtbemint.Wie en foude u 
ti^tfliiic "'^^^ beminnen, o grondeloofe goetheydt ! want ghy my 
ïicfDetot opent de floten van uwe bermhertigheden, ende met de 
mj£i niöe bekeuwer genade hebt ghy my overwatert en geluy- 
öaDca! ^^^^- ^^^^ ioudt ghy anders moghen doen, o Vader der 
bermhertidieden ? gemerckt dat ick weet dat ghy my 
verbeyt hebt van der eeuwighey t,en gefocht dat ik van 
verre ende vremde landen tot u v/eder-keeren foude : 
aent^efiendaighydry-en-dertigh jaren indefeplaetfe 
volfchrooms, ende woefte wildernilfe my hebt gefocht 
met arbeyt ende liefde. Wat kont ghy anders docn,dan 
uwenboetveerdighen verloren fonet'omhelfen.> ende 
ïfa. 42. i;ict roockende vlas niet geheel uytbluifchen , noch het 
gekroockte riet t'cenemacl inftacken onderde voeten 
treden.^ maer mijne hant te vatten, my te bewaren, my 
die gevangen ben, ende in duyfterniffe fitte, uy t de ban- 
den ende het huys der gcvanckeniffe te geleyden. Maer 
■waer uyt bemerckc ik dat ghy my bermhertigh zijt ge- 
weeft ? dat ick genade in uwc oogen hebbe gevonden ? 
Ick weet wel, dat ick verre vanuwas, ende dateenen 
llerck- ge wapenden my hadde gebonden; ende op mijn 
pnverficns ghy ( want door niemant anders en kan dat 
.gefchiedenj hebt mijne banden in (luckcn gebroken,op 

dat 



VandeBiechte. 157 

dat ickvanfelfs foude komen tot de fuy\'cringhedes 
leetwefens , op dar ick u offeren foude een vermorwet 
ende gebrijlelt herte , ende eene offerande des lofs; ghy 
hebt my getrocken met de koordekens van Adam ; met 
de bandekens van liefde,op dat ick komen foude,ja loo- 
pen naer den reuck van uwe fpeceryen ende falven. 
Watis'randers tot u komen, dan te verlaten ende te 
verfoeyen de gewoonlijcke converfatie ende gemeyn- 
fchap, dan u te beminnen, die my van der eeuwigheydt 
hebt bemint ? ende wat is u te beminnen, dan u te wen- i^^imm 
fchen uyter herten allen goct j ende van u door eenige b.m tet\c 
fonde noyt verfcheyden gcwecft te hebben ? dan bereet ^^^^^[^ 
te wefen alleuweGoddelijke geboden te onderhouden, ^^f^^^, j„ * 
verachten alle aertfche faken , en liever alle gefchapen ban öe 
dingen af te gaen en te verliefen, dan u te vergrammen, 8^^!^'^^ 
gcerne met u te redenen , u Godlijck woordt te hooren. ^°^^-^» 

Gemerckt dan, dat ick dit door uwe gratie in my ge- 
voele ; foo late ick mv voorftaen , ende hope eenighüns 
uyt u te wefen : want die uyt u is o mijnen God die hoort 
viwe woorden;want uwe uytfpraken zijn foeter dan hc^- 
nigh ende honich-raten.Ick fal dan hooren wat dat ghy 
ïnmvfpreeckt , ende en wiltmy niet befchamen o mij- 
ne Hope, ende ick betrouwc dat my , in u hopende,gee- 
11e kranckheydt en fal bevaiighen, wel is 't waer dat ick 
niet en wete oft ick liefde oft haet weerdigh ben; maer 
aen wien is dat bekent , daer uwen Apoftel oock vreef- 
de, als hy aen d'andere foude gcpredickt hebben , felvc 
verworpen te wefen : ende hoe wel ick duyfendt-mael 
hadde gebiecht , foude nochtans geloof- feecker wefen , 
dat ick daer van onfeker ben,ende niet en wete oft ick u 
behage.Maer dit en moet mv niet beanghft maken,aen- 
geiien ghy zij t de eeuwige Wijiheyten Goedtheyt, en- 
de hebt begeert dat ons Hit onbeken: foude wefen ,om 
dat het ons profijteli jcker is , en dat wy betrouwen fou- 
den op uwe ongemeten liefde tot ons. Och oft dcfe gc- 
flort en verbreydt wierde in mijn herte , op da: hy daer 
uyt foude bannen alle vre<;fe, dewelckedoor dickwils 
biechten ende onderfoecken, niet vermindert, m.aer eer 
vermeerdert wordt ; aengefien fy daer uyt alleen haren 
oorfpronk neemtrdie is't die mijn verftant verduyftert, 
mijne memorie turbeert^renckt mijnen wille, en alfoo 

komt 



1^6 DcnI.Boeck. HccVI.Cap, 

komt te begeven in 't ondcrfoecken , en als ick arbeyde 
om tot klaerdcrc kcnnifTc mijnder fondcn te geraken ; 
^I^ ^}^ ^^ moge verfoeycn en door de biechtc af te leo--. 
gê,mijn verftant wort verdooft,mijne memorie ontftert, 
en den wille verflout door de grooie benoawrheydt,die 
my beyanghr. Waerom is 't dan dat ick inwendidilijck 
fo gepijnigt en gefpannen worde, en wentele in de vuy- 
i©d« upt ligheden mijns levens? is 'torn u hier door te behagen 
ödlmmm* ^^^^^^^'erre zy 't van daerrwant ghy gebiedet en beve- 
toniOiglj ^^^ darmen uwen Sradt-hoiidere gehoorfaem foude we- 
geciurlc feniden genen van hun,die u-lieden hoort,die hoort my, 
onaT ft^^ ^^ ^^^ u-lieden vcrfmaetjdie verfmaet my :Is 't om vre- 
i»-; ^^^ de en rufle des gemoets te bekomen ? maer wie ifTer die 
tuc. lo. dcn u, en uwe Scadthouders wederfpannigh is gewceft, 
en die verkregen heeft ? oft wel is 't om dat ick ten lan- 
gen laetften fo verre geraken foude,dat ik door mijn ey- 
gen oordcel en veel onderfoeckcns geruft foude wefen , 
als gercchtveerdight in uwe tegenwoordigheydt? maer 
TUI. 142. iïier tegê hebt ghy gefeyt : Dat alle die leeft voor u niet 
gercchtveerdight en fal wefen,cn dat nademael wy *t al 
hebben volbrocht , zijn onnuttige dienft-boden : voor- 
waer en is *t dan niet beter dat ick volge den leyts-man 
^t goet ende onderrechter,dien ghy my hebt gegevenPmaer ey- 
Ijf t i? m De laesldie en weet niet mijne benoutheoen, maer u alleen, 
te Sectüin* ^ ongemeten goetheyt,zijn die alle, jaoock die noch te 
«en/ eenen gefchieden ftaê van derecuv/igheyt bekent geweeft,eer 
leptö-ma» ghy oyt bevolen had,dat ik aen defc als aen u-lieden ge- 
te balgen, hoorfaêheyt foude bewijfé;nccho;ycn lact die tot geené 
andere effedte oft eynde gefchiecie, dan om my te proe- 
ven ende te fup-eren.gelijck het gout in het forneys der 
tribulatien , en dat ick klaer blincken foude in uwe te- 
gcnwoordigheyt, en voorde oogcn der menfchê.Daer- 
cn-boven al dat my van den vyant ingegeven wordt , en 
zijn mijne vv^ercken niet , noch en bclmettcn mijne ziele 
niet meer als wel doende fonden van andere die ik heb- 
be gehoort, oft fien gefchieden. Maer gemerckt dat ick 
yverigh ben gewceft voor u , ende de onbevleckthey de 
cles herten hebbe bcmint;hier door worde ik gefuy vert, 
hier door fo worden mijne verdienften voor fo veel ver- 
iHenighvuldight,als ick gevoelsdat fy my om uwe lief- 
ere milhag^n. Maer ickiwijfelcoftickvoorfichtelijck 

en 



Van de Bicchtc. ISf 

énoorboorlijk mijnoflicte hebbc bcdicncihier op hoorc 
ik u antwoorden, ende verbieden: en wilt op uwe cygen 
vernuftheyt niet ftcunenjcr^de ick bemercke datter nier 
fekerder noch gerufter en is',in cene duyfterc ende onfe- 
kerelake, dan met ootmoet fijn vcrftandt aen andere 
t'onderworpen/ondcr te willen alleen wijs weren,ende 
hooveerdelijckop fijn eygcn oordeel oft finnelijckheyc 
betrouwen. Maer mijne vreefe houdt my voren, andere 
faken dan ick van den Medccijn , van den Leydts-man , 
oft van den Engel door u gefonden ( want foo hebt ghy 
den Priefter geheeten ) en worde gckerr. hoe blij ve ick 
dan aldus rwijfelachtigh hangende, oft ick uwen wille , ^f" 
Heere , oft mijnen eygen wille moet volgen ? oft ick in ^^ ^^*^ 
een fake diemy aengaet,op mijn eygen verftant,oft op btrftant 
eens anders ( gelijckerwijs alle geleerde en voorfichtige nKtftm«j 
raden) moet betrouwen ? Ick bidde u , o Heerlen wilt j^^'^" 
niet in *t oordeel oft recht treden met uwen knecht, gmtoili* 
want ik en kan nier een voor duyfent antwoorden^ niet- öolgtiu 
tc-min hoewel ik u hebbe vertoornt,ghy doet my noch- 
tans hopen op uwe bermhertigheyt, ennietenilTerdat 
f hy ftraffer lult wreken dan mijn miftrouwen en wan- 
open van uwe genade, die alle dingen voor my gefcha- 
pen hebt, ende voor my geleeft, en gefcorven zijt,op dar 
ick in u foude hopen , ende op u alleen mijn betrouwen 
Hellen. Is *t mogclijck dat een vrouwe haer fprakeloos 
kint foude vergheten, dat fy de vrucht haers lichaems ira.49, 
niet en foude ontfermen ? en al waer 't dat fy 't verga te, 
ghy en kondt nochtans my niet vergeten: want wyen Dsn.^, 
itorten onfe ghebcden nietinonfe rcchtveerdigheden 
voor u aenficht, maer in u veel bermhertighcden Helpt 
ons dan Godt onfen Salighmaker,en om de glorie uwes 
naems Heere verloft ons^ende weeft verfoenelijck over 
onfe fonden om uwen naem, Amen. 

Schiet- (jebedekjns, 

C lerghy 7ijt ghefont ghemaeckt, en wilt voort-aen loan. 3. 
^ niet meer londighen , op dat u niet arghers en ghe- 

fchiede. 
lek hebbc u mijne mifdaetkennelijck ghemaeckt, ende Pfal. 31. 
en hebbe mijne onrechtveerdighey t niet verborgen : 
Heere wifchtuyt mijne boofheydc. 

I^k 



i5'8 Den I. Boeck. Het VII. Cap. 

Luc, 1 f. lek hebbe in den hemel gcfondigt ende voor u,cnde ick 
en ben nu niet weerdigh uwen fonegenaemt te wor- 
den, maer maeckt my als een vanuwehuerlingen. 

Pfalm 18. Wie verftaec de mifdaden ? fuy\-ert my van mijne ver- 
borgentheden , ende fpaert uwen dienaer van vrem- 
delonden. 

Het VII. Capittel. 

Van de Voldoeninghe , welck is het derde deel 

der Penitentie. 

Exod. 22. Y) ^ ïJJ^nöeccn bnn gfcael fteböen tjm tgöt ba» 

*^ ö^ie öaoöcti bcftccöt omtc ftomcn tot ben ö^roö 

<6oöt35 <8rcü / om alöaec <6oöt Den ^cctz offeran^ 

ben op te blagen. ^ïDefe t}^ic bagen/öonnen iu 't m^ 

(iehjcfe l^erflant oenomen loo^öen/ öelijch boben ge? 

fepbt t.ö ban Oet 25ei*oulü / 23ieci)te/ enbe Bolboe- 

ninglje. €nbeaengcfren bat Uipbanbettoeeeerfte 

g[jefp?ol^en Debben / bolgljt bat top ban bc i^olboe^^ 

iungf]e nu fp2eechm / betuelcfee bolmaecfit too?bt / 

Tob.Ti. boo^ be toercbcnbie ïjm <ïrngel ï^apöaelaen €0^ 

©oïöoc^ bia^ gerecommanbeert Oeeft / alie^ f)p fepbe : 45oet 

iüngctoo?t i^ ()et gebebt/ met öet bajïen enbeaelmoeffem 

öooTÏid/ ^^^^ ö^^ ^^^^ bjeccfeen ban sao!boeninge/too?be 

tm / ba* feer beauamelöcït al0 b^ie remebien geflelt tegen be 

m I m D^ic quaben beujclcfie be toerelt mebe-b^cngftt: boo? 

S? Öet bafkn/ bebegceilöcïUjcpbtbCjCfbïecfcljj^; boo? 

b'aelmoclTcn / be begecriijcliöcpbt ber oogen ; enbe 

boo^ een ootmocbigf) ïjs^^xm i löo^Dt be Ijoobcerbig^ 

Lcvit. 6. \s^^^i bciJ leben.ö gcnefcn» ^cn i^tere fjabbe een gc^ 

bobt gegeben bat be b^anbt-offecüanbe/op ben au^ 

taec bcrb^anbt St\xX^z bïo^ben ben gepcefen nacbt/tot 

'0 mo^göens^ toe / enbe X^dX ben ^^iefler bieaffcïjen 

ban befelbe / uptgetrocfecn Iiebbenbe fijne ©^iefter^ 

iijcbe liïeeberen/ enbe anbere acnnemenbe/ foube 

blagen bupten ben Ds^pa-icgcr / tn ^xz alberfupberjie 

plaetfe/om t)et felbc albaer te boen becteercn tot ben 

boncben toc/boo? een anber bner nocbtan^ef/ban ban 

bebeplïgepiaetfen^aBat too^btORö^ boo^bcfefigue^ 

ie anbeii^^beteecbent ban ben b^aubt-offer ban u fe(^ 

ben/ enbe bat alle utoe fonben ben tijt ban ben nacflt 

Mz$ (j^bens^/b^cb^ant \mm\\ toa^b^n booj Bet bpec 

bec 



Van het Vaften. I ^9 

ttt fjepU'öCC plactfc/ bat i^vban öe hcföeriRacc i^ 't 
faècdattec noclj pctie? '^ mo^oen.ö refteecöe/öat göp 
u moet bectrecfeé bupté b^n ï)cp2lcger/upt-trecfeen:? 
be Oet ftlect ban bit üctWiith iebé/ Oct toelcfe albaec 
met f)ct tiiec ban Det bagebicc gcfupbert foube mo* 
gen to02bc/tot bat al(e be ongclucöelücöe blebelingé 
ban be fonbé gcOeeltcïi berteertfoube fijn/en tot bat 
öDp töt ben laetflé pennmcö toe / Detaelt fult öebbé* 
fep fuUen ban/ boo j al ban fiet ba|ten/enbe pent^ 
tentie ; baer nae ban be aelmoeffe / enbe ten laetfien 
ban 't <6ebebt ( toant i^it b^ebec becöiaringöe ban 
noobefieeft/)Daabelen- 

MEDITATIE 

Van 't Vaften, 'teerftewerckvanvoldoeninge. 

Be voorfteiimge derfUetfe is,{p felben te pellen ttt be te^ 
genkDOo^bigtjcpt ban€B2i|lu.^onfen^aligömaec^ 
öer/ gelaeft met galle aen Ijct hmv0. 

Het bereydende Gehedt, eil^ bOCen. 

TLJ Et I. point. 25emerclir bat göp geftelt 5öt üi bft ^J 8J{f* 
•■- -* bal bec tranen met onfen eerften babec 5tbam / baS^öam 
op bat göp in 't ftoeet u\xit^ aenfcööRS? u b?oot foubt «t oo?faitfc 
eten/enbe acbepben fout/om te öomen tot be öemeb ^^^ «»« 
fcïje erbenifife/ enbe op foubt ölimmen op ben ber gfi g}[^ ^^ 
bec^ i|eeren : enbe bat göp niet en fiebt/ bat u Dier in 
meer belet ban u epgen licöaem ,• 't toelcb beberbe^ sap f, 
Jijcfe i0 enbe be ^ieie befbjaert / enbe göp Det fclbe o- 
berfuicl^ö met ben toom ban matigöcpt enbe eenen 
gocben regel moet bebtoingen/ op bat bet u niet on» 
ber ben boet en töojpe, (€en ttoeeben / Boe fcfianbe^ 
lijth bat ^bam boó> 't feibe licöaem en boo2 begeer^ 
ïtjcbe gulfigöept / nebergeb30?pen i$ 1 enbe \i:ii / aliS 
Bpgcftcltb3a0in bet ©arabij^ ban allerlei toellu:^ 
(lem ^efe Beeft o~n$fgeb:ocf]t tot alle befc ellenben 2©.^at 
enbe miferien / baer top Qualicb upt bonnen gera? mis Dclwd 
ben. €en berben / oberlegljt toat bat 3lbam / tsxt ccêritjcfte 
nocbrans^fo toijö toasf/ Bier toegeb^ocBt Beeft: Otn^ euiri«t]n»t 
bebertoonbertu/ Bet Beeft gBetoeefleenebone ge- f^J^^^V^, 
noecBte/ biefiugebonben beeft in Bet eten ban ben gnDenocu 
berbobenappeL <aongeiucfeigmappel/toa^rinai^ öagciöfs 

\^ be ^''"' 



léo Den I. Boeck. Het VIL Cap. 

ie öc quöbcn enöe ellenDcn defcc tocrclöt enbc oocft 
ban d'eeuUïioÖcpt bcfïotcn toarcn I <C>DP Öcbt in be=^ 
fen appc( öcbcrcn/o ^öam/ cnöe arootelijc]t: moeten 
tit felbe utoe lunöeren/nocD öeöens^-öaeoö^ beftoo- 
pen ! €en btecDen {jefnercfct/ öoc bat onfe €ba/ dat 
ijf/onjjepgcn bicefcö/enöe bpanöt/ om öebuertaö^' 
lijcfe bectoeciit om onfen ongcJucöioDcni^atiec na « 
lïolgen/ enöe tjoe bertoo^pcn fahen öat bet 5 jjn/ dacc 
hjp Doo2öeatilfiöf)eptit bcgeedöcft naer 3ön i met 
lloebamgUcn grooten arftepDtcnöeperöcfeelöefellje 
öDcfocljt tuo^en / ban öe gene ï)itfc niet en fteüben/ 
cnbe(joe(ici}reiijcfiDatmen die nadergantberac^* 
^iet Ooe bcel öattec doo: de gulfigfjcpt tot groo^ 
te armoede homen / cnde doen ijtt gene dat 6aer in 
geendec manieren en betaemt.^oe beel i^eligieufea 
tooiden daer gebonden/ die anderistotgroofefiep^ 
ligiiepdt fouden geraben/ maer ïiier doo? te4: aerdeti 
Oe\xio?pen/en belet tooiden/ dat fp niet op en toaffett 
in 't paradij.sf ban de IgemelfcOe toeüu|ien/dattsi/iii 
bc li}» Religie / om dat fp \jict m Ijaer felben niet en 
toilicn oberU?tnnen i a^ndeboo^bjaer/ Oet en t$nlet 
fonder groot mplïerie/dat ^dam ban <6öd almacö* 
tiglj g^ftelt 5Önde in den ilaet ban böïmaecfetftepdt/ 
doo;j de guifigïjept alleen onder dê boet getDOjpé i^* 
Het 2. point. (aberïegt öet ongemacli/dat de guU 
fiöOcpbtmcde-b^engöt j (€m eerflcn/ fp beiet allen 
boon- ganciiin den gfjecft / ende maecfit dat ftct lic* 
S guiOfl* ^^«^^^^ ^^^ 5tcie toeberfpannigf) too?t.3©ant/fo0 on^l 
ijtpDu Ciimacïniögctupat/geiijcftertoüSf onder de bjcrclt* 
cumachus |-f [j^ meafc(jen/de begeeriijcftöcpt den too^tel i^ ban 
gradu.26. gjj^ quaet: aifoo onder c^ejMiicfeeendeaeligienfö 
perfoonen/ i^ deonmatigè^pdt ban eten ende ban 
d^incften. 5Bant Ijet tsf onmogelijcfe/al^ CaflianusS 
fegljt/ dat b:n genen die met fpijfe oberladen i.ö/den 
(irödt bandentntoendigenmenfcOïian bemercben 
cnde onderliennen» 3Bant ixpt de gulfigöept aüeen/ 
fp^upten ontaüijf fieandere fauten/ gftelijcfe dent^* 
^^^egoriujj betnpgljt» Jl^acr den I§«23afiiui0 boegt 
Ijier b^/ dat bp bemerclit fiecft/ dat de gene die met 
alle andere fdutm befmet ïoaren/derelbe Ijebben ge^ 
laten ; maec die def e onderbjo^pen Ijtbbm gebjeefi / 

<>ft 



Van het Vaften. i6t 

oft öcpmcïijcfi/ aft fonrijöen/ ofr op onbcöooilljclic 
plactfcn gcnepgt toarcn te eten/ten laetflcn getjallen 
^m lipt Den (lact öec rcligicioft t^'t fafte dat fp öacc 
in bolïjcröt IjcDöen / gljctoo^öcn 3ün tïaUen ban Den 
öupbcï öcr ï)ei(en/nrcutDj0f-giertoc gceflcn/murmu^ 
rcciöerje?/ bic fjaei* epgen gemacFi enöe baet fotïjtcu/ 
cnöc öertnccFïtg toamn Cen tl:iieetinvbcfc fonDe en 
iö niet aüccnfcüabenjcfeaenöen geeft/ Enöeaenöc 
<0otrtb?ucf)ttgftept/ macc belet gantfcDelijcl^aUebe 
p,MnctpaeI|le oeffenütgen bec 3ieien/enbe niaeeb t bat 
befcDefPfnmigbeptDeie^berftantJS/enbeb'anbereal^ 
bei'-eöelfte firacDten ber 3ie{en bot en plomp too^bc» 
€cn \^ztï3m/ macD Ijiex bp geboegt too^ben/ bat Set 
licljaem Dïcc boo^ met fiuhtt bcrbuU toojt/'t ïeben 
becöojt / enbebeel anber ongemacöiS mebe-b^cngt* 
(j^nbealfogefcötetber/gelijchon.öf^nnocentiujcSgc^ innoci. 2; 
tupgt/bat ben menfcö ter oojfafte ban eene toellufte/ ^^ *^°";^'"- 
bïc in betoöbegualijcfe bier bingerenbeflaet/ enbe^ap.17." ' 
Qualijclibieroogenblicöenbwert/bittegenttjoc^big 
leben onberbjagelijcö enbe ellcnbtaB maecht / i^cn 
menfclj in perijcftel ban fijne eeutoigeberboemenif^ 
fe bjengöt / enbe bit om öet f tcDaem eene feone gfje^ 
noe'göte aen te boen. ^00 bat met recöt/ toel macö 
roepen bm lg,^ernarbui^:0 tojeetfjept ! men bient ^^^JJ"^- '« 
t)etïicbacm/cmbe3ieletebermoo?tié.€nbatmeer ^ ^' 
iö/om ben (icl)ame eencfeone genoegljteaen te boen/ 
belicoptmcn b'eeutoige tormenten ; oft ten minften 
men ftelt fp fclben in penjcbel ban baer in te baUen. 

Het ; . point.^emccc&t baer-en-tegen be p^oföten ^?aff|rf»/ 
belyelcJiematigïjeptmebe-bjenglit. €en i»t»arben^°°^^;^. 
bpanbtbieonjSalber-moepelöcfeftebalt/ Bierboo? S matig* 
gétemttoo^bt j enbe bat beel beter enbebeQuamer/ tjepot» 
ban boo: eenige ïicl)amelöche oe jfeningen/ alö fou^ 
ben mogen toefen/ bapreftïeeberen/ bifcipiinen/ op 
b'aerbe te jlapen» ÏBant gehjcliertoij!? bat bet bpec 
niet (icöter uptgeblufcBt en too?ö t ban boo> bet cnt^^ 
trecben ban bet bout ; alfoo oocft be qmt^t begeer* 
lijcftftepbt enbe ben boncb ber fonben/en to02bt ner^ 
etr\^ beter mebe geblufcöt/ ban alë top befe 't boeö»» 
fel ban alberiep fonben / boo? mattgöept ontreclien» 
^m 2, aeufcDoutot be g&ene i)it in boojleben tijtien 



1 62 Den I. Boeck. Het VIL Cap. 

ijc \joi\tJttmfftn betooont/en tn alle imtt Ijan tjtm^ 

den botten anö^e gefcöencn DeDben- adjaegt fiaerlte^ 

ben toat geboelen batfeban i)c(t beugtgebab i)tbW 

aengefien bat fu een groot beel ban bare liepligbept 

Bafii. con- j^ j^, ^ j„ g^l^j,jj. j)ebben/ben l^,23afilius? fegtit/bat Ijet 

rXcrp° j.öntboiibenban befpüfe/tiGf bet gene bat bebtoingt be 

chryfoi. onfïelteni ffen ber 3ieIen:en€b?pfoiogu^/bat bet ba^ 

ften/ 1^ be boot ban alle boofbeben / en bet leben bec 

beugbben.€en ^ bit geboelen en ftebbcn lit^cp\iqz 

niet alleen gebabt^niaer ooft bcel bepbenfcbe Jpöilo^ 

fopOen/en toöfe mannen onber öaer-lieben/ bte befij 

öeugt in grooter toeerben gebcuben Debben:^o bat 

afirtaxerre^ en ©tolomeu^sf/ toater enbe bmtf boo| 

lecbernpen rebenben:en alle bocben toaren bp btebS 

Êacebemonien teneeutoigen tijbe uptgebannen» 

(©uifidjept Het4»point,^emercbt teneerften/boe bicbtoijljf/ 

{^f "f ' en boe groutoelflcb bat be gulfigbept ban <6obt qU 

Sobt 8^ niacBtigö geftraft is? getoeeft:toant op bat icb onfen 

fitaft. eerden ©aber aibam boo^bp gae/ eenen pegelijcben 

iö bennelöcb genoecfi/ tot toat fcbanbe bat bef e ber ^ 

Gener.19. malebpbe fonbe Hlotb geb?acBt beeft/ tot boebanige 

i.Ree.2. tttiferien/ t)U ban ^oboma ; toaer toe bat gebomm 

? Ree 13' 3önbebinberenban]|eli/ <efau/enbe eenen febereti 

Nim.i I . * ^jopöeet in ^etbel; J|oe bier fiebben be gfraeliteit 

moeten beboopen ben luft bie fp fiabbenom bleefcD 

Exod.32. te eten in be tooeftijne j enbe op eenen anberen tijbt/ 

alffecberttgö bupfent mannen ban fiaer-liebenber^ 

Liic.16. flagen bobben getoee(l. 3|cft late (laenbenröcften 

bjecïi/ enbeontallücbeant?cre/ betoeltbeboo^befe 

fonbe ban guïfigbept bernielt 5ijn/er»be naberfianbt 

geto02pen in beeeutoige pijnen ber bellen, ^efiet 

ban / boe bat gbp fonberlingb boo? baflen/ enbe an^^ 

bere manieren ban berfterbingcn / u licbaemfult 

feonnen b?engen onber fiet bebtoancb bej? mft^* 

mt ^tv» Het y .point. ^emcrcbt boe tiat alle hie bermaert 

iigcii ijÉb« 5nn/fo in Oct oube/ aljef oob in 't nicntoe (Ceflament/ 

nm acoef» "Ö^t ballen enbe be lijf-ftaflijbinge toegebaen l^tbbm 

Uwu getoeefl* J^llopfeö beeft boo? batten be toet enbe be 

gemepnfcOapbanaI5obtalmacbtiöbberbregen/al3J 

oocb €liaö : beS^imbitenbebbenoBobtberfoent* 

^becbencb t w\ ttoeeö^n / bo^ b^vmaeu bat in bet 

nteubi 



VanhetVaften. 16 i 

mim €e(!amcnt f^itt tn getoccft iiS bicn Soanneief/ 
ban ben telcftcn onfcn ^eerc fclf^ heft a^tupgeniiTe 
cecft/battec o«?cnen meccöeren opgeftaen en iö : en^ 
be Unna öe 5);opDetcfTc. ^en l^. ICpoftcl paulu^ 
gctuïïoïjtbanfpfdben: gcöfiaftübemijnltcDaem i.cor.9. 
m ö^enge 't outct DebtDancft/ op dat als? ith tm an^ 
öecgcp^ebicïitfalfteöbcn/ tcftf^Jlbcnietbecïorcncn Gai.y. 
gac* a©ant bic C6?iflU3$ toebeöoorcn ücbbcnDun 
blccfcO gc&rupft/ met be gcb^cccficn cnbe quabc lu^ 
(ten»<öbci:(cgót ncecftelijcö in be tegcntooojbtgöcpt 
iöobt^y of gOp ban bit getal 3öt/ of gOp oocfe foecftt 
bc gcnoecfite beiSbleefcfijs^/cn ïjkt na beclangt/ban/ 
of göp foecèt öet bermaecö ban ben geef! enbe utoec 
5iele faligöcpt.Ccn bccben/ftelt u boo? oogen Cöjt» 
ftaö onfen ^aügOmafeer/ bit m^ beftoojt te biencti 
boo2 eencn fpiegeï ban aiïe bolmaecfetfiept: ^enfiet 
fiem/öongertcBbO2ftigB/0eBee(enac6tenoberb^en:* 
gen in't geüebt/en albeclep acbepben ban fijne ionö^ 
Bcpt af/ en ten laet jïcn gelaeft met galle enbe a^ijn/ ioan.19, 
'aen begalgebe$?öi;upi5. l§p8^eftalfooboenbe5ört 
leben totllen flupten / om oné tiz matigfiepbt aen te 
p2ebt6cn; bat öp alfoo al.ö onfen Becloffec foube bz^ 
talen be fcöult/ bie onfen eecften J^abec 2Cbam/enbe 
b3p fijne feinbercn boo^ be fonbe ban gulfigfiept/ qca 
maec&t fiabbé.<ö ^eece 3efu€B?ifte/leert mp boeg 
boo2 8et btnnenfte utoec becmöectigöept/ bat f ch be 
fpijfe niet anbec.ö en geb^upcfie/ al^ eene mebecflne/ Aug.i.i.; 
bat gijp moog^t toefen mijne genoecöte/ enbcïjct couf.c.3i* 
gene baer ith allen mijn becmaecö in neme» ^at 
mijne fpijfe 5P/te boé utoen toillejIBerre 5ubatt mp/ 
bat iclvbie geecne u foube toebefjooren/mjjn bleefc ö 
niet tn htuptt ; maet 'tfelbe onbectoo?pen foube 
5ijn/ enbe mp felben eene flabe ban mijnen bupcli 
mafecn/bie tn bjpbom geflelt ben/enbe gefiocDt boo2 
u bierbaec bloct» 43ecft mp / bat tcli mp in u macft Aug.r.io; 
betljeugen;gccft tat gliP gebtet/enbe gebiet bat glip conf-c-Bi; 
toilt» ^p be&ent (fepbe tlugu|iinu£?) «toen bienaec/ 
bat 8p 't ontfangen f^ttft/ enbe bat öp glorieert/ Uit 
fiem in ben l^eere glocieert. gcfe öeb eenen anberen 
ü ftooren bibben/op bat öp bectoetben foube,- ^eemt 
fegfit öp ban mp b^ begwlijcfeftepbtbe^bupcft??: 

m t toant 



1 64 Den I. Bocck. Het V 1 1. Cap. 

toarit töfc faï öefe ftonnen bcrtoinneni toaccboo? 
Docit be aïder-flcrcftftccntïcöltiec.feloccfijïeftaitip- 
bccötcr.ö ober toonnen Ocübcn gctoecft ; öan boo? u/ 
o foetcn gicfu/ öic münc «entoefaligDeptit/ enöc 
flcrchtc3Üt/^men. 

Cihebedt , om de deught van Penitentie ende 
Vaflen te verkrijgen. 

Pfal. 129. T 1 Yt de diepten heb ick geroepen tot u, ó Heere,Hec- 
'^ re verhoort mijne ftcmme ; want ick ben gekomen 
in *t midden der zcc, ende het onweder heeft my in den 
gront geftooten, Wie fal my verloiren,mijnen Godr, an- 
ders dan ghy, die beroert het diepfte der zee,en ftilt het 
gheluyt der baren? Wie fal myverlcenen,dat ick alle 
nachten mijn bedde mach waffchen,ende met mijne tra- 
nen fal ick mijne nift-plaetfe begieten, op dat ick alfoo 
mijne fonden foude mogen uy twairchcn,ende door defe 
dobbele befproeyinge mijn ziele foude mogen vrucht- 
baer maken, ende met eenen ontkomen d' eeuwige ende 
altijt-duerende tranen ende droef heyd ? Want ick wel 
\vete,dat,is 't fake dat ick de pijnen der hellen,met eene 
korte pijne in dit leven arbeyde af te koopen,d' eeuwige 
ontwijfelijcken door uwe gratie fal ontgaen : want ghy 
nimmermeer rwee-mael het felfde en ftraft , maer uwe 
bermhertighey t gaet alle uwe werckcn te boven.Noch- 
tans ghy begeert,ó foetenjESU,dat wy vruchten voorts- 
brengen,die in der waerhey t voor wercken der peniten- 
tie gerekent mogen worden ; ende hebt ons over fulcks 
hier in willen voorgaen,ende goet exempel gevenjende 
hierom gelijckuwen Apoftel o;etuyght : Die vooruweii 
dienaer gerekent wil worde, die kruy ft lij n vleefch,met 
alle hare quade lufté,hy en tradteert het felve niet fach- 
telijck , op dat hyhetnietwederfpannighenbevinde. 
Ick neme dan vaftclijck voor ray, ö alder-goedertieren- 
ilen j £ s I7,de penitentie met uwc Heyligen,ende vrien- 
den te beminnen; want oft den meniche llraft fijne fon- 
den in fy felv^n door leetwefen (gelijckfeerwelfeght 
Greg.I.p. denH.Gregorius)ofhy ftraft de felve metdenmenlch, 
Morai. ^jg mijnen rïeere ende mijnen Godt zijt.Ick neme voor 
«-^P» » 7' iny,ö Heere,vruchten te doen van waerachtige peniten- 
iie,op dat ghy u^ mei uwc H,£»gekn over de bekeerin- 



^alat.s. 



Van het Vaften. x6^ 

fe" van mijne fondige ziele mooght verblijden, diefoo 
ickwijls hcbbe uwen H.Geeft bedroeft ; ende boof^ 
heydt bedreven in de tegenwoordigheyt van uwe God- 
lijcke Majefteyt. lek beKcnne,dat dit qualijck doenlij k 
isjaengelien dat Ambrofius uwen dienaer fcght : Ik heb Ambr.1.2, 
het bevonden lichter te wefen te volherden in fijne eer- '^^ pcsniz. 
fte onnoofelhcytjdan oprechte penitentie van fijne Ion- ^^^' ^°' 
den te doen. Maer,ö Hemelfchen Vaderjalle dingen fijn 
u mogelijckja licht.ende fi.illen my foo oock \veleri,is' c 
dat ghy my by ftaet met uwe heylige gratie , daer ick u 
ootmoedelijckom bidde, Amen. 

Pradlijcke om het Vaften t' onderhouden. 

TA ' €ecfle / V oberleggcn fjoebatmen 5ört litljatm 
^^ feocftert/oft men bat oocb (ecfecilijca en fagöt^=* 
ïp boet afó fónen fenecöt/Diebaec boo^ loebecfpan^ï 
nlglj to02t:f)ct toelfe onttoijfelijö gefcftieöen fal/ijOf 't 
faöebat It»? bec ^\x\W\]f^\^i toeaebacn 3ön;i.tf 't bat 
top onjOt bcaeben tot becüóben enbc fcljaöelijclie fpö- 
fen t'eteniijÊf 't \^m top in 't eten t'obevDloebigfj 5ijn/ 
en t'ontijbe of belicatelijch boen/ of al te Deftiaö on^ 
öeaebcn tot ftet onbergouben ban oni^ licOaem» 

^e tljoeebe/te bepepfen of gljp in u felben bemint 
be tefienen ban een bjaecacötig beiioocöenen.^Baec 
ban fiet eer(!e i^ een bjeefe ban gem t' cntgaen bup^ 
ten lyti gene bat nootfaftelijcfe i.sr. (€en ttoeeben/eene 
neei'ftiaöe toatftte eer men gaet eten / enbe tectoöle 
batmen eet/ op bat be toelïujligDept ben noot niet en 
bcrcaffcfte ! en batmen b'eene meer bolge ban b'an- 
bere» €en becben/ of öet ones oorti moepelpcö en ïa^^ 
ftigöis^/ bat top befen noot onberU)o?pén5ün» ^€en 
btecben / bat top noobige fauflfen toelaten/felbfame 
enbe cnnoobige bertoo^pen» 

;©c becbe/ (jet fat feec goet toefen/ bat top m$ fel* 
ben eene fe&ere mate fleüen ban fpijfe en ban b^mlfe, 
aBant i^ 't faöe "^diX ^it aen be bceften gcbaen toon,- 
Öoe beel te meerij tjetbetamclijcft bat ben menfifi 
meer boo? rebene/ ban boo2geboeïengc(tiertenbe 
oeregeert tooabe* <Ênbe i^'i bp aibien bat top onsÈ 
öfieboelen getrocfeen te too^ben boo^eenjgetoeüu^ 
ftigfiepbt / f aet on^ obecbeneöen/bat top rebelijcfie 



l66 Denl. Boeck. HetVII.Cap. 

f rcatucen 5ijn/ €ö?i(len menfcDcn/ enöc \}^p/ oeene 
aaMm ban on^c^ Iicfjaem/of ban onfe toelluften/maec 
bicnacröcnöe hinderen ban €Ö2t(iu0 gefuief/btetot 
Ijoogcre cnbc meccöcrc faecfeen geDoren cnbe gcroe* 
pen 3ijn. ^ft toel iaet u boo?ftaen/bat oïm bc fpöfrit 
nu oenoten ïjebt/baer QÏ)p u geboelttoe bèrtoecltt te 
toefcnjUïaec boo? faf gefcbteöen/gelucft ben Oepügen 
Bonav. de ^Öonabentuta fecr toel betoijft / bat Det al eben beel 
profeau. ^^^^^^ f^j/ Q^f ^p ^ j^ beproeft ïjaöben* 

TBt bierbc / iaten een anbcc altijdt naec 3ön goet^ 
bunclicfpöfeöeccpben/ennimmernicerbanbefauf:? 
fe {ilagen of fp^efien / enbe öct gene baec top boo? be 
gulftgbcpt albciniecft toe geb^ebcn too^ben/onc? feU 
ben ontrecben/enbe ben armen uptbeplen,€nbe poe 
nengenaem een facrificie bat bit OBobt almacötigö 
i^/ (jeeft bp fomtoöien boo? mtrabeïen betoefen. 

^e bijfötf om fpöfe te nutten eenc fefterc enbe ge^ 
fielbe ure te bouben/ nocD niet licljteiijcb pet buptzn 
ben getoooneUjCben töt te nemen» 

^e felle/ met beel uren lang ober tafel blpen fit^ 

ten/nocb geene felöfame/of uptnemenbe bancbetten 

oft fpöfen toelaten. Want Ijet iiofboojtoaergroote 

fcljanbe / batmen fijnen bupcb / gelijcb ben 3lpofte( 

fp^eecbt/ langer bient / ban ben almogenben 45obt: 

® Êii guïfi^ batmen grootelöcbö p^öfi/ alö be maeltflben langö 

gen mcnfcD getiuer t Debbm / enbe boe bo.2t bat ben bienfï W t^i^ 

Sé^ mena3ob betoijfen moet/altijt telancb fcbijnttetoe^^ 

madttjQm f^H. (öberlcgt/ toaerom batmen be lange maeitüben 

eiiöchoutc? inflelt/nergenö anberiS om boo^toacr / ban om fijne 

mfftiu begeerlijcbBept enbe luft meer te gelieben/om fijnen 

bupcb meer te bullen en te bienen/ bie niet Oaeft ber^ 

faet too^t/ en op bat Ijp boo^ ben boflelijcben tijt/on^ 

nutte èoften/lacbernpen en b^embefauflfen (baer ftp 

met ftlepnber moepten en arbept fijnen bonger toel 

öan berfaben)bcrtoecbt en getrocbcn too^be/ tot ee^ 

ne toalginge, toaer boo?be5iele beftoaert/enöetlic^ 

öaem oberlaben too^t; enbe ben menfcO ten laetflen 

Epift.i.ad geenenmenfcömeereni.ö*i^oo?t/ boo^t/fegfttben 

?Hiconera. i^epligeu ^ernarbujET/ toant be fpijfe i^boo?ben 

bupcb/enbe ben bupcfe boo? befpijfe/ <i3obt fal ï^'tm 

^nbeb'anber b^rnielen» ^e locflt/b'aeïbe/bes^^/^n 

m 



Van het Vaften. 167 

5011 bp tta m'ct öcnoccDfacm om bc cuïfigBcpt/ cnöe 
DegeeclicöD^pt öec mcnfcfjen te boldoen/e» Dt^ï^ boo? 
Ocfcïjiet l)ct/ öat b arme menfcften berooft too^ben/ 
öatter robingen gefcfjieben/ bat t^zix Donger öer ac* 
men biene tot be ixieKufle ber tijtUzn en macütigem 
somberen ber menfcften öoe lancït fuU göp toefen 
fioaer ban öer ten/om bat gftp boUöbigö enbefmaec 
ban licfïaem 3Öt ,• toaer toe bemint gl)p tic pbelfiept/ 
enbe beronacOtfaemt be bjaerfiept^^ gljp belicaten 
menfcö/bte ftoemt in utoe toelïiiiten enbe cöcftbom^ 
mc/bcl bcfcOaemtfteïTt bertoaclit be befcBaemtfiept 
tot tn be boot.Jftet rflcii ber öemelen/ en i$ nocö fi^ij' 
fe/ nocD b:ancfi/ nocïj purper/nocD feoftelijche fijbe; 
toantbenri;ciienb:ec&/ btegeen ban befe bingen en 
ontb?afeen/t5f op eenen oogenblife geftooten getoeefl/ 
tot in ben afgront ban ber öcüen.ïlDat fult göp Dier 
op anttooo^ben/ o gïjp gulfige enbe onfeupfcöe men^ 
fcflen/ bit ban utoen bnpth / ubjen ^obt gemaecfet 
ï)ebt;enbe anberjs? nieten berfint/ban öet gene bat be 
gulfigftept/enbe onfeupfcDept aengaetoa bit in ubjc 
onftupfcóeben enbe bupligöeben/gelöclö gemefl 5öt/ 
fo naer be 3ieïe/a(.ö naer ben licftame^gicfe late boo?- 
bp gaen/bat be arme boo? utoe beuren om b^oot bib^ 
ben/ al$ gfip in alle oberbloebigöepbt utoen Dongec 
moet foeclien enbe bertoeclien met lecliernpen enbe 
untgefocöte fprjfen : men gebaupcfet uptgelefen enbe ,©i,erbaet 
ftofielöcl^e bingen/ om ben appetijt te becfcöerpen/ nnmtn» 
bit nocötanss altemael berloren gaen ; enbe toaer 't jj^^n fon* 
batmcn eenige fïecfite enbe bertoo^pen bingen ben ^^^i'?°»^t* 
armen bit berfiongert toaren / booagetoo^pen ftab- 
be/ btn tijthtn foube baer b002 p^obifie ban eene ee* 
toige enbe onbeberbelijcFie fpöfe berbient Rebben, 
aBp moeten onö ban fojgbbulbigljhjclt b^atljttn/ 
bat top naer be ber maninge/ enbe bet eirempel ban 
ben l^epligen 3Ipo(lel ©aulujsf/onö leben niet hoftt^ 
lijcber en ftouben / ban onö epgen felbe» "^it fullen 
top bep^oeben/fegöt ben ï|epligen 23ernarbu0/ijef 't 
faccbe bat top bebtoingen/ berfaèenenbe onber ben 
boet treben alle licöameliicbe enbe toereltfcftetoel^ 
lullen / enbe on.ö bleefcö boipcen met fijne booffle* 
ben enbe qmbt be^^eerlöc feöeben : ïBat fegDt gbp 

|B é Uier 



x68 Den I. Boeck. Het VII. Cap. 

ïjtec tcfjettf fcgï)t fip/fp^efecnbe totföne Bdmcufm) 
breupt-nemei*^3ljtbanfpijfe/cnöcDacr:cntufTcöen 
liiepnacfjtcndeBiH'to^ncbattïcgoctic maniere aen- 
oact^ l{)tpoccatc"0f cit fijne bifcipelen onöcctoyfen öct 
ocnc bat lirecfu om te leeccn / hoe dat men öe 5teleit 
fal Deljouöen en Ociuaren op be toerelt; Cfj^ifluö on? 
fen ^aUgl)ma(ier en fijne naerboJgerief/onöectoijfert 
on0 Ijoe \np De felbe fuUen berfaficn / enbe beciiefen* 
3Bit beoceft öljt>-iteben te bolgc boo? utoe ,fBee(lerl 
Hlöacu biealbus? begint teblfputcren:enbefeoljt/btt 
10 ooct booj b'ooöfien/ bit i^ fcïjabe(ijchboo^2ftet 
ïjooft/ $r» Die geeft genoeg tehennen ïjoebanigö bat 
ïm i^ : göp en Hebt hcfc leJTe niet gebonben in Ijet ^. 
<ï^uangciie/of b?.i be ï)^opfjcteit/of in be bjiebenbatt 
belieoUge^pojtelen-^efeijDijfDeptïjeeftuonttoijf* 
felijctt ïjet bleefcöenbloetaengep^ebicïit/ niet bett 
geell ban t)m igemeïfcöen ©abensenbe een toepnig 
baecnaec/ fegbtben^» ^ecnacbUiS^nocD; Haetu 
boojftaen / btU bitt^c itii u / bat gl)p eenen iBonincft 
5iit/ niet eenen mebecijn/enbe niet geoojbeelt en fult 
too?bcrt naecultie complejcie/ of gcttclteniffe bej^ litf 
ï)aem.^/maec naec utue p^ofeffie / of 't onberDouben 
ban 't gene bat gOp <6ob belooft öebt. <©e toelluftig'* 
tm tn eten enbe b^incïien bjo^t in be MooWtt^ feec 
geb^ofeen/boo^ be €ïobtb^ucOtige ïeffe biebaec obec 
tafei gebaen too^t; ocö oft a5obt gabe bat be toerelt^ 
iiicFte menfcben/ bie fo fo^cftbulbigft 5ön in Oet gene 
bat beï^eucften aengaet/'t felbe ïjaei'niet enfcöaem>= 
ben tMenbeerben / enbe in fulcher boegen jjare 3iele 
te fpiïfen/ enbe bat öet ïjaernietenberb^oot/ tm 
miuiim een geretbte boo^ be3iele te betoaren/ al^ f? 
met foD beelberOanbegerecljtenbanfpöfeboojOet 
ïtcöaem befo^gbt 3ijnl toant beei beter boet Op bie 
oen be 3te[e befojgïjt ftet gene baei* fp boo? ftan \xt^U 
fen/bcrftercfu enbe berciert too,2ben/aï$ bie boo? !iet 
iitöaem befojgftt bet gene / toaer boo? batfefoub^ U^ 
ben in uielluften/ enbe geörencöt too^ben. 

Schiet' Gehe dekens ^ 

T\ Ie Chrifto toebehoorcn,die hebben hen vleefch ge*- 
^-^ kruyft met de gebreken, ende qu^de hifteii. 

't En 



Van de Aelmoefle. 1^9 

*tEn fy dat ghy penitentie gedaenhebt, (o fult ghy alle- i-ace i j.^ 

^acier dclgelijcks ver^acn. 
Bekeert u tot my , uyt alle u herte , in vaften , in weenen loël 2. 

endc in klaghen. 
Doodt uwe leden, die op d'aerde fijn. Co'off. 3i 

Om u worden wy gedoodt allen den dagh , wy zijn ge- pfaim 45. 

acht als flacht-fchapen. 
Al fo ghy gedaen hebt, lbo lal u gerchieden,uwe vcrgcl- Abdi« ir, 

dini;c fal hy u wederom kceren op u hooft. 
Laet den etter in mijne beenderen gaen, endelaerhet Habac. 3, 

onder my uvt-loopen , op dat ick mach ruften in den 

dagh der tribulatien. 
Ick kaftijde mijnlichaém, ende brenge dat onder be- i.Cor. 9. 

dwanckjop dat ick by avonturen (als ick den anderen 

gepredickt hebbe) leive niet verworpen en worde. 
Me: Chrifto ben ick gekruyft , ende ick leve nu voorts , G2.Ut. 2. 

niet ick, maer in my leeft Chriftas. 
Ick ben ghelijck gemaeckt der doot Chrifti , oft ick ee- phiiip. 3. 

nighfms mocht ontmoeten de verrijfeniflen , die daer 

isvandedooden. 
Voortaen, foo en zy niemant my meer laftigh, want ick Galat.uit, 

draghe de lidt-teeckenen desHeercn JeluChriftiin 

mijnlichaém. 

HetVIII.Gapittel. 

Meditatie van de Aelmoeffe, het tweede werck 
van voldoeninghe. 

TLT Et i.point. (öbedoopt in bctegcntooo^bigDcpt 
* ^ v6oD.3i öc ocöcelctecelt/cn art gene dat Dacc in 
begrepen Ujo^t/ enöe fict öoe milt bat 45oht gelüDceft 
Dceft/ ijoe liDcraci t'ubaacrt^/ öacc gfiP nocDtaivo' al:= f.Sf Sn?^ 
tijt 10 onöancftb^ec Ijebt oetDecftjcn Ijoe öat Ijp öit aï tui tt 
gedncnficcft b^ploiütglich / en fonöec utDeberbicn< mmrcijciu 
fie/ enfietöocgöPÖemliierinnaerbofgöt. iCena, 
otïcrlegljt toatlip ban al't gene öatljemtoefiomt/ 
( toant öcr al in fönbei: macöt isf' Oegeert niet toebeet 
om gegcbcn/ maer alleen gep:eferttecrt te Rebben; 
tn\)t Ijoe onbefjooalijcfe bat 't i$ fulcfis? bem te teep^ 
geren. JDant aeimoeffen tegeben niet anbers' en 10/ 
ban v0obe te p^efenteren't gene bat Ijem felf^f tcebe^ 
liop^u/ aL$ J)u bet ban on.0 bercpfrfttboo^bearme 

in 5 men^ 



I70 Den I. Boeck. Het V 1 1 1. Cap. 

menfcBen/bic ftp rot ou^fcpntMm 3. bat<5ob met 

onjofdoet/ QüijthccmnBatjctnut fijne ftinömn/ 

bie öp bcel en Ucrfctjcpöen dingen geeft/enöe nader- 

öant om öaec te p^oeben/en te fien Ooe goet-aerdigö 

«lob geeft en danclibaec dat fp 5ön / eenige felepne fahe toedec* 

^Üamf^ ^^ ^^^•'^Öt; toant in fulcfeec boegen / epfcljt doo^ den 

epfcijt öcmen ban den röcfeen,- tndeplaetfe/ bangoude 

flecDte (lucften/ fjoperen; inplaetfe ban ^ijdeïif eederen/ 

toeocïom* flctöte/en berfletenjin plaetfe ban(effiecnpen/|ïeclj* 

te en gcmepne eetöare dingê. ^it epfcüt glip/o foetê 

giefu/ en eplaeo! u b302dt dicütoijl^ getoepgert/ dat 

ÖÜP epfcljt doo^ de toeemoedige flemme ban den au 

men: detoelcöeal isaf 'tdatfedefjemeien doojgaet/ 

enöomtalfoototuoigeeredei: öep^{^l•acDten / en 

öan nocOtaniJ difetöilö niet becmo^toen de berfteen- 

de öecten ban de ondancfebace menfcljen» (Cen 4. 

<r5rtöcftc^ toaec'tbpaldien dat eenen Badei* fijnen fonebeel 

luffe, becfcïjepden dingen gegeben Oadde / op dat öp daec 

doo? tot een groot Ooutoeliö foude (lonnen gerafeen: 

tn dat den ©ader naderljant fjier doo^ tot armoede 

geïiomen 3ijnde/ban fijnen fone eene aelmoefle foude 

epfcfjen/oft een (lucr f»en b^W en foude 't niet feec 

ijo^eedt en onmenfcftelicft toefen fiet felbe fijnen ©a^ 

der te toepgeren i €nde dit felbe gefcDiet dagefijcftiS 

alfmenmet eenen Oongertgen armen menfcö öid^^ 

dende om een ftucft b^oot^/geen medelüden en ïjeeft; 

den toelc&en in noot toefendeende geb^ecfi lijdende / 

OÖP niet geftolpen en Debt/doot geflagen flebt/ fegBt 

Ambrof, den Igepligën ^mb^ofiujs?* 

Hen 2.point.^emerfet ten eerflen/ban Fjoe öfepnen 
toeerde dat'et isf/dat ban de rijcfee menfclien den ar^ 
men medegedep(tto02tboo^ eene aclmoefTe;een beet» 
feen aerde/een berfïcten öleedt/fukïie fpijfe meeften^ 
deel / daer den toel-gefpijfden eenen afbeer en toai^ 
ginge af fiecftj en defe giften 5ijn onfen goeden ende 
gaeDertieren<i3odtnocDtansf aengenaem^ daerom 
fcDaemtu/bem dit te toepgeren/ en bertoondertu 
bandeonfp^^ebelijcfie goetöepdt<aodt]ef. aBeeftin^ 
Aue^uft. dacfuiglj fegbt den l|» ^Cuguflinu^/ niet alleen-lua t 
dat gijp geeft/maer oocft \s)cit dat glip ontfangt.l^et 
bjoot dat gljP mede-deplt i^ aerde/ öomende ban de 

aerde/ 



Van de Aelmoefle. 171 

öecbè/toojbt toeberom gegeben am Ï3t aerbe/op i:it\t 
befclbe baa* boo? onbertjouDj^n foube mogen ^nu^bé: 
foo bat ben armen met recflt foube mogijen fcggen / 
fietoft ife u niet meeren boe ban u ontfangenbe/ban 
OOp/ mpgebenbe. Wmt toaer öetfaöe batter nie* 
manbt en toaer / om ban u t'ontfangen / fo en foubt 
öDp oocö b'aerbe niet uptgeben/om ben X^emel baec 
mebe te feoopen^ Berfmaeb mp alfban aljos göp tiiet 
ban boen enfiebt/noclj en epfcötniet ban ben genen/ 
tic mp enbe u gemaecfetenbe gefcDapen öceft^ 

(Cen 2. mmttht bat tDp/al.ö top aelmoeffen upt^ y,?^*?!^^? 
beplen / anber<ef niet en boen / ban geljjcöertoöö alö lni?ml 
of bjp ten töbéban eenigen grooten b^ant/oberbloet nat anDeti* 
ban toater/ oft in perijcftel ban pïonberinge anbere betiorcn 
(iebcn goet in onfe betoaerniffe tiabben^ 't toelcit top ^^^^ 
op om epgen fcDabe en pcnjcftel fouben moeten bc^ ** 
toaren: en bat ben l^eere felbe/bie on,ö eenen getrouw 
toen b:ient W te b.2eDen en gerect toaer/en fiem p?e^ 
fenteerb^om 't gene bat anberjss gerooft en genomen 
foube too^ben / t'onfcn p^ofijte en bate te betoaren / 
cngbebuerigöUJcötebermeerberen. ^oubc bcfcn 
menfcö niet nptfinnigö toefen / tit bit niet en foube 
toillen oberleberen aen ben genen/ i)k *t felbc toebe^ 
ïioon/ befonber/al0 tit 't foube betoaren boo^ bien/ 
bit 't obergDceft / toaer boo^ D^t l^m obergeber eeu^ 
toigblijcö fou\)c toebcöooren en bp-blijben / en 8em 
nimmermeer ontnomen too2ben^ toant be boot fal 't 
boclj öaeft al berntelen. i^ier boo: too:bt ben gieri^- ©m gigti* 
gen mcrcfeelijcö geftraft enbe befcbaemt gemaecht/ 8D«i w 
ï)iz alle menfcöen gfjereet iö fijngöelbtte betrou- ^Stnitt 
toen / beljalbcn ben lïjeere alleen / tiit Dem nocötan^ te gcioaa 
ftonbertmael meer belooft, ^iet of tmen macDfcg- ijm» 
gen batbefenöet^ €uangelieenbeöare toaerbept 
gelooft i ïBant toat iffer bat om bicötoplber too:bt 
acnrjcp^efenban aelmoeffen^ ^Öeeft aelmoeffen / luc. u. 
fegl)t onfen ,§aligfjm3&er/enbe fiet alle bingen 3ijn 
ufupber» €nbe toeberom: ©er hoopt 6et gbene bat ^uc. 12. 
Obp befit/enbe geeft aelmoeffen; iae bat meer 107 bp 
Ijeeft ftier in be bolmaecfetfienbt gbeftelt/ fegglje'n^ 
be: ^s? 't faöe bat göpbolmaccbttoilt toefen /gaet Matth.19. 
inbe berifeoopet al / enbe gljecft Det ben armen/ enbe 

m 



Vyl Den I. Bocck. Het V 1 1 1. Cap. 

OUp fult ccncn grooten fcBat liebben inöenficmcL 

<t\\ bit niet alleen in üet nieu i^efiament/ maer ooft 

\\\ 't o^uöe ; aliJ Daec bebolen too^öt / öat öc oberge- 

Levit.19. blcbcn bjupbcn in ben bJüngacrt boo?ben armen 

Deut * V± Ö^^laten moeden too^ben ,- en oocïi b'aren op 't belt / 

ifais'ss c»öc be bergeten fcljooben» (Cen laetflen/beeft <0obt 

3li(macötig0 bebolcn / batmen ben bongDerigen eit 

ben DeDoeftigen Bet bjoobt fcube D^cften/ en bte fon^ 

DeuMj. bec ijoooningbe 3ü« / Oceft ïj? bcbolen te Berber^ 

gen/$c, €nöe tbeöerom : icfebebeleu/batgöpu^ 

toe Bant open boet aen utoen b^oebec / Xxit in noot \^. 

©CU mt\* ^emeröt ten 3 ♦ <ï^at top Bi^t: eenen fio^ten ttjt be^ 

öen ij«ft fitten begoebecen bec toerelt/te toeten/eenen oogen:^ 

imfoaaÉii:. ^^^^^^ ^^" ^'^^ lebé/cn toat een fcBanbe battet \$i fün 

wirh u bc» leben lancb Biec boo^ fo^gBbulbigö te toefen/en niet 

fjcKit ö.in eenjS ernflelijcfi te letten op 't gene bat b'eeutoigBcpt 

«ubjciyc* acngaet. 3Bant toie toert Bier gebonben x^\^ fo fo^g^ 

bulbig i^ om b'eeutoige rpclibommen en eere te be^ 

fitten/ baer Bp felierlöcö toe öan gerafeen/alis^om te 

beliomen't gene bat maer eenen oogenblib en buerti 

Hcc^.point. 2öemercbtbatben onbermBertigeit 

menfcli niemant to^eeber en \^ in "tii leben/ banfön 

Matth.7. epgenfelben.(€en !♦ 3Bant met befelbe mate met be 

toclbe Bp cenen anberen gemeten fal Bebben/fal Bern 

2. cor. 9. to^berom gemeten too?ben: €n Xm gefparig 5aept / 

gelijcö ben ^poftel getupgt/ W fal oocïi gefparigó 

maepem a©ant Bet gefcBiet boo.j Bet recBtbeecbigö 

i^piö oo:öeel *^obj3^/ bat fobanigemenfcBen/oocfe in Baet 

f" frlhï^^ Icben/armocbe bep^oeben/bie bcfelbein belebebenjS 

1}« gcfp"^ €B?i|li niet en Beböê toillen Belpen b^agen^^oe beel 

rigö lö 111 to02benber gebonbé/ \i\z macBtig sijhbe ban goebe^ 

admoffTm ccn/boo? fcBulben/ bobbelen en p^acBt befer toerelt/ 

j^ttcDep'^^.-^^^. patrimouie-goeben onnuttelijcben berijuid 

* Beüben; toaer ban ben armen cene möte mebe tebep^ 

ien/ bocBt Baer te toefen eeneftoaerber fafeeal.i^fp 

Galat. 6. fjonbett bcrb^igBen ^ o^obten too^bt nietbegecltt* 

vDaecentegen top leeren boo? be bagel jjcfefcBe erba^» 

Trov. 19. rentBepbt / '^^t Bp ben ï^eere tooec hert/ ^\t mebelö* 

Frov. 28. Den \\é^t met 'i^z\\ armen / en Bp fal ftem fnnen toe^^ 

ber-loon bergelben : toantbie ben armen gBeeft/en 

fal geen geb^ecb löbenien fo toie berfmaet ben genen 



VandeAelmoelTe. 173 

bit èPfcOt / bic fal armocöclööen. Watt af onj^ gce* 
ne exempclé en gebjcöen. ïBaiu Ijp öan niet beD2te^ 
Oftenöte ftonöert-toerf tJeloofrenöeoDefeptfteefc : 
o^ectöen^ere ban utöen öocöe/eu ban De ceritelm- Prov. 3. 
gen allee utoer \i^ucl}tm I enDe iilre fcDneren fuUeu 
becbuit tD02tien met berfaetljeiJcn/enDe ulreperffcn 
fullen ban toon oberb(ocöJijti5ijn. iDacc-en-bobctt 
'tt3Sgeöee(kDaeracfmgöat fommtge uptöeplenïiet 
gene Ijaec epgen xil en i^ teoztien löcfier: anöece ötc 
rooben öat Oaer niet toe en f)e8oo2t/enleben altijt in 
armoeöe» z^it fieeft geDJe^en inöearmetoeöutoe 
bie Den gaopfteet €iia.c^ fpijföe/ en \$ rijfi getoo^tien 3 Reg. 17. 
ten tijDen bat aïle anöere menfcften gcli:ccü lebcn. 

55emercöt ten ttoeeben/öat top bagö boojöag afó 3©p ^tfn 
{jeöclaeri0ffeomenboo2öe pookten ban ben grooten ^öciaccö/ 
l^onincftj en bat fip ooh eentgen uptmaecltt en fepnt/ ^mm Se" 
öp batfe ban oae in fönen naem n'^ fouben epffcljen. bcöciafr^ 
a©at ifTec recDtbeerbiger/ ban bat Den genen Die fö^ met ani» 
ne ooren flopt tot öet geriröfcö ban Den armen/oocft ^°°^^^'! 
fouDé roepen en öröffcljen/en niet bctBoojtbao^ben^ ' ' 
toaec op Den 1^. ^ugujlinu0 feec toel te paffe feonu/ A^suft. 
feggenDe: JDat 3rin D'armen anöcr.^f/Dan onfe obec- 
b,2agerj9'i gftp gebet Defe ober-D^ager.j^/fpD2agen't 
in Den öemel: en Det gene Dat gijp geeft/bcrlicft gBp 
bat i j^oo^toaec beel gecufïec too^Den eenigefcDatté 
geDjagenboo.jDefjanDenbanbelè/ banDoo? eenen 
alleen. Cen Derben / aenmercfit / Doe bat ben Igeere 
oocö tn Dit ïeben De onbermöcrtige Dicfetoilö firaft/ 
öelijcö ö^t blpcfet in Den aijcöen b^ecfe / in ilSaurt? luc. i^. 
x\\x^ Den il^epfer/ ie. €en bierben/ bencfet toat goe^ 
ben De aeimoeffen meDe b^engOen. ^efe berloft onsS 
banbefonDe en bolDoctboo2Defelbe. €nbe()ierom 
fpjnchïDanicl in Defer boegen tot Den öonincö ^a^ Dan.4, 
bucl)oDonofo2:55eemt beDag^ in mijnen raet en ber* 
loft utoefonben met aelmoeffe. 3Bant b'aelmoeffe Tob. 12. 
ber loft ban De Doot;fp i? Die De fonDen fupbert/ enbe 
boet batmé bermbertigOept bint/en 't eeutoig lebê. 
^efe beeft €02nelius? geb20cl]t tot 't geloobe,- befel- ^aor. 10; 
be öelöaert in m$ beCioDiöcfte gratie.ïBantDMel^ ^^ * ^^' 
ntaeffe De^ manx?/ï$^ geltjb eene b02fe met öemjen De 
oratie De.$ menfcöe.^ial \^ M ï?$n appel Der oogcn 

betoa* 



174 Den I. Boeck. Het VIII. Cap. 

betoarctt: itietöcnfcWïbt/ cnbemet öelancieban 
ben bjomcn faf fp (iriiöcn tegen uluen bpanbt» 

chryf.hom. %tt öan Ujcl Op be mcvtuQïjcvt ban De aelmoeflfe/ 

35-. ad Fop. toicnöf honHetcüjeren/naeCrgetupgcnbanbenl^. 

Amioch. <£(j^pfo||oinu^/ meer i0/ dan eenen ji^onincl! te toe^ 
fen/ia öan öooöen te bectDecfeé: toant Oiec 0002 doet 
<0od onjofeentgeuieldaet aeniitiaer daecdoo? debJii* 
fen top <0oöt felfjGf toeldaet. i€en bpföen en ten laet^ 
tlen/Oemeröt dat tn den dag de«of oojdeelö/de fenten^ 

Matth.if. tte in öefec boegen gefp^ofeen fal too^denrl^oitit gijp 
gebenedijde mM ©ader^^/ende befit Det njchitoant 
ttli ïnb ftongec geftadt en gl)p Ijcbt mn gefpöfliende 
ter contrarie aen de gene die tot d'eeutotge doot ber^ 
toefen too^dé:45aet gfjp bermaledijde/toant icli öeb 
ftonger geöadt/ en gftp en fteöt mp niet gefpöfl/ $u 
<Bth toat fult göp alfdan toenfcfjen gedaen tebebdé/ 
biedttleefti^goegrooteïijfjr fult göpu bed?oeben/en 
befelagen/ties't fafee dat gDp in dit ïeben geftadt Debt/ 
toaer mede dat gfip/en utoe ftinderen/en utoe Dloet- 
b^ienden tn alderlepoberbïoedtgDept endeoberdaet 
ïjebt geleeft / en niet met allen toaer mede CÖjiflujES 
öebjecfe (fld^nde/foude moge gefpijft Jiebbê getoeelW 

G E B E D T. 

ALder-barmhertighften Godt, die ons de wet geftek 
*'.« /. hebt, dat wy met defelve mateghemeten (ouden 

\vorden,met dewelcke wy eenen anderen gemeteti heb- 
ben jgeeft mv doch uwe gratie,dat ick tot geender tijde 
Tob. 4. my l?lven af en keere van eenigen armen,aewijlc ik fel- 
Matth.6. ver om mijn dageHjcx broot, vergevenifTe mijnder fon- 
Ofe« 6. den, en u rijcke ben biddende , en geern foude verhoort 
we fen: en wilt u aenfchijn van my niet keerê,die gefeyt 
hebt,datghybarmhertighevtbe^eert,engeenfacrificie. 
Want hoe foude ick in den dag cies oordeels dit woort , 
't welk meer doorfteekt dan een fweert van twee kante 
Matih 2y. fnijdende;konnen verdragen,als ghy fult feggen:Ik heb 
honger gehad,en ghy enJiebt my niet gefpijft;ende der- 
-et ghy van my begcere broot te etë in mijn rijk? Ik heb 
dorftig geweeft, en ghy hebt my geweygert te drincken 
te geven; en begeert ghy nu droncken te worden van de 
overvloedighey t mij ns huys?Ick heb naekt en bloot ge- 
weeft. 



Van de AelmoefTc. I7f? 

weeft, en ghy hebt my niet gekleet; cnde eyfcht ghy nu SScWagö 
overdeckt te worden met mijne glorie; enverciertmet ni^j^^^*^ 
een kleedt van onftervelijckheyt? lek ben gevangen ge- j,f^ ^^^ 
weeft,enghyenhebtmynietbefocht;endefoektghy te öeiS 002» 
genieten de vryheyt van mijn kindere? Alsick gaft was , öccI$/ob« 
en hebt ghy my met onthaclt, en derret ghy nu verfoec- g^"mÉji]^ö» 
ken ecuvvelijckê metmy tewooneninmijnrijk? Ik heb 
(lek geweeft,enghy hebt my niet befocht;Ick hebdooc 
geweeft,en ghy hebt my nietbegraven;ende hoe derret 
ghy 't eeuwig leven van my begeeren? En wift ghy niet Matth. j« 
dat alleen den bannhertigé, barmhertighey t foude ver- 
werven? Voorwaer Heere,ick en weet niet,wat ick hier 
op foude konnen antwoorden ; mijne confcientie be- 
fchuldightmy van mijne boofheyt,gierigheyt,ende on- 
trouwigheyt.Wantick wete voorfeker,clat het u al toe- 
behoort, hemel , aerde , ende al het gene dat hier in be- 
grepen wort; ende dat ick anders niet en ben dan eenen 
uytdeylder, die naderhandt van alles ftrange rekeninge 
fal moeten geven , 't en zy dat ick u wederom gegeven 
hebbe, dat u toebehoort : ende is 't datick't wecferom 
geve, foo lal ' t my allegader in der eeuwigheydt toebe- 
hooren. Waerom en fal ick u dan niet geven , het gene 
dat u toebehoort ? Wat hebt ghy tegen my gefondight, 
ó alder-liberaclften Godt ? Wacr toe gheloove ick den 
menfch die wantrouwi^h ende leugenachtigh is, (want 
alle menfch is leugenacntigh) ende u niet, die nochtans Pfalm 115-, 
de waerheydtfelve zijt ? Ofthate ick in fulcker voegen 
u , ende mijn eygen felven ? dat ick liever hebbe te der- 
ven faligh ende geluckigh te wefen , dan u wederom te 
geven,dat u toebehoort r En fal ick niet begeeren liever 
te belitten hondert^-out, foo ghy belooft, dan u te wey- 
gheren dat u toekomt , ende dat door fulcken middel 
voormy behoudenrEylaes watgrooterblintheytis dit! 
Ick en begeere in uwe gelt-kifte, dat is in de handen der 
armen niet te legi^hen 'tghene my eeuwelijcken te pas 
foude komen; ende ick ongeluckigh menfch,hebbe lie-^ 
ver udatteontrooven ('t welk ick nochtans nietmach- 
tighen ben) totdathetmy ontnomen worde ,dan door 
uwen raet het felve al te bewaren,ende met eenen felver 
bewaert te worden. Mijne rij ckdommen vallen my la- 
ftig ende moeyelijck, ende dreygen my d' eeuwige qua- 

den^ 



176 Den I. Boeck. Het V 1 1 1. Gap. 

den ; de dieven leggen my liften ende lagen, ende ick en 
"wil defclve ncxhtans mijnen mcdc-ghciclle niet geven, 
om alfoo dacr af ontlaft ie \velen;ick hcbbe 't liever de 
dieven te geven,cndcdatairoquijt te worden. O groö- 
tc barmhertigheydt , die van de doornen der rijckdom- 
men,drLiyvcn pluckt • iiy t het quaet van eencn anderen, 
goct;uy t d'armocde,rijckdommêi uyt de kranckheden, 
ftcrckte ende vromi^iieyt; iiyc de rchandc,een eeuwige 
glorie. O oneyndelijcke liefde,mijnenHeere ende mij- 
nen Godt,vcrbreydt mijn berte gclijck het lant der zee, 
dat ickunaervolghendeecn yedergeernmede-deyle, 
maer fonderlinge mijne.vyanden;ende dat ick u mijnen 
Heere mach eerc bewijfcn , medelijden hebbende met 
den armen. Want hoeveel afgoden-dienacrs,cnde dien 
vcrmalcdijden, onderhoudt ghy, Ipijft ghy,ende doetfe 
overvloedigheydt hebben van alle welluftcn;cnde doec 

Matth. j. -uwe fonne opftacn ende fchijneii over de goede end<: 
quade? Ickenwdlvoortacnghccn acht nemen wie dat 
het is, diéyetvan myontfanght , maer in wiens naem 
dat hy het ontfanght , ende wie dat ick het felve geve ; 
ick en begeere niet gefparigh te zaeyen,ende gelparigh 
te maeyen ; maer zaeyen in benedictie , op dat ick ten 
laetllen mach hooren defe alderfoctfte woorden :Komc 

Matth. 25. ghy ghebenedijde mijns Vaders , ende befit mijn rijck : 
het welck ick verhope , ende u ootmoedelijck bidde , 
door het binnenfte van uwe barmhertigheydt, Amen. 

Pradijcke om AelmoefTen uyt te deylen. 

^«t toat •TT <gn ecrflen/infiet uto^ infeomüen cnbe gocbcrcn; 

mniibi^^ ^'^^ ^^^ <^ÖP tn öcn Ijcmel / m ooch toat dat g&p 

fit» op öccaeiöê 5öt[jcfittenöe»«©clj ïjoeincnigmael öc^ 

beurt öct/ öat Dct bpcr/Bct rjtilüeit/ of t ceniöD andec 

ongebal De goebcrc beneenu/ DelüeJclte toaec *t tafeö 

tiatol)ptien armen gegebeiUiaöt/ fouötöefelbebc^ 

toaert enöe in der tm)i)iQl}m gcboubcu l]tbbm;bt:> 

fcöulbigt ende Dcftent utoe ontroutD/öen bpant Itan 

u D"P3£^ innemen en öeroob^n/ niaer niet den ötmieU 

(€en ttoeeden/öedcplt utoe goederé/en fcöiht eene 

fefeere fomme boo? den armen/ en geeft defelbe oot:? 

tttoedeliicfi aen den genen die u fal bidden / ende en 

Ujepgcrt niemandt geen aclmoeffc/foo betre al^ 't u 

mag^'> 



Van de AelmoclTe. 177 

niDöelöcfe f.ö.g:^ 't fatcfteöat oDp fcm am 3iJt/oft ^tmt ü 
rcliaicuö/ cnbc dat öDp noclj fiH)cr nocï) cout en bc^- Xo,t Söo" 
fit : Dititben l^ccrc öat üpöen arttien tuil oljcöaclj.' Denaimcil 
tigf) 5ijn: i^ 't 11 moaeli)ch/foo trooft tjtn felbcn niet 
tooo2öen/eniie imt een DUjbe acnftc!)t/"t tolcli meer 
meöelötien / öan ceniaen af-feect* te tiennen oeeft» 

(Cen 3- en toeeft niet alleen milt en liberaef acn bé .f «^ « 
gene bie u öaecom fuüen biöbc/maec focbt ooft ban uan jïif^, 
felffli be gene/bie utoe njcftbommc/oelijcli pacftb^a^ 
oecjS fouöc mogen blagen in 't tjemelfclj babciiant. 

(^enbiecben/iiineèöcutoeïnnberen enbeutoeon^ ^mint 
berfaten getoent om geecn aclmocffcn upt te beplen» S'f^"l"^ 
mt f efen top gebaen te IjebDcn be albcc-gobtb2ucö^ af" ^""^'^ 
tigOfle ïJoningtnne Uan <§pagnieni;^atgareta:8oe 
batfe Oare Ijinbecen / tjk fp tot eenen fonbeclingljen 
troofl enbc b^eugljt ban Det €lj?i(lenbam boo?t-ge* 
Ij^acöt [jabbe / plaglj ban lonefi^^ af t'onbertoijfen / 
bat ijit I öocö göeljeef felepn synbe/ met Bare cpgen 
Janben ben armen aelmoeffenfouben geben» 

föerept ben armen fomtoijlen eene maeltgt/ enbc luc. 14. 
bient befelbe/'t toelfi fomtijt^ Öoningc gebaen Dcb^- t,n,"c^„ 
ben/enbe nocD aebjupclit too^2t ban fommtge flup^- eeuÉ maei* 
öefinnen inbe Dafïen-abont-bagen:altoaerte toerfe mu 
geftelt too^bt / Ijet gene bac in Det ^. Cuangelie ge^» 
fept i!3f:?Clè göp pemant noobt ter maeltijt/en roept ^«c. 14» 
niet utoe b^ienöen/macr ben armen/tiranrüé/ fereu* 
pclc/blinbê/en gÖp fnltfalig bjefen/toantfp en l'ieö== 
ben niet toaer mebe fp u bit foubê ftonnen bergelbé» 

(€en feiten/ 't tö eene feer goebe pjactijcfte ban al- J^'^*^* 
len Ijet getoin ban bien baöïj / ban aUe feonilen in 't 2?^°?^ "iJh. 
bpfonbcr/beDenbialKben/enbcFiODp-ïjanbclingcn/ gjjm ban 
<0obt be eerjle b;jucïjten en p^ofiiten toe te epgencn: aiusf» 
ia bat meer \^ i ïn bc ftoopmanfcöap CO^iftnm alö 
eenen mebe-gcfelle teïjebben/enbc liet gene bat öcm 
aengaet ter öerten treeften/ en fijn getoin ben armen 
mebe-beplé,^en i^.Cft^pfoflomu^ geeft befen raet/ f °acor"' 
batmen eeneftille foubeïjebben/ ixiaer in batmen 
boo? fön gebebt een aelmoe jfc be3ijben foube leggen» 

(€en febenilen/ CO^iliu^ef ootft mebe reftenc onber ^at ^w 
fijne erfgenamen/ enbealtijbt eenen armen mcnfcö er? gie. 
in b^n na^m CDJifti bolftomelijcft onberB^JUbcn : uaem'jp/ 

ia bit 



178 Den I. Boeck. Het V 1 1 ï. Cap. 

gcïtjch gijp ^itit^ cenc fccr goctrc p^actijïfec / cnöe toojt oocfe Ö2^ 

üni imn b^u|)cfu/f]oetDclbatUuttclmenfct)tni. 

^^ * (€cnacOt(tcn/Oct gene bat aöpfout moeten oebeti 

ben oö^«en/Dic u öe aoeberen en ftoopmanfeöappen 

<jBobboojs berfcïicré/öceftöata3obeoftöenacmen,^u.se D^efc 

ftooumau:. eenenl)ei*uiacröen!{oopmantDt<j^ebïlicn itieSpaO' 

nmtiu ntenfcecgeUicfeelöcftfönenftoopüanöel aengeffelt: 

niaer ter c ontrartc aïö ecnen anöecen tot ïtfOonen 

in pojtugad Die Ijct felbe gctooon toa.ö te boen befe 

<0oDb:utljtïgcaeijDOonteac(Kec gelaté Babbe/ljeeft 

3ijnefc0epen aljTe Dp-nae in be Oabcn gef^omen toa^^ 

ren/ Daejlelijdi boo? een groot tempeefl oft ontoebei: 

öatter onljerfien^ opgöetlaen W irt ben gronbt fieit 

bergaen / Iwaer boo^Dem fijne röcftbommen enbe 

miböefen gantfcD benomen 3ön öctoeeft* 

«Ew f«c i€m negcnflen/te befo^gen bat be ftinberé hk ücU 

öoeöcp^aci' moeffen epiTcOé om ben armen mebe te beplen/ öaet 

töcftc» Qc^aennen te feggen;bat'<3ob boo? be beure aelmoef;: 

fcn bcgeert:enbe onis befe maracren ban fp^elien ge* 

niepn te maöen:gü fjeb't<0obe gegebenjoftom be^ 

ter te feggen: 3Icö öeü ijtt <aobe toeberom gegeben: 

43ob Ijctft öet ban mp begeert/ili Ijeb liet ftcm gere* 

(litueect.l^ocïi en befcDaemt u niet befe €lj?t(!elö!ie 

enoDobb^ucïjtige maniere ban fp^eöen te geb^upM/ 

aengefien bat gfip fietbatmen boo^gaeniS be toetten 

be^ luereltief/ Oare fp^cccfetooo^ben oft maniere ban 

fpgcficn enbefcö^ijben foo neerflciijcli onberljout* 

€c antrm €en tïjienflen/op bat ïjet een bobbel aelmoefTe spf 

fo ïian 't bicfetoiji^ gefcïneDen ( gijeliicft ith op ber^ 

fdjepben plaetfen toeet gebaen te too /ben)bat be ael« 

mocffen uptgebeplt too^ben een ben genen bk gOe^ 

biecljt en gefpijlt 3Ö« ^^t Set fjoogujeerbig i^. jêa^ 

f rament / oft toej be gijene tk in ben Catecljifmu^ 

oft Cö^itlclijcfee (eecinge b^t becbient fiebben- 

^t becöe. €en elffren/ aüe bagen ober tafel een fcDoteïfteï^ 

ïen / be toeïclie be fcljoteï 45nm genaemt too^be/en 

ban peber gerecDte toat affnijben/ bienen en fcöenc» 

ïien aen €\)Mo onfen ^aligijmaïjer in 5ijne leben: 

45c\\jtl\ icii toeet bat gefcöiet in een €bel en <l^oo?* 

lucljtigl) Dupfgefin ,• altoaer oocö <§aterbaegö35?al 

{}ct melcö bat ban be ftoepen genioleften toojbt / ut 



Van de Aelmoeflc. 179 

csrcn ban öe albccljcpligöftc mocöcc <0oti^ Maria, 
tien armen gcijclicn too2Dr. 

iCcn ttoaclffrcn / bcmcrdu b^te fahm acngncnbe ^^^icfaïjm 

b'aclmocfTtnuCen i.öatteil^crfclicpöenp^acrijclicn ^S!'m 

(om öcfeöeugtteujcrh te flelUn; gcbonDcn too^Dcn/ möeaeu 

nie gereet en Iicfjt om öocn 3ijn/boo^ öicfe fal toiUen motffeiu 

beöerten/ oUcrleggenbc be mifecien en eüenöcn ban 

öct mcnrcfjcljjch göefïacïKe : toeicfte mifccien ooch 

t toeeöerfep 3ijn/ al$ eenfdeei.6 öe 3tele / en eenfbeels? 

f)ct licDaem aengaenbe: niet teeïcfte berfcöepöen 

p^^attijc^cix I top oof ö gljecftelöcfee en licöameUjtfte 

Dulpe en aelmoeffe öonnen öcen/ te toeten/ öen öon> 

gerigen i^xy^m / etc. iC^en 2. Dat <6oöt meer aenfiet 

!)et Derte en tren toiKe / Dan \}zt gene Datter gegcben 

toon : gelöcfe onie? ftlaeriiicö te öennen gegeben i^ in ^"c. 2 1, 

De toeDutoe / Die ttoee mijten gaf : enDe m Den loon 

Dier belooft to02t aen Den gene tixt alleen een D^oncfe 

feoüDttoateciSffaluptrepcfeen ïnDennaemoniS ^ga- 

Iigömal5er0/aeneeaenDie'tgeb2ec1^ Öeeft. ;€en 3. 

Dat De aelmoeffe öepmeljjcfe moetgöefcöieDen / foa 

beel al.ö 't mogöelöcfe t^/ en Dat Defe alDer-pjoföte^ 

iijclift i.ö/Die Ijepmelöcli en berbo^ïBen uptgöeDepït 

too2bt. <8c() öoe beel mcnfcgen tooaben Daer gcboni: 

Den / Die [jaren naem alomme op Der aerDen bclient 

maecfecn/Die nergenjS in DenDemel en fullen bchent 

toefen; Doo? Dien Dat 5P al.sf ontoöfe en Dtoafe feoop=» 

lieben ban te boren fiaren loon ontfangïjen öcbben I 

3Bant luttel too^benDer gebonDen/ Dieeenige fucö' 

tingen/funbatien/oft anbere 43oDb?ucl)tigöe toerf^ 

Êen fouben infïellen/ 't en toaer fafee Dat Ijaré naem/ 

macl)t/oft <i3oDb2UcDtigüept Dier Doo? befeent too?^ 

De i <Dit beboo^bc al gebaeii te too:ben tot een goeDt 

epnbe/enaueteenerecDte mepninge/ niet gelijcfe Dit 

De Ijppocrüten en gebepnfbe menfcOen Doen: ^aer- 

cn-bobenmctgetoilliger Oerten/ beerDeiijcb/blöbe^ ecci^-c* 

löcfe en ootmoebelöcfe. Coont altijt een blp gelaet in * '^' 

alle Dat gbp geeft /fegöt Den aBijfeman. 3Dant Die 

D'aelmoeffe toeet upt teDeplcn/ gelijcfeDat bcüoojt/ 

Die en laet öem niet boo^fiaen Dat Op eenen anDeren 

eenigbetoelbaetaenboet/ maer beel meer bat liem 

felber groot gelueö enbe toeibaet aengebaen too^bt* 

^ 2, Scbist' 



l8o Dcnl Boeck. Het I X. Cap. 

Schiet - Ghebedekcns^ 

Matth.2 j. 5, Oo lange als ghy ' t gedaen hebt een van dcfcn min* 
'^' ften,hebdy'tmy gedaen. 

Ecclcr.4. Weeft den Weefen bermhcrtigh als een Vader,en voor 
cciicn man haerder moeder; endc Miy fult zijn als ee- 
nen Sone des alderhooghftcn onderdanigh, endc hy 
fal uwer bermher tigh zijn meer dan eene moeder. 

pral.40. Saligh is dien man die hem verftaet op den behoevigcn, 
ende den armen, in den quaden dagh fal hem den 
HeereverlolTen. 

Prov. 14. Die den armen ontfermt, falfaligh wefen. 

Hebr.i 3. Der weldadigheyt, ende de mede-deelinge en wilt niet 
vergeten : want door fuicke oflèrhande , wort Godc 
vernoeght. 

Kazianz. Daer en is niet foo Godlijck in den menfch, als datmen 

depaupe- wcldoetaeneenen anderen. 

l!!c. T""^^' ^<^^ft bermhertigh, gelijck uwen Vader bermhertig is. 

Ecci.17. Hy heeft eenen yegelijcken bevolen van fijnen naeften. 

Ephef.4. Weeft malkanderen goedertieren, vergevende malkan- 
deren. 

Galat.6. Draeght d'eendes anders laft, ende alfoo fult ghy vol- 
brengen de wet Chrifti. 

i.Ioan.3. Mijn kinderkens en lact ons niet liefhebben met den 
woorde , noch met der tongen , maer met den werc-t 
ken ende waerheydt. 

Het IX. Capittel. 
Van het Gebed t, het derde werck van Voldoeningc, en- 
dc haer gcbruyck ende vruchten. 

■r\ € bcrbe maniere ban gocöe toercliê/toacr mcbe 

^^ töp 43ob oocli ïionncn bolboen/iö^t ijcbcbrtoant 

bït ccn alöccfoctften reucö-offt'r W fecc aengenacm 

aen €Jobta(mac(jtioD/ tn tm facrificic ban bolöoe^ 

ninöe/ tö 't faccöe bat öet feoait iipt een routötgl) en 

chrvf. in ootn^o^bigl) öccte. €nbe tnbien ^^t top (foo ^zw ig. 

pfai! u6. €ö?pfo|toiiiu«(!? fegt)eenta^ groote gtfre aé<6ob bjil* 

©c <iBcbc^ icn offccen/top en tjebben niet grootec als^ 't gebebt/ 

S^"|^JlfL^, nocï) top en ijcbben niet moepclöcfier ban 't gebebt. 

öie imii 3Bant 0002 't gebebt en toect niet alleenltjcft be 3iele 

<©oöc ftaii bennoept/maec oocfi 'tlicï)aem:bit betupgt oniSben 

eS"'u\ ^* ^^c|t/aL0OpfegDt;batBetmwcDbulbiöööe* 



Van het Ghebedc. l8f 

btU i^ eene pijnclöcööcpöt boo: Dct ItcBaem ; en hit 
tiicnt feec toel boo? fommf ge menfcOen/öic oeen atU 
moeffen en feonnen geben/ of niet fteccö genoegf) en 
3Ön om tebaften» ©olgötöanöcnl^onincfelöcfien 
©^opöeet <[^:i\iiïi na / öte bol ö^ocfOept en berneöe^ pfaim 37. 
ringe fijnsf fdfsf/D^iefcDte ban 't fucDten fijnjef Oerté/ 
en boo? een geDebt met tranen gemengclt/berfoenbe 
ben ï^eere* ^en %1Cugu(ïinuö nu op fijn fierben 
üggenbe/ enbe gebobenüebOenbebatmenbefeben 
©falmen ban penitentie aenfönöebbefoubeöecB? 
ten/ öeefteenefententieuptgerp^often/ bieinbec 
toaerbept toeerbigö b3ajSban31>ugu(linujE^ gefïomen 
te 5ün/ te bjeten : bat fjet niet en Detaembe / tjat een 
Cö^ifié menfcO fonber penitentie foubefterbc^^Ujef 
i$ bet noobigö/bat be gene bie fjem tot<0ob töiït be^ i^ct gebcn 
feeeren/bcn geöeöe toegebaen 5p:toant öet bicötoijliS |f «ojöigö 
gebeurt bat bet bier ban be quabe begeerlpD^ ben/ n°öie hSn' 
ben oberbloetban quabegebacDten/béaenftoot ban uktam 
onfe bpanben onö ö toingen te roepen tot ben l^eere/ toiiiau 
en onfe öerten en Oanben op te fieffen naer bé ftemeï» 

^aer toojben berfcöepben manieren ban bihïjtn ^tttpun* 
gebonben. ^e eerfte iö(fd gfjp be boImaecFïtbept be^e? bc ban ijct 
gebebtjS toilt aenfien) be contemplatie / of bet aen^ scbm» 
fcDoutoenbe «öeDebt.q[^e ttoeebe/beHSebitane.Ban 
b'ecrfte toon gefp:o&en in ïjet berbe boecli / altoaec 
gebanbeït too^t ban be oeffeningen ber gener tic 
boïmaecbt3Ön : ©an be .üBebitatietoojt gcfp^olien 
in bet ttoeebe boecfe/ aengefien bat bic maniere ban 
btöben / epgen i^ ben genen bic eenigen boo^gancö 
gebaen fiebben: top fullen baer-en-bobcn bier fom^ 
mige anbere manieren ban biböen booatö b2engen* 
Cen eer(ten/men l^an pemant.öanber.jj toon:bcn ge^ i*wnim 
b?upcbcnbe/Oiböen/tetoeten/arö topeenigepfalmc p^nanDss 
ïefen/of t anbere flemmelöcbe gebeben: en bit ief oob tl^^^^l 
eenfecraengbenaem facrificie ban onfe lippen aen gcb:upcftt. 
<0ob ^Imacbtig/fonaerDesiele/alönae'tlicOaem, ofea 14. 

Cen ttoeeöen/ alö men gebjupcbt be tooo?ben/be 2*<B!jebcöt 
toelcfee ftomen uvt bet binnenfle ban be a jf ectïe be^ b« tutufe 
ïierten/en baer mebebe ^obbelicbe iiBaieflept aen^ l'Sf^TL^ 
fP2eefet:toelfeemanierefp2uptuptbcoberbloetban hJitni! 
affectie. 3®ant aliS onfe 3kI intoébelib gelijb bet ge* 

^ 3 maecbt 



i82 DcnI.Boeck. Het IX. Cap. 

maeftttcs/aïfbaii berd öc blijtfcftap onfcc f)mtn ooft 

upttuaiTtö/ tioo> loffancïc bic ijcfpjo'-cn Uïojöcn tot 

45ots; crt als? onfc 3iclc met blijbfcUap bcrbult isj/alf^ 

öan Ucrlilijöcn ftacc oocft onfc Iippciv om öen ^ecvt 

u loDcn en te gebcncöööcn, ïDant fo ftet ficrt acfint 

iij/fo gctupofjt bca mont/cnöc bc ikfpc maccfet ben 

mcnfcO tel fpachcnbe/ cnobccblocbtg in luoo^ben. 

^. «cifmcu ^c bcrbc maiucre i^ o^nicnödt/tc toeten/ aI0 be 

ijp mioi ^tclc boo? pcmanbtjEJ anbcrsi tooo^bcn / oelijch boo? 

Sln^n.hlhÉ ^l»^"5f ï^'tt opaefjcbcn U30?bt in be ïocöt/ cnbe nabcr^ 

föSst, ()anbtfc{f2?l)oo3t5rb[!cgl)t/ enbe(jaccfelUenalbii0 

Del)clpt. "^it oebeurt al^ nemant aenbacOteUjcft en^ 

be allengljöficncf muötjcftcmmclijcfieöebcbcnoe^ 

bzuncftt; cnbe bMffcctie nu ontflelicn too^bcnbc / bp 

fp fclbcn fijn gcbcbtbolmaeclu : enbi? tuffcijen bi^^ 

ben balt toebcrom op lm eerfle* 

4. <©nt»fc* €en bierbcn / a\^ tup bp fjct tïcmmeïijch gebebt 

tncitgniftE gectt anbcr en boegen; macr bet felbc aileenlijcb boo^ 

fu^f hnuaeii ^P^^öï^ atfccttc cnbc bcrfucljtingé bic btoijl^ onber- 

onöcc net bKben/of naer elch tooo^jt in't bpfonbec/of toel naec 

B£iJ£öt» bat top beel tooo^be n aenbacbtel jjcb uptacfpjobeit 

ïjebbcn : alfoo hat elcbe licbamelijcbe berfucDtinge/ 

3P aï$? eene opljcfftnge tot 43obt« 

s. '€ ge* 7!^c bijfbc maniere i^ef/cen bo^t begrijp ban be ge^ 

jjzupcUDct fidele bolmaecbtbepbt zalf men feo?te<§cbi^t-gebe^ 

Sir t>cfeeni2f gcUjcb fcljicbten tot ben Igemel fepnt / etibe 

ftier boo? fp felben met <i3obt bercenigOt. a©ant tiiz 

<0obe aenOangOt/ijS eenen geeft met bem.lgier booj 

toon (jet fterte ban onfen alber-liefftcn ^aligöma^ 

cant. 4. fier foeteljjcb boo;»toont:(6DP Ijebt mijn berte/fegljt 

ïlti/o miinc b^upbt/getuont/mcteenbanutoeoogen/ 

cnbe met een (jap^ ban uUien balfe* aBant batmen 

alleenlijcb fijne oogen ecnjo? bierigblijcbopljcfttot 

ben bemel/ iö een ftracötdijcfi geOcb/ enbe bciueegt 

^ j gantfcbeiijcbben JDaberber bermïjertigöept.ad^ant 

ï>e fduft- bMffcctie moet toefen ben oo^fp^oncbban bufiianige 

seiieöcheitöi gcbebelienö; toelcfeeaffectien5ijnIeettoefenberfon:= 

^mmct ö^'» ^ïtiebeïijben bebben met onfen ^aligbmaecber/ 

wm^ii' eene beaeerte ban ben Demel / eenberbjietbanbit 

flcrbeli)cli leben/toeebom in tegenfpoet/bancbbacr^ï 

flept ban be ontaüöcfee toclbaben ban^obtalmacft^ 

tiglj/ 



Van het Ghebeck. 1S3 

cföfi/bcchjonbennge obec ^obt^e? wvthwMtou^ 
toen op <0otit / ccneii pbcc ban fijne tcu ; itiaer be^ 
fonöcrlijcfi cm b^anbenbc iicfbc tot <6ol5/toaer öoo? 
bc 3telc met oeöueriaOUjclie/ tutyc b^mbenbcbc? 
ccmen bcrlanaljt/ gclijcft ccn D^rt totödebenbe 
toatercn/ te bjincïKn met biijbfcljap ban De fontep^- 
tien on^^aligfjmalicc.ö.o^nDc bet bpcc ban befeD^gctb?« 
ücerten mn aïbermeeft cntflclien in be metJitatie/ Ji"" ^^^f/ 
(ïeïiicftben©^opIieet^abibfp?eec[it/ bcttoelCHO^- inltian 
bcrfulchö ben ocïjcelcn baöööoo? met fcöict-gebe-iiefce moet 
befteniS al^ met bpccige pijlen onbecbouben moet "!" |;f "; 
too?ben / fleUenbe fp felben boo^ oogca ben perfoon SSf 
ban onfen ^aïiöömaftei:/ oclijcbmeuinbemebi^ dcu too^Hf. 
tatie/ oftinbel?. communie/ oft in eenigcanbere 
oeffcnincïe/ toaec tnb'atfectieaïbermeeHontftehen 
i^ octoeeft/öcboeït beeft» 3Bant i.ö 't tfat top in fiilc^ 
het boegen / alle onfe toercfeenbcrtoaert^fiieren/ 
oft onfen ^aligbmafeec opb^agen/foo fal't gcfcïjie* 
ben bat b'affectie bit toP bectoecbt Oebbcn/geboebt/ 
en berftercbt fal too^öen/ bpfouberal^topbefeiu 
dcb toercb bernieu toen» feet i^ nocbtans? ooclt p?o^ 
fijtelijcb/ al tj2? 't bat top befe affectie niet en geboe^ 
len/feecftere beerfftenje? imt be 3|)falmen / oft anöcre 
plaetfen ber Ï|.^cö2iftucre aen bebanttebebben 
cnbe te c^cbmpthm/ op bat f)m boo2 on.ö berbeeren 
cnbe öanterenmettoereltfcbemenfcOen/ enbeaUc 
onfeupttoenbigebcbommeringen/ gelljcb met eene 
geeHeïijcbe fauffe enbe gene obergoten macDtoo?^ 
ben / enbe bat niet aüeen be gebaentcn ban bet gene 
bat toP met onfe upttoenbige finnen batten / ovs te 
boren fouben bomen / maer oocn <0obt onfen l?ee^ 
re» 3Bant baer en toojtniet p^ofljtelijcber oft foeter manint 
gebonben/ ban aïfnien boo2befebonfteban$è(be^ oftV holme 
milxerpe/ om foo te feggcn/npt toercltfcöe entie ber^ cm upt aiie 
gancbclijcbe bingen/ louter gout ban be43obbe!ijc^ S-^bPif 
be liefbe toeet te treeften / enbe o^obt aüeen in alic^s d? vsW^ 
te foecben en te binben:)a batmcn beo? (ulchc faben/ Htche ncf ce 
baer gemepniijcb be menfcQen a\^ met boetflricben L'^^ " "^^ 
boo2 gcbangen en bafl: gebouben tooaben/ oocb toeet * 
naer <0obt te bliegen/ in bem te ruften/ en in't mib^ 
ben be.^ b^ant.0 ban alberiep beboringen / ben mont 

3^ 4 te 



i84 Den I. Boeck. Het JX. Cap. 

te openen / enöe fcOcppen ben oprecöten enö^ \3iCitu 

acDtiacn oeejl l^an De liinbercn 45oöt!0f» 

6, (tEen ac^ (€en fefteu/alfmen acnöacftteiijcl! oberleöïit elcli 

nhXaa^^t tooon tn 't üefonDec ban l)et aeüeöt on^ Igeeren/ oft 

ban ti?r ^a» ecnigö ander/ enbe op öe felbe Dlijft/fo lang aljss 

tooo?öt, top baec fmaecli tn binden / en daec noer tot andeca 

Qdcu; tuffclicn Depden Diet bp boegendeeenio^ t' ia^ 

itienfpacfttnaen/die oaö de lief öe tot <13od/ ende an^ 

dere bcrfcltcpden nffcctien/ fiilkn doeti fpjefien, 

^* ^tt be^ tCcn febenitcn / oberleggïjcn oft de tl)ien ocüodeti 

mcrchcii fn 't bcfondec/ oft de geboden dec l$erclie/oft toel de 

toDcir oft i'«^5»^ï^tt ^^^ fijne 02d?e/in toelchec boegen dat tjp di^ 

3ö»öft te» ondcrïioudt/ oft beloon fonderljonden^entoaerin 

öcieiu öat ()p defe obertreden macl) öebben/ enbe naec bat 

!jp()iecaf(eetVtiefenbectoeclit fal ftebben/ ïefenee* 

nen 3öadcc onfe etide ïBeell gegroet/oft toel eenigeti 

ï)falm/ bpejcempelden 50, Miferere, oftdenïof^ 

fancli/Te Deum laudamus. ||etfeibe xtiatï] ooch ge* 

fcl)ieden/ ondecfoechende de fcben fjoo ft-fonden/ de 

licacljten der siele/ ende de bijf finnen. 

3!>:ict!ct* iBen moet benierclien i ♦ datter in 't (ïemmelöcft 

lep d£a* gebedt / d2iederlep aendacïjtigljept gebonden toojt* 

St am- ^'^^^f^^ ^ttöe die nootfahelijcïi i$ op de tooo?denjop 

ödenöe liet dat de felbe beöoojlijfiê /befcfjepdelijö/ ber(ladelijli/ 

ftcmmeiijK en gej)eeltjö uptgefpaoften too^den»^e ttoeede toaec 

^tjefaeöt. J5J3,5^ j^^^j^ ^p ^^^ f^^^ ïet/alfmen i^ biddende met dec 

1 cor u Ö^*^ten/cn met den berfiande/ en doen/gelöcli alfmc 

de fpüfe ftnoutot/en fmaecftt.^e derdeis^/tot <6od/ 

die top aenüidden/en tot de faft e/die top doo| pet ge- 

bedt ban f)em berfoeclien-lgierom moetmen in't bt^ 

ginfel ban 't gebedt fp-felben eenigb epnde boo? oa* 

gen ftellen/ en foo beel alö 't mogelijcfe iie^/moetmcrt 

tn fp-felben bcrtoecöen eene gfjedacOteniffebande 

tegentooo?digl)ept<0ods?/en ban öet öemelfcfj ö W» 

^^aftwnige ^emercïit 2. datmen in de langfte manieren ban 

fiercpDmgc biddeti/in 't beginfel fijn fterte moet bereenigen enbe 

itaotfaftc* bergaderen,- gelijcli men doet/ eermen fp-felben bt^ 

itjch lö tot geeft tot fiet mediteren. €en tlpeeden/datmen fiem 

ten lanch jlellen moet in de tegentooo?digI)epdt €^odt^. (Cen 

g jeucDt» ï5t.,;öen / datmen moet ootmoedelyclt ban <0odt be^ 

gcerendegratieom tod(emogenbidden« 

55^ 



Van het Ghebech. 187 

f5cmcr clit 3. bnt alfmen op De boo:fcpbe manie- ^et gtbtbt 
«onöecfoccfecnöc öe aeboöen obecloopt/ enöe met Jf °;,'.9SV. 
elcli ofteboöt/ Immfm öcr fauten bcitoecftt Ijceft/ Sapgs 
öat f}et fcec pjofijtelijcfi iö / nacr Det Dccouto ooch uch toorciu 
cenioü tocrcft ban bolöocninaDc Dp te boegjjcn/'t 3P 
fenidcnöc/ oft met ecne anDerc pönciücFie göeftdtc* 
niflfe f öte nocljtan.ö Detamelijc U 3P ) fünc oebeöen te 
fpjcöen» ^et re? toel toaet öat tiet gebeöt m fp-felben 
bolöoetjmaecfal nocljtanieJalföan ban meeröecbol^ 
öoeninge toefen/al.ö [jet foobauigD i.cf toaec 0002 top 
eentge af-Iaten fouöen mogen beröienen/gdp gijp 
fMit bebinöen in berfr fjepöen arrijchelcn ban öe af- 
laten/ die gegunt 3ün ter eecen ban Den 1^. CaroIujS 
23o:romeuj5/öie al.^ een fïlaerblinc&enöe (icDt t'on* 
fen tööen opgeftaen iö in be Ijcplige l^ercfie, 3Bant 
bie biec in ben raet ban fijnen 25iecDt-babei: bolgt/ 
oft een toeccfe boib^engljt Oet gene bat fönen regel 
aengaet/oft eenige berfterbingc boet/ ofte pet fulcjr/ 
öie berhrijgt bergebeniffe ban fjet bcrben-beei fiinï= 
berfonben»^iefijueconfcientieonberfoecfit/oftee* 
nig criip^J oft beelt bcbotelijch groet/fp-feiben 450^ 
be bebeeU/ oft aen funen i?» <i:ngïjel / oft aen fijnen 
Jê* ©atroon/oft geb^upcftt in't beginfel baneenigö 
toercf!/ bjicmael tjet teecften beö ^. Crupief/ oft fept 
b:iemael: ^ob feomt tot mijnber öuipe/ berörijgöt^ 
tljien jaren af-Iaet. ^efgelijcfien berferijgt ben ge- 
nen bieberoutoenbe leettoefen beeft ban fijne fon^ 
bcn/enbe een boo^nemen \Ktft ban Hem te biecDten; 
maerbiebenbijftigüllcn pfalmMiiercreieeft/ oft 

fiet <8Del00f / oft ben SoffanCÖ Te Deum kudamus, 

ter eeren ban Oet bicrbaer bloct bat CDnftiiief gefu.ss 
y,ioo? on.^f gejtoit beeft / enbe b^iemael b' aerbe feuft/ 
beröient be felbe af-Iaten/bie ÖP fouöe berbrijgfjen/ 
gaenbeopbelf. trappeivbiemé noemt Scala fanda. 
vDit bebbe icfe in 't bojte alfjier toillen gberafeen/ 
pp tatith alleen te bennen foube gljeben/ öoe ober- 
bloebigefcftatten bat een pegefijcb ban bp een ber^ 
gaöeren/bet jp bat bp gOefont oft fiecb W i^ 'tfabe 
bat öp teijfelijcben fijnen gDeefteliJcben èoopjanbel 
i^aenleggcnbe» 

B 5 AEN- 



AEN-MERCKINGE OP 

HET DERDE BEELDT. 

AEngefien dat het [a] Ghebedt een t'fa- 
menfprekinge met Godt is , fo begeeft 
u daer toe met alle neerftigheyt^ en denckt 
dat[B]God u tegenwoordig is, noch en [c] 
laet'etniet achterom eenige [d] wereltfche 
bekommering. Maer voor alfn jonderfoekt 
u confcientic^verfoeytde [fJ fonde , wiens 
pauwen-hooft betekent hooveerdigheydt^ 
den waterfuchtigen buy kjgiericheytjd'on- 
befchaemde ftinckendebocks voeten 3 be- 
geerlijckheyd des vleefchs^ den fcorpioens 
lleert/t fenijn der fonde^en 't doots-hooft, 
den loon der fonde . Voegt by 't Gebed [g] 
vaften en[H]aclmoefien5Volgt uwen [i] H. 
Engel) berey t u herte door [k] ftilfwijgen, 
f l] eenicheyt,en lefen van goede boecken. 
Verweckt [m] hope^en ftiert u [n] Gebedt 
('t welckis als 't fweerdt van Godts woort , 
ontftekende ons herte} tot Godts eere , om 
uwe[o]fonden t'overwinnen^en om te ver- 
krijgen de [p] deugd^die ftact nefFens God 
niet vleugelen: Wantfe de ziele van aerdt- 
fche faken opheftrgewapcnt'wantfe onver- 
winnelijck is^ en door het cruys komtfe tot 
de kroone.Defe wilt ootmoedelijk verfoe- 
ken , ende bidden voor den throon Godts, 
gelijck eenen[Q] mifdadigen^ oft eenen ar- 
men bedelaer^ of wel als een bruydt. Defe 
bereydinge heeft [r] Moy fes ons geleert. 



Van het Gebedr. 1 87 

Van de bereydinge tot bet Gebedt , befon- 

dcrlijck rot de meditatie. 

HCttöccncbcrmnningcbanDcit aBijfcn-man : S^'L'^- 
mciccht utoe 5ide gcrccöt boo: Dct fjljebcör/ op bmg? bw? 
bat oDp nier en 3ijt / al.ö cencn mcnfclj / bie <0otit ijct gcbeDt 
tenteert; oefen tenteert <öoöt/ öie D«^m laet boo?^ ^ «ootfa» 
flcicnöatïjnfonDereeniaUebcrepöjnolje/ nrtoï)^^ -^ ** 
Detit fijne finnen fal fionnen bergaDert entie cen^ 
tiacIjtioDljouben. 

^efe berepöniae lö ttoeeberlep/b'^erfle/btc ban ©efc is? 
lanaOcrftanbtgijeffïjiebt/ enöetJ'anbere öie retl)t{^^"^^ 
te boren geöaenlDo^ör. i€otbïer(lemacï)Ocl>?ocl]t *^* 
tDO?ben / teaecrflen / t)mvxu alle otmoobioe fo^ol]- 
buiöioöepöttoecjj tüo^pe^toantDefo^obuiDiöDt^öen ^tthm 
3iin alö doornen / feaDt Den l?. 23ernaröu.s7 öie^««8c^ 
tiesiele in öe meditatie ftehen enöe mocpelöcli bal^ leeiDwiep. 
len / en mafecn ono onbequaem om De «öoDDelijcfie 
tn-fp^aften t'ontfangen* ornDe {jet is^ onttoyf^löcft 
f ene groote oneere/ Darmen met heft fo feer beftom^ 
mertijJ/ Datal.öOBoDt almarfjtiolj boo? De Denre 
iJlopt/enDe gebjeerDiodt ï)em met on^ te fpjeeeücn / 
Den felben moet ftaen berbcpDen/omonfefottebeï: 
liommerinöen/ Die ban ofjeenDertoeerDenensijn. 
l^ieromliebben De funderen ban gfrael een geboDt Exod, 3. 
ontfangljen ban ftaer te bertredten in De tooeftijne / 
eer fp<0ode op den berrlj offer [)anDe fouDen mogen 
opD^igen ; op Datfe ontlafi 3ijnDe ban alïe tijDelijc^ 
Iie bekommeringen/ Daer te beter tot <6oDDclijcfee 
fafien fouden begeben. 3Bant gelijcfj Cafl'rami^ ge^ c^/^^an. 
tupgöt/ bic opfeiimmen ban berbïo^pen cv, aertfdjc "; ^'^ 
toerdien ende gfjedacftten / ende ïjaer bertrecften in 
liet Doogöile ban den bergD de«f eenigDeptsf/Die a$n^ 
fcljoub3en alleen de ^odtjepdt met repne ende fup^ 
bereoogen» 

25emerc&t Dan ende oberlegtütoe bel^ommerin- ^tputt^ 
gen / ende bedepït defelbe met andere/ foo beel alö J:'/,"S* 
gÖP feont en moogljt : gdijcfe top iefen Dat ^.opfc^ bant gme 
gcdaen öeefr doo: den raetban fijnen fdioon-badcr, öat u te 
l^ftarao Ijeeftöter boo?töt^ liet iiptbeilioren bokli ??^i^^^^* 



ban <0odt almachtig foedien beficD tj? Douden met 

Det 



Exod. 5. 



i88 Denl.Boeck. Het I X.Cap/ 

ftetOamtocccft banpot-acrbe/ bat^-ftemm/ttihaf 

u ber gaöcrcn/^t fclbc foeün bm bupbel banbcr Bel* 

len nu oocft te boen; macr fijn bcD^ocü ontbecöt fieb^ 

bcnbe/ mucten top oaen/ bacc <aobt be 3icle/en oocö 

caQt.7, be3tele<0obtlönopcnbe/mctbcfctooo?bcn : föomt 

mijne alberücffte / laetono? uptgaen in 'tbelbt/ laet 

Ort0 b^oegl) opftaen tot ben toyngaecbt* 

«njer* (Cen ttoeeben/ Det i^ feer p^ofiireUjcfi aen ben gc^ 

S "i?^ nen t^iz Ijem tot 't gebebt toil bcgcben/ m 't öojte f ft^ 

tK. ' ne confcientte te onberfoecljen j en in fp felben te bec« 

toecftenleet toefen ban fynefonbcn/enootmoebelijcit 

45obtbibben bat top (]em fouben mogïjen ftomen te 

EccT. if . fp2cfeen : toant ben lof en i^ niet fcDoon in ben mont 

pfaL 6y. bej3 fonbaerö i €nbe feer toel ben 5^falmifi fegfit: 

l^ebbe ilt booftjept gefien in mijn ijecte/ fo en fal mp 

i.ioan. 3. ben l^eereniet berftooren.iBaet: i^ef 't faecfee batons? 

ïjecte oï\$ niet en to^oegftt/fo fjebben top betroutoen 

aen<0obt. 5Bant niet toatbetcoutoenfalbenfon* 

öaer fijne öanben/ nocD bebloet 3ijnbe boo? be me- 

nigïjte fijnbeu fonben/ beri*en opljeffen tot <3obt ben 

Ijemelfcljen ©abec^ en <0obtjS bpant 3önbe/fal Ijem 

berflouten/ om öulpe / bpftant / enbe feoftelijcöe ga^: 

toen ban ijem te begeeren i 

Tob. 12. (€enberben/naeröet gene bat ben €ngeï€obta3$ 

geleer tfteeft: 45om^ Ijtt gebebt/ toer faemt met ba* 

ften en aelmoeffen ; fal Det p^ofijtelijcfi toefen/ befel* 

toe oft licijamelijcfte / of t gecfL: ; pcfee te boen ; bp tx^ 

empel/ bmm bat fijn gebebt/ fijnen eben-nae(ien te 

(labe foube mogen bomen / en Ijet felbe aen be goet* 

!iepbt(6obt35boo2 ftaer-lieben opb^agen/ oft naec 

CJaeötii ben raebt bie ben t^. Cö^pfoftomu^ gDeeft / bat be 

ïi"tó^ CO^iflenen een lioffecben t'bup^ gerect fouben Oeb^ 

«imofia^ ben/altocier fp boo? pet gebeb/éene aelmoeffe in mo* 

inus geeft geHtoo^pe^gjS 'tjfahebatgDpoocfeeenigeberfter^ 

aoïöe binge/betoelcfeeonberbennaembanbetbaftenbe* 

^mSi grepen too^bt/ te toercfetoilt (lellen/ fultgöpalfoo 

te aei- ü gebebt beel aengenamer maliën. 

moeffciu tCen bierben / men moet fijne tongebebtoingljen 

toanpbelenfilap / enbe een bertroutoenbertoecben 

ifai. 30. tot 45obt / toant in fiil-ftoügben / enbe in be bope 

fal utoe (lercl^D^Ptit 3ön^ ^De Oope enbe Det betrou* 

toen 



Van het Gebedt. 1S9 

tjnmi^motfaMijtfi/ bat top fonöccfiaccm'etmct 
allen en honncn üec&rijgcn/ cnöe defclbe öcböenöe / 
aüe Dingen ftonnen bcrtoecben.lKoogDt olJP gcloo? 
ben/ fegljt onif öe 3Baerljept felbe/ alle binolBen 3ijtt 
mogcïöcftöen geloobenöen. ö'^fnbereüerepDinge/ ^'^'^^ 
$n tik \3iat naecDer comt/i.öf/Datmcn met eene goeöe ^^S« 
en oprecöte mepninglje öem tot Ijn gcbeöt Degeeft / 
get toelcli niet en gWcWt aïfmen Ijem baer toe te^ 
geeft om geeftelflcfee bectroofiingen te genieten/ en? 
befünbecflantte bccbullen met beelöeclcp bebote 
enbegeleerbebemercliingeni maec om <6obt alle 
cere te betoijfen / enbe te ftomen tot öe deugüt / enöe 
tm Depliglj ïeben. ^ujS moeten top bit toelgabe 
fïaen/ j)oe ba t top onfe fauten boo? [jet aebebt fouben 
mogen afleggen enbe bectoinnen / bpfönber tiz onjaf 
tnbentocgljberbeugïjben alber-moepelöcbfte baU 
ïen. 3Bant top moeten onjs laten boojftaen / bat top 
to02tlelaerj2f met ben ©atriarcD 3acob 3ën / Jn fiet cencf. 32. 
gebebt/ op bat on? ben ï^eere gebenebpe/enbe be 3e' 
nutoe ban be hpt onfec quabec üegeerlijcöDept fou- 
bemogöen berbon too:bem <enbe boben al / foo mmtot 
moeten top onö gOebebt albermeeft (lieren tot be topojis ge^ 
beugöt/ tik oniS albecnootfaecèelijclifte 1.52? / enbe te- ,„^1 mS^ 
ggen be faute / göcïöch icl4 göefepbt ïjeb / betoelc&e töi /iimiu 
on0 in ben toegD 43obtj2f albermeefi belet. 3ï^ant 
befeal.öbep^inctpaellreobectoonnen 3ijnbe/ fullen 
b'anbere ban felfiJ te niet gaen/ enbe licfitelöcö bec? 
toonnen toojben. 3Dp en moeten ijktom ö'oeffe- 
ningebananberebeugöben/ algfbitfoo gljelegljen 
t.ö/ nietacöteclaten. |Baecgöpfuitmpb2agöen: 
i?oe fal kh upt alle materie eenigfje Ijulpe trcefeen / 
om be beugöt tik kl\ boo^genomen öeb / om mp in 
te oejf enen/ te ber Itrügcn/ en be faute bie öaer tegen 
W upt te roepend gcö anttoooabe öier op/ bat alfoo 
Öaefl/ als? in on.sfeenigebebote affectie ftercftelijcfe 
bertoecftti^/ foofeanmm upt alle materie licljte^ 
lijcFi trecöen/ öet gene bat [lier toe bient/gljelycö 
#. ï)uente / in be aenlepbinge tot tic mebitatie §. 4* 
feertoclbetoöff. 

^ier toemacö oocfe bienen/ batmen ben perfoon/ 
oft affecti^aenn^emt/ 't 3P ban eenen mifbabigen/ 

ban 



190 DcnI.Boeck. Het IX.Cap. 

ban ccnm bzMact/oft ten ïactflcn ban ecuc 55ntpr/ 

naec b'aflfcctie öie top in on.ö Ocgecren te bertnechen 

oft te berrneecöeren-Cnöe öü tjetoijil öen J^.ggna^ 

tniö in l]et üoecliöl^en ban fijne oeffeninge/ ijiec toe 

OL*ootclöc!iö te Dienen. 

l^ttufm .iBiiec op öat 't l)crte / 't toelclt boo: berfcfienben 

i$ tutu fccc bchontnieringen bccilront i0 getoeefl / tot fp felben 

""^ ftome/ fal feec ppfijtelijcii toefen t'oberlefen be ma* 

tccie ban be meöitatie/ oft tod ban eenigljen gcefte^ 

lijchen boecli. Wam 't lefen i^ geliih eenen trap/om 

tot öe mcbitatie / oft Ijet gcbeöt op te Itlimttiem 

®«t en- (€en laetflen foo too?bt ben gljenen / tik Bern tot 

ïiobcn ö'ec* hi^t^cn toil begeben/ b'eenigOepb feec aengöep^efeit 

iiigD^PD. i)cin«nfen ^aligljmaeclier foo boozfiine tooojben / 

al.K^boo: fijn crempel; ïBant aibusffn^eecdtlip bp 

Matth. 6. ^ci\ 1^ JiX^attUcno^ in 't 6. ilkjaer alö gt)p bib/fo gaet 

binnen utoe fiaep-iiauiec / en met gDciToten beuren 

•öobtttaï foo bibt utoen Jï)aben €en(aetftenfp felben fteüen 

[IfJj.^^"^ inbetegentoao:bigrjepbt banaobt/ enbeaöefjeel 

tcgeiu fijn ïjemelfcr) Ijep^/ albaer gelepbt 3Üttöe ban fijnen 

toao?mg* goeben a3ngl)el; oi^nbe macl) toel geïiouben too?ben 

D«pw» j30o^ Q^ix ijan be p^incipaelüe bef ijbingen / baermen 

benalbenneeflentrooflenbeb^ucfnfal fionnen upt 

Oenieten.üDaerafben]|.^crnarbiije^albuöfp2cefit: 

3Bat moet ïjp anbers? bencöen/ tic Hem begïjeeft tot 

BernJerm. ï)etgt)ebcbt / baii ïjet gene bat ben I^:op()ectfegf)t: 

ounkr^'^'S^^'''^^ öoo^jaen totbeplaetfe be.ö toonbeciijclten 

tabecna^el^/tot ben lim(c 45t}W: toant top bel)oo* 

renboo2toaei* ten tyben ban Oet gDebebt iw te trtben 

tn l)et \^hki}^ ban t^tn Ijemeifcfjen iianincft/ t)at pa^ 

iepis? (feggOeiciï) altoaec ben $loninc!iberöonin^ 

glienfit in eenen l^onincJïUjclicn jloel bol flerren/ 

omringelt met eene ontaiujclie/ enöe oufp^eftelijcfie 

mcnigOte ban ^. engelen» e§oo bat ben gl)enen / 

biebitgcfienlieeft/ gljeen meerber gftetal en fteeft 

Dan. 7. fionnen binben/bupfentig bupfenben/ fegtftp/ bien^ 

ïjcw Ijem/ tn^t tliieh-toerf bupfentmael Donberticf) 

bupfenben/ jlonben neffenie? Ijem: jiü^et toat eeneeer^ 

btebingc/ b^eefe enbe ootmoebigl]epbt/ DeOoo?tban 

albaee te homen een bectoo:pen bieilien feruppenbe 

lipt Det movafcD ^m fm bnpligD«ri?^n» jjiJoeten te? 

niet 



Van het Ghebedc. I91 

niet al öebenbe/fD2gfibnltiiör)löcIi/entic met ccnc al- 
ber-grootfle öenöacöttgljcpbt fiomen in öe tegcns» 
tooo2tiiööept ban De ^oööéfijc&e jBajcflept/ ban tje 
fjcpl jge €ngeïen / in bebcrgaöcringc ban öe recDt- 
becrbige/ top öie anDcc^ nter en 5ön öan bertoo^pen 
enöe ellenbïge creaturen i ^ittcm fegöt ben felbeit 
^. 23ernaröU3S/ a( tss't bat <öobt alcmme i$/ tn ben 
ftemel moet D? nocfuaii.iö aenbetientoo^ben/ enöc 
baer moeten top i]m\ onst beo: oogen (ïellen te toej^n 
ten töben ban öct gebebt/ (|c. 

MEDITATIE 

Hoe dat wy het Ghebedt wel, ende eerbiedelijck 
fuUeii beginnen. 

Het hercydende Ghebedt, als voren, in hst I. Ca^. 

T-T €t i.x;öor^?rfjfj?//f,beboo?ftellin8ebanbepïaet^ Aicanura 
*--''fe/ toaec boo^ b^maginatw inbe materie bie^^^'^l'^- 
ton boojIjantienDcDben/foube mogen bp een birga^ ^* * 
bert bUjbcri; be toelc^^e baer in gelegen t.ö/ bat top in 
be mpfïenen/bie ton nemen t'oberpepfen/ oni^ laten 
boojftaen tiat be faec^e boo? mmft in ongf ö^rte ge^ 
fcöiet/enbe t)it met be felbe omfianbtgDepbt/ foo bie 
eertöbtiStoaeracötigfigöeftötettö : opbatbe3te(e 
meertn/ ban buptenöaer felbe 5P- iBenmoetflem 
oocfe bifetotjlsfDet toelcfi Ijier feet toei te paffe feomt ) 
(lellen met fijnen i^epUgehCngelinbetegentooo?' 
bigOepbt ban <0obt aimacOtigIj» 

Heti.voorbereytfii. 3©an <0obt crotmoebelijcögra^ 
tieberfoecfien om toel te mogen bibbcn/ batisV te 
mogen bolDjcngen een toercU ban aïbergrootjle en^ 
be alber-p^dfijtelyclifte toeerbe* €nöe bit i.ö ban 
noobeboo? elcfee meDitatie* ♦ 

Het I, point. (Dberlegïit befe tooojben ban ben Ecdef is, 
JBijfenman: Booa't gebebt foo berept ntoe 3iele/en? sv) t moet 
be en toilt niet fijn als? eenen menfcD/bie <0obt tem^- fcTath^t 
teert. 3BantDptemteerta3obt/enbebertoecf!tïKm Daeftoc 
tot gramfcfjap/ \}ic geliomen fönbe om öem te ber^jbctepDm/ 
foenen ; ebentoel fonöer bercnbinge fiem tot Ijet ge^ temai top 
Dcb begeef t/of De felbe onacDtfameUjcli bolbjengljt. eoDeaaiti 
tjierom neemt boo^ u / eer o9P tot f)ct gebebt gaet/ ge naemsp* 

toat 



192 Den I. Bóeck. Het I X. Cap. 

toat öat öf)p öoen loïlt/ oft üibDen/ of t <0obt teitite^ 
rcn.JDant i^'tfafie/bnt gijp hit tocccfionacötfacm^ 
löcft bolO^cngljt/ toat boctgftpanticc^; öan <0otit 
tot ocamfcijap DectocclKn / tot toien oljp toaert ge- 
fiomcnoiii tebcrfocnen ^ 

^cmeccftt ten ttoccöcn/lioc nccrffcrijcft/ fo^gbul:* 

bcïöcft/cnbc l)oc bcjcl tijtö öat ol)p fouo De(leben/om 

u p^occef acn te gcbcu öcii ilecDtt c/ op bat g!)p foub/ 

oft Ijan cenig nttfDnet oiujlagcn tooiden/ oft tod ce^ 

nen boet acibe beliomcnj ea hunln umn bat gljp in 

i)et gebcb n felbea gereeb tieOoo^t te maften om in be 

tcgentooo^btgOcpt ban t)m opperden üecOtec/enbj 

fijnen 0aeb/ban b'eeutoige (IcaiTe/oft boo? bmmi-^ 

IjDigen loon te gacn p^oceberen / enbe om at öet gene 

bat n nootfalichjcfe i^ te berftrijgen^ oSnbe mogelijfi 

fultgljp bebinben batgljpbiein fietfpelen toacftec 

tn blütig5i)t/ïnec in flap en jlaperacfitig fult toefen» 

23emccftt ten betben/ toaer npt bat bcfe oueere bit 

top bet gcDeb acnboen/baren oo;jfp^onch neemt / eit 

ODp fult ten eecften bebinben bat üet feonu boo? bicn 

bat top anbere btngen meer acOten/enbe obet-fulcli 

baer nae berlangöen / al$^ oft fp on^^ p^oföteljjcöer/ 

nootfaöelöcïier enbe bebagelöcliertoaren/ banfjet 

gebebt ^ baer nocbtanö niet gebonben en too^bt/ bat 

p^ofötelijeöer / nootfaltelijchec enbe genoegelijcftcc 

^tt i^ tsaf* <De nootfaheiijcfebcpt tooat bier Doo^ betoefen / 

föjö/^öffe obermitö bat topfonber aBobtnietenbermogben; 

£m« flet toelcö gOp neerHeliiclögabemoctlïaem €nbe 

öenchm op boD? ïjct gcbeu btU'ïtnjaen top (icbteüchen be bingen 

l?l!fi^' ^^^ ^^^ nootfaeclielücfi 5ön / tot öet gene bat on3 te 

;ÏS! boenftaet.^Dant toatiffcr felierber enbelicöter/ban 

Bet gene bat on^ betoaerljeptfelfj^metbefetooo^^ 

warci II. ben te feennen geeft. Wt bingïjen bk gbp bibbenb^ 

begecrt/gOeloobet bat gbp bk ontfangen fult / enbe 

biefuUenu gebeuren j €nbegelücftertoijj^betnoo* 

belooi2? W foo ben laoninc blijcitch p^opljeet ^abib 

fegbt/ bat bc gljene bic lefen toil/boo? ben bagb enbe 

. licljte opitae ; alfoo bic 't licbt belet/ belet met eencn 

oocb bet lefen / enbe alle biif banigbe oeffeningljen / 

toaer toeonsfïjetlicOtnoobtfnftelijclu^: foo bat bc 

Oficm bU onbcr D^tgöeb^btpctanbcr^tecBanben 



V^n het Ghebcdr. 19; 

ttttht ban heit ftct gfjcöebt acngai t/ bic bcnrcmt f? 
f^iiljenooc{Ji.(ictltcijt/firticlntncntïCtteCtU5n/Diit 
i^/ de Qtatie/ De Ujelchc nocijtiins boc.2 al nooEfalis? 
iijcf! i^/om vet nvt te mljteu^dln Doe ï)p met ii:ecr^ 
beve fo^oiil3ülöüjijeptenang(löenclubai!bctocho^ 
nientic öingc/ ïjoe l]p ooit mcei' Delft Dé oocbc bco2t^ 
oancft ban fijne fafee/ öoo^ Defe becftecrDe/ en öujafe 
neerftigïjert. €nDe Ijoe grootep?ofötenDattecupt 
Öet öeüeDt fp^upten/banmcn ijier inn iicljreiöf ii be^ 
mei'cfiéjDat fiiec Doo,2 Den menfclj met43oD alniacD' 
tig Die Den eerften oo^fp^oncFi f 9 ban alle falicn / alf^. 
Dan gcöeelieli berfaemt/ enDc in fulcliec boegen '4Do^ 
te^ bequaem inttcument gemaecïït too^t/ enDc Daec 
tt\ boben / ( Oet gene Dat De öenoecjjte aengaet) bec? 
eenigljt too^Dt met De fontepne ban alle goeteien/ 
toaec upt fjptoaeracötigebjcl-luften enDe genoccl)=^ 
ten fouDe fionnen fcDeppen/ a\^ f\u öcm belieft» 

Het 2. point.^emercfet/DatmeneentgeiiTeberen^' fP,\\^^' 
tie oft oneer fean Doen/ foo in öet göebcDt/ al0 in f)ct ttxmim 
flenfeomen/al<Er oocfe in f^ct affc DepDen ban Ijet felbe* m gcbcbt 

^it gBefcDict in 't aenfeomen / (Cen eerjlcn / tu "t ^^^^ 
wptfieUen/ alfmen fonDer baettelijcèe oo^faecfie enDe oa-*^?2 
reDeneanDerebefiommeringenboo^ltelt: ïietb^eïcö Ddtu^t* 
fobeelijs?/ al.öoftmeneenenl^cnincfeDieon!5foetïu ficiimcc 
te fpjeften / jac Dat mecc W boo: onfe Deure tot Dien ^g bVkcnf:»' 
cpnDe fiact feloppenDe/ fouDe berfmaDen / enöe ïjcm mttimtii 
niet toeerDigDen gOefioo: te geben/ maec aileeniijcf» hüointu 
( naet Datmen een gefpupC) ban menfcljen / lanch en ^^"öe* 
bjeeDt gOefjoo^töccft) Denöonincl^Danmetlio^iC 
hioojDen fonDe aenfp^elien : oft geJijcli aljS Daec ecne 
fahe ban grootec getoicöteboo^ÖnnDenbjacrDaec 
men fp.jetien fouDe ban alle onfe infiomften oft miD- 
bcleii/ jaban (jet leben felbe te beöouDen ofte beiiie^ 
fen/ ebentoel befigt) baaei* met bliegcn te bangcn/oft 
metfanDeltcn0 te tellen : <0benegljt Doe fcganDigOc 
fafee Dat Dit fouDe toefen, 

\^m ttoecDen / ïjet i^ oocl^ eene onlar erbigöepDt / 2»©f roi^ 
De berepDinglje foo licötelöch te beronacljtfamen / ^^ifi^V. 
ai^ oft Daer eene fahe ban geenDeclneerDe op ijan^ impömgc 
ben toacc/ Daecfe nocfjtan^ ban gcootegfietoicfite DaEnec. 
iö. 52^ii^oberDcnefet bjat berepDingfi^Dat gïjp gïje^ 

<0 tocon 



194 Den I. Boeck. Het I X. Cap. 

tooon 5tjt booj Ijct q^bctt tz Qcb;uptlm\ / tnbc f)oe^ 
öatugc üiTcctfclcn öncfc placijtcn tcteercft tcflclUn/ 
t!ic ccnni ftcrbi^lijclieni^onnult meeren aenfpjefcenj 
J)oe öat öcm ccncn ©jcöicsnt gercet maecfet/oftpc^ 
ma»ï)t anöersf/ öie ia öe iJcrgaöcrinaDc bdn ecntgijc 
trcifclijcfte perfoonenfiinefcntcntü^nD^ mcpninoc 
te boo?fcDÜ« i«oet b^cngOcn. 
ï^ocïjaniï. <ï^e bccepöinöOc/öie aiöec-nootfafjcïöcfifie f jef tot 
ge ump* j)ct ocDcDt/ïö öcfc: (€en tttUm fijn Ijcrte onücftom- 
cSüt" »^<^ï^t^^tt ^^^^ bccftcoptljcöen tot ï)ct oDeöeötb^en^ 
b«epffMu oen / en Ijktom moetmcn aUc aiiaöc achegeUjcftlje*^ 
öcitfo^gUulbelöcfetïcrilciltïen/onnocöigeüeöomme^ 
tingcH acn b\^en 3yöc itellen/ en met een DcpUoü bz^ 
tl outDen ^0oDe alle dingen t' eenemael fo Jang bebe^^ 
Un. 3©ant men ftan öit in gfjeenöec manieren betec 
betboo^Deren/alj^iaob neecftelöcH biööende/fontiec 
tsen Jnelc^en top niet met allen en bermogfjen/ entie 
öie alU Dingen toeccfet in alle menfcDcn. (Cen ttoees» 
öen een berouto Uwrtoecöen ban fijne fonben/ na öat 
men füne confcientie fal onbecfocöt öebben j betoijl 
ioan.f. lijp loei toeten bat <0oDt öefonöaer^ niet enbec^ 
ïjDo^t:toant toat bpant<0ob5S öie na beel fpijt en leet 
<f3oti aengeöaê/nocft niet becfoent 3i)nbe/foMbe öec^ 
ren grootefaften ban ^oDt epfcDen / 't ?n 3P öat W 
toü toonen t' eenemael onbefcljaemt/ en onDeleeft te 
5ön^ (€en öeröen/men moetfp-feiben tot fiet gebeöt 

fereet mafeen/met bafien/aelmoeflen/flilf toijgen en 
etroutoen.ï!3anttïcn©|Oï5licctfeg[jt; gnlïilftoö^ 

Tob. 12. genzen in be Ijope (al ulde flcrcfiliept 5iin;en (Cobia.ö 
fegljt tot ben €ngel;let gebi bt ïö goet/met baften/ 
en aelmoeff^n. €nbe€0<?ifïuö onfen <^altgmafter/ 

Mar€i 1 1. fegljt: ^lle bingen/bie gD? bibbenbe begeert/geloo* 
ïitt/^at gfjp hk ontfangen fu!t/ enbe t^k fullen u ge;= 
beuren. €n ben ^^-Siacobujj fynen iBeejier bolgen^ 

ucoh, I. be/ fegt.g.ö't faïie bat pemant ban u-lieben toöfljcpt 
beöoeft/ Die begeere bk ban «aobt in *t gFieloof niet 
tbJijfcIenbej toant be gene bic ttoijfelt/ en moet Ijem 
«iet laten buncïicn/batfip pet ontfangen fal ban ben 
^eere.fCen bierben/moetmen in flilrc fijn fterte af^^ 
trecïien bco^ ïju lefen ban <acbtb^ucljtige faben/ en 
men mo^t ob^rl^ggeiv^At fouH bat top itk^ft moe^ 

tm 



Van het Ghebedt. 195 

ten obcrtDï'nncn/ ^nbe tot toat DcuoBt ï?at top in Ijet 
OOcbcöt beljooren te tracfjtcn. (€cn lactftcn/ aï.ö oft 
Oljp met umi^n €nael font moeten Uoo^t fiomc Uoo? 
<i30balmaci)ttö cnöe öeiicel frjn l^cmeifdj l)ep3/ foo 
«ecmt acn öcn pccfoon/oft ban eenen mtföaöiöö^n/ 
oft "oan ecnen armen menfcö / oft ban ecne bjupbt» 
a:nöe Iüp DebinDen Dat bit beel menfcBcn feer pjo* 
f ijrialj enöefaligl) tö cetoeeiL 

Het 3. point. etenfat ten ccrffen bc cOooren bet ^t^tpji, 
2§cpiiöen/en bec engelen boo^ Ijet aenfcljijn 45oht^ fe\mun 
f cbubdcn en beben / enbe öoe öatter tot fyncn bienfï bebcn uooz 
bupfciuioü öupfenbt Qztm (laenjen mogclöch ööp/ f ofö am. 
eplae^jlecn ncm too^mben banbecaerben/enbe eené WoKri^^ 
bompöie maec eenen ooaenbUch en buert/fultboo^ öccftmftju 
fijn aenfcljijn noclj licDtbecrbigfj berrenlaccljenj en tcgêiuoo?. 
m öfip met (0ob moetfp^elien/falt met aUe be toe^ ïhiSbï'' 
reltftiappen : fo öoenbc/aLs? gbp oactom u fciben te iamnl 
berfcljoonen/fo berergert göp ntoe fafié* (Cen tbjee- 
ben/ aenmercfu be macöt ban 43ob almacöttoö ^^^ 
metbjiebingeren be gebcefetoereibt betoaert/ enbe 
b?aget al boo? 't tooozbt fijnbec feracDt/enbe fiet ftoe 
ontoeerötgbc/en onbetatnelijcbefabeöat bet 10/ bat 
ben menfelj ötcbtoöjis? met minber eecbieöinge met 
Ol^obt [janbclt/ ban öp met ben flecfttften en bectoo?^ 
pcnftenmenfcbefoubeboem ^oobatfeertoel/ ee^ ^«"^*^%' 
nen l^epbenfcben ©büofoopb onef bcrmaent f}ccft : 
^Spjeeclit in fnlthct boegben met <6obf/ a!0 oft bet 
be menfclicn öoo2benj en fjanbelt alfoo met bc men=^ 
ff Den/ aI0 oft u «öobt aenöoojbc» 

Gebedt om een cerbiedinge in 't gebedt 

te verwerven. 

/^ Machtigen Godt , ick wete cnde kcnne , dar ghy ^ttaats 
^^ hier cnde alomme teghenwoordigh zijt , ende dat !2°5'"1?* 
uwe macht oneyndehjck is,voor\vienalle krachten bc- ^Inuii» 
ven,en de kinderen Gods verblijden: met wat eene oor- (fggmge» 
moedigheyt behoor ick te komen in uwe Goddclijcke ^ftto^c* 
teghenwoordigheyt, die anders nieten ben dan aifchen ijjjouto» 
en ftof der aeraenpmet wat eene danckbacrheyt voor u; 23etroui» 
die iTiy van niet gemaeckt ende gefchapen ,en daer-en- toen* 

<D Z boven 



196 Den I. Boeck. Het I X. Cap. 

boven door het dierbaer bloedt vnn uwen eenigen Scnc 
verloft hebt , ende my ontallijckc andere weldaden,allc 
mijn leven lang gcdaen hebt? En ick heb niet te min gc- 
fondigt boven ' tgetal van de fandekens der 7.ee,cnde en 
ben nictwcerdigh te komen in uwe Goddelijcke teo-en- 
woordigheyt. Maer wacr fal ickmy keeren, als ick my 
van u keere? Ik fal my verftouten te kome tot u.die zijt 
Luce I f. cencn Vader der bcrmhertighey t, en eenen God van al- 
le vertrooftinge,en fal fcggen; Vader,ick en ben nu niet 
weerdigh,genoemt te worden uwen Sone,maer maeckt 
Bern. ferm. my een van uwe huerlingen.Ick wete wel,dat met recht 
3.t e natali. -^'^^ vyerlchare van u Konincklik paleys door oorfake 
van mijne ontallijcke fooden, het vonnis vand'eeuwigc 
doot over my gcftrekcis^ maer ick kome,o mijnen God, 
omu Godlijk aenfchijn te vcrfoenen.Verleentmy doch 
J!Pif!tou 9 door het bloet van uwen Sone , dat mijn gebedt my niet 
hjctoan fött gerekcnt en worde tot fonde , ende en vcrworpt my tot 
t^^cn fels gegj-jtl^j. tijdenvanuaenfchijn.Ickbekenne,dat ick niet 
met allen en vermachjóHeere, fonder u, Ick ftellealle 
mijn betrouwen in u , ende ick beveletu al, op dat mijn 
gebed ende alle datmy aengaet,als eenen focten reuck- 
ofTer geftiertmach worden m uwe tegen woordigheyd , 
en dat op my afdale,uwe Goddelijcke bermhertigheyt, 
waer door ick Ibude oprechcelijcken mogen volbrenge 
het gene dat ghy van myvereyfchtjmaer voor allen dat 
ick mijn gebed mach ftieren tot uwer eercn,cnde met u 
vereenight mach wefen /o mijnen Heer ende Godt,van 
wien,in wien, ende door wien alle dingen ftaen ende on- 
^derhouden worden: ghy zij c al' t genc,dar ick hebbe oft 
begcere te hebben.yerre zy van my,dat ik voortaen,als 
ghy my noyt om met u te fprekcn , ende voor de deure 
ïnijnder herten ftaet en klopt , u foude verfmaden door 
eenige wereldfche bekommeringen,dïit ick ongeruft,en 
haeftig foude zijn, als ik defe fake moet aenrechten die 
alderprofijrelijckfte, ende van leer grooten gcwichte is, 
dacr ick in andere faken, maenden , ende jaren placht te 
<DpH?itt» beftedcn. Siet ick kome tot u,om u oprechtelick een gö- 
gmge (gn.sl brokenen ootmoedig herte op te dragen, welk ghy met 
'^ *'' * en placht te verfmactcn; want ick verlekert ben van het 
gene dat ghy my belooft hebt> te wetê,dat ghy geve fuh 
aen den ^ciicn die' t begeert ^tc gcmoete fuk kome die u 

foecktj 



Van het Ghebedr. 197 

focckt;open fult doen,den genen die klopt,ende my fuk 
verlecncn,datick mijne boofheden en fauten lal mogen 
overwinnen N. belbnderlijck, is ' t dat mijn gebcdt ver- 
laemtzymetvaften^en aelmoefTcn. O Heere,die alleen 
machti^>h zijt van onreyn reyn te maken , den genen die 
van onluvvcren zadc onifangen is , iuyvcrt mijn herte , 
cnde mijne lippen , datfe haer mogen verheugen als ick 
uwe loflangen fal lingen, het welck ick verhope te doen 
met uwe Heylighcn ,' endeuytverkoren in der eeuwig- 
heydt ,geftcrckt zijnde door uwe gratie. Amen. 

Pradtijckevandebereydinge tothetghebedt, 

cnde van het herdcncken oft recolle- 
(ftie naer het felve. 

*y €u ctïHtu/ fö mottimn tiacg^ te boren fpne De^ 
-*• !ioin:iiccnï5cn foo Uccl ald 't moQelijcïi i^ fcljic- 
ften/enbetjoo: aleen fehcre u^uhkfcwin öeteJclie 
h)p Oet l^. Sacrificie ban öelEifle Ooorem <©it 
feotöen ^.'^^yAam^ grooteljjcx: te Ijcïpen tot be ge> 
ruftigfjept besf öecten/entie boo^tganck in Den gee(l» 

(Centbjeetïc/ecirmenDem tot rujïe begeeft/ moet 5 mn öat* 
men fön Oecte befigö OouDen met ïefen ban eentgïje men öoen 
(öoDtb^ucljngebocclien/enöeöiecnaoacufijnege' ^"^"^^ «^' 
bacBteii / entie affectien baer mebe bekommeren / jlayciu 
bcncbenDe batmen bp bet èrup^ / oft in be tegijcn- 
tooo2bigOepbt ^olt^/ cft bari De Ijepïige XBm^uU 
i}iQl)t^i^t i^ I oft op be plaetfe i^i baer bet mpHerie/ 
batmen baegb.^ baer na moet mebireren / gefcDiebt 
\^. €nbe \^\x btent tot fietgbene/ batjaengaet bc 
boo^frellinge ber plaetfe. 

O^en beröé/eenigeaelmoe|Te/ten minjlê geeflelijc^ 
be/en cciu'geberfïcrbinge fcöicbcn te boenjop battec 
gccnc bag en paffcre/ bie fonber X^z^z goeöe oeffenin^ 
gen boo:tJp g'ae. ^aeg^ baer naer '^ mo^gen.^ en fa 
bïCirjDïjIö alfmen öibben moet ; Cen cerflen ^v\t bc^ 
iiommcringé aen b'eene 3öDe ftellé en befelbe <!3obe 
t'eenemael bebelcn / ia tnïe boo> 't gebebt berboo:be- 
ren. iCen tbjeeben / berbjecbeninfpfelben'bcrdubj 
en ïeettoefcn. (€en berben/fp felben éenig feber epn« 
be boo^fteUen / in Set gebebt/ enbe berniijiiUïen eenc 

3 puerc 



198 Den I. Boeck. Het I X. Cap. 

piiere mcptunge. €cn biertren / f? felben <©obt enb^ 
fijnen l^.€ngci boo: oogcn (lellen / enbe bectoecftcn 
ccncgrooteccrbiebinge/omootmoebelijcfetemooen 
fp^2c(ien met fijne <6oööeUjcfte mm^ept/ enbe ber^ 
U)Cf ^en/geloobe/ljope enbe Ueföe/met ójiemaeï tot* 
ter iierben te fcnieleu/ f iO? 't fafee bat be plaetfe fulchs? 
tcchiet. 

3Ci.c^ fict ücöebt bolb;2acfit te? ,• moetmeneertoeec* 
bcii)cli ban baerfcDepöcn/ onöerfoecftenbefaurert 
bic lupöacr in foiiben mogen aeöaenfiebDen/ enbe 
ootmocöelijch baec af bergcbeniffe bibben; en <0obt 
bcbancben ban bc toelöatJcn hic bp m$ betoefen 
ÏU'eft; fijngoetbco^nemen bernienbjen/enbcbcge;: 
bafDtenlfTe bcc felbe boo2 ben bagft berberfcöen/ 
en ncerflclijcfi gabefliaen ort) t)ic te toercb te (lellen» 

Ghebedr, naer een lanck gebedr, ofc meditatie. 

TUT EereGodt, die het verbont cnde bermhertigheyt, 
^ "* welck ghy met uwe dienaren gcmacckr hebt , on- 
derhout :Ick dancke u,dat ghy u ^eweerdight hebt mijn 
gebcdt t' aenhooren , verhoort net doch om de 2;lorie 
iivvesHeyligen naems,cndc geeft my gratie, (foncler de 
M^elcke wy niet en vermogen) dat ick uwen v/ille , die 
ick bekent hebbe, ende mijne fauten N. die my grooto- 
lijcx leetzijn, foude mogen verbeteren^ende dat ick de- 
fcGodtvruchtige begeerten N. mach volbrengen, op 
dat uwen naem ^root mach gcmaeckt worden, tot in 
der eeuwigheyt.Ontfangtfc doch,met alle mijne werc- 
kcn in de vereeninge van de verdienden uwes Soons,en- 
de van alle uweHeylighen : fchickt van mv , die u on- 
weerdigh maeckfel bcn,naer uwe beliefte :Ick geve my 
geheelijcken over, ende worpe my geheel in u,nemende 
het al van uwe vaderlijcke handt , endebegheercunyc 
gantfcher herten te beminnen,ende te dienen. Amen. 

Ghy fïilt hier beneden, een langer vinden. 

t!?emerclit ten eerftcn / tnQt geïijcïiectoös? ftter ge^ 
fcnt bjcn/ batmen liet gebeot/ tot een feecbcc eimbe 
nmt fcij jcfeen/ 't felbe c<icö övootelijcjc ban te paffe 



i 



Van het Ghebedr. 199 

fttt o^ofötdijcö enöenutiiSa^Oede^falmcnteie' 
fen boo? becfcOepöen nooben/cnöc tjUm metit* om (p 
felben in acnöacötig&cpt te Doubcn : oclijtö iö / aif^ 
men elcfeen ^falm iirt Dpfonöecboo^fonöerlimje 
toelbaöeu/ <0oöeopb2aeaöt» 

23caiercfu ten ttoceben/ batmen be öemcpnfcïjap ©imrr tot 
met fijnen ^.^nrjel/ cnbe fijne teo:entooo?bigDcpöt °J/^^",*?» 
In't acöebt bïcIiVDij[0 moet gebiupdien / als oocü in "^"S"» 
onfe anbere toercöen : on0 met Oem betabenbe/enbe 
boo2 Ijcm onfe toeccöen ijct ^obbeüjcticr Jil^ajc:iept 
opbiagcnbe / be Berten ban onfen eben-naeften boo^ 
Beni becenbenbe/ ató top met ö^n-iïeben moeten 
Banbelea- 

^emerclit ten berben / batmen bagelïjc!^*^ qtü^^ 
belijeh föne geeftelijcöelefre moet gcbaupclienrtoant 
in be felbe <0obt tot onjf fp^eecht. Wat i0 bocö an^ 
becö / feg[jtbenBepïtgBen<6^eöocm.ss/beöepli3e Greg.1.4; 
^cb'iftuere/ al$f eenenb^ref banbenalmacötigen ^p-^^- 
<0ob/totfijnfc8epfeH €n fjterom moetmen befelbc 
aenbacljtelijcfe/ en met grooteeerbiebtnge geb^upc^ 
hm/ niet mettec ftaeften/ maec/ge(öc!i ïapfterenbe/ 
op bat top fouben mogen aenbooren/ toat ben ^cere 
in on^ fojeecht. €nbe betoijle <0obt almacbtigfl 
Bent toeecbigöt hit te boen / foo moetmen boo? Wc 
ïe<Te een boomemen maecften / ai Bet gene bat O^obt 
onef i>^-geben fal te toeccö teftellen» ^aecbeïeffe ^oztiau 
moetmen <!5obt bebanctïcn/ enbe ontBouöen eenige SorM *" 
fentciHieban Bet gene bat top gelefen Beöben/ btftn bmmfe' 
raettoo2tonögcgeben/ ban ben Bepligen ^Bomaö mntim^ 
ban ^quinen. i^oe grootelijcfeitJ foube ben fcöat ban ^^ffe* 
onfe memorie becmeeröe?tto02ben/ toaec'tbpal;? 
bien/bat top bacrbagelijcö^ pet in fepöenlïDaec af/ 
aenaefien tiat be üeiigicufch foo gróotengelegent^ 
Bcnbt Bebben bageïijcfïr:]^ obec tafel / gelucöigBful- 
ien Yütfen/ Ije^ö^tfaeclïc bat 3pDaecgelucB Bennen 
enbeberfiaen. 

föemercBt ten bierben / bat nïfmen feer bo^re en 
b^oog iö in ben geeft/ bat alfban Wc fefTe/ toel macü 
in be nUctft ban be mebitatie gebaiipci^ttooibenj 
befonbe^löcB/iiS 't bat toi* alfban meeft/enbe langer 

<& 4 iet- 



200 Denl.Boeck. Het IX. Cap. Van' t Gebed t. 

letten / op De p^ofötelijcftfle fentciuien/oft mi foa^ 
banigïjeleffen nemen todec boo? top fomtöbti^ OÖe^ 
p^2oeft rjebben öat^öoöt almacOttgö eenflcael&en 
i^anfijnc ^oöbelijefte ocatle inonfesiele Deeftia* 
ten fcjjijncn, 

SCHIET-GEBEDEKENS. 

Door dc welcke de goede begterten ititgehedt gemaeBt 

dtckjvijls den dagh door vernieuwt vporden^ende 

de üele tot het goei vervp^ckj wordt ^ 

fUim 61. /^Oclt,mijnen Godt,tot u wakeick.van des morgens: 

^^ Mijne ziele heeft gedorftight naer u , hoe menig-i 

vuldelijck,dorftet naumijn vleefch. 5©ant Öet ODe^ 

feeöt/ i0 eene fontepneboo^cene öo^ftige 3te(e* 

Pfalm 118. Helpt my,endeickfalfalighweren ,endeick lal mijne 
ghedachten in uwe rechtveerdigmakinghen altijdc 
oeffenen. 

Ibid. In uwe rechtveerdighmakinghen , fal ick my oefFenen, 

ende ick en fal uwe woorden niet vergeten. 

Ibid . Hoe feer hebbe ick uwe wet bemint , ö Heere l den ge-* 
heelen dagh is fy mijne aendachte. 

rfalm 140. Laetmijn gebedtgeftiert worden, gelijck eenen reuck-« 
offer in u aenlkht. 

pfalm 1 1 8. Ick heb gefworen , ende een vaft opfet gemaeckt te be- 
waren de oordeelen uwer rechtveerdigheyt. 

rfalm 39. In 't hooft van den boeck is van my gefchreven, dat ick 
uwen wille doen foudc , mijn Godt ick hebt ghewik, 
ende uwe wet in 't midden van mijnder herten. 

pfalm 118. In mijn herte hebbe ick uwe uytfpraken gheborgen, op 
dat ick u niet fondigen en foude. 

Het eyndc van den eerften Boeck. 



DEN 
TWEEDEN BOECK 

VAN 

DEN WECH 

DER GENER 

D I E 

VOORTGANCK DOEN. 



tol 

AEN-MERCKINGE OP 

HET VIERDE BEELDT. 
F'an de bekpringhe* 

j&trööt tmtw gocöen (icööt / op bat uöp tmtn 

Oocöcnf}ï:öglj.c^-man CO^tjIi moogfjt toefen. 

AL is 't dat ghy tot den Heere bekeert 
zijt^en weeft nochtans nietfonder for- 
ge^want ons leve is hier eene bekoringe en 
llrijtroni defe te wederftaen/o weet dat gy 
ftaet tuflchcn [a] Chriftus uwen Heere^en 
den [b] boofen duyvel , die u wederom 
foeckt te trecken tot de eeuwige bederve- 
nifTe, u voor ooghen ftellende des [ c] we- 
relts welluften en [d] ydelheyt;de "eJ fon- 
de lockt u ook door liftige lagéj Maer fiet, 
Chriftus roept ^ fijne gebenedijde wonden 
roepen : en fijn bitter lijden voor onfe fa- 
licheyt roept ook tot U;wie fi^ilt ghy volgê? 
aenfiet den loon die ter deught belooft is : 
Bemerkt dat de welluften maer eenen oo- 
genblick duren, ende de ftraften eeuwigh- 
lijck^vcrfaeckt dan den bedriegelijken vy^ 
ant , die hier voortijts de [f] kinderen van 
Ifi-aël gefocht heeft wederom te trecken in 
[g] aEgypten , door begeerlijckheydt des 
vleefchs: en nu ibeckt hy den weg des He- 
mels te beletten door [h] gulfighey t:,door 
[i] gierighey t,ja ook^die na by den Hemel 
zijn 5 foeckt hy door [ic] ydele glorie van 
Mitth. IC. boven neder te worpen. Maer die tot den 
^,^^' eynde toe volherdé fal^ die fal falig wefen. 




lol 

VOOR. REDEN 
TOT DEN TWEEDEN BOECK. 

Van den voortganck , ende liare belerfelen 
ott bekoringen. 

3CcDf mad Dat be ^dci bic bart 
naer cpnöc of Ijan 't toit Darr fp 
?:a [jaDDe Ddjoorcn te tracöttn/ 
^at ii^ 4BoötDe oppccjie Qon* 
')cm i tn fijne alöcc^epügöpc 
geboöen/ afgctBebca toajöf/ tof ^ 
öf rom grfeonieri i^ op ben gacbpn cnbe rec&tcn 
tocg- fo i0 f p gelijch ben feiitberen ban girael / 
bieben l^ecre in be fterc&te fönbcr macftt enb2 
ftracftt bf tïo jl Ijceft ban lier jscli ban -J^tjarao/ 
enöc be fïabecnpe ban Êoppten^^nbe baerom 
celöcfeertDijö be tónberen ban Slfrael niet BÖc^ 
blcbcn enstjn inftef aanbtbaerfpgebaneöeii 
toaren/ niaec boo? JiBopfe^ ftaren lept^-man / 
boojtsf gccepU 5Ön na ö?t tanbt ban 25eloften/ 
boo^ be iDiiöcrni flciöïfo mort be ;ieïe oo& bcé. 
ilBaec gelüh öni tiintscrcn ban Ifracl gebeurt 
lÉ I batfeboo^be bctbolgingengaerbecbpan^ 
bê/en boo? be rontöigï^ept en onge niac&en ban 
be luüDerni ffe' itiet bêel belioringen obcrbaüen 
ïjcbben getDeefi ; a!fo faï be jteïeban ocIi)c&en 
&e&oo?t tDO?ben om Inebetom te beecen/ rot l)et 
gene bat fe eenö bctïaten beeft. ilE)ai fiact l)aec 
ban te boen ? fp moet ^aer becfïerchen / enbcoj 
een cftp beraet brrtoechen om altö^t bcojt en- 
be boojt te gaen/ berfmabenbe be polen enöe ^t 
aenbecSitingcn ban garen bpant:töant Xsl f ee^ 
re beefjt boo? on^ ; nocft en fal niet todaten /al 
jönonfebpanben onöbanalle feanten omrin^ 
gdenbe / batfe on^ faïlen Defcfiabifien / inbien 

bat 



204- DcnlI.Boeck. Hetl.Cap. 

tut top cenen pbc r in onjsi gcBBen / om altöt iïi 
bcntocgöUc^ f$tetcntt Uoo^örren/ maer fal 
on.0' obec-becficn met tent toolchc ban frjne 
fimtigcrtigöcpöt/ niDcfalöefribc (ieïkniuf» 
fcöcnonjefcnbronfebnanbcn: ali^'tfahe öat 
4^ in ben nac{)t Dcc bcdorinc^en/ oni^ o^^i*^ tiat^t^ 
\)}Ct(t/ enöeberbamöcpt en fal ont&?c6en. 

ilBact op Dnc De maniere ban beraDingj^e / 
toaec aftop fiier boben gefpjoöcn ftcbben/enöe 
naöcrlöi^nt nor ö öicfttoifö fpicfeen fiiHen/ bttct 
bthtnt fouöe mogen toefen/ t}t\jbz goct gebon^ 
ben befe fticr in 't koft bp te boegen/ öie gp ftiec 
naer inbe maniere ban mebiteren/bjeeber upr- 
gelept ful t binöen» Jl^ant a!fo bicfetoil^ alë on^ 
renige ttorjffelinge te boren feomt inben geefie* 
lijcften toegf? ofr öanbel ban menfcfjeltjcbe fa* 
feen/fo fullen top in öefer manieren raet binbê/ 
rnberHere&ttoojDenin'tggencbat on^as bebe 
rtoijfden/ en fal on^a? in a]lt0 te recïjtc totjfcn. 

Het I. Capittel. 
Van de maniere van beradinge. 

39at fcDp 13 €mcrcïu bat g!jp/al eer gijn bcfe Dcrabm^e totlt 

mjoQxm u actibeerDcn / u ntott ftcMcii in öc teacnteoojtihj^ 

tSS""^ Öcpb£ban(öoöt almacljtföf) / enöe ban ïjemfjclit 

bemtiu cPitJC gratie bcoijcereu / op öat oft? fönen alöerBep^ 

ligbften bstUe foubt niogOcn hermn ; toant fjcm aU 

mat top ï^gi^ henneiöch W b^nt om nut ijg* ^(.$' bit nu gljC:* 

Stater* ö^<^« ï^/ fo^ moctmcu ten eerficn / Ijct aïjene?3aer^ 

tatjicn öat lucn ïjem b^iltop bcratjcn/ bcc? ï)em (leücii; acüif & 

toi) DeraDê. fouöc moaöcH bsefcH / btin ecnèn ftaet be^ Icbcns^ te 

f/" "^^ bcrbicfcn/ om boo^tganch tcboen in Dcugljben/ban 

fijn bnpfgefin tcberminDercn oftte bermccrbcren / 

ban eentgb officie oft bm^fitit t'aenbeerben / of t te 

ontfcggcn ; cntic boojttf ban anöere faïrcn / [joe cnbe 

in bJut manieren / enöe toanneer öat top t}it moeten 

een twt» aenbceröen oft acbter laten, i^en ttoeeben / boo: al 

^w» benueubJtutoeatfcctte/ fobatgD?/ foo beelal^'t 

moge- 



Van de maniere van beradinge. 205 

moocïöclö i^/nict n-eer tot b'cene 3üöcöan tot b'an? 
bcrcgticncpijötcit 3ijt: toant aLe on^ Decte ööcïpcft 
in ccne toeeaD-fcDalt' a^iijcl! öanot / fo ftnn iietUcö^ 
tcUjclt tot ö'ccrtc oft tl anöcresijbe öeuogen ÜJO^Den/ 
ciiöe men ftan oocö öetec öc tccciienen ban öen <0ob^ 
LicUjcöcntDille onöccuenncn* (OhttkQfjt baccnacc ^rcn^ni^f, 
(uljoojoogfjcnflcucnöeljet cpiitieujaertoe gïjpoc* 
fcljapen 5Üt ) \jjCitU Deel Uan utuc bccfeicfingtjc u tot 
Dit epnöe min oft mccc beöuipigtö iisf / te toeten / fiet 
ncnbeecöen Ijanfulciien oft fulcftenltaet/ officie/ 
conberfatie/ ftaöien en ocffcningen /oft Ijet tDepges 
tm Oe^felf^- 5Baut top moeten foeeöen/öitmin oft 
meer / enöeüegöeeren/ niet t)at cn.o min / maec dat 
cn0 meecfeanboo^öei'enenDe Delpen om totïjeteea^ 
ixiigtj leben te geraüen/ enDe Den <0oöDelöclien Inil» 
Ie te bolD^engen. €nbe alfoo be fafee boo? <0obt ban 
alle bepöe 3ijï)ert njpelijcö getoegen Debbenbe/ moe^ 
ten top befïupten / enöe be faectie 45obe almacfttigö 
opb^agen i enbe toel gaöe flaen be intoenbelijclte be* 
toegingen in be flilte on.s? gljemoctjS / boo2 betoelcfec 
ben l^eere fönen toille placbt te liennen te geben ben 
genen / t^iz ti'cUn met oprechter /enbe obergegeben 
l)erte berfoecfien. €nbeöit i0 boo^gaenjsf genoegij / 
om te berttiefen en fön bcraet te flupten. a^ant ge^ 
löctiectoijjs bat in be mebitatie bicfetoiljö een cft 
ttoee bemercftingen onfe aifctm fo betoegöen / boo? 
meöetoerc&ingen ban be gcatie <0obt3g/bat fiet ntec 
nocbigD en i^ eenige anbere Dulpe tefoechen ; aifoa 
gefcötebet ooc [1 in Oet beraet/toaer in niet min t^'in^ 
fp^aecltenenbebetocgingen banbenli»<0eefl gab^ 
geilagen moeten toozbea» 

5Daec'tfa[ienoc[)tan^batbc boo^gefet»bc potn i^atmm 
ten niet göenoegljfaem entoacen/ om ben totUete^f^'^J^I^^* 
Toecjlercöen in ïjet goet ; alfban moetmen boo^bcr jipDe jna°'^ 
gaen/gljelöchmeninbemebitatteboct/ enbegöe^ nifremtt 
Itjchertoös^bat benetien b^eeber berölaert fal too:- niiucht, 
ben ; bp eïempel gïjp fult moeten obcrleggen / toat 
tiCit göp utoen \)iim^t in be tcgentoooabigljepbt ban 
<0obt almacljtigt) fout toillen raben / enbe met toac 
oelöcöeniffe i^at gijp licm foubt foeclien \xiij0 te ma* 
hm/ fiet gene bat öOp^mrbiubu 3©ant Det gfje^ 

mepne^ 



2o6 Den 1 1. Boeck. Het I. Cap. 

mepncïncft aibm ocbeurt/ Dat topbooianeni^ecncn 

anbcicn gocöcn racbt gebcn / cuDc fjet tUcütfle booi 

9Cnbc«bc* oti^fdDcn bejjouöcii- €Jact alföan boo^ts^/enöcber^ 

gm nuTCftt / toat bat of))? foiiöt tóilicn bcröofcn Ijcübcii 

3&e fctfiÉ» tiïöc uprcuUJC<aföootJt0/ enbc iDCctöatgDp bit nu 

^emtt» moet bccöiefcn» ^cmcrcht bacr-ai-boUen toat 

^^* racbt bat göpfoiibt toiUcn gOeDaupcftt ijeüDcii / al!$ 

ODp fultftomcti bOD? btni rccOtcr-fïotl ban ben ecu* 

toiöcii i1eLijter;enbe bit fal u nocf) meer beriöaecfan/ 

®c öecDc, t0 't fafee bat göp !ct op b'eeutDtfjtjepbt/cnbe bat Ijet 

gene g?)? eens? beclïofen fult Deüben / eeutoelijcö ijef. 

3Bant bat eenjE^a^baen 107 en f^anntetljcrbaentoo?* 

©ebicrïjc» ben» l^aec tö 't bat göp oberlegöt bjat be l^epligen 

gebaen J^eöbcn/ oft boen fouben in bcfefaeclié/ enbe 

Ijacc aenroeptenbe te rabe gaet / fp fuKen u al^llec- 

ren fcljijnen in 't mibben ban ui»e bimftcrniff en en^^ 

tDebijfbc^be tbJöffciuCijtfaIJt'bem <öberbenclu occïj ban b?at 

^ïjbe batgftpmeerber b^ebe/ gftecitfligljepbt enbe 

ü&efcds* büibtfcDap ban ftertcn foubt geboden, ilöaec boben 

alfal fiet uptermaten p^ofijtelijcö teefen/iö^t faecltc 

bat gijp ban COaifluöonfcn ^altgljmafieival^ ban 

btn oBngeï ban grooten raebt/cotmoebeli)cfe bjaegt/ 

toat bat ftp met fijn (eben / enbe b^aoiben intc in ge^ 

raben fteeft/ enbe raben foube ; tot fjent / fegge icli/ 

moet gf)p te rabe gaen/ boo? toien.^ monbt b'eeubji^ 

ge ïlDijf Dcnbt fineccfet / tik onfcn jüf^eefier/ enbe ben 

^cfOict t^ban onfe 3tele» <enbe t0 't faecbe bat mo^ 

geiijcfi {iet gene bat gccaben i^/ fbjaerber balt/enbc 

obcrfalcltjSunnnaenftaetj olfbanfoo moeten cn.$ 

be gljebacfttenifTen ban betoelbaben / metbetoeUhc 

Dn on?J booiftcimen Decft/ enbeonjo? noobet/ om fijne 

aibccljepiigöfie raben enbe tnfpaaecfien tebolgljcn/ 

bcrtoctöen enbe booste? boen gaen. 

^f moft S^ 't fahe bat b)p alfbnn nocö betoaerftepbt niet 

onDccfocc» grt Itonnen beftennen enbe bolgen ,-fo moeten top üe^: 

oitó belet nuTCfeen toat oüsJfoube fionnen belette; enbe bit ge^^ 

* bonben fjebbenbe/ B^t befle ftiefen / enbe offeren fp 

feïben tot eenc bjant-offer aen be <6obbeIöcfte Itöa^ 

jsftept / enbe bebancben bent naberöanbt / boo? bet 

Mcin enbe ^m goeben toille t)k fip on0 gegebc fjeeft. 

<9eft* maniere Deö ith boo^gel)ouben in be p?tn« 

ripaelfte 



Van de maniere vaaberadingc. 207 

f (paeïftcofficien ban em »0oöb?ucötf 0O ïcbcn* (^en 
Bcv^m/ op öat ött fouöc öicncnboo: ccn. patcoon. 
(Ccn ttoecöen / op bat/ aljj icti de felbc 111 öet ocfjeete 
ïjoecï! bcrboïgDt fjcbbe/ enDc mün öefle ge^Dacn / om 
naj mijn èranch bccmogen Den toüle te berloeclten/ 
De felbe Daer öoo? al.sf met eene ant:ere beöenbigijept 
fouöe mogen bebejitöcn. aiDantfiet boo^felieci^/ t9oeöat<» 
iïat alle öe gene/ bie of ben ftaet bec religie/ of eenige ÏJJJJ y^^f 
anbere <0obtb?ücfjtige maniere bankben met rij= tittc^m 
penraetaengenomenfjcDDen/ boojbcn^cnfcöelöc- enöebtt* 
fee feranchijcpt feonnen berjlappenjenbc bat Det Wt ïljl^^'' 
toe feer pjofijtelicft i^ om onö tebernieu «nen/te Ijer- "* 
iefen be rebenen / boo? be loelcfte Uip befen raet Ijep^ 
ïlgöUjcfeen aenbeer 1 8abben-3Bant 't gene bat in öet 
religieujB? leben tot be bernieutoinglje tjt^ gceft.ö foa 
öcootehjcli^ göcrecommanbcert b302t/ te toeten / fp 
felben boo? oogen te ftellen ben bag / bp ben toelcfeen 
men gegaen i0 upt ojgppten / met toat eenen geeft / 
cnbe met toatgroote rebenen men Dier toe betoeegt 
toasf j mact) oorfi fccr tod bienen in alle oeffeningDe 
ban *6cDtb?ucf)tigf)eH / t)U men rijpelijch enbe be^ 
bacDtelijcö aenbceit öeeft. 43\M? Ijtbt Dier bcrfcfïep:; 
benmiböelen/betoelCiieicöootmoebigOlöcöbibbe/ 
bat be <0obbelijclie gratie tot paofijt ban eenen pe^^ 
oeïijclien toilt bcrbco^bi^en. 

ilSaer bemercöt / bat alfo bitfetotjl^ alfmen eent ^ 
gl)en raet tlaet / tiat be siele met berfcftepben betoe^ 
gingen/ enbe ban bibcrfcDe geefïen [jectóaertje^enbe 
ber toaerr<5 geö^eben toon ; ïiierom i^ 't feer nut/jac 
nootfalïelijcfe befelbet'onberhcnnen/on battopaifa 
ben toille 45ob^ beter enbe feïierbcr geFïcnt ficbben^ 
be/fouben mogen bolb^engem <Cnbe fal obrcfultK.5 
albicr eenige bemercüiinge boegen/ ban be tefïenen / 
boo? be toelcfee top be geeften oftinfp^alionfulleir 
feonnen onberöennen» 

Beraerckinge oft eerfte meditatie , van de teeckcnen 

om de verfcheydcn geeften re onderkennen. 

TLJ Et I . point. 23emercht bat top göelijcri in eenen 
^ -^ toeg jijn/ben todc^c ban alle liant^n omcingeit 



2oS Den 1 1. Boeck. Het ï. Cap. 

i!f K ƒ piaetfcn/ban öctoclcöe men (if ötdijch ncbccUjaertjS 
icitiönV f"^"^^ ïionncn ballen / enöe Dat Uip Ijierom eenen 
leptfman ban boen fteDbennuaef battei* bcel sm ^i^ 
Öaer ftiec toe p^efenteren al^ b^ienben/Die nocljtan^ 
onfeoeftooren bpanöcn 3ön:üoeneer(Idijc!! moeten 
top ban Ijiec op letren^Boeötöit totbe bcrfcDepben 
ceeflen/toaec onbec i& ben bupbel/ Die (jem btcliU)il32? 
becanbert tot ccnenti?nael be^ef ücljti(>.(€en tbjeeben/ 
bemeclu bat top pelgnmö ^ijn/cnbc battcr becl toe* 
oen boo? on<s 3ün/ tic tocichc ccniof gegacn fijnbe niet 
te b^rboen m 3ün/ ban be toekfte eeniglje fonbcr pe* 
rtjcftel 5ijn/ cnbc cenige fcct fo.jgcUjcli sen oberfuUic 
moeten top on^^ biei: op toel onbeib^aöcn aen be ge* 
ne/bie in be feibe toel erbaren 3ijn / enbe booi al ban 
b'eetoige toijfbcpt. €en becben/peptl bat top geUjcfe 
ober ecne tooeflc5ce baren / en ftoebat eenen fcïjip^j 
per berlangt na ben boo^fpoebigcn toint/cm fcfjip^ 
b?al?e t^ontgaen^en bat top gfjeHelt 3ijn in 't mibbeii 
ban contrarie \i)inbm/tc toeten/ben QuaDcn en goe* 
ben gcefï: cnbe öoe bat ben s^uaben alle necrrtigiiept 
boer/ omoni3ftei1ooteninbe fcD.^oomelpcïiefcIjip^ 
b;ahen ban \:im eeutoigben afgronbt» 23iDt ban oot* 
pfaim 24. moebelpch ben ^jeereenbefegt: i^cere tDoont mp u^ 
toe tocgen en onbertoijft mp ban utoe paben / ftiert 
mp op hen rechten tocg/om u toen naem : geeft mp/ 
o feeere / hat ith boo^ utoen gbceft gbeb^ebcn mncft 
toojben/ hat kh utoen ,§onc$P ,• toant t)U ben geeft 
Cb2i|!i niet en ïjeefr/ en bcljoo^t ïiem niet toe. 
if^tt ie* Het 2.point. ^emerclu boe beeï bebjogö en argb^^ 
öjogij cni» (iftigbcpbtjSf batter in be toerelbt i.ö/göelijc!i IjU ten 
Jï8|^img' eerfien blijclu aen be fccten ber ^epbenen: ten ttoee^ 
KtJ bcn/banbefeetterpen: tenberben/ boos bet leben 
banbeboofemenfrOen: ten bierben/ oocït in Oetie* 
ben ban be goebe enbe gj;ccïlclöcf»e perfoonen / ban 
be toeldie fomnngbe gbelepbt too^ben alö ban pal- 
ïtcbten / oft ftal.fteecfTen inbe poelen banbeblee» 
fcbelijcbe toclluftinK 25cbancbt ben li^tcvc boo? goe* 
be betoaringbe/ en bcrtoccftt in u een misÉ-troutoen 
iitoeö Ulf0* €en anberen/aenmercöt bat top in al:* 
U0/ oodi in be ölberminile toerefteu/ booj mngöen 

$eefi 



Van de maniere van beradinge. I09 

acc(! geDseben too^zöcn. I^terom fict nccrflclijcli toe / 
b<it alip fout mogen Den nlöcrfoctffen mü öej3f ]^ec- 
ren ijolgtjcn/ cnöcneemtljooiu Dat gijp üelepötj^- 
mannen/ öicuban^oötiJtacacttaegeDeiisön/ te 
iueten utDcolicrften / (uit Volgen/ $c. 

Het 3. poinc. %mmttctit Dat öc bupbelc nu fo bcel ®*to£tc^ 
biipfeiuiarenecbaren/enDealtijttoatjentie/ljierop öSnb^» 
aïléen upt fijn/ om onö te bertüinné/ Duo' ontujaecfit lê om önö 
enöe ölijft ixiacfiec, Cen ttoeeöen/Iet op öe menicöte te hamn^ 
Der Duptielen / bie al ffamen (geiijcli ö^t tJiöcht upt "^"* 
bet Icben ban ben ^. 3tntoniu0 ) tegen eenen armen 
nienfcDopftaen/enberootmocbigötu. i€enöecDen/ ^i«na«* 
oberDcnc(nbatfenoc!)tanöfeccbet)|eeft3Ön/ en bat ^^^^^ 
t]are ftcacOt Ijaec Denomê i^ hm bemacDt ban on^ 
fen ^aligijmaüer/enbe batfe obecfulcö.fi?/ gelyclt be 
b:oiitDen itcljteücli toijcöcn/ al.cf fp öebtnbcn bat b3p 
fiaec-lieben mannelücfe en hloecfeelijcl! toebccHaenr 
't toelcö oocfi göebeuct aen be felcpne femberen/ enbö 
betcere maeaDeftensf/aLss befefnbennaem be?ef^ee^ 
ren Ijaec tim jlcijt lebecc- ïeert Dicc upt eené fiïoec^ 
ften moet te Ijebben / enbe fegDt met ben gsopDeet : 
%[i$*t battec legeren tegöen mp opftacn / foo en fal p^*^°» ^öi 
mijn ïjcttz niet b^eefen. i^cn ttoeeben/bemercl^t bat 
, i^cn bpant ban ber Ijellen/gelijcl! eenen belt-fjeer ban 
alle feanten öeficötigöt enbeöÊfpictüctöafteelon^^ 
fee 5ie[e/om te bieten ban biat söbe t^t ijet onficrcü^ 
ftc 10; boet gijp oocö alfo/enbe toeejl befgelöch neec^ 
(tigfj/om 't felbeban utoen feantte boltoercften enba 
te berjlccchen/enbe Oout goebe toacgt. (€en berben/ 
batmen Ueu bpant Ucijtelijcli baeberltaen ftan / alfoa 
langlj al.eJ Ijp bimcti be beften niet gijefeomen en i^ : 
enbe Dierom moet gijp fO2gf)bulbtg0 toefen / om bc 
jerjie oprijfenöe gcbacöten te ntet te boen.Cen bier* 
ben/ bemeccïit bat ben bupbel aden fijn befte boet/ 
fioe bat öp in foube mogen fiomen / gebecftt met een 
fcöaep0-bel/ingaenbe in 't eerfte met fcfiön ban goe- 
be gebacöten.maer baer nae lor feenbe tot 't gene/bat 
fo goet niet en w enbe ten laetften oocfe tot öet gene 
bat opentïijcö «juaet i0\ hierom neemt boo: u neer^ 
fteljjcö ben oo2fp^onc& en Oet beginfel utoer gebacB- 
tenyben booKSancö/enbeDetepnbet'onöerfoecfeem 



210 Den II. Bocck. Het I.Cap/ 

Bemerckinghe oft meditatie, van het oiiderfchil cuf- 
Ichcn de goede ende de quade geeften. 

j^ot bat TJT Et I .point. 23cmerlt t l)oe Dat ben Diipbel bc qua^ 

S?qS"S?^'^ ^^ "^^^ bcoecrtcn öcjof bIctfcDö / ccre / njcbdoni* 

Sejt* *^^"/ ^^^ ^^" acrtfcöe binoen/gcfych g^Barao dcbe/ 

moepelycli balt / tot bat Bpfc oebangcn iKcft, ^ier^ 

om laet u bailelijcficn boo?flaen/ bat alfe f)ct oü^nc/ 

batbcctöacctiei (icecbt/ u ban ben bupbcl / al^f een 

boobelijcö fenijn inöOegeben toojbt/ chbc bettoo^pt 

l^oebat ijct, iCcii ttofcbcn / bat ftp be goebc mcnfeDen bcel 

Jp["J' QuclüngDcn aenboet/ gljeïöcfe "j^lwao befeinbemt 

boVdc* ^fltt 3fcacl gcbaen öccft/in öct tocrcïi ban hc batlu 

fieenen/ enbc pot-aerbc ; om alfoo onfe rcpfc tot ïjct 

lanbt ban 25eloften te beletten: maer contrarie boet 

onfcn goeben €ngel* (Cen berbcn/bat f)p befe foecftt 

te brengen tot onmatf ge b^oef Oept enbe ftoaermoe^ï 

btgtjepbt/altoaei: be tjelïe/ bacr fjptoebertoefen W 

mebe berbult i^ ; op bat top tn fulcfeet boegen fijn^S 

i^Pfoeckt gelycöfoiibenbjo^bem (Cenbierben/Bpfoeclitinal 

öat fijnm* fjjn tngeben/ toefenbeben ©^inceber bupilerniffen/ 

S wü' ^^^ fön^n raet in gecnbec manieren te boo^fcBön en 

toe* feome:bjant ben guaetboenber öaet Bet licBt/en ber ? 

toecötbeföne totgebepnfiBepbt enbeboöbelBepbt* 

^uiS neemt baftelijcfeen boo? u/a\0 eene bocBter bie 

gare eere enbe fupberBept bemint / be argltftigB^Pt 

fnb^fcBalcfeB^pt ban befen onfupberen b^per/inal^ 

Ier manieren fontbecöen aenutoen gBeefieiijclien 

Uaber» (€en ttoeeben / enbe oocfe alë gOp u bcrftant 

berbupflertbinbt / foo toilt in gBcenber manieren 

boojtja? / oft acBterbjaert^ gren in ben aengenomen 

toegö/oft in u goet boo^nemm: maer bUjbcn fiaen/ 

CBeiöcB Bp öoet bie fp-fdben binbt in eenc peröche^ 

ieufe enbe bontftere plaetfe/ albiaer fijn iicBt onber- 

fi^n^ uptgegaen ijof/ben toeïcöen blijft itaen totbat^ 

tertoeberomlicDtgeb^ocBttoo^t. <!Enbe gclijcftoft 

öBp in eenigetempeefl toaert/ boojfeecfeertu fcBip 

met ben ancfeer/ enbe roept tot *6obt/ t^ic on^S Ucfit 

cnbeonfentroofti^» 

Het 2. point. 25emercftt bat u niet ingBegeben en 
toojbtbanb^n bpanbt/ banboo? b^gD^B^iwnifTc 

oft 



Van de maniere van beraditighe. 2it 

I oft Bet toelaten ban (0oötaïmac!jtig0i QïjtUjdt ijet^Ébpant 
! m^tt biecht in Sob / öcntoelcfeenDcnöupbelber^"^^''^" 
I focfjt öecfr/re temtcren; enöe in Den ïi« ©etru.ö/öen fo„ö« 
; toelclien {jpDeöecrtöeefttefiftenjenöeliectocfettn <6oöstoe« 
! u een öetrdulDentot *6oöt» ;€en tlneeDen/ bat<0otJt ^^""^ 
aÏ3^öenopperfïena^elt-{)ecc/ aïtütitftaetboc;jmDe 
flacf)-02ö^e/acnrietonj5bect)ten/geIöcb l)et oebeurt 
j i^ aen öen Ig. ?lntoniu<(3f; öu!^ neenu eenen ftlccchc« 
moet. rcen öeröen/Dat €ioöt toelaet/bat onfe bj^aiu 
^ ben onief fouben bcbecDten/ enbe bat ÖP on^e? fomtoö^ 
!en gelijch fcDönt te berlaten: enbe bit om hiiz xzht^ 
\ nen* (Cen eerjten/op bat be beugöt enbe getcoutoig* 
I f^tplit ban fijne bienaeri^ in be tegfjenfpoet befeent 
i fbübe tooiden j enbe bcfaöelöc!ien ooch be f[appig< 
I Ijepbt enbe tcaegljepöt ber quabe. OBnbe öiecom W't 
batbel^.^cö^iftucefegDt/ bat goD enbe tOTobiaiS Tob» n. 
gep^oeft Oebbcn getoeeft. €en ttoeeben/ op bat onfe 
lupigfiepbt in fulcbei: boegften tot neccjligljept bec^ 
Wcht macD too^ben. (€en berben / op bat top hiz 
Öoobeerbigö 5Ön/onfe fecaneliOepbt fouben feennem 
€nbe ieert öiec upt berftaen/ toaerom bat ben l^ee^ 
re u eentge tegenöept toefepnt/oft toe placDt te fepn^ 
ben. 

Het 3 . point. ^tttttttht ten eetften/al i$ 't bat Bet ® ê troofi 
ïebenban be menfdjen ecnen ftrijtxipbfcaerben W ^^.^.Ki^ 
bat Detfelbe nocBtanjS beibult i^ met menigöbuU '^ * 
bigben trooft enbe confolatie/isf 't bat top be beugDt 
begbeeren te beminnen enbe goetit toillcn tocftn ; 
Ööelijcö Bet blijcfet in Bet fcben ban CB^tftuiS onfen 
ï^eere/banbe l^. moebcr Jü^aria/enbe anbere <^ot}^ 
%pligBen/(|c. ^CltoaecgBp altijtfultbebinbcn bat 
be bjoefBept tk fp-(ieben geBabt BeöDen/met blöb* 
ff öap bermengeft i^ gBetoeeit ; enöe acngBcfien bat 
b'onepnbelöcbe eeutoigöe toijf tjcpöt enbe goetbept 
goet binbt bat fnlth^ affoo gljefcbiebc/ foo güeeft 
UBtecinobec/ enbe laet Bern befo,2gBe / enbeal^^ ^ ^ 
upet tegBenijS/ berftecchtenbebeifeloecfet uboo^ Jf^"» ' 
be Bope / bat gBp een^ gBetrooft fult too^ben» (Cen «©out ftot/ 
ttoeeben battec geene tonfolatie ban <0ob en feomt/ ^nmt^t 
ban be gBene/ ï)k on.ö bccftanbt boo^ BetgBeioof tct ï5"|g\ïL 
^obt t veel^t / onfen toiHe boo^ Bope enbe lief öe/ of t fd„h«u 

^ z ten 



212 Den II. Bocck. Het ï. Cap. I 

ten minfteit ons? bcctocchttotïicmdrcljcnfnecftcrt;! 
toelcU lup oïiclïocïcn nl^ on^ (Krtcaf-öOeti'ocftcn; 
tDo?t Dan öcrtfcljc m\it Xictqmtlidiichc biiirjen/ cn^' 
nc met ecne {jcplioc DIi)tifcljapont|lc6cn too^öt : oft 
tniuicr^ alö lep oftcboclcn ccn grootc oüerufltg^l 
Depot öcö ftcrtcu ; maer al>s top oöJ^toacr too^öcn 
bat befc gDcnijHjcpbt in gocöc menfcïjcn ocftoojt 
tü02Dt/ foo inogeit itjp an^s tccï fatcn boo^jlacn / b^x 
öjefc flooringlje ban öcn Qiiabcn o9cc(ï fünenoo^i 
fp^oncn neemt ,• gl)elijcli öen b^eöc ende ocruftig^ 
ïjcptït een teecftcn i^ öatfe ban <öobtentie banden 
öocöen geeft ftomt / befonöer i^ 't battec geene oo?^ 
fa!ie te boren gegaen en i0. (ïEnbeDiec 5üt fo^jgïibul^ 
titgl) om alfulcften gecuftö^Pt te bebjaren / enbe ban 
i\ te üecren al öet gene bat üc fclbc centgljfnijS foube 
mogen bckttcn. 3Bant geïijclierbJiie al<s men tn't 
Ucïjttoefcnbc/ fiettoaerbatmenmbctgaen/ oocö 
boo? bicn tijöt / alti om nabcrfiant Ijct licöt fal ont^ 
b:clien ; aifoo moet men oocl? boen / enbe Oem ber^; 
ïiïoecften tnbenfomec/ tegen ben aenflaenbengeei- 
fteïrjclïen tointcr/^c. (^en laetften/ ïaet u boo.2ftaen 
liiU göp ftaet tuffcDen *aobt enbe ben bupbeï/ en bat 
gIjp ban alle beplie ftjben aengelocfet enbe genoot 
too;jbt/ enbe oberfcggt toïe batgDPöegeertaente 
ijoorenenbeteboigen» 

Ghebedt oft vaft voornemen om den goeden 
geeft te volgen. 

TT' Omt heyligcn Geeft , cndc laet fchijnen uyt uwen 

•*^ hemel een firaelkenvan u hemelfch licht : komt ó 

licht der herten; rijft op, óSonne, ende verdrijft mijne 

duyfternilTen, op dat mijnen vyant tot geender tijden en 

le*^ge:Ick hebbe hem verwonnen. O alder-minnelijkfte 

lidit , hoe, en fal ick u niet liever beminnen , dan mijne 

duyfternifTen , dandenPrincederduyfterniflen? want 

dat ghy over my nier en fcheent , mijne ziele hadde leer 

pr^9'5. naer in de helle gewoont j 'ten waer fake dat ghy de 

^onöct wolcke van de ydelhey t verdreeft, hoe foude ' t mogelik 

öcö 4v 2;ijn,dat ick recht foude konnen varen in de woefte ende 

<Oce|liJ tn wilde zee van defcwerek? cndeickenfalmijncnwegh 

Yoor-^ 



Van de maniere van beradhge. 21; 

., voorwaer niet konncn vervolgen, 't en zy dat ghy, ^^ie ^f,"!j^j^"g^^ 
[i| daer zijr de hope van alle gewcften , hoeken der aerdcn, ^^-^^^^ ^^.^ 
ende der zee,mv den wegh wtjft.Siet hoc veel arme zie- fee luaclt 
len wordendcr'vcrdonden door de doorlagen van den J»"'^''°?' 
helfchcn afgronr?Siec hoe veel hcydcnen eiulo ketteren {^."JSi-c^l^i^^ 
Joopen, eylaes ! in hare eeuwige bedcrveniiie, bedrogen 
fijnde door 't fchijnfel der waerhevr, overmits dat ghy, 
die zijt het licht der rechtveerdigheyt; over hacr niet 
ghefchenenen hebt ?Maermy is de goedertierenheydt Tit.3. 
en liefde Godts geopenbaert gevvecft, op dat ickverfa- 
kcnde de ongoddelijkhey t,, ende de vx'creltlicke begeer- 
tcn,foberlijck,rechtveerdeiijck en godr\'ruchrelijck tot 
uwer eeren foude leven ende u volgen.o mijn leven: lek 
falmy verheffen boven de hooghdè der aerdc, op dat te Prov.i. 
vergeefs het net gcfpreyt worde voor de ooo;en der vo- 
gelen. Want als'ickbemercke dar mijne gedachten tot 
aèrtfche en verganckelijcke dingen haer itrecken,fo fal 
ik hier door gcnoegh konnen verftae."j,dat dit eene aert- 
fche,beeftelijke,ja duyvelfche wijlheyt isrwant de wijf- Utacfittitt 
heyt,die van boven is, en van u komt, o mijnen Godt,die IntjnjcpDt 
daer zijt het onveranderlijck Licht jdeFonteyne van al- ^f^|^,*l^j^fj 
Ic goeden, treckt ons van aèrtfche faken tot hemclfche; f^ómt, 
van het fchepfel tot den Schepper; van verganckelijcke 
dingen tot eeuwige. Hier in verbrey t haer de ziele,endc 
fmaeckthoe foet^dat ghy zijt , o oneyndelijcke Soetig- 
heytrmaerin de aertfciie dingen wort zy verduyfterten 
met bitterheydt vervult, noch en kan geen rnfte vinden, 
wantfy en vint geenrufte buytcn u.Wilt hierom-öHec- 25initm 
re,my in alle mijne werckcnvooro-aen; eeefcmy dat al- '^^^ f" '* 
Ie mijne gedachten ende vv'ercicen, van ualtijt mogen ?j.g^ 
beginnen,eiide door u voleyni worden ; ende al is 't dat 
tegen my geheele legers opftaen , dat ick nochtans niet Pfal.iö. 
bevreeft en zy.Want en weet ick niet voorfeker,dat ghy 
my niet en fult laten tenteren boven mijn vermogen, 
noch laten ongetiooft;maer fult altijt voor my gaen,en- 
de my vertoonenden wegh, die ick moet doorwande- 
len? Want tot u heb ick mijn ziele opgeheven, mijnen ^''""^•24. 
Godt , in u ftelle ick mijn betrouwen, ick en fal niet be- 
fchaemt worden: noch mijne vyanden en fullen my niet 
befpotten ; want alle die u verbeyden en fullen niet be- 
fchaemt wor.den,inaer fy fullen u loven ende danckcn in 



Jti4 Den 1 1. Boeck. Het I. Cap. 

de eeuwigheyt der ceuwigheden,eiide fullen gebenedij- 

den uwen nacm in de eeuwe der eeuwicheyt, Amen. 

Pradlljcke die men te werck moet (lellen als 

men liem beracdt. 

<oiiöcr^ "D <!Bmcrclu altijt m be tcgcntboo^Diaöcpt <0obW 

füickt lift ^zn in 5ijn a3cöDdijch licör/ljct bcoinfei utoer qz^ 

iictwidJ" bacDtcn en \)ct epnöe/ al i^ 't tiat öitcpnöc \)auQe^ 

i>au iiiDc legen iö/ cnüc otieuöcncfit oft gl)p oocfe obcröcgcben 

iDcccuciu gnöc ocruft 3Üt : cnöe Dcbint oÖP ugccuti/ foo ö^bt 

OUp een feher tcïjen öat oDoöc bp u ts,- toant in pep^ 

pfaim 7f . en in b^cöe lö sijne Vüoonplaetfe. tBefen menfclj fal 

boo?lxiaer feei* in Den oeeft ücriicfn too^ben / bie in 

fijne oebacf)ten/tD002ben en loerchen/bicütDöljefljet 

cnnbc fal onbecfoccften/ en fien öoe berrc tat ijp ban 

be fupbece mepnuigc af toöfn/oft ban bc i^oonftec^ 

re fünbec toercften / toelch beDoojt te toefen C k r i- 

s T u s ] E s u s onfen Igeece» 

ï)oï3i)fc (€en ttoeeben/becfoeft t Dier toe eenö anbec^ef raet: 

reusi a\u toant niemant en ië föaö fdfjS mebecijn en boctoo?/ 

mp mt* x\umam fijnen epgen raetfOeec : toant ben Beplisen 

<©ec|l bjaerff f)out onjs/ bat top göeenfinjaf en fouben 

(lenncn op onfe epgen b3öfOept{enöe 't en 3p falje bat 

top on^ef aen öem onbertoo^pen en oeljoo^^faem 3ün/ 

fo falljp be togfOept ber toyfen becflooten eube bec^f 

tooipen/ toant b' ootmoebigOeenbefacijrmoebioije 

placDt ftp in fijne toegen te onberrccöten» 

scratïJt u (€en berberi/gaet boo? öet {jeplig Sacrament ben 

lïoo: i)et ^zcxe tt cabe enbe utoe patroouen / maer befonbec 

aaiwut ^^^'^^ ^^^^ ^^^^^ onberb^iegöt ben Dcpligen €ngel \x^ 

* tomlietoaerbecnaeceenengoebentoegöt 

SCFIIET-GEBEDEKENS» 

Waer door \vy htaeeren door den heyliaen Ceefl 
qheftiert te worden, 

pfaim 24. 'T"" 'Hoont my Heere uwc weghen , ende leert my uwe 

i paden. 
Pulra i4if Alaccktmy kcnwelijck den wcgh daer ick in wandelen 
machjwant tor u hebbe ick mijne ziele opgeheven. 

Leert 



Beraedt van de VolmaecRtheydr. 2 1 ^ 
Leertmyuwenwilledoen,vvani:ghyrijtmijnenGodt. Pral.141.' 
Wv bidden u Heere ,wilt doch onfe wercken door uwe 
irar^-e voorkomen, ende door de felve vervoorderen , 
op dar al ons c>ebed ende werck, van u akiji mach be- 
emnen,ende ioor u begonft fijnde.mach voleynden. 
Een luyver herte fchcpt m my,ó God:,cnde den rechten pfal.jo; 
pcefi vernieuwt: in mijnen binnenilen. j ., o 

Proeft myGodt,endeweetmijnherte:vraeghcmy,endePfal.i3S. 

keert mijne paden. Pfai hR. 

Leydt my voorts in den padt uwer geboden, wanrdie ^^«^•i^^- 

hebick ffewilt. ,A«rn 

Heere wat wilt ghy dat ick doe ? ^^"^''9^ 

H£T II. CapiTTEL. 

Beraet van deneerftigheydtdiewy doentotdevol- 
maecktheyt^of van onfen dagelijckfchen voortgank, 
na dat wy op den rechten wegh gekomen zijn. 

DEnmenfch. <9 üeutDige\üijfDcpt/ €ö?t(le 3efu/ 
mijne faligDept/münenleptj^-man/enöemijnc 
toeblucljt/ öÖP tJie mp gefcöapen Ijebt / ïjebt m? op 
nefentoöö gefielt/ enbe Bebt nip ber toom ontal^ 
Jücüe goeden/ bie GÖP oereet amiaecht ïjebt ben 
oenen/ t>k 11 lief Oeböen/mijne ^UU beclangöt bicfe^ 
toiilö cnbe Dacchtnaerbetoaeracljtiaebolmaecfit^ 
f\m; fP berfuf Ijt mcnigömael m fp öaec bmt tn bc 
becfcftéï^ben ombjeaen enbe peröcbeJen, IToont mp/ 
o foeten 3efu/ ben toegö n^u ih m macö bjanbelenj pr^ i^j. 
toant tcfe möne3iele tot u opgeöeben tjeb , leert m? ^^^1.142. 
toaec tn batb'oprecbteboimaecfetfjepöt/ enbege^ 
!uc!ifaltgt)epbt ban hit enbe öettoeftomenbelebcn 
nelegen t^. 45cim cenen ïjert begeerte beeft tot De PfaUt. 
fontet?ne ber bjateren/alfo fjeeft mync sicle begeerte 

totuo^obt. ^ 

Chriftus.i^etiö een groot / i'a bet albcr-gtootn^ ^ 

nebobt: 43bP fuïtutDeia^eerentoenOoötlieföeb^ Matth.225 
ben/uut gantfcö utocr Ijerten/upt gantfclj utoer 3te^ 
Ie/ upt gantfcb u bcrftant/ enbe upt alle ubae braclj^ 
tenjcnbe utocn naejicn gelöcb u felben.gn befe ttoee 
üfieboben öansöt be gebeelelBetenbebe ©^opbe^ 
ten, 3©ant be UolDept m V2^m/ i^ ^^ ït^f ö^* P/^^ '^'"'•'•' 

^ 4 yic^ 



Zi6 Den II.Bocck. HetlI.Cap. 

l}ict iDptDUjdttbelïcföeeiiöcbolmaechtöcpt/batöe \ 
niciifcbcn ijct fdUc y^jillen/ cnöcbcgOecvcnöatick 
toillc cnöe bcgccrc/ cntJC bat in allcö/ enöc öcfgclöc^ 
fiea Dccfaftcn öat icfi laccfafte,5Baei: upt bolQt batfc 
bp-naec altijöt ban mp pcpfeiv twt^ fp^chtivmt en 
tocnfcfjcn / ban Dat mijnen toide bolD^acïjtfoube 
magen Uïo^bcmenbc mp/bie een patroon mhc boo:^ 
beclt ben ban alic bolmaechtOepbr/naec te bolgö^m I 
^atfe Daec felben altüt met gemftec fiecten betroui^ 
toen aen mijne <0obbelj)cfte boo?f!cf)tioi^)^pbt/ enbe 
rfaim 18. Ijacr laten boo:(ïacn bat mijne oo;bceIen recljtbeec» 
btgi) 5Ü» / ^^^^i »i^t rerijt gtjei-ecijtbeeibigljt m ïjcn 
felben. 3©aei* upt liomt batfe nopt lilae-jljacljtiglj/ 
«opt b^oebigO/maeï: altijt b\ijl)c ban öcrtcn 3ön* 

ben menrch. ix^aec bc bolmaeïitljept ïs^ cene ftoa» 

ve fahe/ bol arlieptjef/ enbe ban langen tobt; Wit fal 

baec toe/ o Ijeere gcfu/ lionnen gerahen i 

mt \3oh Chi iftus. <^ane/ i^ 't bat gDp een bjepntg toilt av^ 

macmm bepben/ enbebatuptecöerten/inbebiaeuacötigöe 

blcimm^ berdecbtngïjeenbein't gebebtjntet metfoo grootcn 

öewatbept atDept als^ tóel be ftinberen ban befec toecclt om b^e^j 

tan öe toe* teltfcöe faecHen boen: maer boet alleen öet fefte beel 

JéII t?bÉ?* boo? utoe 5iele / bat fjj boo^ be toecelbr boen / beo?* 

mmn. ^'^^^ öOp fnlt itïogen gereüent too.^ben in Ijet getal 

ban mijtte bolmaecfite. St^ Bcö een toepnigfj geac^ 

Ecci. ji, tjcpbt / fepbe mijnen €cclefta|!e07ertbe tcfi tjeb eene 

gebote tufte gebonben. iBaecbïii pemantfiloeeliei? 

lijcft boo^ts?-gaen/fonber t}m\ te fieeren nocö aen be 

recöter/ nocö aen be fTinclier 3öbe ; itU fal fiem in 

boKcn tijt tot bebolmacclitöept b^cngen:gclijcft itk 

(n feec fto^ten tobt bce! liinberen enbe borljteclien.Ê^/ 

maegljlielien^ ban ttoaelf laren/tot b oprechte boU 

maeclitljepbt ban bc <aobbeli;f üe lieföe gftebioclu 

Sap. 4. fieö.lBan betoelcfie met cecDt gefept macl) toojben/ 

batfe in lionen tijbtbolepnt / bcel v^ht berbultftcb^ 

ben. a©at buncftt u/toilt göp öaec-lieben boetftap* 

pennaccbolgen-J 

pfai. 142. Den menfch. ïecrt mp ubjen toille bolb^engDen/ 

toant gbp sijt mijnen a3obt. 
lean. 6. Chriitus. ^ücnljoo^t mijn tooo2bt/toant fiier in i^ 
ö«?n geeft enbe tjct (ebm gljelegDen» €nbe faligü fuU 



iiüi 



Beraedt van de Volmaecktheydc. 217 

Oöp toefen / i.ö 't bat oDp "^^t^ wp göelupficrt fult 
beböcn/cntiegetDanticU in mijne gebobcn.^ietoDp 
toeet nu \)tt cpnöc öat u booagljefïelt i^ / ttiant gli? i- cor.j. 
ioopt ailcgaöcc in öe loopDane/ macf cenen iffcr öiö 
ben pnjsf beljaeït : g()p 3Öt alle naboigersf/niaec een 
berni'ügnt öe bictocieranp 3Öt alle mijne bifcipeien/ 
maer'ecnen tooster oöeürocnt* ^ic is cit anöec?2f 
ban ben genen Die ailefynetoeiclicntïOimacchteïi)lt 
boet/fp-felUcn bertoint/en fynen moet remt^ 5Dant 
befen/ gelljcft op eenen tüeg ge|ie(t 5önbe/ bcigtjt be 
recOte Dane;maer Die anber.c? boet/gaet boo? omtoe- 
OOen / cnbe ftomt gualiicf» met groote moepten ten 
laetden tot öctepnbe / Dat Op doorgenomen Ij^t^hc. 
^ouDt gFjj) utoen b^ienbt teel raben / aï^ iip foube 
hennen t]ebben eenen tccgO/ guPêf/finpf b:outoe/aC' 
l!er/i)of/ fpöfe/b^anclt/ofte cmiqt anbere goebecen/ 
batijp De fnootfte fouDe hUfm ; bdtfiPöetfjupiS/ 
feleet/ enbe al(e anbere Dtngïjen altijDt onbolmaecBt 
foube iaten-Jenbe fiet oft gljp in alleé oocu niet altijt ^/,J^'"^^ö 
Öet bolmaeJitüe enbe befte en feieH/beDaiben fiet ge^- K "et 
nebat utDe5ieleaengaet/ enbe ïjoe bat gijp alle bm? boimacüt* 
gen bolmaecfet toenfcOt/ befiaiben u felben. "^it i^ ^"/»/jf Jj^t 
boo:toaer een groote h)yycitfïmot / toant toaer 't t^ l^mnin 
qM'cw bat gï)p ecneboïmaecöte 5ie(e Dab/fo foube 't in m\e 
boo:ts^ al goet loefenmiaer t.ö't faeclie bat alle anbe- öat för.e 
re bingen goet 3ön/ enbe bz^i^l^ Quaet/ fo teo2ben u '"^^if/"^ 
oocfealie bingen guact.JDantgelijcneütoij.ö Degene ^ * 
bie mp beminnen/alle bingen tot goet (ieeren: alfoa 
ben gijenen tit mp niet en beminncn/ca ben guaben 
tD02ben alle bingen tot quaet gcreJient* €nbe fegöt 
mp bocli: toat be rebene 10 bat gftp tot gljeenber tij^ï 
ben en beronac Dtfaemt/ al.0 g!jp kant oft moogljt/ 
gemacuclijcli tooonen/gcfont toefen/eten, bjincfeen/ 
fliapen/gaen/fp^elten/toerclien/ fcöilDcren enbe fpe* 
len : enbe nctlitan.sf niet en acDr / Dat gBn teel foubt 
mogen leben/bibben/ enbe mp beliagljen^* ÏDaerom 
boet göp bit tot münber/ oft tot utoeu epgljen fpijt i 
om toie te gelieben^ mp/ oft ubjen bpanDt^ (^an u 
felben te rabe/3öt Oier in ulöen e^gljcn recöter enb$ 
fcfjepbt^-man. ^10 gijp göefeoinen fult toefen tot 
Cetepnb^ utoe^lebeuiS: oef) met toat ecne groote 

© 5 bjoef^ 



2i8 Den 1 1. Boeck. Het I I.Cap. 

p!ocffjtpt b^ocfDcpt fult gOp alföan üeUanöcn tooiben/ bfe foa 

lltiu flappeïijchen en flapcracnfclijcben bcftert / Detgene 

Uuniu ra« öat gDp aüeenlijcft bcl)002bct btljett te Dcbben/ baec 

ïigöept OÖpnocr)tQn.fiffooneci:|Icfndtcufo^öt)biiIDciöcftal* 

}"ï"/,.*;^^^^^ aiDcint al.efoDpiïfelbcn 

Sp« öc^ alföan b^^gc^ fulc/ toaer toe bat ol)p gelecft ö^bt / 

^om* fult bebinden bat oï]p ïjuaiicli beöonjl Ijebt te leben/ 

en niet boo^toegaen en 5üt : gcö (jabbe u nocljtanjj 

oeftelt op bat utoe paben toaffcn fouben gelücö een 

ftlaer-blincftenbc licln/ tot ben boïmaecliten bagö; 

en fiet/mogelijcFi fal t)et laetfle bp u ecger toefen ban 

fiet eerde /bie/al30fgftpeer|lbeöant aenben ploeg 

fielbe/ hïoecft/ neerfitgO enbe bpertgö toaert/acfttec 

naïjebtomgefienenu banmpafgeöeert. Oclvïjoe 

ïnttel too^benber gebonben / bte ben felben geeft be* 

fioubenenbealtöbtbetoaren/ hU fp Jjabben alsffp 

eerft bthcctt ftebben getoeetï l 

Den menfch. (0 ^ttw luat fullen toP in ben bagö 

be.ö oo^beeliEf feggen/ tó 't lm albien/ bat top/ ï)oe top 

langDec in be fc{)oIe ban be beugDt enbebofoiaecöt^ 

ïjtpt getoeeft fjebben/be i^.^acramenten geb^upïit/ 

nocDtane? fo beel teonboïmaecluer/min berftojben/ 

ö'ootmoebtglicpten obergeben one fclf^ min toege^ 

baen fuUcn gebonbcn too^ben! lilföan fal be filoecft^ 

Ijepbt en neerfïigDept ban cenen peber in 't befonbec 

boo;j al be toerelbt öcnnelijcfe gemaecfet tooiben / en 

alf ban fal befcDaemt blijben / ben genen bte toijs? in 

fijn epgen oogen getoceft Ijeeft / enbe fal ba» be glje^ 

ftcele toerelbt boo2 fot irtjereöent too?ben. €^cD/fJoc 

grooteUjcft^fal ïicni alfban beftlagen utoen loutoen 

enbefïoutoen btfcipel/ bie gDp met foo beel etempei^ 

len onbertoefen enbe gDeleert Oeüt / op bat lip facOt^ 

moebigft enbe ootmocbiöO ban fjerten foiibe toefen! 

I)P fal alföan grootelöcïijL^ boo? be geijeele toerdt bc^ 

fcöaemt toefen/bat Op u fijnen meefter enbe lepbt^- 

manberfmaetDceft* 

55iiitfciicip Chi iftus. iBaer be l^epligen fullen fiaer berfjeu^ 

ll\ A^l^* oen btebe bolmaechtDepbt/ bat i^ be falighepbt/foo 

Sviicucii neerftdöcft fjier geboïgftt Ijtbbm/ foo batfcftare 

ötatbciJDt onberi^^/lijuberen/iae ftare ^itk felbeberfaerfat f|eb> 

ijcüümomijen/ op batfeuist en fouben öf^ijcöen banket ge* 

mfi? 



Beraet van de Voloiaecktheydt. 2 19 

nc fp toilïcn / baec bc bolmaccfetOcpbt m öBclcöB^n tot ttbou 
toa^e?. eêpfjcbbcngcöucciohüjcfegetracöt tot mijne macittötpt 
nicecöcrc gïortc / en tot 't gene bat mp alDerDeljage:: " ma^ttu 
ïkftlïeUïa^rja mijne (^erefiafteeftftaerfelbenoocfe ^aiigij 
meteene &dofteberDonöen/alti)öttetiolgen'tgcne J^fi^nt 
batboimaecfttecgerefientfqube too^jöen. 3Bantfp ^4"ocd« 
toarenijDaei*acötigef{inöerenMï)ien!2f fpiifcenbec^ Ccctfw* 
maeli töasf/in aUeief te boen/en te bolD^engen mijnen 
totlle / en Den taille ban mijnen öemelfcDen ©aöer» 
^aec en toaö ontjcc fjaerlieöcn geené ftröt/ban allee 
ban ootmoebicöept/beiftccbingeen Uefbe.^cD teat 
cenefcfioonelDOiftelingelDa.öbefe! 3Bat ïjeeclijcfee ^vm 
bictoric! ©oo2ÏDacc eenmenfcOenmacömetboo? KJ"!J 
goet gereccfient too^ben / tk niet beter en begeert te ga/ftait 
too2bcn/ en opbienoogcnblicfe al0 gDu niet beter en too?DcuDi« 
begljeert te to02ben / alf ban lact gDp goet te toefen : ^l%^l^^ 
biant bic facDt en flap i.ö in fijne toercfien/ bie i.ö eené u Setu 
bioebcr beeJ genene? / t)ic fönc epgen toer cfeen beberft» 
€n baer en bjo^t niet gebonbén bat mijne 3iele mcec 
fjaet / a\^ loutue en floulne menfcfien/ ban betoelcfee 
ith albuö gefp^often [jeb boo? mijnen ^poftel : <0cö 
oft gfjp Ijout toaert/of Deet ^maer toant göp kia 3i}t/ Apoc. 3; 
fo fal itb u beginnen upt tttjjafeen mt miinen mont. 
Denmenfch. ;Dit i.éboojbaereencn b^eebfamen 
(Irijbt/ enbefeer beöagclijcftaen allen f)et fjcmcIfcB 
jjep?; toant bier boo? öomt onber öaer enbe in iiaer/ 
genen uptncmenben baebe/ eenegöebuerigöe btijbt^ 
fcbap/ enbeeenebKugöt in ben % <0[iee|i. ïBant 
bc bolmaecfiteloopen in ben toegöber geboben/ fp 
nemen bleugcïenacnal^arenben/fpbliegOen fon^ Boet.de 
bermoebetetoo^ben: obcrmitje^bebooföcbennim' ^°"^°^' 
mermcer fonbcr pijnen en 3ijn/cnbc be beugben nopt 
fonber \in}^ en loon ,• enbe bat in fp fclben eerlgch en ©atm fp 
bengljbelijch is/ b^engöt fijne bergïjclbingljcmebe. f^^^"^"*^* 
€nbe gcUjchertoij^ als" gDp be gDcne / hk u b2ie ba^ Dcugöciöcft 
OOen gbebolgljt hebben/ o l^eere/ aefpijft f}tbt in be i^/ b^engijt 
töocfrijnejcnbebefeinberenbangfrael metïictïje^ mtm^ 
melfcfj b20obt/ *t toelcïi alberiep bermafielöcftïjcpbt SöÏI^' 
tn Oem fjabbc; alfo imt göp befe getrooft / enbe ban 
ben tïeen ber modificatie ;ijn baer-liebrn gefp^oten 
be alber-foetHe ênbealbcr-fmafielödlifte luateren : 

enbe 



220 DcnII.Boeck. Hctll.Cap. 

cnöc bc bittere toatcrcn / öoo? 't ïjout öciS OcpïiaTjm 

(cup^73ijn öacu foet en fmaüelijcft getoo^bcn. <ènö0 

öot met rccöt/ om öat 5p \}cbbm öljeöoo^faem olje^ 

toeeil/ eitöe ute ilcmmc eitDc bo^jö aenötijoo^t : liz 

Matth. y. ï)cDtgcfeptit;lBeert bolmaccht/aciöch uten licmci» 

fcf)cn IDaDcr boïmnecïit t.^, aBak toe u\jüen ^ipojlcl 

i.Pct. 1. ^cti'UjS onief ooch UcvmacntrOp bat onpUcbcn/fcgt 

flP/ tn al ulinni bjanöel en ijanbel/ ïjepür Ij 3ijt;toant 

baer (lact gncfcïpeben: <Bl)}} fult ïjcpltcïj tocfciv cm 

iacc43. 1. bat icïi Ijcjiitcfj Den» €nöe ben DejPliofjen gacoluiö 

bcrmacnt ecnen peaelöcften/ txMfc botlj bolmaecüt/ 

öljcïteel/ ewht nergens in gïiebKlienbe fDubcn ^ij\u 

Chnftus.JDaecom alöfp fagen/batfeban nnvmet 

fo menige toelbabcboo,:hbmé biieuben/ en bonbé fp 

niet iaten mp in alle maniere toeberom te bcöagen; 

Kalm II j. bit altijöt in 't Oerte fjeöbenbe; ilDar faï icU t^m ^ce? 

re toebcrom gcben/ boo> al bet gene bat l)v mp ber? 

leent beeft i oberbcncht boe aengenaem bat mp bit 

i^. 3©ant toaer n bp albien/bat bc ïdnberc ban cené 

3^onincb/ niet acOter en lieten bat berbobé b?are/oft 

ben öonincli foube u^ogé miföagen / ban alleen bat 

opljif-ftraffeberbobenlavire: maercenftmbt nocö* 

tam bMlbe oocU bet minfte gebobt bolb^engOen / ja 

niet een toencb laren boo?bp pafferen/ foube 't niet 

rebebjcb toefen/ bat bit bint bobenaüeb* anbere be^ 

•Cié grootfi mint bjierbci? ©uö obcrlegDr met u fclbcn/ enbe fiet 

fit)anöc om ujelcöe fuüberen bat gbp gelijcb 3ijtjen boe fcïjanbt^ 

toënSfiTöc ÖÖcnfabcbatbetiieJ/ omeenefnoobe toeUufte/bcu 

tooimaecht* tocfljbcr boïmaecbtijcpbt teberlaten/ toeirbij^ïjet 

licytteucp albcrmeefte gbelucb/ en bliibfcOap ^cfa teerelbt» 

i'^Theff A ^'^^^^ ^^^ ^" ^^^^^ u 'ïtcben niet tot onfapberbepb/ 

'^' macrtot be)5ljc0mabinge/op bat gbpfoiibt mogeH 

fmabé en (mv boe foet hat tcb ben ben genen ï^k mp 

beminnen^ en toat eene oberbïoebige foctif Dcpbt it\x 

öirooft en bacr-liebcn gberecbt gemaccbt Wï}bi. %aa mijtte 

cucnocfhtc ^cpligcn u fcgaen en bcrfeonbigen/ boe bccl tat Icft 

ïm ofn fcoD ''^^^^ öcbaen bcbbc: boe foet hat bet bacr getoeeft t.ï^/ 

te öuncn/trc bc btttccljcpbt bc^ Vocrelbtjs berlaten te bebben/en te 

mnit \)tbi fmaiicn i)c bcccben mijnber foeticbepbt / toaer mebe 

i^niUücuug. j-p ö^oncbê fullen gcmaefbt too^ben m't ö«P.^ ^ï^^^ 

^abec^413aer fp en Dcbben üierom niet alleen goet 

öebon^ 



BeraedtvandeVolmaecktheydt. 221 

gcbontfen xx\p acn te Ijancjcn/macr ontfïeftcn en ber? 
licöt toefenöc ban mijne licföe/ faacn lilneiiijcfe/ Doe 
reöcljjchöatdet toajE^/Datfc mp fouöen bicnen met 
een tïolmaecfet fterte/ en tuierden ijrootelijf ]c inöaec 
felben tjefcüaeniit / aï^fpaÖetoacrlDieröen/ batöc 
menfcDen l)att tjlijtiglicfecr begaben om te toerelt / 
Dan om mp te Dienen. 4DcO Ooe toaren f? geöjeben 
öoo? mijne liefde! fp en fionden niet ruften/ nocD ffa? 
pen/ fp banöeiöen met alle tegftbuldigjjept in mij:^ 
nc tcgenïjDOojdigOept/ om mp t'ecnemael / en alleen 
te Deljagen; fp gingen boo^t ban öeugljden tot beug^ 
ben / tj^tt toegen torefcfjen / gelijcfe een felaer-blinc- 
lïenöe licBt. iDaer alöfp ftet al gebaen l)ah\)cn / fcp^ tnc. 17, 
ben fp / top 3ön onnutte l^necöten / fiet gene ï)^t top 
geljouben toaren te boen/ l^i^bbm top gebaen,- en on^? 
tallijcöe anbere bingen betoelctie top/ o ^eere <0ob/ 
enbeÖontncliber35oningenu fcDulbigj) toaren te 
betoijfen/ öebben top achtergelaten te bolb^engen. 

Den mcnfch. iBIJiie onbolmaecfetftepbt Oebben u^ pfaim 138. 
toe oogben aerrfien / bolmaecïjt {jet maecfefelutoei: 
fianben / enbe ontfanget aljef eencn reucfe-offer tn n^ 
toe <öobbelicbe tegentooo^bigbepbt, 3Bant göp 5öt 
tocerbigö öat in utoen name alle önien gOebogben 
moeten toojben/ bat alle menfcDen u in öepligbepbt 
enbc recötbeerbipbepbt dienen alle be bagben Dun^ 
lebcttjof / enbe ban bif^ pelgrimagie* 

Sommighe hooft - ftucken , die alhier by exempel 

voorts gebrocht worden, dewelcke foudcn mogen te 
palTe komen, om daer op te beraden. 

Voor treffclijckeperfoonen onder degemcyme^ 

V ^» ^^" H^agiftract/ oft een officie göefocDt oft 
^ aenbeer t betjoo^t te toefen, 
ï^oebut bebpanben <0obts?/tot <0obtfdienft W 

öooren geb?ocbt te toojben/ en be stelen befeeert / 

ban ]^epbenfcbap oft üetterpe» 
Mit battér beljooren ber boo2 bert te toojbê tot eere» 
i^oebatmen fa! be a^obtbnuiitigbepdt bermeerbe^ 

ren / ende Det gene dat \}^x\ bicnft <öodt$ acngaet / 

in fp felben/ enbe in föne onderfaten» 

Koe 



222 Den II. Bocck. Het 1 1. Cüp. 

l|oe batmen be ^uftitie (al moeten Ocöicnctt* 
Wat ^nöe ïiocöanioDc iMeöt^J-iuamun / Oatmen fal 

i^oc öntnicn öcit acnten fnl mcöcn bcïjitlpfacm 5ijit. 
3§oc batmen be bpanbcn fal ftonncn bcrfcciien. 
J^an !jet Ijergeteu ban Ijct onöelijcli öat on0 geöam 

©an ftet Dctaïcn onfcr fcfuilbcn* 
a^an fijn bupföcfin tefcljicfiUK 

yoor degene^die van middelbare conditie zJjn. 

<Dft men eentoO offttfc faï moeten aenbeerben. 
<E>ft men ïjcm fal beoOclicn tot ben l)outDcliicfim 

(iaet/oft batmenongeDoutotfal blhbem 
J^oeenbeintoatmaniece/ öatmen befonbcdijcft bc 

43obtb?ucntt\][fJcpbt fal mogen onber!)oubcn. 
^oc batmen fön öupö-gliefin fal fcluf hen a^ng^ien^ 

be be aBobtUjucötigöcpbtenbeanberenootfahe:* 

ïjjcft^bmgen. 
30an öet opboebcn fünec ïnnberen» 
3^an pep^ enbe bjebe t^onber Doubcn met fön maeg^* 

fcöap. 
Igoe batmen allen ttoift / pioceffen cnbe bpantfcDap 

fal fcljoutoen» 
©an alle on-noobige ïiojlen enbe macltijben te ma- 

ttgen. 
©an alle auabeialoufie txi^t eer-gterigfiepbt iipt te 

roepen. 
ö^m fonbecünge fo^ge boo? ben armen te buigen. 

Voor anderen, 

€ot toat öaet batmen öem Deïjoo^t te öegeben / ben 

ftoutoelpcfeen oft ben üteligteufen/enbe ban tcelc^ 

fee reltgte/ enbe toat b^ou toe/ %u 
€ot toat lionfle/ oft ambacljt batmen fiem fal bege^ 

ben om 5ijn leben eerlöclt t'onberöouben» 
^oe batmen be <0obtb?ucUtigïKPt fal ocffenen/enb^ 

f)oebic(ttoils^ bat men öem fal biecOtcn. 
<Dft men öem faiöeg^bentoteciUöüDjoebcrfcöap 

oft^obalitept» 

3@dt 



Beraedt vandeVolmaecktheydr. 223 

a©at cnbe öoebam'öe mcöe-gg ftllm ïwtmcn fal bec- 

öiefen» 
<öm cencn bermacnbcr of toaerfcDoutoec bationfc 

gebjeüenteberötefen* 
53an Ijct uptticplen Dei* acInicefTcn. 
©an öc neerftiöïjf pöt Die top moeten ö^baupcfeen in 

fier öebebt. 
3©an be recreatie oft bermaecli bt^ mü^* 
jaan öe fonberlingfje bebotte tot be D^PitgDc IBacet 

Maria. 

Gebedt om tot de voltnaecktheydt te geraken: 

DE :(iele. Wie fal my vleughelen geven als van cene Pralm ^4; 
duy ve, ende dat ick fal vliegen eiide ruften ? 

Chrtftui, Sraet op , haeft 11 , mijne vriendinne , mijne ^*P^ *• 
duyve,mijne fchoone,ende komt: want den winter is nu 
Toorby, den rei^enis overgegaen,en gepafTeert; de bloe- 
men zijn gefié in ons lant,dê tijde des Inoeyens is aenge- 
komé,de ftemme der tortelduy\'ê is gehoorc in ons lant, 
den vij gcboom heeft fij ne vroege vij gen voortgebracht, 
de bloeyendc wijngaerdcnhebbê haren reuck gegeven; 
Staet opmijnvriendinne,mijne fchoone^en komt,mijne. 
du}Te in de gatê der fteenrotfe,in dat hol van den muer. 

De :(ieh. Ick hebbe, ó alderibetften Jesu, uwe ftem- 
me gehoort,ick hebfe hoorenklincken in de ooren mijn- 
der herten : nademael dat den winter mijnder fonden 
voorby gcpaflèert is , ende ghy noodt my, dat ick u, die 
mijne ziele bemint,foude naen-olgcn:Maer geeft my te 
kennen waerghy weydt,waerghy ruft inden middagh, 
op dat ick niet en beginne herwaerts, ende derwaerts 3Sttfl 
woeftelijck te loopcn naer de kudden mijnder gefellen. {vfi}!?,!'?!. 
Wantu alleen begeere ick naer te volgen, want 2;hy zijt bcttiolgen 
mijn faligheydt : Ende wie iffer die my fal af-fcneyden öcö \jqU 
van uwe liefQe,van den wegh der volmaecktheydt ? is ' t ["^!J^* 
tribulatie , oft benauw theydt ,oft honger, oft dorft, oft -^ ^ 
eenighe andere creature ? Ick fal op den wilden vijghe- 
boom klimmen,ende fal de ydelheydt des wereld ts met 
Zacheus verfmaden , op dat iele u foude mogen lien , die 
daer zijt den genen , die van der eeuwigheydt verwacht 
hebtgeweeft: ick fal op den palmboom klimmen, ende Cant.7; 
fijne vruchten aengrijpen , ick fal aenveerden de vol- 

maeckte 



Cant. I. 



Bernard. 



tiat De 
go£t-gicri* 
ge mtn(ci)ê 
neetfttgcc 
5Ön/ ora 
bergaitc* 
Jkdiicke 
rtjcfttiom^ 
tneit te 
bergaöe" 
ren/ Dan 
top om De 
cfutDise. 



«4 Den 1 1. Boeck. Het 1 1. Cap. 

maccktc liefde, dcwelcke is de volheyt des wcrs; ó Toe- 
ten [ E s u, hoc klcyncn arbcydt fal luiit wcfcn! hoc 
Janghdiierigc rufte ! hoe lieflijck fal het wefen u re vol- 
gen, ó Heerc ! met u te hanteren, en brenght geene bit- 
terheyt medc; maer u naer te volgen verweckt eenc on- 
fprckelijcke foetigheyt. Want Het ghy zijtlchoon mijrf 
lief, ende cieriijck : vertoont my ii aenfchijn, het welck 
<ie Engelen verlangen t'aenfchouwen , ende het fal my 
genocgh zijn. Maer eylaes ! wat iirer,ó Heere,dat mijne 
bcgcerten,cnde den voortganck van de volmaecktheyt, 
in my belet ? Siet , fiet o Heere , deit N N. verachteren 
my u te vülgen,ende beletten dat ick nieten fmake hoc 
foet dat uwe vrucht is aen mijnen mondt. Dat my ver- 
mane , ende verwecke ten minften het exempel van de 
bcgeerlijckhcyt der wercldtfcher menfchen : want wie 
heeft oyt ccucn cergierigcn menfch gefien, die verfaeyt 
was met d'eere, die hy nu bekomen liaddc , ende niet al- 
tijdt hierop uyt was, om noch tot ccnige andere te ge- 
raken ? Defgelijcken en wortd'ooge door hctfien,noch 
d'oore , door hetaenhooren van ccnennieuws-gierigeii 
menfch noyt verfaeyt,noch oock de begeerte der gencr 
die door gierigheyt noyt tevredenen zijn met de rijck- 
dommcn'die fy befittcii;defgelijckê van degene,die we- 
rcltfchc welluftcn,lof ende prijs van de werelt foecken ; 
En zijn defe niet genoeghfaem,om my van mijne luyig- 
heyt en tracghey t te belchuldigen ? Wy behoorden ons 
te fchamcn dat wy geene meerdere begeerte en gevoe- 
len om geefteliicke rijckdom.men te vergaderen. Dat 
dan mijne ziele befchacmt blijvc, dewijle fy nu bekeert 
zijnde tot u oHcere,nochtans met mindere aliedlie, de 
deught vervolght , dan fy van te voren gedacn heeft de 
boolneydt ende de fondej fy mocft haer fchamen, datfe 
nu onachtfaemlijcker het leven foeckt , dan te voren de 
doot;endemet mindere necrftigheyt hare faligheyt,dan 
fy hier voortij ts hare bcderveniffe vervolgt heeft. Want 
op dat wy in gcender manieren t'ontfchuldigen en fou- 
den zijn in den wegh des levens te vervolgen,fo is 't hoe 
datmen daer in railcher loopt.hoe datmen gemackelijc-» 
kcr over den wegh geraeckt : ende u licht jock, hoe het 
meerder wordt,hoc het beter om dragen is. Wat fal ick 
antwoorden? moet ick Ib dicv bekoopen,ellendigh,end^ 

ved 



Beraedc van de Volmaecktheydc. 22 ^ 

veel onvolmaeckthedê onderworpê te wefcn? moet my 
d' ydelhey t fo dier ftaen,dar ick met volmacckt,cn goec 
en begeere te \vefen,en u niet en begeere toe te behoore 
ofte aen te hangen? In mijn beddeken en mijne wellufte 
hebbe ick u geloclit,en niet gevondeniick fal opftaen,en 
omgaen de ftadt^door de ftraetkens; in de ftraten fal ick 
ufoecken dien mijne ziele bemint. Ick heb u gefocht, 
en niet gevonden , ick en heb geene rufte gevonden , ick 
en heb niet gevonden alwaer mijnen voet foude mogen 
ruften , ick en heb in mijne ziele niet gevonden , waer in 
^hy fout ruften. Treckt my , dat bidde ick u, naer u, en- Cant. ^, 
de wy fuUen loopen in den reuck vaii uwe falven. Want 
fiet , ick belijde heden in uwe Goddelijckfe tegenwoor- 
digheytó Heere, die mijne ziele van de doot verloft 
hebt , en mijne voeten van den val , op dat ick behaghen 
mach. Inder eeuwicheydt en fal ick van uwe gheboden Pfalm $■ j; 
nietafwijcken: Ick hebbe myontkleet van mijne rock, Cant. j. 
hoe fal ick daer mede ghekleedt worden ?Ick heb mijne 
voeten ge \va{lchen,hoe fal ick die vuyl maken?maer ick 
lal gaen van deughden tot deughde ; tot dat ick u aeu- 
fchouwe, den God der Goden in Sion, en dat ick wooa- 
achtigh zy inu huys, alle de daghen mijns levens. 

Pradlijcke om de volmacckthey t te verkrijgen. 

T€n ccrftcn/ oberlegt/ tot toat tcap öec öeugticn/ r , <öiiDró* 
-*■ bataöp rrc{!omen3öt; €nbcop Dat ggpfout toc^ £atcV-ü 
tcn/obccftct matöter af fcggcn atlljectuö il^aonirö/ oer uiumi 
of t Den I^. 23onabentura / cnDe totbefe lienmflfc qz- uat gijp ge* 
fxoimvx 5Önbe/ ftelt u tm fcfeer epnöc/ of t cenen fe^e- ^^o^^» 5Ut^ 
ïcn trap l3002ticr/ tot öen toelcfiin gijp Dtnncn ecncn 
OÖeftclöen tüöt fecthzïlikU nm aile neerjligöcpdt 
toilt tracljten/ nocO en ruft oft en jTacpt niet/ tot Dat 
ÖÖP base toe göeftomen 5()t. 

(Cen ttoeeDen/öet fal fiier en öobê pjofrjteUjiJ toe- J^^ff^^''' 
fcn/3ö»enl?,€ngel oft fijnen JBatroonDefe begeerte f^^]^r^^}' 
of bictorieop te D?agen,-op Dat gijp in fulcfeer boegé troon utoeir 
iMer-IieDen Dulpe fouDt mogen genieten/ en fooöa^ boo2rgancife.; 
nige fonDe moogt uptroeaen.l^ier toe bermaenDe en },"cbo^ 
bertoecète Den C^.Cö^pfóftoniusf aliemenfcliéHom. maenröcptt 
2.in Genef. %i^ ijp fcg j)t : ^th öiDDe ü ItcDen al t' fa^ 
men/ Datgjpeen-paerlöcöu befte \joiit Doen/ foo 



2i6 Den 1 1. Boeck. Het III. Cap. 

Ol)P i]ct feïbe ban te boren ntct aöcbacn en fieDt/ bat 

ai]p öc fautc Dic bc uffccttcn u)x^ct U^xtm alöcrmceft 

beroert ea ontruft / upt utoc sicie imlt bannen/ enbc 

boojeene beboregOebacbte/ aisJmereenoeeflelöcïi 

f töecr t / u felben ban alle tmahc beroerten toilt ber? 

loffcn» 

Schiet-Gebedek^ns, 

1. Cor. 9. T Oopt alfojfegt ghyHecre,dat gy vcrkrijge moocht. 

Cant. I. -*— 'Treckt ons naerii, endc wy lullen loopcnin den 
reuckuwerfalvcn. 

Ifais 2. Komt, cndclact ons opklimmen tot den berg des Hee- 
rcn , endc tót dat huys van Jacobs Godt , ende hy fal 
ons lijne weghen lecren , ende vvy lullen wandelen 111 
fijne paden. 

Pfal. 76. lek hebbe gelcyt, nu hebbe ick bcgonft. 

Pfai. 16. Ick biddeujvolmaeckt mijne gangen in uwe paden. 

Pfal. 83. Salig is den man wiens hulpe van u is, hy heeft opklim- 
mmge m fijn herte gefchickt in' t dal der tranen,in de 
piaetfe die hy geftelt haddc.Maer wie kan komen toe 
u Heere , ' t en zy dat ghy hem getrocken hebt. 

Het III. Capittel. 

Van de beletfëlen des voortgancks in den wegh des 

Heeren, van de dagelijckfche fonde ,ende 
de bekoringhen. 

M ^bemael bat pemant met be binberen ban fjf^ 

-'-^raeluptbe fïabarnpeban €gpptenberIofli<s/ 

enbe tracbt om te fiomen tot ben berab€>cb.ö (©reb; 

;©m biip^ fa boet ben bclfcben^ïjarao alle necrfticöept alö bP 

ueifoccht mett'eenemadben menfcD/ bie fönerepfe neemt 

Sanch tot "^^^* ^cn \}zxm\/ aftrecöett en ban ban ben toegü bec 

It bob faliööept i bat Ijp nocfjtansf boo^ berfcBepben bebo^ 

machtijept ringen/ enbe eeniö ïii^pn ö^beciit fönen boo^tgancïi 

tÜmeu CU f^"*^*^ \t\^^tx\ beletten* ^u^ i^ bet nooö JoO/ ix^t W 

öagGitjck* ban UJapenen boojfien 5ön/ enbe bat top toeten/ fioe 

fcocrouöm bat top moeten becDten met be pjincen X\^^zt bup^ 

tzmtttt, |iermffcnj€nbebteromfalbetnootfabelücö toefen/ 

aïiner ban be öaöOeUjcbfdje fonbe/ enbe ban bere^: 

meöien te^en W b^barïUöWba^^b^c t^ Danbeïen* 



Van Bekorihghcn. 227 

MEDITATIE 
Van de daghelijckfche fbnde; 
Het hcYcydmde Gtbedt, al$' ÜObcn. 

D€ Doo2ftclltnae öec piactfe i.s?/€c bcmcrcftcn be 
Mcic I cn u fdben ijdjeef/ al0 otjerbecfet met me^ï 
lacifcDcpt ban onbolmacditöeöcn in De tegentoooj^: 
bigfjept ^oDiö enöe gcöeel öet öemcIfcD \ytn* 

Het I . point. Bemeccfu u boo?[eöen ïeben / en Doe 
beel fonöen en fauren Dat gBp geöaen fiebt. (Cen eer== 
den/ aengaenbe ntoe maniere ban leben- (€en ttoee- 
öen/tó^t "^dii aöp een reltgieu.öpecfoon 3öt/aengaen^ 
be utoe beloften en regelen / tn (jet berfterben / in be 
fceöbacr fjept- €en berben/ in ö^t gebebt/ enbe in öet 
geD^upcö ban be % Sacramenten» (€en bierben/in 
utoe b3errfeen / oocft upt be geöoD^faemflept gebaen. 
{€en böfben/in utoen bageïflcftfcöenBanbeüen ber^ 
xx^zi^i \x{ u/ een berou enbeleettoefen/upt gantfcOec 
ï]erten/enbe berootmoebigfit utoen geeft: toant g8P 
fult bebinben bat ub?e rectJtbeerbigDept anberjS niet 
en \% ban \ la&en ber maenfucDtiger b^outoen» 

Het z.point. «öberlegDt be grootöept ban be bage^^ <g5joot^ 
ïöcbfcfiefonbe» (Ceneerften/ombatfeonfen grooten ïjeptön; 
<0obt bergramt / enbe ben Bepligen <0eeft bebjoeft^ ?rhSö?/ 
^00 bat/ toaer 't bp aïbien batmen be gDeBeele toe^ ffitoacD 
relt met eenc bageltjcbfcöe fonbe te boen/foube bon* in m gcic# 
nen berloffen / fjet felfbe ntet geoojloft en foube toe^ f\ »f * 
fen.$5etb3elcBgöp/epïae.9lfomemgSmaelomfulCï^ ^ *'*• 
ften felepnen oo2fafee gebaen \yt\su €en ttoeeben/ ten 
opficöté ban be menigbulbige bïelbaben bie top ban 
<6obt almacütigD ontfangen Debben» (€en berben/ 
om bat top in öet öoopfel/enbe beel meer boo j be re^ 
ïtgie/43obe toe-gOe-epgftent too^ben» €en bierben/ 
boo2bientorj ontailöcbebeel öulpeenbe bpftanben 
tn't boopfel enbe in be religie ficbbemfo bat Bier ban 
ben % 23crnarbU!Ef feer toel fegt:<0öPfegt/Bet en \^ serm. i de 
geene grootefaecbe bat icb buiff bltjbe/ in befe bage^ converf.s. 
iöcbfcpe enbe alberminfte fonben,- btt \^ I beminbe/ ^^^^^ 
fonber berou to leben/bit \$ eene (aftertnge tegen ben 
ï^» <0^eH / %%x^% (aft^ringe ^\z niet t^ b^rg^ben tn isf. 

<S z Het 



228 Den 1 1. Boeck. Het M I. Cap. 

^fijatim Het ; «poinr.föcmercfit bc fcfjabcn hit öe tiagcïflfe^' 

f '^^eDaöc»- ccjje fonöe meöe b^cnoDt* '^^n eerficn/al ijS't batfe be 

fonDciimc'^ Oï^^^tie niet tüeaU en neemt/ nocljtanö beraeljtert 

ut üjensm. on.ö itt ben toeG bcr benoDben/ en maecïit ben felbcn 

nioepclijcö. €en ttoeebcn/fp berbonchert alle b'an- 

bere bengfiben/becbuplt be 3tc(e/be toelclie be b^ipt 

C():t|litjS/enbebermtnbertbc!icfbe,fCenberben/f? 

maccht on0 miflrooftiijl)/ berbultonö rnetb^oeflje^ 

ben en terfcïjepben qucliinoen/ btclitoijlef oocïi beel 

jaren langlK ^Clfoo ïjccft befuflec l^an ^ctxu^ ;Da? 

miannö fcftfticn jaten ocbueriijDIijchcn gequelt ge^ 

toeefl om eene ciirteiifijept. (€en bieiben/ fp maecftt 

onjS onbeQuaem ombe oecftelijcliebertroojtingen te 

Hicr.epift. genieten/foo batmen noclj toereltïjjcl^e/nocï) religie 

ad lul. gyj-^ genoegFnen beelacOttgen i^;aengefien/batmen 

ïjtei: fijne finnelpcliDepbt niet toegebaen en hm 3ön/ 

èn baei* becbult inefen met ftet genebat fiet berftant 

becmaecftt» €en bijfben/boo? bicn bat be bagelijcli^ 

fcïje fonbe on.öfteïtingrootyerijcfielbaninbooDt- 

fontie te ballemtoant gelijcfi ben itj.^uguftinu.ö feec 

toeï fegt : Wp moeten berbaer t toefen / bat top eens? 

oberbaUenfullen too?ben/ban be mentcljte/iö't niet 

banbe grootlKPt;toant nae 'tfeggé banbe^cïj^iftu^ 

ECC1.T9. re/ «ï^ieftlepne bingen berfmaetfalallengljffeenöne^ 

De ord.shx becballen. 3Baec op feer: toel ben ü. ^dernacbui^ be^ 

adfratres. fc fententieboegt : ^e3telebie<0obetoege-epgent 

iö/nioet alfoo feer fiaer toacfjten ban filepne fonbeiv 

al5$bangroote : aBanttoatonberfcDeptiffer/ 't3p 

bat göp berb^int ïit boo? be groote baren en golben/ 

öft boo? beel bnippelften^bteboo?ï)etonber|ie ban 

ftet fcötp aüengljf{?ens? inb^ingeni ïIBaerboojbé 

feracftten ber ^iele berbtoijnen/fo batmen albus? liclj^ 

telijcfetn boobeïötöefonbenbalt^ Soebat meer is?/ 

celijcltben ï^.<0?egoriu.c? getupgDt / men fonbigöt 

iïtcfJtoijl?? leclijcfeer in eene felepne fonbe/ban in eeue 

groote; toant in be nroote/gel jjefe ben menfef) licljte^ 

iyclier tot ftenniffc feomt/alfo ftomt fip ooït geringer 

totbeternifTc; maerbefilepne/ gefycftmenfefelepii 

öcl)t/ foo iffefoo beel te arger/ en blijft on^ te langec 

en te bajter bm €en fefïen/bemercftt bat alle groote 

faecftcn / nootfafeelöcfeen acn öUpne fafc^n fijn fjan* 



Van Bekoringen. 129 

gcrttrc; b^crom [ctbenoratcurofttoc[-fp:cfjenticrt 
mnn/ oofe op öc fpllabcncn ö'onbcrfcljmtiingcn bic 
tujTcDcn öe Uïoo:Den geflelt üjoaöcn, €cn fcbcnilcn/ 
bat ötcfitoijl^ bao^2 ^obt/ als? accotc fahm gcrchent 
too:ben/ bc toclhe m oiiof goctbimöen/haTn 5öu/gc:j 
lijcö 't bii)ht gc(cl)ict te iDcfcn in ben oenen ttic Hout 
becaabecbcn/ Nu. i5,tn 3£c8an/ioilie 7. en in fl^op^ 
fciS btegettöijffelt öeeft/ Nu.20. ^eIt/i.Reg.5. lUncV 
ntagi en ^apljira Aclor.^, ten (actften in De acne tiz 
be tacrffien bec bcrmfiertiafjepDtbcronacötfaemt 
Öebben/Mart.26, (Q mpne 5tele/toat iffci: bocö in be 
toerelt/bat aftp (o bemint/bat u ban becluecöen/Cün 
u fijlben fulcbc binbcrrijcFic bingen te onbectoozpcn» 

Het 4»poini:.23cmercbt boe grootelijcFtO" bat be ba^^ ^c öage^ 
OeliibfcOe fanbê onö beletten» JBant boe hkvn batfe ïncJ^rrDe 
oocö 5ön/ fp benemen onfe autljon tept / en beletten [^,„"11''* 

bibtoö[jggrootefaben:)aont|tici)tenonfenebennae^oack5tjn/ 
ften/ tiiz baec bectnonberen/ bat be gene bie fo btcb^ ocicttm 
tDtjïö communiceren/ biecbten/bibben/ <0obt<^lof^ ^icktoiji?? 
fangen fingen/ en 3ijn 't aeligienfen/bie allebingen |en'^" '^' 
beclaten bebben/bat tik nocO gcbonben 5bn aen foo^ * 
banigcfelepnebeurelingc bteOaer/ali^'tbatfpljaet 
epgcntlijcb tiact niet mebe en bebommeren / nocb= 
tani?' bicbtDijffif bertoinnen» l^et id boo2toaec bebla^ 
Qcm toeecbigb/bat ben menfcD/ ï)iz fob beel gebaen 
beef c/om^ob te befitten inbe religie/ fobanige bfep^ 
ne beletfelen/ ban bem niet en bjo^ptj bat bp biefóo 
bUii) gegraben beeft/om ïebenbigè tnateré te binbé/ 
nu opbout» Centtoeeben/ befenberecgcrtoocböe 
gcbeele gemepnte/toat f}p Ijitï boo2 qncitjc geteoon- 
ten inb^engbt / be toelcbe naberöant oocb bicbteijls? 
met alfe necrfligbepbtbcrOberHen niet en bonnen 
berbetert toojben. Cen berben/fiet ï)oc\jat be ^cpli^ 
gen ooch be minfte fabcn gefcftoubjt en gcftraft beb^ 
ben/geUjch <^ufcbiii^bp CbeoboretUii actungt/f c. 
Het ^.point.25emercbt bat bet ecneilabeïijbe fabc 
iöoocbbavgelöcbfcbefonben te boen. 5Bant bit alfa 
bcel iö/al.fi?oft gbp fepbt/ bat en i^ niet beröoDen op 
be pene ban ben balo'; bus?lu|lbetmp/ enbeicrmu 
neoo:loftquaetteboen: ter contrarie/ mercbtba't 
bet ben binberenepgeni.07 oocb bc aïber-blcpnUe 

OS 3 ^ fa^ 



230 üen 1 1. Boeck. Het III. Cap. 

^tt fiact faöen tcblicöen.iget toclcfee 45oht Den igeerc fo öett^ 
hït'^f ^^ oenacmiiEf/ bat ftpeencnfooöanigen meet acpt ban 
öocft Dc bupfcnt anöcce rccïjtbecrbiQe / geljjcö öet Wijf öt tn 
uicpiifie benlft»^ntoniiijS/g|obentïel(lb?aBam«3©antfulfecn 
f ^^".S"* "^^" <^^^^^^ ^^^^ almacütiöB / bie ecnen tupn baec 
öSn tegen (lelt / en bte ftaen fouöe tegen fiem boo? 't iant 
bat öp öun nietberbecbenenfoube. ^iet tot toat 
betöeben faften bat <0obt i$ berDeffenbe ben genen/ 
i}U befe ftlepne bingen fcüoutot / en fjoe ft? b'anbece 
fïautoe en tiappe menfcDen met beelbeclep geeftelic- 
fee ongerufligóeben (Icaft : toant t^^n genen l)k niet 
mebe en toer cfet met een ölepne gratie / bic öem ge^: 
oeben too?t/en i^ geen grooter toeerbigftienbe toojt 
gcm om fijne loutDigftept getoepgert» JBant befon? 
ben/ foo toel be ftlepue aljö be groote/ en feonnen niet 
ongejlraft Dïijben ; toant bit gefcOier Dier/ oftbooj 
ben menfcftbiebanbefelbeleettDefengcboeït/ oft 
boo^ 45obt / bte öet albu0 fcïjicht bat fp in bit ïeben 
geflraft löo^ben/ of fuilen naer bit ieben gerepnigftt 
too?ben booiö^tbage-bier* iBaerfegOtmpbocö/ 
om toat p^ijiSfoubgDptDiüenfcbenbigöberD^anbt 
toefen^ göP fult mp anttooo?ben/om geenen ter toe^ 
relt / enbe nocfltanjef (lelt gOp u bagelijcfeieJ in bit pe* 
cöcfteï/omeenepbelöept/$c* 3©eebanu/ bieb'on^! 
gerecötigDepbt trecftt met feeltöenö ber pbeiljepbt/ 
enbe be fonbe aljS eene (Irenge beö toagenjs?» i^ierom 
maecöt een ba(l p^opoofiomeengeneraeloftgOe* 
mepn onberfoecli utoerconfcientieteboen/ op bat 
öOp fout mogen gerafeê tot eenefupbere confcientie» 

*r*famen-fprckinge by een vergadert uy t de beylighe 

Schriftuere, de welcke men lal mogen lefen ten 
tijde van eenige bekoringe. 

"r\ En menfch. Mijnt gebacBten ont(leïïen mp/ bf e 
^-^ ban te boren tnb^ebe (liepen enbe rnftebenjfiet/ 
mgn fterte booj eene groote ber(troptöept b30?t ban 
tegenftrpenbeuiinbenljertoaertjofenbertoaertisge^ 
bjeben; enicöenfcöjjne/ nocljin45obttegelooben 
nocli te Oopen/ louto en (ïaperacDtigïi toefcnbe, mp 
en homt anber^e^nietbanaertfcöenbatbergancöe^ 
löcli ii3ï te boren/ *tenüel)aegD^mpmetö^melfcüe 

bin- 



Van Bekoringe. 2^i 

t!f ngen vtMtttimthm/ Det m (ufl mp niet te hittjeu; 
ttiacc tDcI mijnen m obec te b^enaen/ met ftlappen; 
mijn Bette too^t oberbaKen ban D?oefOept/en miine 
fangB-lteöeöenöfitn beranöect tn feermen» 23en icö 
ban be 3ee^i^'t tjnt ich feggc : JiBön öebDeften fa! mp Amos s. 
bertroD|ïen/en icö fal bentcBt tooatien met mp felUc ^^h 7. 
fp^elicnbe in mijne rufl-plactfej^iö too^bebcrbacct 
bdo^ b20omen/9n boo^: mijn gebacDten Uïo^be ih met 
öroub}elbe(lootc»^ïeramiinbec3ieIeberö?tetöaer.c? job ro. 
leben$?/fpaect mp liecc/toant mijn bagé en 5ön niet* J?°i ^^ 

Den Engel. <0(ju too^t mtt beliorjnge bebangen/ '^ ' 
cnbe betentatieoberbaltu/ maectoeeftaecurtban 
Bene/ enbe bjeet boo^ albatDetanbers^metent.ö 
ban eene tmtatit enöe bel^octnge/ baec oDp nu mebc 
öebocljten too?öt. 

Den menfch. <^ch late mp battttet boc^fïaettj off? 
tje? foo getoelbigö Dat tclife niet en öan beutöinnen. 

Den EngeL€n geboelt göp niet/bat u ban tïc tup^ 
bel bDO?-gDeöouben \Joon fiet gene bat een fcöijnfeï 
fieeft ban goet/en W fo (ebenöigfj/bat gijp Det felbc ^mtjuv^ 
fcöijnt t*aenfcf)oub3en^rbjant baec en hao^t niemant )JfL^„\' 
trebonben/gelijcöbenlBfliiofoopöfcgDt/ bie in fijne totijcc 
töercfeen/ fijn epnbealj(Sgiiaet/of ban minbecgoet^ nuaeton* 
f}ept fp felben booifielt) geboeltgfipniet/ bat glip ^"^ö^t 
boo2 befe aenlDcl^inge tot be fonbe getcoclten töo^öt/ ljf„ ioJt 
en feglit gOp nocö bar göp ontjlelt toon/bat göP öe^ * 

nout en ongecufr m^.'^it i^ boojtoaec befioon b^o:- 
ben/enbe boo? fijne guabe begeerlijcfeOept getcocïicn 
cnbeaengelocftt b302ben.^iet/u Itjo^t ban ubie €ba 
tmm appel booi-gcfioüten,- töadjtu om De lief Oc 
(öcbt.ejonber ben fjanigï) i^ u bennn berbojgcivöcr 
benijn ban abet-Hangen ongencfelijcli.^e ègppte- Denr.u. 
naerfcfic bjoute/bat 10 u bleefcö/naot enbe blept u, Genef.39. 
mner g[ip al^eenen fupbercngofcpb biictban iiner: 
fp iocln li/ alö €()amac bebe/ cft gelijcfi ^alila/en Gener.t^s. 
laet u niet metbjeben/ enbebecniocptuboo^mc? ^"^^'5- 
nig[)biUbige gebacfjten/ oft itieï fp id ü bjeberfpan^ 
nigO alef ^gac;baerom toaec&t enbc bib/op bat gbp Genef.21. 
niet en baït in be^oringe:mogef ijch faï be vr erelt/of 
ntn fonbaec bem boegen mn u\xim bpant/ bccteec^ 
j^enbe met tooojben enbe exempelen rot fonben/enbe 

(Q 4 toec^ 



2^2 Den 1 1. Boeck. Het III. Cap. 

2. Tim. 3. bcrboïocn ben genen öie <0obb?ucDtf öljlijcft leben/ 

of t ber lepöen fjaer Doo: öc lief öe ban eenige creaiu* 

Sap. 14. reilxïant geljjcfe ben 3Döfen-aian feg{)t/<8oöiS crea^ 

turen sijn tot ïjaet gcmaccftt/cnbe toteene Dchorin^ 

" öe/enüe tot eenen ftricü ban öe boeten öec ontoijfen. 

i^icrom neemt utoe toeblncDt ootmoeöelijch tot 

a!3oti/enöe oberïegöt/ tnat/ cnDe tot toat epnöe u pet 

boo?gelept toc?Dt/ mtc gijp fult ben bpanbt Ijonnen 

obertoinhen/ fieunenbe op a3oö^ gratie. 

piaim 68. Den menfch. n^aet tcli Den geliomen in be biepte 

ber ^ee/enbe ttc tempeefi Ijeeft mp berbjonclien: l)oe 

fal ich Ijier upt geralien^ WU fal mp berloffen-J öoe 

fal icU toeberfïaen fuicöen groote enbe ianijljburige 

Eph. 6, beaoringlie/ tegöen be p^incen bertoerelt enbebec 

buptierniffen/ tegen be geeflelijclie boofijeben i 
<!5oi!t m £>'-n Engelpiet gijp treet al.ö-nu in ben toegl) ber 
utt me- faliglicpt/ miftrout ban « epgljen felben/enöe (lelt u 
ftfre-m/ betroutoen op saobt/ enbe öp fal u geben be begeer^ 
boucn uat ten utoer fjerten : <15obt i0 gljetroutoe/ tic u niet en 
i)p öec. fal tenteren boben bat gbp bermoogljt. €n gelooft 
ï" r ?• , öÖP tuet Det gene bat be a^aerljept enbe be 3Byföept 
o, cor. 10. ^^,j^^ gefp^ofeen ïjeeft^ 

Den menfch. gcft geloobe feherlijcö bat o^obt ï^z 

ceuiöige toöfOept i^ t enbe in gcenber manieren lic^ 

gen en lian j maer boo? bien bat mijne ïuacijten foo 

grooteUjtj:ber|!out5ön/Debinbeicö/banch fo me^ 

nigmael baïle/enbe ben gcbuerigOlücöen inb^eefe/ 

baticlïOetguaet/tDelclitcfenietenUJille/ falboem 

^ocïjtan^ gOeloobe icft bat Ijp getrou i.ö/enbe en fal 

niettoeiaten baticfi göetenteert fal Ujo2ben boben 

mijn bermogen : enbe bat icft niet ballen en fal/ban 

ibid. niet mijnen bjpen toilïe ; jae bat meer iö/ inbien icö 

begcere/fo fal iel! boo^a 3öne gratie met 'txt behorin^ 

geoocli mön profijt enbe boo^cgancf! boem 

gBe fcuïie Den Engel. j[i3aer aenmercltt toie bat l)et x^fW u 

öjniorht aenïocnt/bat gD^ foubtaftuijclïcn ban be reeljtepa?: 

toSjS'MiJn ^^^^- ^^ ^^ ftetniet eene aiberfcl)joomliicö(tc fonbe/ 

öcrcfïjte be üjelcfje ban nu al-eer fp u göebangen lieeft/ont^ 

tncfiiini neemt u be FiracDten ut»cr 3iele/ enbe trecltt be felbe 

<2BpDi^, j. ecnemael tot ber aerben/ öoutfe gbebangljen enbe 

tre^htfe meï:c«elijclien af ban i)ar$ faiirjöept -J ciSiet 

öacv- 



Van Bekoringhen. 233 

bacr-cn- tegen ban d' andere 5ijDe noot u ht tieugljt/ ^t^mq\}i 
öieDeJooft ualieljuIpe/omuopDengenoegljUjcfeen nootou^ 
tocgö öes' Ijemels/ jat tot Den Ijemel felbe te lepDen / „0^^211,;' 
om uöoo2V)edb!ctonenbecinaerttemaechen/U\3öe tocgtjDes 
becöienften Ö002 be feibe te bccmeerdercn / en baec- t-tmtiö/ m 
en-bobenoofh utre necrtlioljcpöt enöeootmoeöig^ J^\ooJ^ 
fjepöt te bertoecïien* aOant Den genen öie bectoint/ Xpoc 2. 
tooatgDegebcnI]etn3ónna: enöegeiijcliDterboo^ Mauh.4. 
tïjts^ aen onfen ^aïigma^ec gebeurt lö / alfo fullen 
uö o^ngljeicnöienen/ i^^tbatgöpDierin ufelben 
bertbonnenfu{tDebben:€nDefoutgDpeenenanöe^ 
ren iDen raet gcben / ban in Die fonde te confenteren i 
i^^cc glip fict/Datg[)p Doo^ Defe aenlocöinge getroc^ 
fien too:öt in Den afgronDt ban mtferien enöc ellen^ 
ben : bjant gf)p bieet toei bat Den genen/ Die De fonDe 
boet/eene (Tabe i.ö ban De fonDe, <9cly f)oegroote en^ 
be laftigöe flabcrnpe w tjet/ Dat Den menfcö foo beel 
onge(uc?j!^onDerbjV:penijG^! enDetoieijS^'t Die men 
Öier in Dient^ Ijct iö u bfeefcf) enDe De begeeriijfeDept 
ber finnen De ineicèeonbcrfaDelöcfe iö\a3nDe gelijc» 
èertoijö alö Den hnecöt eenige lieerfcftapppe begint 
te 8ebben/onberD?ageiijcè i^/alfo Defgelijcfeen oocö 
u bleefcö. ^uë moet gïjp met Den eerften De aenfeo* 
tttenDe befeoringe ban u éeeren/ enDe ontDecIien bei^ 
bpant.ö beD^ogï) aen eenen getroutoen b?ient, J©ant 
toeeDen genen Die alleen i<sJ/fegBtDen JDijfen-man/ Eccier4. 
enDe bemerc^t/ Dit biDDe ith u/oft gbp m Den Dagö 
beicf 0D:Dee[9 foi\ï}t toillen in De beSoringc geconfen* 
teert Rebben. 

Den menfch. ^een UU boojtoaer. 

Den Engei.ec D met fjoz bed fucflten enDe tranen f" ^^i^ 
fult glip bjillen en toenfcljen/maer mogelp te laet/ co-DccSm 
bat gijp gljeen confent göegljeben en fauDt fjebben I Daten itcnj 
toaerom i.ö 't Dat gf]p nu m ttjDt^ niet toö.d en 5öt i f"cD"n/ _ 
3$^ 't Dat gfjp IjeDen 3öne fiemmeljoo2t/fo en teiit u Som "^'' 
berte niet berl]erDen ♦ 5I3at fal it^ feggö^n ban get inttn m 
b^eefeUjcfi enDe fclj20omelijch ooaDeel^en fout glip u tm m^* 
met fcücimen/ Dat fooDanige ub;è geDacljten/ De ge^ ^'"^"^ ^^• 
Ijeele UierelDt beccpenbaerttoierDen i 5Bat fult gfj? 
ben I^eere boo: antlDOOK gljebcn /Die u Dooa mp nu 
bermaent i 3èat fult gl)p mp honnen booatb^engen 

(S 5 /jm 



254 I^^» I LBoeck. Het III. Cap. 

om u t^ ontfcDuItiigcn / öie n acbucrigljJijcfem hct^ \ 

manc i toaec f uit oljp u mcöe !ionnj;H lïcrff tjooncn i 

Dcnmenfch. üiöct nict inct alfcn/ om öc toaecöcpt 

te feggcri; \3iam ith ïtlaerUjcf? fic öat'et quaa i^/bat 

tcö boeren t^'t fafie Dat ic(i rcclitfmnclich en oprecl)- 

telflcft lüil oo^Dcclcn / bat ich buje?bocnbc/be toet eu 

ben raet ban niüncn ^eec en aujnê <0ob berfmaöe. 

STOatfaï* DenEngcl. gi.ö'tfadeöat ofipop öeeeutDigfiepbt 

Jet D?oe* ijjiit letten / toat fal u b^oebigec al^^ ban toefen / ban 

mDcnïpY ^^^ öï)P ^^^t houc en bergancïielöcla^ gfienoecfiten / 

teelten b'eeutoige tormenten gehocljt / en D'eeutoige blijtiU 

bagü Dan fdjappen beclocen BeDt»^u.ö toeefï gebacfttig utoec 

SLm^hdöf. uptcr(ten/en in ber eeutoigDept en fi!(t gDp niet fon^ 

fee genoeg, btgljen : ttocö en laet u niet boo^flaen bat gDp alleen 

tenD'ecu^ 3ijttn befenflcöbt: aenfcljoutbe%pligen/ öoebat 

Sm*' ben^.'Hlntonius^/ paulu^/(arobia.ö/enbeeImeei; 

ficftocöt te anberegeoefFentO^Dóengetoeefl/enDeöoebermaert 

ttbbtiu batfp booj be ge^eeJe toerelbt gljetoo^ben 3ön / boo? 

2^Ti* '* ^^^" ^^^f^ filoecöeUjcli enbe mannelijcfe gïjeftreben 

* "" ' Öebben» 3Bantnieniantentoo?tgel!roont/'ten3p 

lacob. I. bat D? toettclijclt geitceben Dceft- ga bat noci) meec 

i^ / ben ^* gacobuj:^ fegljt : <§aligl) tö ben man hic 

be beöcringe berb?aegljt ; toant als? l)p fal beproeft 

3ijn/fo fal Ijp ontfangen be ficoone be.fif lebeng?» €nbe 

al toaec 8et oocfe bat nae bit leben geen anbec lebeti 

en bolgljbe / en i^ 't niet beter faligljlöcli enbe met 

een geruft fterte te leben/ ban fijn 3iefe met oneerlic^ 

fieoftanberequabe gebacDten te bcfmettcn enbe te 

ontruften i ^iet/ nu bep,:oeftgljp/ gfielijch ith gDe^ 

feptöebbe/ ftoebeelftoarigliebenbatu ben bpanbt 

aenboet / al i^ 't bat gïjp Dem nocö in utoe3ieleniei: 

tu Debt laten inftonien» Weit foube ftp al bcb?ijben / 

o ellenbigen menfcö ! öoe fcöabelijcfe foube ftp u toe^ 

fen/ toaer 't fafee bat Ijp b.apelflcft / gelijcö tn een tn^ 

gijenomen ftabt / liertoacrt.öenbertoaertöu fterte 

mociu bertooeften i Ijp foube *t albaec onttoijffcUjcIt 

al in b^mbe fteften/ enbe met ben f toeerbc ber nielen» 

Chriftus. 3l3at Quaetbepbt i]cbt glip in mp bebon^ 

ben/bat gp u ban mp toilt berb^eemben-J^aaet boo2/ 

ïcrcm.2. fcgOt mijnen p?opOeet/tot be cplanben ban Cetljim 

enbe befiet/etib« fepnt tot inCebar/enbc aenmercfet 

feer 



Van Bekoringen. 2^^ 

fect nmütlijth oftöefaclöcfe.ö gefcöt^t W oft ttm 
toolcfi fijne goöen beranöert Ijttft i enöe öie en 3ön 
nocljtanö boojtoaer geene goöen: maec miJn bolcft/ 
gijp öeifeeecr ütoe glorie \\\ ecnen af-goöt, <0öp öe^ 
melen Hectoonöert u feec fttec af / en gijp ftare poo?^ 
tentDO2i3öcac0telöcöbcmoe(l, €ntoo?tmetniet 
recDt ^dii eencri af-gobt gljcnaemt / oni toien^i totlle 
gfjp mp becfmact/bte u gefcljapen en ijcrljcben öeb/ 
enöaecenüoticnugetöaffiDen Ijebin mnnöierbaeï 
öloeöt^ <§tet/ op bat gJiufoubt mogen een èojte ge* <ir^?ifti6fc» 
noecljte genteten/ beracljt gfip al mjjnen raet,- en al^ ^^^^^^ 
Ie mijne tnelöaöen en UermdgD^n \s^ u niet/ op bat ?ot Den 
göp alteen fout mogen gebiupchen 't gene bat u ben fonöaet Di( 
bupbel boo^jielt; göp en ac8t niet met alle ftet gene op [one 
bat icli u belooft Deb/ op bat gijp tot ub^en lufïe fout S^f " 
mogen \st\^^t'a booa eencn oogenblich xvlt^i^ i 't gene pafï* 
\^dx u bc beb^iegöelijcfte tocrelbt boojlepbt. €n fiet 
gÖP niet ()oe leelijcli en becgancfeclijcli bat befe bin* 
gen 3ön^ oberloopt alle be geflacöten besf toecelbt^ / 
enbe fiet Doe beel bupfenbtmenfcOenbattec gebon^: 
ben tD02ben / \yit met befe toelluflcn / enbergancfee- 
iijcïie bingen beiStoetelbts^/ berttoijfelt fjebbenge^ 
toeeft/ enbeboojbefelbebeclocensijn gegaen/ oft 
toelmetbeel tcanenenbebjoefliepbt^/ gualijcö ten 
langen laecften eene I[i02te genoeclite \^tidiZ\i öebben. 
(€en laetften / en toe£;t g!)p niet bat glip ftaetin my 
ne tegüentooo^bigBepbt / "^xt utoen Hecbtec / ubjen 
Igeere/ en utoen öontncfi ben / en fult göP mp nocll 
betren befpotten /enbe mjjne göeboben beracOten I 
gicö noobe u met be eeutoige ^Mzxi / en ben bupbel 
metbeeeutoelijc&-buerenbe tormenten. ^c& lyzhbz 
boo^u mijn bloebt geflopt/ enbe beboobt befuert; 
enbe gijp en berlangbt nepgen.ö meer nae / ban uttie 
boobtenbeutDebeberbenifTc» 3th Bebbeu gefcöti' 
pen/enbe ben bupbel foelu u te bernielen/cnbe fal fip 
nocö blijben b'oberljanbt öouben^gcli \^t\)U toege^ 
laten bat göP foubt getenteert tooabenv op bat ith u 
alfoo bepjoeben foube oft göP getrouba foubt toefen 
oftniet» ^usJfiet toeltoebatgbpgetroutoigöcpbt 
toont boo? mp enbe gefteel mjjn Bcmeifclj l)m I oft 
whfaltotuDaeftfiomen algJ^^n geioapentlirügis- Apocai.5, 

man/ 



Zi6 Den 1 1. Boeck. Het III. Cap. 

urcm. 2. man /enfnl mijitcn too?n nptftojtcn ober ii / tn ölii ? 
fultfienöatlKtuüitteciö/ berlatcn tefjebbcnöai. ' 
i^ccre utocn v6oDt : nocD en flnet niet op büpcnitem i 
Ut/ dctödchcööpbaernafultöoen/ loantöljpae < 
tiocaljfacm bcrmacnt too^bt/ tioo? foo onbertoacïjti > 
ongelucftcn: en tocelï inöacötia fjet gene öat icli ae 

LUC. 12. fcpt Ijebüc / tcc (iMut ucen al^ gijp ntet en mcpnt / 
fal öcn>§one Des? nicnfcljen (lomien.^ï^uisf fitvcelt aïjp 
wfelbcn te l3crgecfj5 banutoe toebomenöc pemtcmi 
tie / öte u bcrgabcrt mijne too?niol)cpt enöc toaafie li 
nocD atjp en fionf met be Ijope ban bergiffenitTe / en^* 
öe be orootöept mijnber becmOerticOept niet boo^tsf 
ftomen/ betoijU gijp nu toilfenje^en tnetenö/booa mn 
öie u bermane / bertoecfte/ b^epge enbefmefjc/ tn 'ti 
minfte nieten toilt acOtec laten oft ptt boen» Ulecfjt* ; 
beerbiglj3ön mijne oo^beelen/ enbe a!Ic mijne toe=» 

Heb. 10. gen 5ijn rebehjcft : enbe toeet bat Oet groutoeljjcïï i^ 
te ballen in be ö^ïnben ht$ lebenben CJobts?. 

Gebedt tegen de bekoringe. 

A L is *t dat my defe bekoringe feer quek, fict ick nc- 
*^ me voor my,oHeere , in gheender manieren in de 
felve te confenteren door uwe Goddelicke gratie: en ik 
wete dat ick vry ben, ende van niemanr en kan gedwon- 
gen worden : maer waer 't by aldicn datter eenij^e ghc- 
cachten mogelijck in my oprefen,ick prorefterc in uv/e 
Goddelijcke tegen woordigheyt en gheheel u hemclfch 
heyr,dat ick in gtieender manieren voor goet en houdc, 
't gene dat eenigiins tegen mi j n voornemen, en tegen u- 
wcn wille is; ick wete wel dat het in de macht niet en is 
des genes die wilt en loopt,maer des ontfermcde Gods, 
ende in u Heere fal ick over den muer gaen, en verwor- ' 
pen die tegen my opftaen.Ik bidde u Heere weeft mijne 
helper, en wilt my niet verlaten, noch verfmaet my niet 
mijnen Godt; want onfe fterckte en is {o groot iiiet,dat 
wy fonder u wederftaen konnê:maer ftelt my neifens u, 
en wiens hant ghy wilt, laet die tegen my ftrijden. Ghy 
hebt geleytjmet hem ben ik inde tribulatie;riet ik wor- ' 
de van alle kanten bevochten,ftaetmy by mijne ccnige 
hopc.Ghy wilt my beproevê, oft ick u waerachtelik be- 
minne,endcickbemcrckedacick nietgetenteerten kan 

worden 



tm Mail 
opfet ban 
in De roii« 
ti£ niette 
ronfciuc» 



Rom.9. 

Hal. 17. 
Hal. 16. 



2, Par. 20. 



lob 17. 
Pfal. 99. 



Van Bekoringen. 237 

I worden boven mijn vermogen:want ghy alle dingê van 
I der eeuwighey t af in gcwiclite,getal,endebymatege- 
i fchickt hcbtAVaerom fal ick dan kleynmocdigti welen, ^f troutet 
acng;heficndatghymyuytdenhcmcibyftaer, die mijn gJj,f|p''L 
1 kracht endemi)nbetrouwen7.ijr?befchermtmydan,ó ubpjiaeiu 
. Heere , wanr ghy mijnen Godc zijt; neemt wrake van u 
. bloet over uwe vyanden: aenfiet u maeckrcl,ende mijne 
I kraiickheyt,enmaecktvanmyeenvattereercn,noch Rom.6. 
: en laet niet toe dat ick worde een var ter fchande , van 
; uwen grooten naem. Ik en wille mijn ledenen niet ge\'ê 
tot wapenê van boofheyt der fonden,maer miin ziele fal 
u dienen, en mijnebinnenften fullen roepen : Heere wie 
is uwcs gelijck? Want ick weet wel , dat naer het onwe- 
der ftilte fal opkomen,en als ghy vergramt fult geweeft 
hebben , {b fult ghy uwer genade indachtigh wefen ; en 
alfdan fal mijn herte hem verblijden ende verbreyden , 
en ick fal u lof-fangen iingen, die mij ne glorie zij t : want 
in uwen naem heb ick verworpen degene die regen my 
opftaen. Alfdan fal ick in den tempel mij nder ziete u den 
I roof oprechten van mijne \^anden , ende van de af-c^o- 
' den mij ns willes fal ick u facrificie doen, ende ick fal u- 
wen naem belijden, 6 Heere, want hygoet is; want uyt Pfalmj3i 
alle tribulatien hebt ghy my verloft,ende over mijn vy- 
anden heeft mijne ooge verfmaet. Amen. 

Waerom fpot ghy met my,verganck'lijcke welluftë? ®^A^F{.g 
Daer u niet naer en volgt , dan droefheyt end' onruften, ^"pg^cn 
Dan verlies van de ziel,dateeüwelijckdoetfchroomê; ban^icusJ 
En 't leven niet en is, dan ydelheydt en droomen. jBiraniw* 

Siet toe, de felle doodt, die wacht uvroegh en fpade, {f^j^yS^f 
^ogelijck u mifdaet, fal zijn fonder genade : i(\itu 

Eeuwigh foo is de pijn , eeuwigh foo zijn de kroonen , 
Die het quaet ofthet goet,beltrafienoftbcloonen. 

Hoe weerdigh is den ftaet , van den menfch hoogh 
geboren ? 
Hoe loet den peys des herts,dat God heeft uy tverkore? 
Hoe groot des hemels hulp,die ons komt hier beneden? 
Hoe bitter is het cruys, dat Chriftus heeft geleden ? 

Hoe fchoon is het aenlien , van al der Sandlen werc- 
ken? 
Hoc menigh is de hulp, die onfen geeft kanftercken? 

V/orp 



2^2 Den 1 1. Boeck. Het II I. Cap. 

Worp ick nu niet mijn felfs ,uytfinnelijck in 't lijden? . 
Gae ick mijn cygcn ziel niet fottclijck beftrijden ? 
Door u foo moet vergacn , al des duyvels gelchal , 
] £ s u , mijn hulp , mijn trooit, mijn licfd' en mijnen AL 
Amen. 

PRACTYCKE. 

Tvvaelf regelen van Joannes Picus Mirandula , een(^ 

deels verweckende , cenfdeels den menfch te recht 
filerende inden gecftelijcken ftrijdt. 

T^€neerflcn/ i^'t bat t'en mcnfcD ben tegïj bcs$ 
-*- beucljts? ftüaer m laftin fcïmt tz tocfcn/tcc 00?:^ 
faccftc \sm lym ofjcburtgcit fliljbt/bat Op bcmercfee/ 
btittcc Dcclmcec ïjarbcr/ b^oebioöeccnnioepdöc: 
ïtcc bingen gebonben tooibrn/ in alle anberc tocgcn 

(^cn ttoecöen / bat Op bcmcccöe h^i in X^tiz toe* 
relbteenegöeöungOe oorloge ijss/ enbebatöpfiem 
begcbe tot be bonjecbigOcpbt. 

(Cenbccbcn/ bat Op gOebacOttgö 3pbatOeteene ^^ 
fotteenbebtoafefaecfeeiie^tegelooben/ batmen va^ 
ben Oeme[ anbcrief ftan geraetfeen ban boo;j gOetoelt/ 
aengOefien bat onfen ^aügOtnaecfeec gOctupgOt/ 
bat Oet cöcï! ber Oemelen gOetoelbt Itjbt/enbe Op fer 
tjcc bit boo^ Oet ecupé beïiomen öeeft. 

€en bierben/ bat Op Oem bcrOeugOe/ CO.Hjïo ge* 
lijcït te mogöen toefen /enbe al^ OP 3ijnen finnen ge* 
toelbt aenboet / bat Op oberleggfie toat beel besl 
tcup!$batOpgöeïijf^t^* 

(Cen böfben / bat Op Oem betroutoe op be macOt 
C62ifti/ hiz gOefepbt öeeft: 25etroutot/ tcïi O^böe be 
toerelbtobectoonnen* 

(€en feftcn/ m b' eene befeocf ngOe boo^Dp i$?/bat 
Sp eene anbere bectoacOte/ aengefien bat ben bupbel 
altijbt ronbt-om onis loopt» 

€enfebenflen/ men moet niet alleen benbupbef 
obertoinncn / maer men moet oocfe eenigOen boo^t* 
oanclienbep;jofpt nemen upt be beltoringOe : enbe 
befe moet on.öbienen/bp ejcempel: bebeïioringeban 
(looberbpe / aljs eene ber maninge oft bertoecftfel tot 
b'ootmoebigOepbt» |; 

€ert 



Van Bekoringen. 239 

r€en acötfïcn/ al^ göp becDt/foo bccDt alc? bte na^ 
bcrljant ttnzn qetjuti^zn pcp^" en l32cöe fult öebben / 
toam 43obt öit öiciilsöI-Sf bcdeent acnöe gene die 
hiocch möe b^oom ban Ijemn 3ijn:maecaliSf göp o^- 
bodjtcn enDje hen flcijt boi-cpnt öebt / b^aegljt u gc^ 
lijcücctoö^ oft Qljp u terftont toetiei'om tot den ftrijt 
fouöt moeten öcgeben» 

€en negcnfren/ fcijoutot sltijt b'occaficn bec fon^ 
öen. 

r€en tFjienflen/ fiet tecï toe in 8et DegtnfeL 

fCen elfften/ oberdencöt Dat ijct foeter i^ öe beöo- 
ringe te bectoinnen / ban Ijem te Dcgeben tot öe fon^ 
benrenöe bergciijctit albUjS De foettgfjept ban bebic- 
tor ie/ met Detbermaecö/ öet b^elch in befonbni ge^ 
bonben too?bt/ maer niet ben Hrrjbt met be toellufte» 

(Cen tbjaciftten/ en laet u nictboojflaen/ batgbp 
ban <0ob beriarensijt/oft t)?,t gDp Ijem mifDaegjit / 
toant öp ben recDtbeeröigen plncDt te jajoebeniUiaeC 
berootmoebigfit boo^ al utoen geeft/op bat gfipmet 
en balt in fjcoberbpe. 

Andere pradijcken ende remedien. 

nr €n eerHen/Demerclu bat Ijtt eenen fonberlingeit 
-^ nn^^el i^/fp felben te laten boo.2|!aen/batmé tup 
ftljcn€i3;iliu^ enbe ben tMipM i^/güijth om in fiet (©bctijfpd 
bedt bebjefentoo^t; toatobligatieoftber&inteniflfe mtoim 
bat top ban b'eene en b'anb?e 3i)be ftebben/ ^nbe ter^ Ef/j^aL* 
ficnt be fjulpe ban <öob almaciuigD bcrfoecFtcn/en- ijoutwu 
be b'oo2fahen ban f)ct quaet fcljauUDen^^lfo i533lot{) ^ntm 
gefept/bat f|p op ben fiaenben boet foirbe upt ^obo^ f.?^>unl 
ma bertrecfeen/en öem DeDoubcn op ben bcrgli.^ier i^^ ^ 
toe macl) bienê 3öne memorie af te feeeré ban bebe^ Genef.i» 
feoringe enbe berbeelbinge ber feiber/'t 3p boo? eeni- 
ge Debommeringe/'t3P booj anbere gebaeötcn/toaei: 
boo: men fomtoylen eibers geb^eben toojbt j gdijcS 
foube mogen toefen eenigeb^oebige ofctoonberba- 
re gliefdnebeniffe oft pn befgöelijcïije?. ;2?>itiJomt 
msejïenbeel te paffe in be bleefdjelijcfee beftorin^ 
gen/ geeftelijdieguellingen/ enbemoepeïijdtemi^ 
tatien/al.ö' la|ïerirtgenban<6obt/ ^r. befgdijcfeiSS 
o«ö inb'albecminfïebingD^n/ enbe bie ban geen^ 

bec 



240 Den 1 1. Bocck. Het III. Cap, 

öcc tócerbm en aijn/ öie gclijcö öeblicgcn tn mua* 

oen/ niet met Ijct ftcecrt oft lancie/ maer met 0cn^ te 

biafen obectöonnen moeten tDO?tïen;of öie Uerfmaet 

enöe bcracfjt moeten luo^Den / öelijcfi öeöaen too^dt 

ban eenen rupter/al.é Ijerii eeniglje Oonöen naec 'oaU 

fciV toant fcetclijcft rijt Op te peerbe^ Die Dan be ava* 

tic <^oöt!ef ocö^aofen töo?t. ^Dat ÖP bnn foetelijcfe fp 

felben ban De tentatieaffteere / enöe fijne ocgljen tot 

<©cffm öe <6oöt ftiere/ fonbcr ecnige üeroerte: oft mee i}et oef- 

beugijt fcuen ban De öeuoöt / öre öefe fonbe/ öaei* ijp toe gc^ 

Silf Sis tcocften too^öt/ tegen i^-yOft öat tip öoo? Ijet bertoec^- 

te Mtt feen ban öe lief öe €>oötjef / öe toelclie alle ö^anöere 

gijp toe öeugïjöen in öacr begrijpt:/ boo.ntf gae/in öen toegD 

Kt enöeljetöeoeffencn banöeöeugijt. 

€en ttoeeöen/ moetmen fön toeblncflt nemen tot 
Matth. i6, ftct gebeöt.^Öiö op ijat gOp niet er. balt m beltor tnge/ 
tl^Sht f^OOtonfen ^aligl)macc{!er:noclj men moet Ijier af 
totoöaöt niet opDowöen/ tot öat öeöebjoonlijcfterufiebjeöer^ 
t!0O2 ijct om gefeomen 5p. ^Clfoo Ijeeft öen ï^eere in 't öofhen 
fiijcucöt. gebeöen/tot öat Dp ban öen cïcngel berftercbt toiert/ 
nocl) flp en fal on^ niet ontb^eecüen i^ 't falie öat top 
Abac. 2. fullen boïBert ljeüben;töant feomenöe fal fip Ifeomen/ 

enöe öp en fal niet bertoebem 

^tcit u iJt €en öeröen/alfo geringe afó öe bel^or inge oprijjl/ 

öÈicöijen* moeten top ten minften onfeoogen opflaen/tot a3ob 

ifcnö?*^' almacluigO/öie o\W tegentooojötgl) i^^en hit m Ijet 

<0oö^/m» exempel ban öen J^^opïject <Dabiö/ öen toelclien 

bcpfPfi fegDt:3cIi fjebmön oogen opgeöeben tot öe bergen/ 

f2^J^P|Jf?ban toaer mpljulpefalfiomen. vDit moeten top in 

ge toÉiaet öefer boegen te toeccli ftellen/ te toeten/öat top öenc^ 

oiii a te licïi.^iu <0oöt öie toeet öe beltoringe/enöe Ijeeft öe 

jjjoeueiu j-^1^0 toegelaten / en fonöec ttoijffel l)p en fal mp niet 

i.cor/io? laten tenteren boben öat icfi bermacft : enöebpfoo 

i>eut.i3. tocrre öat ith toille/fo macl) icö oocö profijt treeften 

upt öefe bcftcringe* a3oöt tenteert enöe proeft mp / 

om te fienofttcli gctrou ben : aelijcli ai^ eenen b^up:^ 

begom fouöe toelaten öatmen bep^oeben fouöe öc 

fupberbept fönöer b2upöt/ al$? eenen i^onmclt öe ge^ 

troutoigHeptban fijnen Belt- Deenenöe toaer 'tfaec^» 

fte öat oefen Belt-ljeer toille / öat Op niet obertoon^ 

nen en ftonöe toojöen / fonöer fijnen epgDen toilenöe 

belie^ 



Van Bekoringhen. 241 

elfebcn/ett bat ben i^oninch ijem it\ b* oocre "ïjatibc/ 
oe mepnt oDP bat öp öcm foube b^ag^iW ^asï fcgt 
Kt ben i^oninc^UjcRen 3p?opüect ODoblb : 2tl rö 't Pf^im 26. 
at be legeren tegen mp opjiaen/ foo en fainocïjtanieJ 
lijn öecte niet bcb^eefi5ün* 3©antben m^M ban 
ec ö^Ken/ Soebat gp onsf meer Deb^eefl fier j en Doe 
)P min op a3obt ons? betroutoen (reilen / Doe bat ü? 
n^tt to^eeber aenbalt: enbe bie eenenceufe mt^i^ 
jeuto is? booj ben flappen enbe tragöen/ befen en 
:Öünt aen ben gtjenen bte in <0cbt betrcubjcn / 
naer een l^aenften en .ülf^iere re toefen/ oDcIöcbonU . 
1'tlebenban be BepIigDeBaber^beröaeutoojbr. tVum 
(€en bterben/be berbulbrcOepbt i^ oocfi noobicö/ ©«ii b«* 
oant b'cnberbulbicöcpbt bergramt ODobt/ boo? Duimcöniöt 
lien fp een feöer merch-teerfeen ban Dooberbpe t^: ^ftoï"»!*"* 
lelycfi on.ö ben ^. <02egoriu$f opentlycfe te ftennen ^^' 
(eefr/ aljj DP fcgt : ^ie bolfeomeirjcö begeert be fon» 
len t' obertoinnen/bie moet beneerftigen ootmoebe* 
rjfi be (Iraffen fynber fupberiiige te berb^agé. 3Bant 
net <0obt en üatt ons? niet toe te feijben / oft ïjzm te 
'eagen: aBaerom boet gfjp hit in fulcöer manterenl 
(€en bijfbcn/acnfiet dj2t|iu.ö boo: u al^ gcaupft/ iKmtöhj* 
imfjelftüem/ feujtföne boeten/ en bocght uaensijn H^.?,^S?; 
föbe. ^eni^-^ugutlinu.efenDceftgDeene&rarDti^ cuigejooj 
jet mibbelen gebonben/ban fjcm albu^ t'omöeïfen/ ijst uoa^m^ 
jem t'aenfcDoutoen/beel goebe paopooilen te maec- ^^» ba» öm 
^en/en albuj^ fijne gebacüten ban bebcUoringe af te icful' 
feeeren : öi»^coni en moetmen met onfen bpanbt niet ^uguft.* 
ttoidigO 5ün/maer Dem berfmaben.'ïiaant i^ 't met 
beel beter met a5obt te fp?e6en 5ün D»Ipc en Dpftant 
berfoccFienbe/ ban met ben bupbel te too^fteïen^ 

f€en feflen / alfoo ftaeft al0 't u mogelöcl! W geeft <B]ftnt mt 
ubje be^oringe te hennen aen utoen geeflelpen ba^ tthoimm 
ber; toant bacc en to02bt geen beter remebie gebon^- bS.b^ 
ben/naeröetabbij^banalfeöeplige©aberj2f« ^co nttmnt 
bat ClimacDnss berftaelt/ batbe aeligieufen ïjkt boifltJt:^' 
tooojtijb.^ oocö Cafel-boetjcfeenö placöten ober {laer aitS' 
u b:agen / op bat fp ftace inbaltenbe gebacöten fou^ 
ben mogen op-teec6enen / biefp naberganbt te feen^ 
nen gaben.enbe boegBtbaer bp/ bat toanneeree^ 
mn blinb^ 3ünen l^pt^-man / een? Uuht)c fiaren 

3^ igerber/ 



242 Den 1 1, Boeck. Het III. Cap. 

i^ecticc/ cencn öte öcn tocg onüelicnt i^/ f jjncn toeö* 

toijfcr/ een lifin fijmn babec/cencn ficcfeen be mede^ 

cijnc/ en ftet fcDtp fönen |tf ec-man ontljouöen toojt/ 

öefe tDO^öen toeï al te famen in Qtoot pecijcftel glje^f 

(!elt;maec foo Ixjie fonöecbe Dulpe ban fijnen oeefte^ 

lijcften Baöec tegen be üoofe gecflcn arDept tebecö* 

ten/Die iDO^öt Dan öe fcibebcrnielt en geboot» ^ku 

omtj^^DetfeiTpjofötJgöatmcninbebiecfnefijnebe^ 

ftoringen opene en te f jennen geeft/niet bat fjet fon^ 

ben 5Ön/ maec 't iö faebt/enbc *t3Dn begtnfclcn ban 

fonben : betoeïcïjeboo^befennubbeïinnarenoo^s 

fp^onch bectreben too^ben. M^tt befen raebt nocfii: 

tan.ö in 't gftemcnn gefp^oïien/ en bient eenen pege^^ 

ïöcöen niet/ Defonbedijcïi aen alfulcïien/ tiU m ben 

öBeeft göeguelt oft fcO^upuleu^j 5öninocB aen b^ou^: 

toen/ of t aen eenige bic ölepnmoebig sijn/ op bat 5p 

niet al te feec op ïilepne bingljen / enbe bit göeen be^ 

itiercfeen^ tiïcecbigö 3Ön/ en fonben letten. 

a©Étifr^ €en febenften / men moet be beginfcïen feïoecfee^ 

Kaethjacftï jjj clï bjebecflaen / enbe be beuren ban onfe memorie 

mm^lt ^nbeban onfen toille foagbulbelijcfe toeflupten^enbe 

«ntaneiu top moeten onfe gDcnegentïjeben toeberfiouben / tot 

bat top Itlaerljjcït toeten/ toat bat top beljooren te be^^ 

geeren- ^aliq i^ ben genen / fegt hm ©?opöeet/bie 

pfaira 136. be lilepne ftinberftenö ban55abp(onien fal bafi 8ou* 

ben/enbe berpletteren( te toeten/öet Quaet ingeben) 

aen ben (leen/ bat i0/ aen €!).2ifluj^ "^efu^* 

mttftt awt iBen foubegualijcli ftonncn uinfeggen/Doe groo^ 

{?*ï!f ^f^* teijjcjc bat ïjet Ijelpt/ batmcn terftont fijne memorie 

nQtfjaq)» foecïitte fupberen ban fcDabelijcfte enbe Quaöegöe^ 

öacluen/enbe te fcljoutoen alle bermaningen cft ge^ 

bacötenifTen ban fahen/baer top op anbere tijben toe 

genepgfit öebben getoeefl: maer op bat bit toel gfie^ 

fcöiet/fo i0 't ban noobebatbie nae be beugt tracftt/ 

fiJne memorie ban te boren berbulïe met goebe gpe^^ 

mmnt ^^^f Öten/ göetrocïien upt ïjn gfiene bat öp fioo^ en^ 

acnfïaciiöc (€en acfitjlert / men moet be befiortngen boo^fio- 
»«ïf attc/ men/enbe rgelijcfi men placït te feggen) be toapeneti 
mmt ocreet maften tegen ben tjjbt ban oorloge. <8öpfu(t 
Dmmë. ban oberieggDenfgDeliich ieft nocü te boren göefept 

fiebbe) 



Van Bekoringhen. 24^ 

BeDbe) tot toat fonöcn önt afjp aröcrmeejl gcncpgöt 
3ijt/bp Cjcempel/ totOoobccröigljcptj cnDc (uit öacc 
inöoo2ficn. iCciucrfïen/ obcröencöeu öelcelijcfe- 
J)cpt öèc fcibcc/ ciiöc be fcOoontjcpt ban bc coiurarre 
öeiigOt, Ccn ttoecbcn/ l)anöefclbefp2cö£m (Cen 
Decbcn/toci'cfeen ban ootmocbigöept/ Dic bcfc tegen 
3ijn / ocffenen : ban geiöcfeen uioct g&p oodi boen in 
aüebeanbere. _ 

iCcn negenfïen / men moet ïjcm fecr toacDten ban Jf f ^^ «^ 
0l(e onmatige bioefijept en ongecuftigöept öe.ö fjer^ "ge dSc^. 
tcmtoant gcujcfiectoijjef bat Det qualijcU boenlijö i.ev ijept cimc 
fijnen begonnen bjegf) op be 5ec te becbolgDen / al^ ï'^^f^i'^^ 
tiaec eeniofte tempeejl opgerefcn i^ 1 oft cüpen ract Sv/t?; 
te (ïaen / enbe bolöorneïycli fi)ncn bpanbt te toebei:' tnam fp 
flaen/aiief be dabt nu bol oproeren i^ : alfo too?t boo? soeöm en 
fuicjc bec stelen boo^tganc^ occn Deletibu.ö moetmé ^^^atm^^ 
boo? al befegcn/ €en eerften/batmen niet ongecuft ^ 
' ban {jecten en too^ue / nocD öet geöebt beconacötfa^ 
me boo2 a( te gcoote begDeccie ban eenigö goet / oft 
boo? Ö3et en baeefe ban eenig nuacti maec mé mo^t 
aüebingöcn foctelücli itelten iw be Ijanbenban be 
boo:ficl)tigï)ept a3ob.c?/ enbealleen naer fönen fiepp 
ligen toiüe beriangijen ; bjant gtjp en toeet niet baat 
toegO ^Sit gijp fult becöiefen/ enbe toat u nut of p^a* 
fötelijcö it^Mixt i0 't ban bat göp fo 1 02gbulbelöc& 
begeert tnbt b^eeft i oft toaer ban ber blüöt göP of c 
beb2oeft gf)p u foo onmatelijch i mogelijeFi 10 u bat 
albèrfcöabeiijöfre/ baer göp aibermeeft naer fiaeöty 
enbe tet contrarie bp abonturen alberp20fötigljf!e / 
baer göp meejlaf rcD20omt. (€en ttoeeben/ men be^ 
ïïoo?t foetefijclunbe met goebe c:b^e/nietmet eeni^ 
ÖÖe b2eefe oft a( te grooten fo2gBbulbigöepbttege' 
b^upcfecn/ 't gene bat naer rijpen ract nootfabeiijch 
göeoo^beelt fai too.2ben/om tot on.ö goetboo^nemen 
tegerafeen- Cen berben/öetfal nuttoefen/befetoon* 
be onfen biecfit-baber / oft eenen goeben b2icnt te d^ 
penbaren/nocB al i^'t bat top geballen 5ijn/en moe* 
ten öterom geene plaetfe geben aen eenige beroer^ 
te/oft ono' felben al te feer obergaen; maer top moe^ 
ten met alle ootmoebigöepbt onfe toeblucïjt hemen 
tot ben t& joone a3obt^ / eiibe Oobt bebanciien / bat 

i^ z, top 



244 DcH 1 1. Bocck. Het III. Cap. 
top boo? fi)it l)ulp ntct f tooerDci* öcballé 3ön/ 't löelö 
onttoij3ijtt fouöc ocfcïjict ï)eööcn/'t en toare öat top 
boo? fiju {jcacïjtigc Dant toeticcDouDc Ijabbéoetoccjï 

And' re pradlijckcn en middelen tegen de hooft-fonden. 

St öe O 53eitïeiufu b'ootmocbïgDcpt Cö^ifli/ oocli onfe 

ootmoc» ^^ lilcntiiaDcpt cnöc fncotlicpt/tegcnjö öc l)ooliccc^ 

öigijepDt biGucpDt, €nhc nacf öat ol)Pöc *Oot)DclijclK ïuUpe 

utoeïïo^" aenöcrocpcn fult IjcöDen/ o^crDciufu ccnnje fcnten^ 

bcccöig-' tic totcencrcmcöicOicr tcöen:Dp ci'émpcl:aBatDcD 

Ijcpöu icljgetoeeft/ toatüemcli/ cnbetoatfaliclitoojöenl 

^0 toie fp fclben berljef t/ fal bcrootmoeöigt too?bc/ 

enbe die Ocm berootir.ocbigt/ fal bccljcben too^bm. 

<c>betpepft (oleacn be öienglicpöt niacD bicnen b'armoebe 

^ojiftiac^ Cö?tfli Sl^ru / biciöclitocfenbe/ om onfcnt \ii\\ic 

ScnS acm gctoojbcn tj^raciUjoo^t Ijcm/cnbc !<^'töpa!btett 

ijcpt» bat gftp fjcm toiltgcïoobcn / foo i}cbbp getoonncn : 

L """Ïj* ^* ^^'^'^'^90 fcgOt Op / fön bc arme ban gccflc/ toant liet 

""" * rijchcbcc tjcmclciUioon Ijcn toeten tocbccom; Wtc 

u bic cöcft 3iit/bic f)tcr ijcbt utocn trooft* 

aimücncht Bcctötttt bc onliupfOcpbt/acnfcIjoutocnbc be fup^ 

hSfrfs beröepbtbanCiJ^iltu^utoen^altgDmaecöeiv t)iz 

ni/utoeon* möcgl)t getoccfi ii^ / enbc een magct boo^fijn IBoe^ 

ftupfcijept* becgcfiofen ö^cft* l^p t$f een onbebtecftt tammeüen/ 

enbc bie Dem ober al toillcn bolgen bat fijn al maeg^ 

ben.^I^'t faechc bat u be tocllufïen aenlocften/ïjoo?t 

Matt.^. 8cm feggen : <;§alttl) snnfe bic b20cbiali m/ toant 

fp fullen bectrooft too^öcn^cn anttooo^n : <a geftrup^ 

(len^efu/ otoaecacljttgcgOenemjlitc/ oonfp^elic^ 

lijcfee foetigljcpt/berlolt mp boo^ u bierbaec bioebt/ 

ban befe leeltjtlic enbe fcOanbige fonbe/ ^Hmen. 

^tcit be €egen be riijbigljcpt fult gl)p be licfbe €lj?f|li fïcl^ 

Jicföc«i)?i^ Icn / bie ooch boo^ fönbpanbenDcmgeujeerbigOt 

w**rth?"* O^^ft ^^ bittere boot te fmafeen.^Ujg fp^eecltt <6obt 

Spot, almacDtigO in bcTer boegen aeu: €) mijnen aobt/ 

ban «/ in u/ enbc tot utocn bienfl iö Ijct al/ geeft mp 

een toaeracfttige liefbertoant ïjict boo? fal men !ien? 

ncn bat top utoe bifcipelen 3ün / i.ö 't faecöe Dat top 

malftanberen beminnen. 

Cl|2iflujcJ bic becfacclit enbe treet met be boeten be 
fonben ban gulfigbepbt / ai^ Dp aen begalgebesi 
htu0/ m^t galUenb^nsön Deeft toillcn geiaeftbJiJt 



Van Bekoringea 24^ 

fcn-UenfcDoutot ïjem/cnöe aöp fult öcfont tDoabcn,- 
|)002t Ocm oocft fcaijcn:^3(igO ^ijnfc Dtc fjonoenglj ibidem. 
5Ön"/ cnbe bo^ingö na^c ö^ cccötUccröigöcpöt/toant 
3P fuUcn beriact lö02tïen. 

aecrt ban Cf)2ifiu3f öi^ fo berbulbig en ïanamoe^ «mfiet 
trtg iö/öc gcamfcljap temmé. en berbjaegtooc d^on^- ?iEL„, 
tallöBefonöen en lajlcringé öec menrfljen:lMant öp È^eptmcg 
öitban ons? begeert/ feggenbe: 3leertban nipj baant utocgram* 
üfe facOtmoebtgö ben/ eiiöe ootmoeDig ban öecten- |"°f ^s* 

gUö 't faecöe bat u be traegïjepbt obcrbalt/aenfiet ^-^^^^ 
uWn ^altgömaecher obeclabcn met fön hxup0/m 
toat bp al gebaen beeft om u faligO te maèen,- ftoo^t 
Öem in hcfa boegen tot u fp:eften : Ban mijnececfte 
joncööcpbt öebbc ith in aïbipt^m gcbieelt» 

Ghy moogt in alle tenrarienjdit gebedeken gebruycké. 
/^ Hy beproeft my , ó Heere, oh ick u beminne, endc 
^^ nochtans niet boven mijn vermogen. Ick wete wel 
dat ick fonder luve gratie u loude verachten , die noch- 
tans al mijn goet zij t ; ende dat ick fal moeten eeuwe- 
lijcken betalen eene genoeghtevaneenenoogenblick, 
eedaen om mijnen alder-friootften vyant te behagen. 
Ik heb dan gefworen en voor my genomen t'onderhou- Pfal. 1 1$. 
den d'oordeelenvanuwe rechtveerdigmakmgen.Weeft 
mijnen hulper, eü enverlaetnochenverfmaetmyniet. Pial.26. 

Andere middelen. 

'T* €n eetften/ obcrfegbten booafiet *0 mo:gen$?/fo ^2amt 
-^ beel aI0 't u mogelijcö i^/utne gebacbten/tooo:* ^«^ "^°f 
ben/enbe toercfeen ban bien bagD:enbe jltect be felbe S^fsüi 
ter eecen 43ob.ö/ met een bafi boaanemcn boo: 43ob/ a^mm/ 
boo^fijn öeme(fcft öep2/enbe namentlijft boo^ utoen töoa^öm 
^♦O^ngel / bat göp in geenbec manieren be <0obbe^ SSö 
lijcfee üBajeftept/ M\Un$ enbe toctenöen begeert te 
becgrammen/oocö met be alberminilc fonbe/ jalie^ 
bcc foubt toilfen be boot flcrben/ \ian fulcftö te boen. 
€en ttoeeben/bcrtoecfu in u felben een toaeracfttig mvbjtckt 
leettöefen/bpfonbcrlöft ban be fonbe bner göP toe ge^ utt\ntm 
tenteert to02bt/ iwi^m gfjp in be feibe fomtjjbtfi^ ge^- ?n^„h-^n:,^ 
ballen 5Öt. €en ttoeeben/ berfaecfttbefaetfee/biebe '^ntoe 
oojfafee i^ enbe Ijet boo^toojpfcl ban be fonbe : toant s? tÊntccrt 
l^it be öoo jbe i^ / toaer mcbe top getrocacn too^bcn ^^^^* 

1^ 3 in 



i46 Denl I. Bocck. Het IIL Cap. 

ni onfc beöcrbciuffc/enöc öcfe moet in aile manieren 

nfgcfncöcn too^ben : nocl) top en moeten niet belas 

ben toefen / al blijft baec naberbant nocb eenige af;^ 

fectte oft gcboelen ban.lBant <0obt acnfiet ijet IjeC' 

te/ 't ^p in 't ooet/ 't 3P in 't quaet/toeleft fjp oocb al^ 

leenlijclt fal bcroelben of ftcaffen. ^ocl) en ontftelt u 

niet ter oo jfaccben ban bemoepelöcliftepbtbe^bp^ 

antis : niemantentoo^btoeQu^tftoanbanfpfelben 

oocftinbefenftröbt. 

fDapf Mt u rCcrt berben/neemt ben fcöilt beö geïoofjeJ/en ber ^ 

met öm \iitcl\t \]ct felbe in u/aenbacbtelijcb Jefenbe be ttoaelf 

QtiaaT/ nrtüclielen beö geloof^ef: en befen menfdj foube moe^ 

^ ' ten toel ftertnecfeiöD toefen/ tit niet en foube be^ 

toeegbt too:bcn boo^aüebegrootetoelbaben/ tiiz 

ftier in begrepen 3ijn : enbe Oierom i^\ batmen Ijet 

geloof aen be fterbenbe menfcöcn boo^leeft : ^it ijS 

oocli bat t>m 3£poftel raet/ J^eemt aen ben fcljilt bejS 

gcloofö/toaer mebetopfonben mogen allebebpert^ 

ge ptjl^rt ban ben alber-booftcnuptbluffcfjen» €en 

ttoeebcn bertoecftt in u bope en betroutoen op ^ob/ 

enbe miftroutoen utoe^s felfs?. (€en berben/ oocö 

liefbe/ ftct toeicfe glip infletftonalbus^fult mogen 

baen:S!cït geloobe u/o ^eere/icfe betroutoe in u/en^» 

be icli beminne u upt gantfcöer Oerten : toant ban u 

tot utoeu eercn/enbe in u 5ön alle bingen» 

Mftrofot ^^^" bierben/aenroept belgepligen/bie uptgefc8e== 

öc 4epu« nen Oebben in be beugöt / bit utoer tentatie contra^^ 

gm/ Die rte i<s/en fonöerlingl) be ]^.|Bageti^aria/bie in ber 

«Khhm toaerOettbt i^ gelijcöeenen leger in lïagO-o^b^e ge^ 

initSt ftclt : lE^eel fijnber bit grootelijcbö geOolpen m öc^ 

conttatie tocejl in ben ftrijbt ban be fonbe ber onfupberbepbt/ 

aen utoe |-qq btr[itoi)ï$fals?fpbel^.|Baaetaengeroepen Ijeb^ 

ttntatit. ^^,^ / ^^,^^ ^^^^^ onbeblecöte <antfancftenifTe. 

macht u '^^ï^ bijfben / en oo^beelt niemanben ban eenïge 

ba pemant fonbe^ toant bcfe fententie ijf toaeracljtigb:ïï3aer in 

te 002ÖCC öat abï' cenen anberen oojbeelt/baer in bertoijtl gbp 

aZmn " fclben. (gnbe baer en toon bp na niemant gebons 

gcao:t)eeit ben/ biebitiufpfelbenuietgetoaer euijf getoo?ben. 

iüojïieiu 3©'int n.ier bet recbtbeerbigb oo^beel a3oötj^/ too:t 

Rom.2. f^ji^^^j bcfelbc beftoringbe bebocbten/ bie eenen 

autseren ftraffelDCfioojbeeitenbomufl» 5filfoolefen 

top 



Van Bekoringen. 247 

hjï) in öet ïeben ban öe a^uöt-baöctj^ Qcbcun te te- vft* ra. 
fcu/al^ tmm jon^dimh föne beïioringc ban onfup^ ^'^"™- 
\)ctï}cvt cmzw ouDcrïincö becopenbacrt Daöötvcnöe 
ban öèn fdben acaffclijFi Decifpt ftaböe getoceft/ bat 
bcfen oubecliucö naöeiDant met be ftibc gcoote(öï»i5 
oegucit enöc bP nacc obectoonnm i^ gctoecft.lBacc 
be bmxxijtm^cinlkn bccmDcctigljept bcftoccbcn. 

Schiet-Gebedekens. 

HEere ick lijde gewek, antwoort voor my. Ifai» 38. 

In u Hecre heb ik gehoopt,ik en fal niet befchaemt pfal.30. 
worden in der eeuwigheydt. 

In ons,o Heere,enis fo grooten fterckheyt niet, dat wy J'P«-2o« 
defe menighce fouden mogen wederftaen , die ons o- 
vervalt;maer als wy niet en weten wat wy doen moe- 
ren, dan en hebben wy anders ni£t meer, dan alleen 
dat wy onfe oogen ftieren tot u. 

Godt hebt acht tot mijnder hulpen, Heere haeft u , om Pral.69. 
my te helpen. 

Verlóftmy van mijne vyanden, mijnen Godt, endevan^^aLsS. 

, de gene die tegen my opftaen verloft my. 

Heere in uwen naem maeckt my gcfont, ende door uwe Pfal.n. 
kracht, fo oordeelt my, want de vremde fijn opgeftaê 
tegen my: ende de fterckehebbê mijne ziele gelbcht. 

Verlicht u aenficht op uwen knecht , maeckt my faligh P^^'- 3»« 
in uwe bermhertighey dt. 

HetIV. Capittel. 

Van een vyerighe begeerte te verwecken tot fijnen 
voor tganck, ende tot het gebedt,door fevenbemerc- 
kingen,oftver\veckfelen: waer af d'eerfte is hetaen- 
mercken van ons eynde, ende van de tegenwoordig- 
heydt Godts. 

GaBlrjc&crtoijjf bat ben gongcr niet aïïcen een al^ 
ber-be(le fauffc ban De fpijfé i^/ maer ooti mebe 
gcDOtelijchjÈï bïent om (jet licljaem te boeDen en t'o»^ 
becbouben/aïfoo befoelöcöen tooaben be geefïelijcfie ^!^^l^y^^ 
ocffeningen feec betboo^bert boo^eenebperigebe- ^ettte/i^ 
geecte/ maer boben al Det gebebt; mtit fcQ toonneec tm soc* 

a 4 fP 



248 Den 1 1. Boeck. Het I V. Cap. 

te faufTe fp fj^t ocöetjt Uoojgaet / foo gljceft fp aen f)att eenett 

utii gcbcté (joeticn öeiic / cnöe fmaccö / enöc maccöt bat {)ct öcc 

xiaixaó. ^jg|^ pjofijteUjcli 3p* ^it DnbDe onttDöffdücb^!' 

fataovöoen ()p fcpöc: iBjjne ^icU öeeft u begeert öejS 

nacl)t0 / inaecooch in mpen geefl m mijn binnem 

fte / fal icli öcoi moigeujOi tot u loafien. ^^uss toep?t 

ijanualletraeaOcpötinDe oeffcningDcn öeröeucö* 

tfaim 80. ^gi^ ; doet booiftict gcbeDt öoo: begeerte utoen mont 

open/ enöe öen Igeec fal Dien Deiöüllen / cnöefal qz^ 

ben be Oegeccten utoeie^ Ijerten. 

©oflj ftb? ^^^ ^^<^^ begeerte te bcrtoecften/foo fuït gDP aïs^ 't 

bfinmhiu. u goet-buncften fa(/ eenige ban be feben nabolgenbe 

ec \ijo?t Dit öemcrcfeingcn geb^uprftcn/cnbe alfoo bicïitoöljcJ/aljS 

toeïöjctKu gi^p y ^jji^jgy geboelt te berfïappê in b'oefTeningé bec 

<Ö5obbnïcDttgfjept/ fuf t gOp fjier af eene nemé/toaec 

mcbe gfip u fclben toacher en öapper foubt mogen 

ïcrem 48 maftcn in Den bietjfl ban *0obt almacluigl)» a©ant 

i.cor,V bcrmalebiit i$t)cn mcnfcï)/bie öet tocrh öc0 ï^ceren 

boet onafï)tfaemlijC&: enbe eeneabliiben gïjebcr bc^ 

mint v6obt/ notfj Ijpm begeertnietbatmé Ijem tiU^ 

«e «pt b^ocf Dept/ oft upt noot/ maer b^^pUjüIigiijclf^ 

i.®oo2 ijct iCcn eerften/ fo (telt u felben boog oogen öet epnbe 

tpiiDeüau toacrtO0batg6pgljercöapen3öt/ enbe bobenalbe 

^InJfmht <öobliic&e tegenbJ002bicfjepbt/töelf öe boogflellinge 

Dc tMenr ^^ ö^ft^ ^^ "^"^ Ö^f Ö^^^^^ boïèomelöft te boen.HBaer 

tDoolöis* af tn't bgeebe gefpgofeen 10 Dier boben in ftet i«€ap» 

^p J{ enbe naberDant nocij bgeeber gefpgoften fal toogben» 

a ©at bit ^'^^" ttoeeben/oberbencfit röpeijjcli bat bit toerfe/ 

inogtiijch bp ejccmpel/ u gfiebeb/ ïjet laetfle fal toefen/ bat göP 

utDe laet^ tïocn fult/enbe be laetfle occafie fal sijn om 43obt al=f 

ttt uw i^* niacDtigfj eencootmoebiglje requefte te offeren boo? 

utocmiiöiglje falicOepbt* 
7 ©00' be ^^«^^^ berben / f iet / tjoe beel qnaben bat u ban alle 
ömftaeaüe öauten omringüelen/ban be toelcFie gijp niet en fult 
quaocu öonnenberlofttoo^ben/ 'tenfpfaecfee batgïjputoe 
4*ï®3a'be toc-blucijt neemt tot bc beagötenbc Ijct gljebebt» 
»«cu.:,cpDt (€en bieraen/aenfiet be bierigbepbt Der Igepligett 
öer^» enbe bcrtüccltt öier boog u toe flflppigfjepbt. 
U IS '^^^^ bi)fben/(aet u boogjtaen bat gijp utoe moebec 
bièuiDc g/. be i^. :aerche n« ban allen ftanten bebocbten / Ooo?t 
icöciitsp fvggDen/ bat gijp lUoeclielücö boogt.0 foubt toiUen 



Van de begeerte rot Voortganck. '»49 

(jaen m öebeugl)t/cnöe tiat güp Oaci: niet iiltjc gebe^ 
ben te Dul^J^ fonöt Uöüïen fiomen ; jae öat mcec tö / 
oijecleaOt üoe öat €(j?iftiiö onfen ^aligHmnecfeer/ 
bic t'onfec Itcföe nt'tDooa«-tocccötgl)l|.<§acra* 
ment öci» getDecröigtit öccfi met om te ülijUen/ fp 
feibcn onöertoo:ptoiuaaijcfteï: injucien/bie fjem be 
gotiöelcofc öaghelijf hjS aenboen / t)k gDp öoo? een 
gepligl)enDc45obtb.2ucDtigö ïeben/ enoe boo^B^t 
öcbeöt mceiïenöcel fbubt fjonnen beïctten» 

€en fcften/ gfjPenfuU ntetminbcclDccïJttDO?^ f^^?,^^^ 
ben boo2 bc groote begeerte ban be 3teiFten.cJ tn 't ba^ tieT^thtt 
gebpeu / t>it utoe fjulpe berfoccften : ocO Doe <0oöt^ bagifcbpcc 
b2ucfjtelflfftenöep:ofijttg[ïïijcFtfoubenfpeeneupre o"fe sebc 
obecb2engen/ töaertfaeche bat befelbe öacMieben ?o«ünu* 
öegebentDicrbe! 

(€en febenjien/ ïact u booMiaen h^t göp aen^ Sr^°?rP^ 
fcDoulöt be nientgfjte bcr 3f elen/ bie berloren gaen/ Siien / 
cnöe arbepör om befeibe te Dcipen b,co,:utoc öDebe- me teria» 
ben enbe anbei:fin32f» «» 8^«»» 

Gebedtbefluytende de voorfeyde verweckfelen. 

\M Ynvleefch ende mijn herrezijnverdvvenen,ó Hee- ^^^^™ 7^ 
*-^-*'re,mijnen Godt, verre van mijne faligheydt zijn de p^^^^ ^l" 
woorden van mijne mifdadcn. O Heere , wanneer fulr 
ghy ' t aenfien , ende wederom ftellen mijne ziele van de 
quaetvvillighevt mijnder vyanden,ende van de leeuwen 
mijne eenige? Siet mijne krachten hebben my verlaten, 
ick bidde u weeft gedachtigh wat mijn leven is , fiet ee- lob 7, 
nen windt is mijnleven,ende mogelijck is dit de laetfte ^ 

ure,ó Vader der bermhertigheyt,mdewelckeick in tijt 
van ghenade u mach aenfpreken , ende yet doen t'uwer 
eeren. Sy zijn vermenighviildigt boven de hayren mijns Bern. ferm. 
hoofts,die my quellen, ende die my haten Tonder oorla- H*»» Cant. 
kc. Vreefe ende bevingen zijnopmy gekomen,ende de 
duyfterniflen hebben my overdeckt , het en luft my niet 
te lefen , ick en hebber geen vermaeck in ; ick en vinde 
mijne ghewooneiijcke meditatie niet. Eylaes ! waer is 
de dronckenlchap des geefts > waer is de gheruftheydt 
endeblijdtfchap des herteneden vrede in den H. Geeft ? 
Mijne ooghen zijn ghekrenckt , opwaerts iïende naer l^a»« 3'» 
de hooghden^ wanneer fal ick verfchij nen voor uaen- 

j^ s fchijn, 



2^o DeiiII.Boeck. HetlV.Cap. 

la . 1 10. fchijn , in den ract der rcchrveerdige , en vergaderingc 

uwer Hcy]i^2;cn, die in de liefde zijn brandende ? Inwac 

lïianiercralikmiine Moeder deH.Kcrcke,die hulpeva 

Sjc b". ^^y vcrlbckt^bchulpfaé konnc wefenPhoe fal ik vertroo- 

Qttnc öcc ^.^ deziclkens,die in't vagcvyer zijn, die mecu getrout 

<ÖOD-rani* zijn ? Wie fal my verleenen, dat ick van de bedervenilfe 

licnöcjieU» fal mogen belette fo veel ziclejdicmetudierbaerbloet 

gekocht ziin, over dewelcke de helle haren mont open- 

gedacn haddc.Ick bidde u Heere,dat ick u mach opdra- 

ghcn cencn reuck-offer , die aen u Goddelijck acnfchijn 

weerdig zy , en dat ick mijn eygen leven mach beteren. 

Verhoort my hacftelik,mijne kracht begeeft my,en uwe 

bermherrichey t is goedertieren. Aenfiet my naer de me- 

nigvuldichey t uwer ontfcrmhertighcdcn.noch en keert 

Pfal68. uaenfchijn niet afvan uwen dienaer, mercktopmijne 

2iele,en verloftfe; om mijne vyandê verloft my,gy weet 

mijn vcrwij t.en mijne belchacmtheydt,ende miine ver- 

fmacthcy t,in u acnfchouwen zijn fy al die my lijde acn- 

doc.Is 't dat ghy u geweerdigt uwe oogen op my te flaê: 

Pfal. 67. gelijk wafch verfmelt in de tegêwoorcügheyr des vyers, 

Ib fulien vergaen alle de fondacrs , en mijne vyanden va 

uaenfchijn, en ickfal u ,0 Godmijnen Koninck verhef- 

fen,en uwen naem fal ick ghebenedijden in der eeuwig- 

hcydt,ende inder eeuwiglieyt der ceuwighedcn, Amen. 

Meditatie van deflappigheydtende craegheydt. 
HetgctvoonltjckbereydcndeGebedt. 
Y) E voorftellinge der filaetfe. ^ict DObett U/ gcUjcft Cft 

^^ den ftcmel open toacrc/enöc aiöaec öc l^cpltgcrt 
l)att ber[)cuaen/om ccncn arbcpbt tic tcntn ooacn- 
blieft oficöucctOceft ,• enöc onbcc u öe bccöoemöe/ 
Dupïeuöe obcc bc aOenoegöunbuootït tmm ftct 
hoitm tijbt gebucrt Dtbbm* 

Het Gehedt, dX^ Doben^ 

Heti.point. %tmzu\Mtm 0cc(lcn be ff fiabc bflii 
Ecci. 33 . be traegljept -, toant bccl Quactö öecft be ïebigfKpbt 
oOcïcer t. €nbc fp hitm\)t öobcn al/ ben mcnfcB m 
©ctfdjep*» pcrijcftdbangcobte eitbc fuaacc fonben ; toantfp 
^^Vf'Z onbcrUjojptbennienfclj alberiep beöoringften/f? 
"c up t Dc b^zm^^x boo^j^ b?oef ftepbt enbe armoebe/ boo? bteit 
tracoijcpt ti^mm bcronacDtfaemt tcjaepen entctoercöen / 



Van de begeerte tot Voortganck, l^i 

alc? ben tobt fulcöc^bercpfcftte* (^en ttoceben/ ftet 
lö gcUjch ccn motte ban De beugljben enbe berbien^ 
fien/ gljemcrctitbataUe bingl^enfiiecboo^flnppe^ 
lijcö enbc onbolmaeclïtelücï» booat-oaen (toant 
ben menfcö tooabt oelijcft eenen fiecfeen tot alle btn:» 
gïKntraeöft) fpberbo^tbeocefteUjcfee bectroodin* 
gen/ fpberbultonö metpbcle üegeerten enbcbets 
nioebch: tenlaetffen / bermaleböbt ij5 ben menfcö 
hit öet toercfi <6obt^ onacfnfamelijcliboet: enbe 
öenl^eece begint tiaer-iietien uptu b^afeen upt fö^ Jnj^ulv 
nen monbt ; enbe be ponben bte On gegeben ïjabbe/ '* 
ontneemt (ip ben onacfufamen/ enbe geeft bie aen 
ben neecftigen/ bie ponben Dabben» (€en berben / be 
traegljepbt baengïjt ben menfclj op 't perijdiel ban 
eenen ftoaren bal- 5Bant göelijcB Caffianuef feec 
toe! fegöt: IKen moet Ijem niet laten boo^fiaen/ coiiat.6. 
bat ïiet eenen fubijten enbe on-berfienelijcfeen bal"P-7- 
i^ I alfmen pemant fiet ballen j maec bat m fiem be 
fonben allengïiffeenö bermenigObulbiglienbe/ tot 
befen jammeclijclien bal fjeni gebiocöt tjebben,f€eu 
bterben / b'albecfb?aertlc ijs / batiec groot perpcöel 
tiS/ban nimmcrmeec ban be traegfiepbt enbe lupig^ 
"^tp^M op te flaen. aBant "^iz in fonben leeft/ en fieef t Greg. in 
RetbetroiibaennocBnietbeclooren: maec \^\z 'naer ^j^^o^-c^p- 
fijne belieeringe berflaut \$l ficeft ooefe be öope ban 
föne befeeecinglje benomen. vDerebene öieraf ij^/ 
toant upt be tcaegöepbt fpjupt eene guabe getooon^j 
te : enbe gljelijcfi ben % fCuguftinu^ fegljt / alfmen üb. 8. con 
berggebjoonteniet bebec-ftaet/ foo bolgöt baec^^^-^^-^ 
ben noot. ^emeceFït fiiec-en-boben bc baeugöben 
enbe blijbtfcöappen ban be bperige menfcljen / enbe 
baet-en-tegljen be moepelijc&liept enbe guellingfien 
ban beflappe enbe onaclitfame: toant {p 3ön gBe^ 
btoongöentebjagljenbeniaftbanbenbaglje/ enbeMauh.20 ; 
banbeöitte/ enbefpentoo^bennocïjtane? nietbeel» 
acOtigl) ban eenlgöebeflanbigliebertrooftingöen/ 
cbermit.öbatfp gljebuerigölöcft göep?aemt bjo?^: 
ben in öun gfjemoet / enbe om bat fp göeftelt 3rjnbe 
tniTclien be bliibtfcHappen ban a3obt enbe ban be 
toerclbt/ gfiecn ban bepben en lionnen gfienieten/ 
enbe oberfulcFi^ gljeb^eben to02ben booj onbec^ 



in Den 1 1. Boeck. Het I V. Cap. 

• pcrm6.de ö^agtiöf ftc Ocgcei'ten^fo bat Den %^eniarbuc? tocï 

ATcenr.Do. bciTct iipcfp^cticii : ^w öunchtuntet öat Ijctlcbcn 

ban öefc traoc nicnfctjcn/ fccr toel hetQcUhm macft 

too^ben bp be !jcl / acnafjcficn t)at tertoylen fiet bcc- 

ftant cnbc bc Dcgccctcn tegen nialftanberen (injben/ 

fPöebtDonaentDO^bcn nianneiijc[?e toerchen teboU 

D:enaljen/ bacc fp nocljtanji met oüeen mannelijcfee 

fpüfeonbecljouben too^ben i 

'j^tqmtt* Hcti.poiiu. föemercfttteneer|lenbefetooo2bcn: 

ki"eu/htt. ^^*^" ^^^^^ biegcen aoebcb^ucOt boontje? en brengt/ 

Siccheiiöe f^^ upr-gijc()oubcn tooiben. (€en tloeeben / ben ac^ 

ttot nrcE- bepbt / pemtentien / gOeüeben / onbecfjouben be^ 

'5}8Jjfpöu toets? on3e?<g>aligl)mafterjOf/ bteöp omutoenttotUe 

^ ^' gljcbaen Ijeeft / geenfinjsf tot befelbeber bonben 5ön' 

be.iCenberben/bearbept hictz i^epltgïien/2ip0ï^ 

flelen/lBartefaren/ omtotfiarefaitgöepbttegera:? 

htï\/ acngOenomen fiebben: btt te oberpepfen b)o:bt 

onjQf boo? eene nptnentenbe mibbel acngepjcfen ban 

t.io.c.2y. CafTianuö/bu^(!cïtmebebeï)antaen'tbjerch.25e^ 

iticrchttcn btcrbcn be bpengïiept ber gener bic Ijun 

tot ïiet {tlooflccltjch leben bcgöcben : aenfcöout met 

Ijoebantge Ijeerljjclt Jjept bc maegöben t^e toereït af ^ 

leggen. €en böfDen/ljoc ftloccfeelirït bat alle gefdja^ 

pen bingen arbepben. (€en fefïcn/ öoe neecfiigl) bat 

de menfcOen / tic bc bjcrdbt toegfjebaen 3ön / fiaen 

naer eere enbe rij cfibommen» ^cn fcbenfien/be ho^u 

iKpt ban ou^ (cben/enbe bat mogeïijcfe ficben fal f\o^ 

menbicnnacljt/inbentoelcfeentopniet en fullen 

2. <:or. 9. ftonnen toercfien.iCcn acfuften/bat «Öobt eenen blü* 

ben gebec bemint. €en negöcnftcn/ oberlegftt u\re 

E >hr.in2. upterften/enbebatbetijbtboo^Dppafreert/ bic niet 

A. 1%'^'nm tócberom te befiomen en i0i ^aerom beminbc/ fegt 

te Qi. I . ben faf igen €pft2em / en lact m$ inct niet onactit^ 

^ cbcu anr. f^em Ujcfen/op bat top tn bet ceubJigDepö gecne pc^ 

to -hfcim nitcnticcnbcöocbentebocn. 

to nicÊt. Het 3 .point.(Dbcrïegt Ooc bat bc i^.^cFijifture bt 

n jijerDfii ïcbigïjcpbtftraft. <ï^icbeïebia6epb'tbolgötiieibal:: 

Se 'S ^ bcrfotjle ; enbe ïnerom iö 't bat bit oocfe bc boof Ijept 

reniiai; ban ^oboma gbcnccmt b3o;ibt : enbe op een apbec 

oetficittc* plactfe: Wc tragljc falaïtijbt toefen in armoebe* 

t'. ï,?,ï; €en ttoeeben/ bemerelit bat ben menfcD^ gDeboren 



Van de begeerte tot Voortganck. 2S^ 

^ tot ben acöepbt/ Qclijth öen booei om tebltegen / prov. 14 # 
enöcöatcenen pegöelijcft loonfal ontfanaficnnacc fzech. i ^ 
fSnenacbcpt. (ScnbecDen/lJemcrtlHtUjatterinbcfe j;^^:^' • 
toereïdt öÖcUonöen too;tJt / öat fcDoon i$ ofi p^ofö* 1. co^. u 
tiQf^ I oft oocö beBagcUicfe / 't 3? <n 6o(i aft feleeöe^ 
ren/ Det toelcö fonbei: acDcpbt / oft ban onsf/ oft ban 
bc Decften oeöreg&en fean too?ben : jae bat meet ts? / 
ïiet toercht al / öcmd/ acube/enbe <0oöt felbe. iBfl ^ iom. 5 ;r 
nen ©abec toer ebt tot nu toe/ enbe icli toercfee/fegöt 
bendeere/ enbe foubt oöp betren traegïj enbele^ 
btgD toefen^ i^en biecben/aenmercfet bat alle (laeni^ 
be toateren/ enbe anbere binoljen / bte niet oDeroert 
en too?ben/ berrotten ; bat fjet pfer bot too2t/ia ber* 
rocfl/enbetoo^jbt onp^ofijtclncï^/enbc gelijcft ben ]^* 
SlmMftUjSfeoBt: ^e leöföDepbt tenteelt alfulc^^ sesm.iu 
fienmenfcfj/ "isxz oocl^boo^beel anbere (Irijbenmet 
ent](]?obectoonnen. i€enbi)fben/ aenfietöoe batbe 
traaöeenbeflautoemenfcöen/ öaerfelbcnin gwot 
perjjcfeel fteifen / om atle D^er berbienflen te berlte* 
fen/ m ooeö ban te ballen tn aroote fonben / en ban 
nimmermeer upt be traegïjcpbt op te (ïaen/gBelöcfe 
boben gefepbt \^ ; toant \^ Oaer-Ueben laten boo?- 
|laen/batfpBepligö5Ö«* boo^t^mebe/ ombatbe * 
öDenebiein (ebigöepbt ly^tt leben obeib^engDert/ 
fllbeilep befeortnglien onbectoo^pen vèw. l^ieroni caojarv 
fegljt Uw 1^. |BattfjeuiEf:ail0 be meufcfjen fïiepenfo? w'''^-^^. 
U Oet onftr upt opgfiesaept in 't mibben ber terbjen r ^"^' * ^ 
ö'Sfcaeliten 3ön totb'afgoberpc g|:.i2[?^ocöt aebaeelï Excd. 32. 
böojlebtgOepbt: cSamfoniiBïbertoonnen gêtoeefiy ~ 
<Dabib enbe ^alomon 3ön göeballen. cCen feften ^/ 
bemerclit bat ben ]^cece aenbe teercli-liebenben 
loon geeft/ niet aen bte lebigfi3öttj enbe bat foo b3i e Mat*. 2». 
gefparigOlicfe 3aept/oof It gcfparigfiïicli fal niaepei u 
^tXK febenften / bemerctit bm onepnbeUjcIïen p^ij ö 
banbeoöeeftelöcfeeneerftigïjepbt/ enbefcfjaemt ü 
batbetoereltfcDemenfcften om een perininerèen/jp 
eentefcö^apen / foo neer(ltgB3ön/ enbe gepöü;r- 
en-tegenfootraegft enbe onacDtfaem3ütomtbt be 
eeutoioDepbt te geraecöen» 

Pradijcke 






25:4 Den 1 1. Bocck. Het I V. Cap. 

Pradtijckc om de flappigheydt ende traeg- 
hcydt af re Jegglïen. 

3f tctc^ r>Dcrïc0fjt bc tcctficncn bait öe tcacaïjcpt en ilap^ 
^nw^" (OhcpötnUKt()imientlenteiM)eiten.(Cciuer^ 
ïrol niDc (Icit/a^nenfcfi^oomljebDcDanftDarebingcu; ftlcpn? 
(laiTi yig' iticrcöicl) en bectoojpen ban ()crtm toefen tn ftoarc 
Ijcp^ u falien/ toanftopen ban tot onsf ooet epnbc te oerafeen/ 
en Ijteconi öelcötcüeptfocchcn/en öcn tjjt berquifté. 
(Cen ttoccöen/ oeenen fmaecft nemen in 't oftenebat 
<6obbcI jjli ijef/niacc [jiec in licörelijh bcr nioept too?> 
benj flappclijFi ftcm öegeben tot Ijct oeb^n^ïicn ban 
be 1% c§af ï^^nicnten/ en öccnfinjS ^ijn beite boen/om 
ï^im^Jjcptit te becdrijgöen: traeaip en fonöec aen^ 
bacötialiepbt biöben : 5öneoogeen ten töbe ban 8et 
gebeJït / öectoaertjö? en bertoaectje^ feeecen/ fpoutoen/ 
ietten op be geb^efien ban anbcre/met befeïbcbe fijne 
becöen: gebepnfbeiijïisijne biecöte fp^efié/öet tooo^t 
<l5obtjEf ntet göeernê öooren/ flappelijcfe en om öaeft 
oO^baen te ftebben / 5öne confcientie onbcrfoerften/ 
met groote moepelijfeUepb fp felbcn berecnigcn met 
<0ob, (Cen becben/aeenen pber geboden/ focclien be 
' Oemepnfc0apbecmenfc[jen/omljctberb,2tctbatmc 
öeboelt te becminberenue feec op eenen anberen Ict^ 
ten/oo>bef en/en qmlijh ban Oaerliebéfp^elten- €en 
1 biecben/fp felben uptfto?ten tot Bet gemaö fijn^ lie^ 
i V^azm^/ oberbencïien be gfjenoecljten bec toerdtfcBe 
\ rtenfcften/öact na bedangen/niet letten op be goebe 
i nfp^ahcn/bie onö gegeben too?bcn/ om m^ tot een 
l rranger ïebcn te begeben/ a(-omme foecïien eenigen 
% nenfcljeiijcïicn troofï/ ge-cert toiUen toefen/enbe na 
ei :re te tcacöten.i^cnböfben/onadjtfaem toefen in 't 
g ene bat onjef geDoben oft gOeraben too?t/be omfian* 
bi *n en ceremoniën f icBteïijcft acöterïaten/ongfiefta^ 
bt cö toefen/ bc lUooflerlöJie toetten qualijcïJftónnen 
bo lb?engen/ traeglijcfi onberbanicb toefen/qualijcfi 
te \ J^eben 3ön op anbere bie beter 3ijn al0 top / Bern 
lati m boo^ftaen batmen elberiof bmt foube boo^t^ 
gae rt» (€cn feflen / eene (up- roepenbe (ïemme / eene 
ftca Ife/ onnoobigc en obcrbïocbige fp^icc lie, "^Bit i& 
me^ llenbccl gctioclié nrt ben n^. mxmx^u^ leim.ö. 

de 



Van de begeerte tot Voor tganck. 2^^ 

deAfcenf-Caffianu^eJ l.io.cap.2.34.itcm/ 1.I2.C.2Ö. 

27. ^erapöinuö ^inrianu^ f^at albuö : <Bcn flap* 
pgn mcnfcö fegöt: i« IBcn leeft nu ntct gOeiöcfe ecc^ 
tpötö be Igcpltgen Debcn / en fjp töo^pt eenioe pbelc/ 
oft ai-öli|üaöe tooo?bcn op/ öie bol fpotiJ 3ön / oocö 
meuögieurge enöe Icöiae moo2ï3en ; ftp gaet gecufle^ 
Irjcfebagöeiöchj:? acötcrtoaect^/ 1}p ontfcDnlöigÖt 
3öne loutDicljeptit / enöe noemtfe Difcretie / enöe ten 
laetfien/ ïp noemt öcfjooberöpe/ röptcïjeptJt» 

€en ttoeeben/ ïjett^f feer p^oföttclj ban èlepne fe.P 'i^i^ goct 
ften te beginnen/ bie (lanbtbajleUjcö te berbolgïjen/ ?Xt?'^?5, 
enbe niet beel bingen t'famen te aenbeerben : toant ^„lo,/ 
alfoo toaft onfen moet/ en bjo^bt gljereebt gemaecöt mant ine 
tot f tnare enbe gfjetoicDtigSe falien. S.ïlf. ti?^"^ 

€en becben / fpfelbeneenebjet (ïeïlen /oft belofte ^Iff^Vcï* 
boen met eenige boete te betalen/ af fmen be fclbe oft um muge 
fijn boo^nemen faï obertreben/ oft op eenige anbere ^"^/ ^^^ 
maniere. aJ^antnaecbegbetupaOeniffebanbeni^. SufuTt' 
2Cugu|iinu.ö/ ie? bit ben afbetbeftennoobt/ bie on?^ ^mirDitt^ 
totpetbatbetectj2f bbJingDt- .üBaec fjiecflaetgabe treuen. 
te tïaen / batmen t^it niet en moet aenbeecben / fon^^ 
beroem met 43obboo?ïjet göeDebt berabentefieb^ 
ben / aengftefien battec bp nae gbeene gSeefleïijcfee 
fiecbte göebonben en toon/ btefteerbec iöomte 
ööenefen/al^befe. <0öPfultï)iecafinberrcDcpbeii 
pïaetfen/ nocD iJ^^l anbece p^actijcben binbem 

Schiet'GhebedekeKs. 
Xifljne ziele heeft dorft ghehadt tot Godt de leven- pral,4ï. 
«^-* de fonteyne. 
Hoe langhe fuldy wefen fwaer van herten? waer toebe- ibid. 

mindy ydelheydt^ ende foeckc leughenen? 
Envervi^orpt my niet in den tij dt des ouderdcms, alspral.75.' 

mijn kracht lal vergaen; zijn, foo en verlaet my niet. 
lek heb gearbeydt in mijn fuchtinge , ick falalle nach- rfal. 6. 

ten mijn bedae walTchen, met mijn tranen fal ik mijn 

ruft-plaerfe begieten. 
Daer en is gheen gefontheyt in mijn vleefch van d'aen-* pf^im 37. 

(icht uwer gramfchap , daer en is gheencn vreede in 

mijnen beenderen van d* aenfichtmijnder fonden. 
Ick ben karij vich geworden, ende gekromt tot den eyn- jbid. 

de toe, alle den dach ginck ick oroefiijck henen. 

AEN- 



AEN^MERCKINGE OP 

HET V. B E E L D T. 

^ebooDttönaftenöc/ öet leöengaet 

boo^bp; toat/ flaetgljprepfere 
13 Emerckt dat den [a] tijt van ons leven 
onfeker, kort ende fnel is. Dit wort ons 
voorghebeelt door eenen ouden man met 
een feyfen^want den tijt alle oogenblicken 
vernieuwt en veroudert , ghelijck het gras 
dat afgemaeyt wort cnde aenwaft. Dus ge- 
bruyckt den tijt, die terftont voorby ende 
te niet gaen fal. Sijnen raffchen loop wort 
betekent door den [b] fant-looper van een 
ure. En aen eenen draet van dit broos ver- 
ganckelijck leven, hanght de eeuwichey t, 
die wort uy t-gebeek door eene flange in 't 
ront als eene circkel,geen begin oft eynde 
hebbende > waer in ons de doodt onverfie- 
nelijck treckt , oock die fulcks alderminft: 
verwachten. Want dit leven vcrgaet hier 
gelijk eenen[c]roock, eene bobbel,eenen 
pijle, fchip, vloet, vogel, hert, en blpeme : 
wy worden afgemaeyt gelijck het [d] ko- 
ren in den ooghft> enuytgeblufcht gelijck 
een[E]keerfre door het mmfte blafen. Dus 
moeten wy wakcn,want de[F] bijl ftaetaen 
dé wortel. Die wijs is fal defe leeringe on- 
derhouden en leven : ende hy fal alle fijne 
werken in fulcker voege doen, als oft defe f 
[g] ure de laetfte ware , fo den Engel ver 
maent; waer naer terftont de [h] eeuwig- , 
hey dr volght, geluckich oft ongeluckich. 



mm 



257 

Het V. Capittel. 

Van 't tweede verweckfel tot de volmaecktheyt;\velck 
is de meditatie van de doodt , ende hoe rafch dat den 
tijdt ons levens voorby-gaet. 

H(et U vomherotfel^dX töCfCH factlfcDOUtoCtl 't ÖC- 
nt in V^t öeelör uptgetrocfecn toojbt» 
^tt 1. gratie begc^rcn/ op tiat ööp fout mogen u^ 
toen tijdt enbe d'octafien/ öie u nu gegeben toojDen/ 
neet^elöcfetoaec nemen. 
Het i.point.^cnmedu tiatöft (ebcn/be rpcfebom.' Sap. ^ 

nwn / eeren / enöc loelluftcn booi-b? gaen/ gö^löcö 
«n fcDip/ een ribier/ eenen bogijel/ eenen pöl/eenen 
roocfe/enöecenc blcemc/t5Belcfe onis^^alomonfeei: 
toel uptgficöjucBt geeft / al^ {ip fepöt in Den pecfoon 
ban ben goDtieioofen : ^ileöe bingoën 5önboo?bp 
öJegaen M een fcijatjubje/ enbe o\^ eenen boo?-(co ^ 
penbenbobe; enbeaii^eenfcbip'ttoelcbbaertbco: ^t^m- 
een bloepenbe toatec / ber toeUfiec fpoce als^ 't boo?- p^j^t üjöj 
bP gjegaen \^ / niet te binben en i^ i nocfi ben toegD baK 
ban fönen bobem in be bloeben; oftgöeiijcfe eenen mm\km 
PÖlnpt-öft^fcpotentec göeooglitierplaeifen begbe- i^^f». 
beplbe [DCöt i0 terjtcnbt in baccfelben tocberoije- 
(loten/alfoo batmen fijnen Doo2-gancö niet en Jient: 
ölfoo oocfi top göebcren sijnbe'/ ïjebben terftont op- 
gfjeïjouben ban te 5öni toant beïiopebanbenon^ 
gobbelijcfeen \$ gjelöcb een iicöt tooïcjclïen/ bat ban 
ben toinDt toecft-göeboert b302bt j enbe gfjelncft \)tt 
bun fcbupm / bat ban be toatec- baren beirftcopt 
too?bt; enbe aï.ö eenen rooclit)ieberb>epbti.öboo? 
ben toinöt -, enbè gclöcfe be gebcnclicnilte eens^ booi- 
bP-gaenben gafl^ef ban eenen bag. ^uj5 laet cn.xj goet Gai. 6. 
boen tectoijlen bat öet tübt iö7 euDe (aet oniS taanbe^ ^°^"- ^*' 
len/tcrtoijlen bat top Bet licijt [jeDben/ op bat be öup^ 
(tecniffen m^ niet en bcbangen/cnbe be beure nu ge- 
floten 3ijnbe / niet en fiooren \^^i b?oebigD : 3S^ ^n luc. 13. 
^enne u niet* 

(Cen ttoeeben/toat baer ober blijft ban be eeuteen/ j©at «• 
laren / maenöen / enbe alle bergancbehjcfie bingijcn {Jf f^f öaei: 
alffe booa-bp 5ön/ niet met allen/ ban alleeneene Ifl^^^ 

^ blijbebpi«ti 



2^8 Den 1 1. Boeck. Het V. Cap. 

blijde oft b?oebc oOebacptentffe / ban batter tod oft 
Qualöcli öüeöacn w. l^ktom Oepepft u nu toat göP 
Ijan üepD^J in öccccutDtgftcpt üeocerttcberöüfen/ 
enöc in toat manieren dat oOp bajccn te bibben/ te 
lebcn / <$t. ©oo^tDaerbaec en iiof niemanbt die booi 
tDü.ö gljcreec feent Uiilt toefen / die lieber een unthm 
Ijiec / dan ftier naein der eeutoigOcpdtfoude toillen 
6anc!tetteren / fön becmaecö nemen / ende ööe-eei;i; 
totüen toefen* 

Het 2. point. <Dberdencftt 't gene aen eenfgBeban 

utoeliennitT^ onboo^f!enje?obecgï;eöQment$J/ ende 

beftent dat fjet eencn pegelijcfeen foude ïionnen gijt^ 

beuren / dat eencn anderen gbeftDiettie^jende ftelt a 

cxfarius. tlthz HU ül^ de iaetfle boo? oogben» CefariujS fept/ 

datmen elcben dag / al0 den laetfïen moet fcbicben/ 

Mi moet boegïjt gbp bet feibe oocb tot eicbe ure: ende aenge* 

«icfteurc j-j^i^ öat g(jp onfeecber 5ijt toaer u de doodt i$ beu* 

lactftc «^ toacbtende/ foo bertoacljt gOp de felbe op alle plaet* 

teneiu fen; aengftefien dat <0odt u in fulclter boegöen oo?<> 

deelt/ gljelijcb öp u bindt alö ïjp u roept/ fo onö ge* 

cyprian. tupgljt deu ^» Cpp^iauuj^. €ndealfooöangötaert 

eenebojte ure dicbtoijl^degfjeOeeleeeutoigöepdt* 

mxmti> ^^^^ gbdöcb pemandt die gOebangöen i$ / ende 

iiifTe» met d* andere ter doodt bertoefen/fiende d* een boo? 

d'ander naer/ban fijn 3öde ter doodt güefïeppt too?* 

den/ bem ntet en begeeft tot fpelen/maer let op fijne 

fafeen/alfoo toilt oocb doen. <ï^nde toaer 't bj? aldten 

dat pemandt doo? bergift oft fenrjn ffin leben foude 

moeten epnden / ende dat bemfebenb^oodenboo? 

defebendagben bande toeecbegöegbebentoaren/ 

ban de toeïcbcdaer een met f enfin gemengbt toare / 

met boedanigöen gfteboelen mepnöt gtjp dat bp 

ftemdageïtjcbj^ foude begfjebenom defe bjooden te 

iiutten i <Bft toaer 't dat pemant tot een bancbquet 

gb^tioodt toare/ altoaerbcm ebenbeel gbereebteit 

boojgfieftelttoierden/maereenbolbcrgtftjaf / met 

toateen b^eefe ( de doodt jHtijdtboojoogöenbeb- 

bende) foude bpdefep^oeben^ Scemt de felbe af? 

fecticaen/ ende laet u boo^llaen dat elcben dagö/jae 

clcbe ure utoe laetfte i^ I op dat gbp aldujs alle utoe 

teercfeen op fiet alderbolmaecbtpe foudt mogben 

den<> 



Van de kortheydt des Levens. 259 

öcnlegcïBen / naec ïjet keten ban ben $?♦ (CBomass / f^^r^fl' 
als^Opf^öÖt: <aotitöeeftcene anbcrc maniere ban moribus. 
boen/öoo^ De Uje(cfee Dp alle föne toercfeen op flet aU 
öerDooöDfi^ toel gemaccöt fjeef t : öefgeljjchen moe^^ 20? moe^ 
ten top alle neecftigD^pbtöoen/ om aiï^o«f^toetD""^'J^ 
fien in *t öefonbecop onieJ alDerbefte te toen ; upt öc^ ?"„ ba" 
geel öe öracöt Cft^tfti ons? ^aligöniacchecö / enbe mdccute^ 
metöe begöecrteban betnumpöerenDeenbedrij'ïöf^^^ïj^^ 
öenöe öercöe / enöe in ben naem ban onfcn ^cftep^ ^am^tZ 
pet : öOelöcöertoö^oftonfefaliöö^pbt/ enbeallc 
ö' eere 43obt^ / enbe fiet profijt ban be öDeJeele toe^ 
relbt/aen een toeccö alleen toacr BangDenbe: q\0 oft 
yjDp nimmermeer on^ss toeber tot bit toerei en fou> 
ben begöeben / nocB geen anber toercö öier naer eii 
fouben beginnen. 3Bant be mcnfcDen too?ben fon* 
ber gOetal bagljelöcfeiS ban be boobt berrafcbt: bix^ 
b^eefl al$ oft be boobt u alle ure foube oberballen/ 
cnbe neemt b'orcafie enbe ben tijbt toaer/ be toelcfe^ 
tenë boo^tJp göegaen 5önbe/ nimmermeer toeber^ 
feeeren en faL 

Het i point. ^emercfet b'occafie t^ie gfip nu fiebt/ 
ban te bibben enbe<aobtb2Ucfitelijc6 teleben/ enbe 
bat gijp ober fuleöiEf be goebe infp?aec6en/ bie u öier 
toe bertoeclien/nteten moetberonacfitfamen: toant ^'pmoni 
al i0 't t)at on^ leben berlengfit tooabt / baerom en ^amie. 
too^tnocBtan^bcn tijbnietberlengöt/inbentoelc^ men om 
ften bendeere onfer gfjebacl&tigïjfal toefen: toant tjcugt)tt$ 
Q{^ ftp oniJ göeroepen öeeft/ bn.0 b* occafie p^efente^ ^""» 
renbe/enbe bat top be felbe beronacötfamen/fo boet 
jÖP naberöanbt recötbeerbelijcö alief gp on^ oocft 
bergöeet. 3cfe Beö gijeroepen / fepb t fip / enbe gïjp Prov. i. 
Öebbetgljetoepgöert; icfe öeb mijn fiaubtuptgOe- 
fteöen/ enbe baer en toa^ niemant ï^ie baer op fagö/ 
bü0 faï ih oocö in utoe berberbenijTe laccljen. 3Bant 
toatfiebüentopanbergÉ berbtent ^ toatifferrecDt- 
beerbiger i 5Dp en Dooren niet/top en to02öen oocö 
niet beröoo^t : top en fiebben niet omgöefien / ï}p en 
fiet oocïi naer on^ niet om-€nbe onfen ^^aligbma^j 
feer bp ben ^. goannes? in 't 8. <Die ban <6ob ië/tiie loan. s, 
8oo2t be to002ben oBobtjg : bierom en fioon gbp ïjet 
felbè niet/ obermitiJ bat gbïJ upt <©obt niet en söf» 
^ z €nbe 



26o Dcnl l.Boeck. Het V.Cap. 

mud öcn ïtonincft .Snul tit Defcr boegen aeni^^aer^^ 
om baant öHp Det b)oo?tit bej^ ïjeecen bertoo^pen 
ïjcDt/foo ïiceft II ben l^cere oocft bertoo?pen/bat glip 
gfieencn iitinincö toefen en foubt ober gifcael. I^p 
fclnjnt Un tooo,2tbe.öi[5eerentebci:too2pen/ bief? 
fclbcn niet gereet en niaecftt geljjcö l)et beljoojt/ om 
be tlemme bed l^ecrentcliooren/ flappelijcft ftem 

, begcbenbc tot öet ^ebebt / enbe tot anberc <©obt< 

bniclötige toercöen / enbe albuö maeclu fjp fijn fcU 
ben ottbeQuaem om be<8obbelöcftc tnfp^afien font* 
fangen/ tic ben ^eere Oem alfbangegebenfoube 
ïtebDen/ toner boo? DP mogef ijcïi / enbe anberief niet/ 
tot fijne faüaïjepbten foube geraec ftt ftebben. Wawt 

2.cor 6. bp fepbt : 3n ^^\^ aengenamen tiibt fieb ith u bec^ 
BÓ02t: enbe onfe bagen en 3ijn niet alleen geteït/aen» 
gaenbe hit berganci?eliicfe Icben / maer oocö am^ 
öaenbc Det eeutoiglj leben. 

Gebedt om onfe wercken wel ende Godtvruchte-» 
lijck te volbrengen. 

lob 14. f^ Koninck der Koningen,,ende Heere der heyrkrach- 
^cn tijt ^^ ten^ghy hebt alle onfe dao;en getelt,dic niet voorby 
ban vmi* ^^ konnen gegaen worden,ende hebt geftelt den tijt van 
tSo2bp 10/ penitentie , den wekken als hy eens voorby gepalTcerc 
(it kan m lal \vefen,en fal met geenen prijS,of met geene nee^ftig- 
gcmDec heydt herhaelt konnen worden. Geeft^my dan gratie, 
Scthaflc" ^^^^^ ^'^^ ^^^ ^^" felven foude mogen inhalen,ende dat 
too^Oeiu kk terwijlen dat het licht is, mijne faligheyt mach wer- 
ken ; op dat ick niet te fpadc en bewecne de jaren , de 
merckt-dao;en,ende deuren van onfe pelgrimagie voor- 
by fïjnde. Èylaes ! hoe veel fijnder van mijn kenniffe,cn- 
de van mijnen ouderdom , die met de onvoorfieneli jcke 
doot overv'allcn zijn, die haer nochtans lieten voorftaen 
door haer fterckteendevromigheydt, datfy lanck fou- 
den leven! maer fy zijn gewaer geworden dat uwe kom- 
fte onvoorfienelijck is , 'twelck zy ons voorts o;eleeic 
hcbben,op dat wy alle ure gereet fouden wefen. Ick bc- 
geere Heere J e s u , nu aldus mijn leven,ende mijn Ge- 
bedt te beginnen,ende defgclijcken alle mijne wercken, 
als oft aen elck werck in ' t belonder geheel mijne falig- 
heyt. 



Van de kor they t des Levens. 25 f 

béyt,ende geheel uwe eere,ende hetprofijt van de ganr- 
fche werelt waer hangende , als oft ick foodanigh een 
werck noyc meer en loudedoen, ende geen ander en 
foude beginnen. Het is nu tijt van genadigh te welen, o 
Heere, den tij t van genadig te wefen is gekomen. Weeft Pfal. loi. 
dan uwer ontfermhertigheden indachtigh, want den 
dagh gaet ten avont wanneer darmen niet meer en fal 
konnen wercken. Konit dan Heere , ende en bey t niet, 
ende ontbint de mifdaden van u volck, op dat wy u mo- 
gen dienen in heyligheydt ende gerechtigheydt', alle de Luc. i; 
Sagen ons levens , Amen. 

Pradijcke om onfe wercken wel te 

fchicken. 

T€xttttfien/ fomtoöïm acnfcfjoutoeit ban cm 
becöcben plactfe/ ts? 't faecfte b.it bit alDus? ge^ 
ItQm tó / 't aene Den 3Büfe-man in 't f. tap. ban be 
pödDepbt enije Uerganchclijcfifjept ban al mat in bc 
mttlt i^/Uet fcöoon boo: oortcn ftclt/ obcdeggenbc <&betvipfï 
te toeten/ Boe beel batter inöien ilaetgeleeftlicD? toaecDatre 
ben / enbe toaer batfe nu 3ön/ f c. I^et toelr ö alfoan "" ^ön oi? 
meer betoeegfjt/ alfmen bint centge becbaüen t)up^ fimm-- 
fenenöefteben/ oft bataten biefpfelbcnbooaooïren benttna^ 
fielt : entic ïjict boo> falmcn fijn ieben bonnen fcöic- "" s^^^^^- 
fecnenbeber beteren. 

€enttoccben/ een roloftnaem-regifierfjcbbennoihüiJbc 
ban fön bjienben enbe beftenocn/ maer befonberlijcn ^^'' ^ön 
ban grooteperfonagten/ bietopplacljtengrostteEïïg^^^^^^^^^ 
acbten/enbefien toaer bat ben menfcöi.ig/ enbe fijne ' ' 
toereben : öaer gelijcb onberb^agcntoatgeboelen 
bat 3? nu beöDen ban be fahcn befer toerelt. 

Cen becben/ alle toel^en oft toel alle maenben/ o- ehcrirgiit 
berloopen on.s^ booafeben leben/ enbeonra!ipcöepe:= f^ vmzk^^ 

cijcbelen bit top boo^bevöobbelöcïieberm'liertia^nlfeomm 
Bept ontgaen 5ön / op bat top ïjier beo? fouben mó- 5öu 
gen boojficbtigfj enbe bperigfj too^ben. 

(€en bierben/ toatgelegentbepbtbattopgefjabt^fcnftcttfc 
Öebüen / enbe alö nu nocö bebben/ ban aDobtb^ucb' esiegtnttir* 
telijcb te leben/ Defonberliicb ie^^t facfïie bcxt\y)p Soöumcu. 
aenfien enb$ letten op begeuebieboo^on^gclccft ti^ijm. 



26z Den II. Boeck. Het V. Cap. 

Rcöbcn/cnbe bat top infien be hatttm tie on$J be oe^j 
ïjeclc toerelt befcö^ijben ; doe bat ben niee(ien-beel 
bejs toerelts^ enbe bec nienfcDen bciiocen gaet / oft 
boo2 ontoetcntöept oft boo? quaetDepbt» 

(Cen böfbcn/fointoölen alfmen in ben bienfl<15objJ 

lö op eenige öooge bagen / alle fijne toecc&en oDec^ 

ïbopcn/enbe bp fp fclben oberleggen/of top t}iz in bc 

ure onjJ boobtö niet betec en fouben toillen gebaeii 

ï)ebben:toan t bit öet becftant gcooteljjcfes^ becUcöt/ 

enbe ontfleeclu b^n toille» 

©encïtt in (Cen feften/ bicötoijl.cJ afó top peberj? ttoflffclacBjï 

j;|i"toe j^gi^ 11^ 3 jjj^/ cp öat top recljtfinniger enbe fonbec ee^^ 

StDitutoc ntge affectie mogen oojbeelenjOberbencfeen toat top 

laetfte ute fouben toiüen gcbaen Ijebben/ toaec 't faecfte bat bit 

»*• b'ure onfec boot toare : boojtoaer men foube licDte^ 

ïijcli fijn felben poeren om fönen bpant te bergeben/ 

om alle traegljept af te leggen/ be fBiffe op eene be^ 

f^ooilijthz maniere te fiooren/ omfönconfcientie 

t'onberfoeclien/ <$t. 

^rijicftt <Bt\^ ftaet te bemerc&en / aengaenbe Bet fcBtcfeeit 

üiit utoe jjan oiife toercfeen/ bat befe boo? al/ niet aüeen feöec 

toctcheiu ^^'^^ geftabigö en moeten 3ijn/aengaenbe be manie^s 

re i}it top geb^uptfeen om be felbe te boen/maer ooö 

mebe aengaenbe ben ttjbt: enbe batmen oberfulclijsS 

beïjoo2t te befo^gen alle goet/niet alleen boo? <©obt/ 

maer botlö boo^ alle menfcDcm 

(Cen febentlen / flet fal oocö feer pjofijttgö toefen 
befententieban ben ^Mt^otna^ i bte top boben \y^^ 
geb^acbt Bebben/t*oberleggen:befonberlijcö op bat 
top alle be p?incipaelfle toercfeen ban m$ leben boU 
maecftteUjcö fouben mogen beoeffenem jpaer Biei: 
af fullen top benebcn b^eeber fianbelen» 



SJoiet* 



Van de kortheydt des Levens. 26 J 

Schiet - Ghebedekens, 

f\Verieggende datter ontaUijcke:{ijn die op defi ure eewvelijo" 

^^ kenverloreytgaeriyjèghtuytter herten: 

En verdoet met den ongoddelijcken.ó Godc,mijne ziele PfaLif. 
niet rende mee den bloct-ftortige mannen, mijn le- 
ven niet. 

Wat is den menfch,datghy fijns gedachtigh zijt? of den Pral.l, 
Soon des menfchen,dat ghy hem befoeckt? 

Gedenckt Heere dat mijn leven eenen wmtis , Tegen lob 7. 
een bladt dat met den wint vvech ghenomen word, 
toont ghy u machtigheydt, ende een dorre ftoppele 
vervolghtghy. 

lek hebbe geleyt , in de helft mijnder dagen : Sier ick ifaiae 38. 
hebbe nu bcgonft. 

Weeft mijn helper, en wilt my niet verlaten, noch en pfal.25. 
verfmaet my niet,Godt mijnen Salighmaker. 



^ 4 AEN. 




264 

AEN-MERCK IN GE OP 

HET SESTE BEELDT. 

henriet öe pergcl^elett &te u aenKaenbe 

3Ön ban be cocrelöt / bupbel / foitöe / cnöe ban be 
tiDODt / ende neemt ttlne toeblucQt tot be ((3obt^ 
iJ^ucljtiöDepbt enbe fiet «©Debeöt aW cene b^p^ 
licpbt- 

TD Emerckt hoe dat [ a] de werelt, [b] den 
^ duy vel5[c] de fonde,met [d] de doot u 
vervolgen , ende neemt uwe toevlucht tot 
den gekruyften [e] Jefus y die eenen y.ege- 
lijeken minnelijcken tot hem noot , alshy 
fey dt: Komt tot my al die daer belaft ende 
beladen zijt , ende ick fal u vermaecken. 
Loopt oock mede tot [pjhet Gebedt^ende 
Gods tegenwoordigheyt 5 gelijck tot eene 
vrye plaetfe : aldus heeft [g] den heyligcn 
Antonius^ ende veel heylige mannen,door 
de wapenen van het Ghebedt , ghetrium- 
phcert over hare vyandenEnde [h] Moy- 
ihs heeft door het felve de Amalechiten 
oock overwonnen. Volght defen nae^ende 
gaet voorts met groote ende wijde fchre- 
den tot Chriftus uwen Salighmaker , ende 
wilt hem volgen : want die den naem des 
Heeren aengeroepen fal hebben, die fal fa- 
ligh wefen. 



H£T 



2«f 

Het VI. Capittel.' 

Het derde ver weckfel van de vreefe Godts, het 

welck is de meditatie van de perijckelen 

in dit leven. 

LJ<Êt i.voor-hereydtfel oft voorftellinghe der flaetjè , fOU 
3|Ct !♦ voor-bereydtfilOft Ghebedf, 

Het i.point.23emei:!!t ten cccftcn/bataSpbanane 
feanren Dodj üUjc Dpanöcn/ öe terdtJt / öen öupbel/ 
ftet bleefclj/ De fonöc / cnbc b' occafien die u baec toe 
bectoecöen/ omcingcU 3öti enöe öoe öatfe nimmer- 
meecopenöotïöenomute becuolgöen enöe te niet 
teöoen* (€en tlneetien/ Datfefeeimacljtigö/accöli' <8ijpf)cijt 
(ticïö enbe booö 5ijn / enbeöat gtjp oocö ben minften ^^Jf.^^\ 
niet enfoubt feonnenobertoinnen fonbec be öefon-'SiDCH 
trere ftulpe enbe bpfïanbt ban 43obt almacïjtigS, 
(Cen becben/ bemewöt J]oe bat be €ngOt'len boo? be 
fonbeupt ben fjemelöDeftooten fijn gfjeteeft/ enbe 
naberljanbt 5tbam upt öet aertfcO ^^arabijie? / niet 
tegOenfïaenbe batfe in be gratie <0obtjö göefcfjapen/ 
enbe (omfoo tefp.:cecèen) met onepnbelöcfie bpf 
(lanben becdeccfet toaren. vDu0 befo?gDt in alle ma^ 
nieren/ bat aftpbepölen banutoenbpanbt aföeert 
metbenfcöilötbantjet <3öebebt/ enbe ban öet ge^ 
ïoobe/ enbe be felbe albu^g oocö upt-blufcfjt/ feg^ 
ööcnbe: <8I|eere43obtberöep2-feracïjten/ I11pert2.par.20; 
Rebben foo beel örarör ö niet / bat top befe mentcïjtc 
fonben fionnen toeberftaen/bieoniefoberbalt,- maer 
aengïjeflen bat topnieten toeten toat on.^ te boen 
ftatt/ foorefleert onjs alleen/ battoponfe oogüen 
op-toaert3£fflaentotU4 

Het2.point. 23emercötbenbal/ ban beïe goebe Jftopuw 
menftöen/ biefcöenen colomnen be0 D^melsi enbe S^oötbiudi* 
uilaren ber Depliger öercfte te toefen / en bat naer naije» 
lat fp beel iarcn öcplicbUjcö enbe <6obtb^ucbtelöcfi 
rteleeft Dabben/ gtjeföcö göebaen Dabbe ^ofm/ 
itucifer/Calarttanu3ef/€>?igene3ef/(Certu(ianu!5/ic* 
ban foo beel lleligieufen/ bie ban bare religie/ enb^ 

S 5 ^^ 



Z66 Den 1 1. Boeck. Het V I. Cap. 

oocöbanïjct öödoof af-gljcba«m3ön. Wdmn 

öec toacrljepöt macdmen fcggöen / Dat ticoo2öccUn 

<3oöt.ö cencn on-oronDccilijcbcn af- oronht 5ön. 

^cnmercötoocfi / tjoe bed Jatter gfjebonöttiUio^:» 

ben/ biebpnaeopöetlaetflcbanfjaet: Icbcn leelöc^ 

fecngebaücn5ijndemïjoobe^röpc/ oft tn nppoccl^ 

fpc/ eUcnöelijcöen berlorcn 3ön gfjetöccft/ tiie nocD- 

tan^ boo^ficljttgïjec / toijfccenöe i5oötb;!uc!jngDcc 

toacen Dan gijp 3(jr. 30 't faccfee Dat göp De reDene 

banfuldienongeiucöen onDecb^aegDtDanDe igep» 

llgö^n / gïjpfult becfiaen / Dat fooDanige menfcOen 

öfgöetocften 3ijn ban een oprecót / fupbec enDe bpe^ 

rigö güebeDt/ enDe ban De neerfli gfjepDt / tit fp De- 

fioo^Den te göeb?upcften tn ftet Deoeffenen ban De 

beugfit / enDe Dat fp alfoo eplaejjl Doo? flare fïap^ 

ptgöeptenDe loutoigOept <0oDtjB?tooan enDe gram ^ 

^«n^p* fcBapobccïjaec geliaeït Oebbem <ÊnDe aengfiefien 

ömoo^ DattecgljeenefonDc gJebonDen en too^Dt/ Detoelc^ 

fP?onfh fee Den eenen menfcö Doet/ Dte Den anDeren oocft niet 

baiiDcu DocnenfcuDe / 'tentoaec Dat ftp betoaect toierDe 

^^^* Doo?De gratie <©oDt3S ; foo toeeft öïepn tn utoe ep* 

göene oogcn / enDe begeeft u neerfielijcfe tot i3tt göe- 

beDt/ enDe tot De <0oDtb?ucBttgöepDt. 3tlDu.9 Ijeeft 

ben ^. ^ntontuö gOetrtnmpöeert ban fijne bpan^s 

ben / t3n$ öeeft iBoïJfc^f 311malecb bertoonnen ; enDe 

ten laetflen alfoo becl alffer in Den öemel gftelucbfa^ 

ïigölijcli SaecberblijDen/fiebben in Defer boegen De 

i)d(e oberb^onnen. 

Het^.point. (^berlegötDefe tooojDenban CB?f^ 

fiu^ onfen ^aligmaöec gangenDe aen De galge Deiec 

Matth. II. crup$f/gdöcfi tot u gefp^oöenrï^omt tot mp gfjp al^ 

Ie Die bdaft enDe bclaDen5ijt/ enDe icö fal uberma^ 

Ffai 118 feen.<©cöftoefoetftinub)ebJ002Deninmönefeele/ o 

alDerfoetfïen gefu ï ttiaet öoe fuüen top tot u gera^ 

feen/'ten 3pDatgbpionj0S trecfet metfeoojDefieniefban 

ci32iftu^ 3{lDani/ met De ïioojDefeen^ ban lief De^ €recbt onö/ 

oTtö Ter ^^^ ^^^^^ ^^^ u / tot u / op Dat top mogen toopen aljsf 

muuieiöft» flerten/ nae De fontep\ten Der toateren/ Die nu alOiec 

bol DenautöeDen 31J0 / enDe toanDelen moepelicfee en 

onfel&ere toegen j lep^itoniJinDe toegen utoerglje- 

boDen/ 



Van de perijckelen in dit leven. l.^-* 

ftoben/enbe onbcctoöft on.ö banutoe paben. JBp 
5ijn/ cplaeö ! belabcnenbcoberlaametbeelfonben ; 
ftaet onö bp/ m\)t boo: bc glorie ban utoen naem/ fo 
berlo(lon$È/ nocö en bcracfit ontsmet/ o<0obt bie ^^^1.78. 
baer 5öt onfen ^aïigöniaecfeer» 

Ghebedt , op dat wy van veelderley perijcl»" 

len in dit leven fouden moghen 

verloft worden. 

MIjnevyanden hebben my van alle kanten omrin- Pfal.y^; 
gclt , ende eenê ftrick hebben fy mijne voeten be- ^^^^ 6. 
reyt,ende mijne ziele is t'eenemael verflagenjmijneoo- 
ge is van de verbolghentheydt verflaghen , ende ick ben 
veroudert onder alle mijne vyanden. Wie falmyleyden vfal 1C7. 
tot in de vafte ftadt ? Wie fal my verlofTen van mijne ^'^^- ^• 
grammoedighe vyanden? keert u tot my, ó Heere, ende 
verloft mijne ziele, maektmy gefontomuwebermher- 
tigheydt , want daer en is niemandt in de doodt , die u- 
wes ^hedachtigh is , ende wie fal u in de helle belijden ? 
Laetbefchaemt worden , ende feer krachtelij ck ont- 
ftelt, alle mijne vyanden; laetfe beroert worden,enfeer 
haeftelijckhenfchamen: Want denHeere heeft mijn 
bidden verhoort , den Heere heeft mijn gebedt ontfan- 
een. Gaet wech van my, alle die boofhey c werckt, want 
den Heere heeft de ftemme mijns wecnens gehoort.Ick 
en fal niet vreefen de duyfenden des volcks,die my om- pfaj. j j^ 
ringen, want ghy hebt my geroepen o Heere , ende ghy 
hebt mijnen helper geweeft. Staet op Heere, en behout 
onsaltijtjOp datonfe vyanden nimmermeer d'overhanc 
over ons en krijghen, maer datfe kennen dat dit uwc 
machtige hant is,ende dat dit u werck is,en ghy zij t ge- pfai. 9. 
worden eene toevlucht den armen , eenen helper inbe- 
quame tijden,indc tribulatie laetfe in u hopen,dieuwen 
name kennen ; want ghy en hebt niet verlaten de ghene 
die u foeken Heere j maer ghy hebt die verheven van de 
poorten der doot,op dat fy fouden verkondigen allen u- 
we looningen in de poorten des dochters van Sion. U is 
de forge van den armen gelaten,der weefen fult ^hy een 
helper wefen, foo dickwijls als hy u in het gebedt belij- 
den fal, ende fijne hand: op-hefFen in 'i heylighe, ende u 

gebene- 



268 Den 1 1. Boeck. Het V I. Cap. 

'[?j- lo. gebenedijdcn. Want uwe ooghen fien op de arme, endc 
^" • * *• om deellcndigheyt van den behocvigen, endc dat luch- 
ten der armen, fultghyopftacn, ende ons faligh maken, 
endc bewaren van delen gheflachce in der eeuwig- 
heydt. x^men. 

Pradijcke om de pcrijckelen te 
bemcrcken. 

<öbetïoopt T €n cerffen / obcrfoopt met u bcrfïant / bc oant^ 
bpufeibcii A fcijetoecelt/cnbeöatopecitcnfcherenöagöcnöe 
iia wic"m upr^ /ODelöcft foube mogen toefen onbcr ecniae fo^ 
iitmm lemnele Miffc / of Befperen / enbe bmiercfit alle be 
met öÉ- mtferien enbc ellenben / bte b'anbere menfcften / foo 
bï?£ bc.^"' tn be 5iele/ al^ in öncc Ircljaem lööen/enbe bebancfet 
bangcii! ^^^ %erc/ bat ft? u fiiecaf / booj eene befonbere 
|tln» c^^iïtie beb^ijbt Oeef t. 

(€cn ttDcebcn/aenfcrioutfomtoijlen be toerelt/al^ 

met (Icicfien afteöeelijcö oberbec fet : gödöch ben % 

^ntontu^ bic oOeften f^ttft ( befe ftricfecn 3ön bc 

treaturen/ obermitö bat ben menfcOmct Oacrbec 

ïtefbe Debangljen 5ijnbe / in be macöt ban fijnen bp^ 

flrtt ftomt) enbc pcpnfï in toelcl^et boegen hat gfjp u 

felben enbe een anbec foubt mogen ftelpen / enbe be^ 

felbeontgacn. 

fsefoeckt (Ccn bcrbcrt/ fïef t u fomtrjbté in ben bagft/oft ten 

!&12n* ttiinft^tt ^<^"ö^ bacgftjÊ? boo? Oet l^. Sacrament / ge^ 

mtttttiiDc lijcöeeneberfoen-plaetfe/ jaebatmeecis?/ gclijcït 

f^acgijt oft glij^ï in ben l^enul bjaert/ met een toacracfttigO 

^oö utocn geiootie/ enbe bjaegïit ben ï^eere alleen utoen ftv^^t 

cndc biöt op / ^tt W)?ijft fiem toe be bi'ctocien tjie göp bcljacït 

om utctas ftebt/enbe bibt om gratie/bat gfip foubt mogen toe^ 

«if» berflaen be liften mbc lagften ban ben bnpbel / im* 

tefleect in fijne ^obbeljjclie tcgentooo^bighept / bat 

glip tot geenber tijben boo? goet enbc bad ijouben tn 

fuit / al toat u boo^ eenrge menfcDcïiche hrancl^fiept 

faloberNomen» 



Schiet* 



Van de perijckelen in dit leven. 
Schiet- ^ebedekens^ 



169 



pjT Eere mijnen Godtin u heb ick ghehoopt , behoudt ^^^' 7» 
*^ '*' my uyt allen die my vervolgen, ende verloft my. 
Oordeelt Heere de ghene diemy hinder doen . verwint PW. 34, 

de ghene die my bevechten 5 neemt aen de wapenen , 

ende den fchilt , ende ftaet op totmijnder helpen. 
.Verloftmy uyt de handt mijnder vyanden, ende van Pfal. 30. 

mijne vervolgers. 
liVaerom 'zij t ghy Heere verre wech-gegaen , ende ver- rfal, 9. 

fmaet ons in de bequame tijden , in de tribulatie ? 




AEN- 



AEN-MERC KINGE OP 
HET VII. BEELDT. 






I 



S'tfakedatghyu-felven in eenige flap- 
pigheydt oft traegheyt vint, verweckt u 
door de vyerigheyt der Hcyligen: Aenfiet, 
hoe vycrighlijck ende veerdighlijck dat fy 
haer tot hetGhebedt, ende tot de Godt- 
vruchtigheydt begeven , [a] den heyligen 
Benediftus, Auguftinus, Dominicus, Ber- 
narduSjNorbertus,BriinoJgnatiuS:,Catha- 
rina van der Senen , Terefa, en ontallijcke 
andere. Siet hoe veel datter in de [b] kloo- 
fters^ende in de wildernifTe^Godt dagh en- 
de nacht loven ende dancken. Siet hier [cj 
den H. Hieronymus, hebbende fijne borft 
bebloedight. Aenfchouwt aldaer [d] Si- 
meon Stylites volherdende in alle winden 
ende onweder, ftaende op eene colomne > 
ende boven al [e] den heylighen Francif- 
cus j fmiltende in de wonden van Chriftus 
onfen Salighmaecker. Ende eylaes! [f] den 
fondaer blijft verfmoort ligghen in 't mid- 
den van alle de perijckelen die hem om- 
ringden. Hoort^hoort [g] den Heerefeg- 
gen; Waeckt ende bidt^op dat ghy niet en 
valtinbekoringe. 

Het 




"^r^ 



271 

Het VII. Capittei/w 

Meditatie van 't vierde vervs'eckfelvan deHeylighe 

naervolginghe , welck iscle vyerigheydt 

der Hey lig hen. 

De voorftellinge derfUetfe, OCÏflC» Itt get 23celöt» 
EetGebedtyai^btA^tn* 

HEt i.point. 23entcrcöt ren eerflcn/ doe Dat be ^sbcricg^t 
l?ep!ia&cn al^ (p öier op öe toecelirt iecf öc»/ een ^" '^^^«j 
goct öeel ban öaec feben ü\yztQ\]tb^atl}t Debüen fn 'r lm/tm% 
biöben enöe neecfïelijcfi Deoeffenen ban öe 45oöt' mDffeüjè* 
b^ucötigöept* M>P gingen ban bcugflbc totbeugöe/ "^^^'^"^ 
enöe en Ijaböen geene tufte mtlj öagft nocö nacDte : '„ i'fS 
maer fp focfjten ben l^eere upt gefieel Baec ïjzxw en* boojtgttt. 
bc met ben bpecigöen toagen / enbebperlge peecben saenjuH, 
ban€ftasf/ batti5tefeggen/metbpei:fgeenbeb?a«' 2^^l'^\ 
bcnbe begeerten toiecben fp op-toaectiSÉ geb?eben tot lcvü V 
fjcmelfcöe falien» 5Cüe öaer-Iieöen facrtficten toiec^ 
ben becb^ant met bat bper/'t toelcfe ben ^eere i^ ho^ 
inen fepnben op bec aerben/enbe begeert bat fietfeec 
foube ontfleöen bjo^ben / te toeten/ öet bper ber lief*' 
bc : enbe flterom bebben fp öaer tot be toilbernifleii 
enbe fjet i^ïoofierföcb leben begeben (foo bit beelbe* 
ben u bertoont ) op bat fp in be (tilte enbe eenigöept 
ban Set gebebt/te beter enbe te gecufter Baren ^obt 
foubenmogöengOenietem <8berIooptbefemetbei: 
fjerten/ enbe befict toatneerfiigfjept bat göp boet/ 
cm met^Sobtbereemgfjttetoefen* Centtoeeben/ 
mat batfe/fDo boo: öaer-fclben/ fo boo: anbere ber^ 
hrcgbcn Ijebbcn boo? fjet gfiebebt/ enbe boetoon^ 
bcrbare bingtjen batfe in alle elementen iipt-glje* 
tecljt öebben- ^oo?öetgöebebtöeefta3!ia«?benre^ ^Rcg.l8. 
Oijen boen opBouben/ enbe toeberom b'aerbeboen 
bcfpmpen/ eenenanberen fieeftboo^ bet felbe ben 
ferancben gijefontfiepbt beröregften/ ecnen anberen 
fieeft oocb ben boobcnöet leben toeberom gegeben» 
^enfiet boe grootelrjcb.ö bat a3obt almacljtigfj öet 
gebebt enbe be a3obtb^iicDtïgljepbt i$ toaer berenbe. 
(Ccn berben/bemercbt/in öoe grooteperöcbclen bat 

b« 



272 Den I I. Boeck. Het VIL Cap. 

bc wxt\ixt(t\)e mcnfcBen aefïdt 3ijn/ cnöe ïm t?atfe 
fonbecfo^öhe nocOtaujef / oocö tn ^t mtöbcnban \mt 
PaT.to. I.!. alDcrto^ectflc bpatiöcn bnftiiöcli flapen/ niet tcgm^ 
Marf'^ii^* lï^^ttöf ^»ïf ^^^^ ^Kccc oïi.ö foo bicfetöö!]^ bcrmaent 
Bern.fer.2. O^^ft ♦ ïBaccfit cubz ütöt / ofl öat öfjp tiict cH bolt tn 
dcs.Andr. DcftocttictJ- ï^aii bcneöcivfegljt öcii i|»23ernarCiui$/ 
röft op öc nacOt-b;ecfe/ ban öer fltncbec sjjöe bUcgt 
ben pi){ in ben öacO/ ban öer recOtec spbe boojbJa»^ 
belt be öcfeommeringe bol bupflerntffemBan bobeti 
ftomt onö üebecftten ben mibbaeafcöen bupbel; €n 
top-tieben ban foo beel bpanöen omnngBctt3önbe/ 
ftlpbenbccfmoo^nineenefcljabelöcbeöeruftfgö^pbt 
enbe onncjjtfacmfjepbt; topflapen/ al^ topalbec^ 
itieed bef joo:Jben te toaecften, bjp 3pn traegö m gee* 
(Iclöcfte faecften/blpttgD m njbelijcfee/ lupe in 't ge^* 
ne/ batonfefaltgOepbtaengaet / beerbiclitotonfe 
Ecci. 12. epgfjene DebccbenifTe* Jl^ie fal be0 tooberaec^ ont^ 
fermen/ bie ban een ferpentgeffagtjents?/ enbeal^ 
pfaira 88. len ben glienen/bie be beeften genafien^ 45ïp ï|eere/ 
bie beerfcDappp^ Ö^öt ober bemacDtbecsee/enbe ; 
gÖP ftilt be beroerten ban öare baicm 
^m man ^^^ 2. point. ^emerfet ten cenien/ toat een folaetf/ 
fcöeiöckeu batbeljcpïigen getrocfteu ïjebben upt Bet gOebebt/ 
ttoofiis foo batter beel ban Baer-lieben beel laren fonbec 
Swt Udii^'^ eenigO berb^let / fonber eeniglje menfcfjelijcbe ber* \ 
lïctgebÉiit trooilingOe in be toïlbernifTeboïöerbt (jebben/fom^ i 
iisuptiw* itttge in groote enbe menfgBbuibige arbepben enbe i 
aMt\n P^ï^öcïtelen ; laeoocft fomnugBe in tormenten enbe 
Wtt ^Ö^^"* ^ö»^ "^^ conberfatie/ o l^eere/ en b^engljt ; 
hnifptt. geen berb^tct mebe / maer ggp vót getooon in groo^ 
jte b^eugfttenbe bUjbftOap ban utoe fontepnen/ o \ 
wonen c^aligömaecbec/ te fcDenc hen utoen bjijn; 
utoen b)ö« / iyie booatb^engOt ontalltjcbe maegïjbe^ 
htn^ f ub)en bJön niet ben boeieben gfjp utoe l^epli;* 
öflen b?oncften maecfet.^en ttoeeben/oberbencbt be 
pbelbepbt ban allen menfcOelöcben trooft: toant bet 
öaetbocDalboo?-bp gDelücb een fcBabutoe / enbe | 

Bo?t. de Dit is den acrdc van de welluft , 

Cfiofol Dat fy eerft gheeft ghenoecht* en ruft 

Aen de vveeldighe herten i 

Maer 



Van de vyerigheydt der Hcyligen. 273 

Maer als een Bie vervlieghr zy kor t , 
Wanneer den honich is geftorr 

Door-llraelt den geeft met fmerten. 

iBaer be bkWiiiXQljtn ban ecne gceDc cnöc f^fpliQijZ pi^tos. 
gÖtöacDte cnbe ujcfcitatK/ berijlijöen De 3ieïc/ Die in 
Den l^eerc iiner Uccmaccfe neeutt, aBnnt in Ijex 0!jc=^ 
fteb/fcfTljtDcn ïf ♦ Bernutuuö/D^inclitnicn Den teijn Bem.rer.is. 
Die Den geeft bertjeuaiu; Den Qïjctftc\in^.mWiU/ Dtc '"^*^^'- 
ö?oncfeen maecïit/ en.Dc Doet Den menfcljaüefcerelt^^ 
fcöe enDe bleefcljclijclie DïUöeu terglieten* <i;nDe Den 
I^.3iuguflrnu3f / Doo^lxiont sijnDe inec De pijlen ban 
De <aoDöeiöCueïiefDe/fearjt: Roeree 3ön De tvane« 
bec gener/ Die InDDen,- Dan De DIöDfcöappen/Die men 
fdjept upt De fcljouhj-fpelctt. €nDe toat fegöt fiier af 
öen $tonincfiti;chen i!)2opDesc;i^abtD'J€>JjelöCuDeit 
ïiert berlangftc tot De fontcpite Der toateren/alfoo / 
bedangtjt mijne 3ieie tot u/ oa3oDt. €nDeU)ötfal 
Den l2-^re/ öiei-tjdienöeobecblceDigfn.2J/in genaDe 
Defengcben^ l^n faïoutb^üffcUjcljgebenDatfjpDe- 
ïooft fjeeft: SctifalücnDo^rng[jcnomnietglicbcnA?°c.2i.. 

ban De fontepne DerlebenDelmirecen* JBiefaimp "" ■ 
berleenen/Dat mijn gebeDt cocïi bei1joc2t \:üo?De/en* 
De Dar mp <0oDt gebe öet gene Dat itn becUiacöte* 

Het 3 . point.Bemer ciit l)oe Dat De i^epiigen In Den ® c ^tp\i* 
Demel onfeperijclieJen/ enbe onfen nröept oenfcljou^ m ti^m 
toen^enDe Doe Datfe Doo? De KefDe/ Diefe Dé menfdien *|fj?^; ^j^, 
Djagöen/ bpengOUjc!^ <0oDtaimacijtigliboo^on.s^ Hm^cus» 
bïDDen; enDe ïjoe fcljnDicö ^c^t Ijtt 10/ Dat top tlapei'- un/am 
atötigfj 3m in't bencerftigen ban onfe faügljept/be^' WöfhoS 
fonberlijcö in^t öiDDcn / enDe Dat top fiou en traegö oii^ 
feouien in 43oDtö* tegentooo^DigDepDt/ lup enDe flap 
5ÖnrjrtmiDDenbanDebiecjgbe Cfjerubijiien enDe 
êerapbjjnen^ <enDeljiecomi3't/DatDeig. öerdte 
mer tkljt DiDt/Dat Den tjemeifcficn BaDcr foiiDe ge^ 
lieben onfegebeDen met baec-üeDen gcbrtien t'f;smé 
t'ontfinglien. Cen ttoeeDen/ïjoeDat fpAUbex} in Dcc 
eeuojigljept Den ^eerc berïieffen / n\ De bergaDcnn^ 
gen De^^ gO^eioobigljen balcfi.e^ ; enDe in btn fmi Dec 
ouDeren Ijcm foben» l^ierom öegint ban vu af te 
toerc!icterteiien/ o si^U/iii^ De b^upot €mi(ti süt/ 

€ 't gene/ 



274 Den 1 1. Boeck. Het VIL Cap. 

't ocrtc/ ba^c Qföp toe oficff Oapcn 3iit/ om Dier in cih 
tübttebolfjcrbcn/ nocljcngcbooafttntct/ Dntgïjp 
tiDo: pöden liïapcnDe incfclieiv lu*cl tijdtö onnutte^ 
\\)c\\ Dcrouifi / nocf) bat Den tijbr/ bicu oeflclt i^ tot 
ï)ct öcbebt/cnbetot be 43obtb^ucijtïgöcpbt/Uecöo^t 
enbc bcniiinbcct too^bt\ 

Gcbcdt om de vyerigheydt der Hcyligcn 
te verwerven. 

Ffaira 63. "TN E bcfchacmthevdt heeft mijn aenficht ovcrdcckt , 
^^mijncnHecre,mijnenGodt, wantickvreradt ben 
ghe worden mijnen broederen uwe Heyligen , ende een 
uytlandcr, want ickingheenderm.anierenghelijcken 
ben den kinderen mi jnder moeder, uwe Kercke. Want 
91" tortc^ ^^^ bemercke , dat fy in haer leven vervult zijnde met 
Set boegen denHeylighenGhceft, ende met uwe gratie, noytop- 
ïiÉ J^cplis ghehouden en hebben van te bidden , dat fy in de Goclt- 
§fl,"fjj ggs vruchtighe wercken hebben volherdt, ende met alle 
toanöelr» forghvuldi^heydt ghewandclt in uwe Goddelijcke te- 
ghenwoordigheydt. Och met hoe veel luchten hebben 
ly voor de deuren van u hemel fch palleys gheklopt , en- 
de oock bcweeght u aldergoedertierenfte herte, o Hee- 
re }efu ! met hoe veelderhande begeerten vol ootmoc- 
digheydts, hebben fy gepaficert door de wel-gefchick- 
te'llagh-ordre van uwe H. Engelen! defen buyghden 
hondertmael 's daeghs fijne lichamelijcke knien , ende 
duyfentmael de knien lijnder herten tot u , ende dien 
met weenende ooehen riep uyt het diepfte fijnder her- 
ten , in droefheydt ende tegenheydt wefende , op dat- 
ter een flraelken van u , die de Sonne der rechtvecrdig- 
heydt zijr , in fijn ziele foude fchijnen, waer door de 
woleken der boofer gedachten verdreven , ende de di- 
ftelen ende doornen uyt fijne aerde uy tgheroeyt fouden 
rnogen worden. lek verfuchte ibo veel te meer in mij- 
ne miferien ende ellendigheden , op dat ick haer-liedeii 
foudc mogen naer-volgen ; 't is waer, ick heb den wille, 
.inaer ick en iie niet hoe dat ick het felve foude konnen 
voibrenghen , ' t en zy dat het my van u gegeven worde. 
Cant. 3. Ick fal opflaen,endc u alleen foecken,den wekken mijn 
ziele bemint, ick fal my in eenigheyt vertrecken,op dat 
ghy Ibudt moghen fpreken aen mij n herte , ende .dat ick 

loude 



Vandevyerl^heydtderHeyligen. 2;^^ 

foude voortgaen van deughdc totdciighde , totdatick Pralm 83. 
u fal fien,den God der Goden,in Sion,tot dar ick dronc- 
ken ghcmaeckt worde van de overvloedigheydt uwes 
huys. Hier toe, bidde ick u o Heerejeydt my op de pa- 
den uwer geboden,in defe verwoefte plaetfe vol fchric- Pfal. 118. 
ke ende vervaertheden , op dat ick u altijt mach dienen, 
met vreefe ende bevin^he , noch dat ick niet en zy ai te 
onbevrecftin perijckelen, noch al te kleyn-hertigh in 
tegenfpoet.Dit maeckt my voorwaer vervaert,en door- ^^rjnrd. 
fnijt mijn herte met hetfweertvan eene grouwelijcke ^fcum" 
vreefe ; dat ick in 't midden , van foo menichviildighe bjÉcfcn m 
perijckelen, niet bevreeft, niet gheoefFent, noch niet fü^göuiDicö 
ibrchvuldigh ghenoech gevonden en worde. Want een l^JJ^^^S^ 
van beyde moeten wy door onfe onachtfaemheydt voor i,g ^^^ ^^.{ 
goet vinden, te weten , dat wy t'ecnemael den vyanden bpanDcn 
overghelevert zijn , ende dar onwetende ( ' r welck van ^V dem u?t 
onswilkeeren uwe goedertieren goetheydt ) oft, is't ^^"* 
dat wy {o gheftelt zijnde, door uwe machtige handt be- 
wacrt worden , dat wy dan wel voor ondanckbarc m.en- 
fchen gerekent mogen worden. Hierom breydelt mij- Ifaia 4?. 
nen mont , met uwen lof, op dat u mijne wercken ^ebe- 
nedijden. Want ghy beveelt, altijdts te bidden, ende toe 
geender cijt op te houden. Och, of ick dan mochce door 
goede , door heylighe ende Godtvruchtighe wercken 
uwen heylighen naem gebenedijden , als mijne kranck- 
heydt, ende d'ongeftadigheydt mijnder herten niet to« 
enlaet met u te fnreken ; ende uwe glorie te verkondi- 
gen met de hemelen,die ghy geduriglijk als eenen loon^ 
eenpaleys en een rijck dat ons belooft is , voor ons aen- 
fchijn gheftelt hebt ! Want ghy hebt my gefchapen tot 
uwer eere ende uwen lof, ende fiet ick verwoeft en ven- 
ftroyt zijnde, fometter herten, als met mijne ooghen 
onteere u, cndo. als ick het wieroock , ende eenen alder- 
foetften reuck-oiïer mijnen Heere foude mogen opdra- 
gen, fietfoo zijn daer veelonreyneghedachtenin mijn 
herte opgerefen. Wat fal ick doen ter wijlen de falvin- 
ghe van her gebedr , ende de medecijne van de heylighe 
: conremplatie verkeert ende verandert wort tot fchult, 
' ende tot wonden ende quetfuren mijnder ziele ? ter \vij- 
len het gebedt , ' t welck een ander voor een folaes ende 
hvinghe dient , my groote droeflieydt mede brenghr? 

C 2. tervvy- 



27^ Den 1 1, Boeck. Het VII. Cap. 

terwijlcn de toevlucht der ellcndigenaenmy verkeert 
wort tot gramfchap , ende ten laetltcn terwijlcn hetal- 
dermccfte geliick ende de fpijlcn der Engelen , welck is 
uwen lof, ende het gcbedtals het watlanger duert, aen 
my ecnc walgin^e eneenen afkeer mede-hrenght?niij- 

Pfal.138. nc onvolmaccktneyt hebben uwe oogcn gefien , en ver- 
laet my niet, en fchcyt van my niet^ endc^ick fal wande- 

pral.131. len,endc niet ophouden;ick fal vlicgen,cndc niet ruften, 
tot dat ick den Heere eene plaetfe vinde , een taberna- 
kel den Godt van }acob. Ickenfalmijnoogengcencn 
flaep geven, ende mijne wijnbrauv.'cnfluymeringen, tot 
dat mijn herte tot u ontv.-ake ; ende dat mijn begeerte 
iny tot u trecke, die daerzijt het gene dat mijn herte 
foude kennen begeeren, Amen. 

Pradliijckc om te komen tot vycrighcydt 
der Hcyligen. 

^trtt MS •T' €11 ccriïcn/fïcït ulijel^.iDntrooncn/bcfonbcrUjcft 
tomyj' X jjjj, u ^hq maenbm baden / aljs" tocficntiers^ opu 
mmn^'' Qtbztit enöc mtthm 1 leeft itiet ïjaer-lieöer Ue pfaf * 
tocficnticï men en loffangen/en ncenu f jaec-üeöen affcr tie aen» 
ober utoe (^gtt ttoeeöett / let nccrttelijcö op (jare Defonöere 
Siufii' beuoööen/enöebolotrenaei% oEnbeoptiatoÖPbit 
nc Deugip ^ei fouö ttiogeit te toerche jïeUen/fö öoo?lee(l fo^Gö- 
öm na» joulbtcljlöcfi Ijaer (eUen^\ 

(OEenDertJen/offcrtöooj Ijare fianben aen ben %c* 
re/ utoe ftoube enbe poutöe ocbeben* 

(€en Utecben / WM^i\\i Jjaec-licben araben/ reïi^ 
quieni enbe bertDecfit bMnbcre menfcljcn boo;j u ex^ 
empel / enbe boo? Ijet berlïalen ban 't acne "i^d^x^^ oe^ 
baen öebben/om Oaer ecre te üctoijfen* 

i€en böföen / öeaeeft 11 necrfïelijcli tot b'ocffeni'n:? 

ce ban *t gebcbt/ \s^dMx ïjet b)oo>t C^obrgJ t.^ bperigO 

en b^anbenöc. l^terom H 't Up albren bat gDp f^out/ 

enbe flap 3öt/lionu tot ben Ijcax/ fp:cecfu tot öem/ 

bicbaeciiG?/ eenbecflinbenbebieiv oDpbieanberjS 

niet en $öt/ ban ftof/ cnbc afTcljen. 

(€en feiten/ acïiicficrU^ijï^ aio be Ittnberen ban gf^ 

i.Mach.i. raeleenen jaerlöcden bagïj [jabben ban öetbier/ of* 

L«Tit,9, t^ urim, opbentoclclienfpDi^ccberDcuöDben/ om 



I Van de vyerigheydc der Heyligen. 277 

&öt aïföan fjacr-lieben upt Den Demel mWtqe^ 
i fonöcn toajS/ cnöe obec-fuïcJjö <6obtDèDancêtcn: 
i tatfQclijthm motten topccncnfcccücrcntöötüicfcn ©etfaett 
1 om<0oi5tfllinacf)ttöötclobenenöcrctïanffecnboo^2 tmmm» 
i bcacatie ban onfececfttbeerDiöD-niaecSinoe/enDe lm& 
ban onfen roep /cnöcDooaöebermcutoingc Der fci^ te Datuhnt 
be/ ja Dat meer t2?/ tou bef]oo^ben[]etbter ban fijne ban utocu 
OcDDefijcficIiefDe/elcFie uretebernieutocnenDete JJ'^^j^'^^'^^^^^^ 
bermeeröeren» 3©ant toat f^anDer foeter gebonDenwgiimasc^ 
toc:Den^enDeb)attiTerp^ofijteïiit!ieri Betaaetaüeftmge* 
eeboelen Der mcnfcfjen enDeaUe blijDfcfjap te boben/ 
't öene De stefe 'o l^eere 3^fu/ tn u fmaecht/De b:»elc^ 
fee ban öaer felben met bermeten en t$s/ maertnii 
leeft / Diesöt Daer leben enDe genoegfite» 

Schiet • Ghebedeksns. 

HOe groot is demenighvüldigheytvanuwerfoetig- pral.30. 
heydt Heere, die ghy verborgen hebt den genen 
die u vreefen. 
In 't aenfchouwen der Engelen , falick u lof fingen, ick Pfal.137. 

fal aenbidden tot uwen heyligen tempel , enoe belij- 
den uwen naem. 
Gelijck den herte begeerte heeft tot de fonteynen der Pfal.4r. 

wateren, alfo heeft mijne ziele begeerte tot u, o God. 
Ick hebbe mijne handen uytgereckt tot u,mijne ziele is Pfal.142. 

voor u als de aerde fondcr water. 
Heere verhoort my haeftelijck, mijnen gheeft is be- i^id. 

fweecken. 
De rechtveerdigheyt fal my,als eenen palm-boom bloe- rf4^'9i. 

yen,gelijck den Ceder-boom van Libanus,fal hy ver- 

jnemgh\aüdight worden. 



(€ 5 AEN- 



273 

AEN-MERC KINGE OP 

HET VIII. BEELDT. 

<!?ntfermt u utoer ïl^o^öer öe ^. ^m^ 

hc/ Doet alk xmtüiglnpt)t om \mt u btfcf^zv^ 

men öoo? u <0otïtb?ucf)tioli(clic« enöe 

utcie bpeciööepöt. 

D Emerckt clat[A]de heylige Kercke is de 
^ Moeder van alle geloovigen , ende dat 
de felve van [b] de duy velen, ketters, ende 
ongeloovigen bevochten wort , door wa- 
penen ende fchriften. Soo dat den duyvel 
een groot deel [c] des werelts van de hey^ 
lige Kercke aftreckt. Aenhoprt hoe datfe 
van hare [ d ] kinderen hulpe ende by ftant 
eyfcht ende begeert door gebeden , ende 
beteringe van leven^al is't datfe van dé [e] 
hey ligen Geeft , ende van de [f] Engelen 
bcfchermt wort.Dit vercyfcht Chriftus Je- 
fus onfea alder-goedertierenften Heere, 
oock van ons > die [g] in het hooghwecr- 
digh heyligh Sacrament des AutaersCt'on^ 
Ier liefde} fy fel ven ons mede-ghedeylt 
heeft, ende hem geweerdight heeft met 
ons te wefen tot het eynde des werelts , al 
was 't dat hy welwifte , dat hy hier door 
met veel lafteringe foude bevochten wor- 
den , de welcke wy behooren met vyerige 
deiighden te verdrijven. 

Het 



I 



^79 

Het VIII. Capittel. 

Van 't vijfde verweckfel , de liefde toe onfe Moeder de 

H. Kercke, 't welck is de meditatie van de ver- 

druckinse der H. Kercke. 



o 



H 



Et i,point. 'uBctmtcht ten cer(!en/ {100 bat onfen mt <0otit 
^aligljmafier De i^.ltercïicalsf fijne b;upt met [ö"ep. 
fön triertïaec blocöt getcoiit/ enöe De feibe in fulcfeec infScft/ 
boegen öemint Ijceft/ öat Dp iJoo: öaecDe bittere tuatuieRft» 
boobt öeeft tDillen fïerben : enbebat öi^com fijne ïeDenij«ft 
getrouwe bienaer^^ (aï.c^ fp ban fjaccbpanbenonv l^^^SiSf', 
ringelt i^) Jjaec fiïoccïielijcöDeDoo.jbentebefcöec^ öoegup 
men/ enbemeteenefonberü'ngcb^omigöepbtboo? öiemoct 
fiaertebecOten» Centmeeben/ oberleg[)t ïjoe beel ^°°='^^**^"» 
bepIigOe lenbe <6obtb^ucOtige mannen / ^at ïjiec 
öcbonben b502ben/ hiz boo2 bagcUjcftfcöetentatte 
ban tegcnfpoet enbe berboïginge bebocOten too?^ 
tiema©ant alle tiU <8cbbeï[jc]^ leben toillen in €f}iU z.rim,^. 
(io/ ^iz fullen berboïginge lyben : nocfj baec en 
fal gcene moepelijcööepbt ber berboïginge ontb2e^ 
fien/ foo toannecr be neerftigöepbt om be^obt* 
b^ucfjtigftepbtteDeoeffenen/ nietacftter-gelaten en 
too^bt* ^U5f öeröaclt met utoe gebacljten / ö^t ge^^ 
ne opboojlebentijbengefcïjietiie?; enbe göp en fult 
In ö^t oube rCeftament niet een binben/ bie<8obe 
flengenaem i$ getoeeft/ ben toelcften ban te boren 
gelijcfe öet goubt nietgefupberteniögetoeeftbooj 
Ijet bpec ban tegenfpoet» €én berben/Oemercftt fioê 
groote berboïgingen bat begeliceleig.^erclieiöbt 
booj be gefteeïe toereïbt/ foo ban be'^urcfienalgJ 
ban be %pbenen/ maer befonbcrlijcfebanbeljet^ 
tct^. aBat l^onincferijcöen en ïjebOen beft niet ber j= 
nielt I 3IBat öepligeplaetfenenïiebbenfpnietont^ 
eert i H^aec boben al too^bt be 1- i^erc öe ber^ 
bolgötban alfulcfee/ bieijnalijch leben enbe nocD- 
tanö in be felbe ilercfte eenige geeftelijclie (Bbct^ 
Bepbt bebtenen. 3Bantbefebienacr$i€i)?i(li3Önbe 
gelijcft ben l?.2$ernarbu$Jgetnpg[jt / bienen ^nte^ Bemard. 
cö^ift : fp 5Ön bcreert öoo? be gocberen be^ ïjeeren/ 

€ 4 enbe 



gci-flPitlfHe 
jpfrfooncii 
fnii Het 

Grcp.hora, 
if.inEu, 



<JPnfm 

mattkct 
geeft oitïJ 
modtiiiljct 



280 Den 1 1. Boeck, Het V 1 1 1. Cap. 

cntic cn bctDöfennocl)tani5bcni^ccre/ Daec'talaf 
liomt/ occncccrc; foo bat öc^-I^mftc met recljt 
macö fcgoen : ^ict in Den U?ctic iö nnjne öi tterijept 
tï'albcr-üïttcrfle/ eerft bitter in be öoot öec ii^atu^ 
i.iren / Dacu na nocft bitteröec in ï)et bebecljten ban 
bc ïicttei*^/ cnbe ten lattüm albiT-bitterflc \nt)z 
boofc manieren ban mijne epgenehu^ö-oenooten» 
<6nöeben%C^2e3oriu0fegfjt : ^cfilarempbco?- 
flaen / Demms^e (rioetier,öf/ tt^t aBobegcenen mcerbe* 
ren fpijt aengebaen en liiojbtban pemant / &l^ ban 
bc ^^icflersf/ al.sf öp fiet/ bat bc gene / bU [jp tot on^^ 
berUjiifinge ban b'anbere geiïelt (jabbe/ ongefïiclj* 
teïijcfï lebcn/ enbebatfpfelberfünbigen/ biebefon* 
ben bcDoo^ben te beïetten. €nbebefonbenbieban 
be ileüaieufe perfoonen gebaeniö02bett/en fijn oocli 
niet minber / ban be Wichc töp gef)ee[e gemepnten 
enbe bergaberingen bcMagen/ bie;ammerli)clicit 
OcffOentenbe mifmaeclu 3ijn j teaer ban oocli fom*» 
migc/ aïë fp befjoo^ben re toefen öet font be^toe^ 
relbts^/foo 5ijn fp btoae^i^enbe onli^üis getoo^benj en^ 
be al(J f)aer-(ieben toefiont een Cngelfclj ieben op 
ber aerben te lepben/ enbe anbere in goeterempel 
boo? te gaen / fiebben al(e berargeringe in be toereït 
geb?ocftt/ ia 5ijn ooc& (eeraer^ enbe meefter^ gc^ 
too2ben ber btDalingen. 

Het 2. poinc. 25emercFu floebat ە)Mu$ %c(n^ 
upt eene onepnbelijcfee liefbe/ fp felben aen föne 
licrche acOter-gelaten öeeftin !)et öoogïjtoeerbiglj 
^♦Sacrament bes? :Hlutaer.^/ op bat öpaifoomet 
liaer fonbe mogöen \xit{zn tot bet epnbe be^ tee^ 
rclbt^ toe/ tot befcDcrminge enbe trooft banaUe 
glieloobigen» ^emercftt nu boe beel ongljelijcfeiS 
ïiat f)p fp felben t'uVöer ccrc onbertoo^pen fleeft/ 
ïKt bjeïcft ï)em a^^ngDebaen iDo^bt foo banbetoo^ 
bcraerjc? enbe better^ / t^it bem niet aüeen met boe* 
ten placbten te trcben / maer tmt ontaüijclie anbe^ 
re onbeboo^likfjc manieren t' onteerem (Gnbe ocb/ 
oft tiit ban bcfz a(fcengefcjnebe! maer bet göene/ 
bM bcftlagencf löcerbigli i^ 1 fufcft^too^bt Ijem me- 
nicbmadaengebaenbanCatboUjcöen/ enbefom^ 
mjge p^ieftcrsJ/enbe aeU'gieufen/ ^\% fonber b^^eefe 

ban 



Van de Liefde tot de K. Kercke. 28 r 

ban fönc <öodDcUjcJie ri^ajcrtein kbcn/ footiatöp 
nut i'ecut ^it bcliiailj bat^öerom nutt) oDcü^uiiicfeen: 
Ijïccinebc ben itli ööctoonbt inDctijup^^ Decgïje^ zacb.13, 
nciv DiCitip Dmnu^iCii- aDantbicboojöi^n l^szxz 
LViCf ölociJt üe!)002Dca Qf}tit02t te tjcbbtn / öcfc Utb^ 
ben öen fpot niet Utm gljcïiOuDen/ cnöc ïjcbbcn Ijcm 
anDei-iUsrf alieccupjl. :öcir,erc[unu ösjcöutDc/on- 
öecfarcn m\m flccbelijciicn öonnua/ die met öaer^ 
Itebcii ni ilac!j-o^ti2C fïacu fouDe/ oocti met öet tuf* 
fcljcn-tïcüenijan t)arc epööcne Itcïiaemen/ Ijclpeir 
euöe boojltaen fotibcn : tjoet fïct fcibe Uoo? utoeu 
^onincü Cfci|lu.«? 3cfn^/ böo'2 iitoen Balver/ utöeii 
55cc(o|Tec/ öen oOcacn/öie u foo meniseriep teelöa^ 
öen beoefen fieeft,- ten ïaetfien/ öoet öet I3001 öcn 
^öraptjegom ultaeu 5ïele, 

Het 3.poinr.25cmei1it fjoc ïjfoecBeUjii öat bc iBa- i^oc öat ttt 
töabcen tiao: ö^'ï^tni ^3oDt cnDe5i)ae itercae glie^ ^npoiteicn/ 
bocfjten öcbben/ en'oc in ^tielclier boeg;}en Dat De fè^ ^^^J^^tt* 
pcitelen / iBartelaer.d enDe ilceraer.ö / na De DooDt ratts moe 
GW^ c^aïiofjmaher?^ SijellreDen ijcbbtn/ enDe bcfon^ anncrc 
Deciiïcft [joeöe i?^).?{iiöanafïUj3r/^^tcronpmu^/-3iu* ?aa.'?p^* 
OuiVinu.ö/ ^c» D2ïaetter.$metöarefcö:ïften/ enDe^^ercfte 
metbeel anbcre manieren beborfjtenyebben: wtt <iBo^$i\t\i^ 
ÖoeDam'aOe fo^aötiiilötgDepDt Datfp/ afé coeDe^JjiscffïC' 
ijDacötei*<!f/ op De tojensf enöe toacljt-plnetfen ban De °^^* 
la, i^terche aljefleit 3ijnDe / pljeteaeclit Debben obcc 
fiare lniDDen:enDe Ijebbcn niet alleeniijclt bco^becö^ 
ter0 Der 3!eïen geluec(l/l)et Ujclfi toeï fjet pjincipae!^ 
fxei^j maiTfjcbbenDefgOeföc'^en cocli manneUicii 
boo? De b^jpOcpt Der ^zpliqct ^cuht gncftaen/aïje^ 
lijcHnamentUJligeDvienöcbben Dei^CiiiigDcn^^ta^ 
ntjIau0enDe \€iJO\pm Cautuacienfi?^» Ccn ttece^ 
Den / fjoe^rooten gïoate D.nfp Imt Doo: ber!?renlieït 
i)£bhcn : toant fpniet obectóonnencu [lebben tyDe^ 
ïijcfïcbpanDen' niaerDepnncenDcfertDefciDt/ cn-^ E^htc. 6. 
De De mac[jttg[)eDen Der DÜpftecnitTtn «€en DeiDen/ 
^jjatliermaclieenen/ Dieeenenopaecluen pber Heeft/ 
OlielijcFiDen iaepagfien^omnnci?^/ s'^^anufcm/ 
Saiuiiu^/ ïabeciu.2?- ©002b3aci: tlDaclf ^ijoile- 
Icn een toepnigft Deeglj^ / luttel weügieufe ^-ctfm^ 
nen m gljetal/ Debben meet* geacbepDt enDe meerbe- 
(C 5 reb.^ucftc 



l2z Den 1 1. Boeck. Het V I II. Cap. 

u b;ucBteii beraatiert / öaii Dupfcitöt anbcrc» TDcn 

B. p. igna- faliaö^n gigiiattu^ toajss getooon re feoöljen/ öat !jct 

*^"»- ouöljtiooijelücli toaiG^fjoc groote faecfteit öat <aoCit 

öoo? öenamifcOUïaj^tocrclicntie/toaci: l)ctfat'cHe 

t)at öcn menrclj Die bccöregljcn gratie tod uoacc 

Oeb^upcftenöe^ ^Cenlioo^ Dan ntoe .fjl^ocöcc bc l\cp^ 

I9emtam Uöei^cccticumctbcfc tooo?Den acnfp^chen: Jilljj^ 

SttrtÉtat"^" <Sonc ontfecmt umijnöec / bic u i» uiyncn 

oiitf. öupcö negen macnöcn geöaageu IjebDe / enöe u ö?te 

2. Mach. 7. jaren melcö gl)egljcbcn enöe geboet (jebbe/enDe tot 

befen ouder öoin geö?ocfjr. 3|cft bibbeu foneöatgï)? 

toilt aenften tot ben %emel / enbe De acrbe / enbe tot 

alle bcbtngöen/ bieDaerin3ijn; enbe bat göpber^ 

(laet/ bat söobt bit al ban niet gljefcfjapen t^zft/ 

enbe bat gljcflacljte ber menfcöen : ^Ifoo fal 't glje^ 

fcBieben bat gOp befen <^cOerp-recfiter niet X^^^zfm 

en fultj macr ujecrbiglj getoo^bcn 5l)nDe uter O^oc^ 

beren mtit beelacDttgl) / outfangöt be boobt/ op bat 

ith in be Dcrmïjertigöeptu maci) met utoe b:ceberi$ 

ontfangljen» ^cnïjoojt bit fegglie ith ban be Dtfii* 

ge fecrcfte 5 tuant boo^ öaer 5ün top öer boren / tntic 

toojbenbanftaerbagBelijcfeie^gficfpijtl/ op bat top 

Luc. I. in éepligljepbt enbe recötbeerbigljepbt boo? a3obt 

fouben Icben* ^u0 laet m^ aennemen ben pbcr 

i.Mach.2, ban MMf}atlm^/ al^ top fienbe bcrberbeniffe on^ 

fejS MolcUè* M^ict I be ftepiigöe bingen 5ön gljctoo:^ 

ben in be (lanben berb^embe/ ftjnen tempel 10 aliS 

eenon-ebelmenfcD/ be baten banOaerberglorien 

5iin gljebangften toecD-göeboert/ fiare ouberlingm 

3ijn boobt-gDeflagDcn in be flraten / enbe Bare jon? 

öBelinglien 3ijn getlo?ben boo: ber bpanben f toeert : 

öKe Bare bercieilnge H toecB-genomen/ onfe Bepli * 

ge btngen / enbe onfe feDoonöepbt/ enbe onfe lilaer* 

ÖepbtiiSbertooejl» 

Gebedt vcx)r de H, Kerckc. 
Pfalm 2. *Tp' Samen hebben gheftaen de Koninghen der aerdcn . 

:n ; endc 
:ent dcj 



endcde Princen zijn tefamen over een crhekomcii 
teghen den Hecre, ende teghen fijnen Ghefalfden . endc 
fijnKcrcke : Daeromweenende heeft fygl 



Van de Liefde rot de H. Kercke. 28 5 

nachts, ende hare tranen 2ijn op hare wanghen, ende 
daer en is by na niemant diefe trooft uyt allen hare be- 
minde. Sy heeft gewoont onder deHeydenen , ende fy 
en heeft geen rufïe gevonden: alle hare vervolgers heb- 
ben haerachter-haelt tufichen de benautheden haers 
n kints. Daerom ben ick weenende ende mijn oogsn \va- 
i ter voorts-brengendc, want mijn kinderen zijn verloren 
geworden, want denvyant heeft de overhant gekregen. 
Het kindt ende den ouden man,hebben op d'aerde buy- 
ten gelegen , mijne maeghden ende mijne jongelinghen 
zijn gevallen met den fweerde. Hoe is 't goudt verduy- Thren.4. 
flert,hoe is die befte ver we verandert, hoe zijn de ftecne 
der alderheyhghfterplaetfen verftroytin't hoofc van 
alle ftraten! De heerlijcke kinderen van Sion, ende ghe- 
kleet met den beften goude,hoe zijn fy geacht voor aer- 
de vaten, hetwerck van een pot-backers handt! Hare 
Kazareen witter dan fneeuw , blinckender dan oudt y- 
voor , fchoonder dan fapphiren , Religieufe pcrfoonen 
wel verftacnde,fommige afvallige endePriefteren.Hun 
aeniicht is fwerter geworden dan kolen , ende fy en zijn 
niet bekent gheweeft in de ftraten ; wantom de fonden Pfal. loj, 
van hare Propheten, ende om de boofheden van eenighe 
hare Priefters, hebt ghy Heere met eene rafende ^am- 
fchap geftoort gheweeft op u volck , ende ghy hebt een Thren,4, 
walginge van u erfdeel gehad t,ende fiet die in geele zij- 
de kleederen opgevoet worden , hebben dreck omhelft. 
Gedenckt Heere wat haer gefchietis , aenmerckt ende 
fiet onfe verfmaetheydt ; onfe erffenifTeis voorwaer ge- 
keert tot de vremde , ende veel Religieufe perfoonen 
zijn wedergekeert na Egypten -, de knechten hebben o- 
ver ons heerfchappye ghehadt ; daer en is niemant ghe- 
weeft die ons uyt hun Kant verloflen foude. Bekeert ons 
Heere tot u, ende wy fullen bekeert v»-orden; vernieuwt 
onfe daghen als van t beginfel. Keert af van ons uwe 
gramfchap, want uwe kinderen zijn verlaten geweeft, 
ende luttel menfchen zijnder die eenen waerachcigeny- 
ver hebben van uwe eere. Verhoort , Heere, onfe gebe- 
den, op dat de geheele aerde wete ende kenne , dat ghy 
onfen Heere onfen Godtzijt jende dat uwen H. naem 
aengeroepen is gheweeft over Ifrael ende fijn geflachte , 
Amen. 

Pradlijckc 



284 Den 1 1. Bocck. Het V 1 1 1. Cap. 

Pradlijckeom de H. Kerckein noodt zijnde; te 
hulpc te komen. 

^ö & T €n ccriïcii/Dctiö 3oct gcflabtöe o^ï^ebeti acn te 
ftcniücDie -■■ ncmeu/cuDeöietotöell^. fecchcbocgncn/oocft 
Daec toci^ tot öeg^tuccn/enöe öen gcencn Die öe gcrr.cpne tod* 
nSw"' ^^^^^ f^^^ Uoo^öcrcnoft OinDeccn feonncn; ^löugs 
tereu/anc fcoljt bcu faiigcn ggnatiu^ / DatÖP öagcïöchis^ met 
öciigxcufe obccblocdigctcanenöabtboo^dctoeltiaect toanöen 
vi^ii/ <i^|^oninclJ\jan ^pagnicn/aliSecnenbanBmioeDe^ 
tien Uoo^ tren öoninc li trerepfcöte* 

(Ceii ttoceöen/ boo? alle religieufe omberen te bib^ 
beitj loantbitbel^^^ercliegcootelöcö.^ aengaet: 
cnbealbuö too^btmeit beelncötigO ban beelbeclep 
berbienjlen / boo? bci'fcBcpben mebaelleöen^ / oö^^ 
lijcfe öct upt be aflaten bl^chu 

(€en bccben/ ceren/ bperen/enbe bibben bel^epH^^ 
öen enbe engelen/ bte aUeflelt sön ai^ Defcfjecmer^ 
ban öe ©^obincren enbê Hlaaben / ï)iz met ftetterpe 
befmet3ön* 

(€en bierben/ nacr fijn macDt mebe Ï3z\pm tot on^ 
becDoubt ber .^eminacten znbt plaetfen/ baevbe 
jonc&Oepbtonbectoefen too^bt/ enbe tct be bcbojbe^ 
rtnge ban be CB^ifteiijcïie teeringe / enbebufbantge 
anbere <0obtb?ucIittge oeffentngen / 't 5P boo? föne 
mtbbelen/ 't 51? öoo^ fjjnen caet. 

(Cen bijf ben/ben b^pbo m ban be ^^♦öeccfte Moec^^ 

Möchboojteflaen/ boo^ betoelcöc oocfebealber^ 

ftecchjle niarteïacrsJ be boobt geflojben 5ijtt / aljS ts8 

getoeejl ben Ig, iCljomaö Cantuarienfijef / $c» 

^p!ttcftt €en felïen / ban De gcejielijc&e €)berBept altijbt 

mii)Utjan tctl^thm enbc bcgclijchen fp^elten / Datrlicben aïle 

hTJö- ^^*^^ betöüfen^ &et mith ben ft. #cancifcu$f in fulc^ 

ïiG-'^em* ^^^^ boegen beijei't flabbe / bat Op eer eenen ©^teftec 

ban eenen €ngel foube gegroet Ijcbben / toaer 't fa^* 

fcebatfpDembepbetefamen fiabben feoment'om- 

moeten» 



SchUt" 



Van de Liefde tot de H. Kercke, 
Schiet' (jebedekjns. 



285 



GOdt der heyr-krachten keert u onime , cnde be- Pfal. 79.- 
foeckt defen Vv'ijngaert. 

Onfen belchermer, God, aeriiet , ende fier in 't aenficht pfai. 33. 
van uwen gelalfden. 

Weeft onier gedacht igh Heere , in 't welbehagen inves Pfal. loj, 
volcks ,befbecktons met uwe falighejdr, op dat ghy 
mooght gelooft worden metuwcerfteliickheydt. 

Maeckt ons faligh Heere onfen Godt, enae vergadert Ibid. 
ons van de natiën , dat wy mogen belijden uwen hei- 
ligen naeni. 




AEN- 



286 

AEN-MERCKINGE OP 

HET NEGENDE BEELDT. 

l©eeft imtt sidt Qtmbiqlybit <!5oöt toilt 

bcljaijcn/ ctiöeöeobcrieöeucrtj cnöc begeeft 
u MoccUelijth tottieöeugOr» 

D Emerckt hoe dat[A]dezielkensin't va- 
gevyer ) door uwe deugt ende gebeden 
hulpe verlbecken , hebt medelijden met 
haer, ende veracht hare begeerte noch [b] 
des Engels vermaen niet, (gelijck[c]defen 
onwijfen doet) want ghehjck fy haer von- 
nifle ontfangen hebben, alfo fult ghy oock 
het uwe ontfangen. Dus komt haer te hul- 
pe(gehjk[D]defen fone fijne moeder)door 
[e] offeranden, [F]ghebeden,ende[G]aeI- 
moelTèn. Och hoe blijden boodfchapfüllé 
[h] de Engelen hier af overdragen! Indien 
defe zielen eene [i] uregeguntware,peyft: 
hoc fy die hefteden fouden.Overlegt oock 
oft uwe wercken aldus niet ghefuy vert en 
moeten wefen^ onderfoeckende of fy [k J 
hout zijn, hoy,gout oft koftelijcke fteené. 
Den heyligen Cyrillus feght, datmen kley- 
ne fonden by ftoppelen mach verghelijc- 
kê, die haeft verbrant zijn^ andere by hoy, 
daer den brandt wat langer in duert -, maer 
die noch grooterzijn , by hout, daer het 
vyer meerder ende langer voetfel in Vint. 
Verwondertuover [l] Godts rechtveer- 
digheydt, die dit al fiet ende toeket. 

Het 



Het IX. Capittel. 

Van het fefte verweckfel , van de liefde die menmoet 

hebben tot de zielen die in ' t vagevyer zijn, ofc 

de Meditatie van het vaghevyer. 

HEt I . point. (Dberlegftt Doe bat öö? Ofcmoet fout 
uj^fcn/ inöien gijp toifl/öat ö8p l)er totten toaert 
om berb^ant te too^öcn / met een groote Defcïjaemt^ 
i^cpt)t iJÖo^ beoöeüeelc toeceldt/ toat foubt gïjp al 
öoeu/ oocö alleen om öefe maniere ban öoot met een 
andere te beranDeren^booatoaer göp foudt aUemtD- 
öelen fjiec toegeü^upcften. o^nde i^ 't dan mogeltjcö ,^^°"^<* 
B\^ pemant gtjelooft datmen om eenc dageiycfefcOe Jfeu oef * 
fonde/dufdanjgöeende foolangDducrige tormenten ^tiau 
moet lijden/ datmen nocötan.ö dte niet en foude toil- 
len/ niet alleen becaadecerv' maec gljeöeel ontgaen/ 
doo2 Dem t'ontiiouden dililtïijl^s^ ban een pdel töOo:t/ 
oft met eene hiepne becfiecbnigöe fp felbenaente 
doen ^ 25emei'cFit / toaec 't faïie dat g^p utoe oudere 
oft bnenden facgt in defc pijnen liggen/ Doe dat gD? 
n fouör gDeboelcn ; befonderliieli toaec 't datfeutoc 
Duïpe berfocDten doo? jammeclijcö lisrmen ende 
felagen / pepnü of Det u fonde lüjlen te laccöen/ ende 
u felben genoecDte aen te doen i ^us? aenBoo?t Daer 
toc};)en : Ontfermt u mijn^ / ontfermt u mijn^/ ten i^b i^; 
minfien gijp mgne buienden/ euDesijtmplJeDulp? 
faem toaer gOp fiont / en moogflt/ met gebeden/ ba^» 
(len/ ende aelmoeflfen. 
Het 2. poinr. ©:aegt Dser toat fp Itjden/ende toaer? ^ottiamqt 
cm^endcgDpfultberftaen/ datdepijnediede5te{^ ?,fȕ?^o^- 
htm lijden / de \3itlt^t ban de gDeleerde de pijne de^s jjoej^^ 5; 
ODeboelen^ to02dt gDenoemt / foo groot i$ / al0 opt 
eenigDen Quaett-dcender oftmartelaec in dit leben 
geleden Dceft / gehjcli Det felbe de ^. i^. <0^2egoriu.ö Gregor.m 
ende Hugu|iinu<ss betupgDen j iae dat meer W datfe f^^\F-.. 
meerder lö/ al.o" pemaridt in defe toercldt foude hon- verlVfair. 
xmx berdjagen ; foo dat CefariuiS fegDt/ datfe groo^ poenitent. 
teriss/dand'alder-to^eetftetprannenfouèen hmmm "p^»^- 
b^finnen; ende mt en Debbenfpdoo^Dare boof^ ^i"^\ "^ 

Depdt 



i88 Den II. Boeck. Het IX. Cnp. 

s©epijiic fjcjïötitjctöcbotjjt! €cnttoeticn/ foo ïöben fptic 
ï^;Vl^mn'J^ pi)ncbantc:iccbcuOet acnfcOijii <6oDtö7 cnDci^'t 
teil DrJbl.' f^^ï»^ ö'^^ / ^^^ öet öcnc bacrmen fcct nacr beclanallt 
Uj[H-ölietlcittoo^b al-Di^c/öesicïc mctpcHjch tnhc 
latlialjbalti lijatimpntoÖP batfc gftcbcden tnhc 
ii}\:im/ hooi 't latujc Dcrbca ban 't acufcOoutecn cnbe 
ïut oniDcifcn bniUiaïcn alöcrltcfdcn ï)atict7 nibe 
^:upöcrjom/ b^^ct fp foo lanoe nacr beilan^eit Ijeb^ 
ben; cnDc öat fa bed te meer/ öoo? Dien batfe t?et fel^ 
be in Jiaer Uben met (ilepnc moepteiUjabbeu f?on^ 
neu ontaacn : 't iDelcti fp mi niet fbnbei* Qroote enöe 
iiptgefocötc to^raienten en iiomien betaleiW ODcli Jjoc 
ia?ltgö/l)oe D:cebiOjj/entic moepeïpcft balt öefe bal^ 
Itnobfcljap aèn be buienden enbe Ittnbecen/ enbe ben 
oenen btc baer l)oMcï\ enöe fnaclien naer ^obt / alö 
toefenbe be fontepne ban be lebenbe toateren/tot be* 
toelcöefpfcobeeiiarenoiieaibeipbt enbe betlangftt 
fteDben te ftomen I iiecDtbeerbigt) 3Ön notötan^ 
b'oojbeelen <0obt.ö enbe u^aeiMCÏjttaïn 
mmm Het 3 point.^emercöt om toat fonben bat be 3te^ , 
?miSr iftf ^^'^^ ^^^ ^ÖtJen / enbe g!jp fuU bebinben bat (jet i^/ oft il 
Dnu om bDobeiiche fonben/ ban betoekfje be fcïjiUt bec^ ] 
ijeben tiof j cfc om Iilepne bageiöchfcDe fonben / ofte* n 
iijffievtoö.öfouDenmogöen toefen pbeüe tocozben/ 
onacijtfaemijepbt in (0obbelijcïie btnofjen/it. €ert 
tteiben/ onbcrb^ieoFtt ïjaer b3at aijebcden batfc 
««Dcbbenban be IxieUuflen/ tnht ban b'eerebefcc 
hjereïbt. «ITenberbcn/ toateeneb32eetïiepbtenbe on* ' 
menfclieujclïijepbt b^t f}U (outc\i:t(cn / befemct : 
ttoce of b^ieUïoo^ucnteöonnenberïofTen/ enbe bat 
teberonacljtfamen/ oft te bergeten/ enbe ftoebat 
iihit ut fjerren foube Q^m/ toaeftbpaïbienbat 
g()P in Oare plaetfc toaert» oünbe toat ifTer boel) ban 
noóbe cm ftaer teberlojfen/ ban (uttcl oöebebeiicnss 
te lefen/ eenigfte aelmoeffen te oftcben/ oft b'aflatcn 
ï)aei' toe te boeoen^Ocli l)oe neeiTteliJch enbe fojoft^il 
buibclijcfj fouben fi} 't felbe te toeccïie fteüen / boaer 
DetfalïcDat l)acf-ltebeneen up^ïienoöejont taerbe' 
\ym penitentie / om ban fo arontoeïijclic / nocïjtanjcS, 
reci]tbeerbtae tormenten berloft te b?efen!€en ïact» 
(len/UJCet bar Ijct boo? 't rccljtbcerbio oorbeeieob?:^ 

OÜefcDiety 



VanhetVaghevier. 2S9 

öTtcfcTjf ebt / tJatbeöUcneötc onücrmficrtiöBtotbe 
olicrleöen sijn/ De felbc ooth naci* jjare öooöt / geenc 
Jjulpe ban De (ebeiiDe en fuüen Depaoeben ; enDe Dar 
Öet Daec-en-teaïjeu ban De <6oDbe(ijclie gljenaDe/ j^cttócm 
ÖUjS aöefcBüfït fcfttjnt te toefen / bat ben gljenen Die scoote ijuu 
eene 3tele upt {jet baaDebiec fleeft berfoll/ öpna ban gLSft bti»* 
3üne faltööept booafeöert i^i aengeften bat De <6oD' dcu boo? 
baucfttiöe 5ielfeenjEf feer Dancfebaer 3Ön/ enDe niet op ne jteifctjf» 
en Boiiben tn Den öemel te DiDDen boo,2 Den gljenen/ 
banDetoeltlie 5ptoel toeten foobeel DeugBt^ ont* 
fanöB^nteDebben. 

Ghebedt voor de zielen die in' t Vaghe- 
vier zijn. 

O Vader der genade, ende Godc van alderley trooil, 
weeft de zielen ghcnadigh , over de welcke uwen 
heylighen naem aengheroepen is ; dat doch tot u ko- 
mc haer fuchten ende kermen ; doet open de ooren u- 
ver goedertierenheydt ; ende vertoont haer u aenficht, 
daer zy foo veel jaren naer verkn2;ht hebben. Het is 
wel waer dat uwe oordeeien oprecnt ende rechtveer- 
digh zijn , ende daer en is geen quaet mede gemengelt; 
Inaer uwe bermbertigheyt eaet alle uwe wercken ver- 
re te boven, Spaert,Heere,fpaertuuytverkorenvolck, 
ende en ftelt uwe erffenifle niet tot een verwij t,datfe be- 
fpot worden van hare vyanden. Verleent mv gratie dat 
ickhaer door gebeden , doorvaften ende Godtvruch- 
tighe wercken foude moghen helpen , en brenghen tot 
het genieten van uvreGodaehjckeMajefteyt. Wantick ï^clpttïe 
welwete, dat zy mijns beter Tullen ghedachtigh zijn, 5'^lhc^in'l 
gekomen zijnde in u rijck , dan den fcliencker vanPha- ij^g2 uto? 
rao jofephs indachtigh was: maer met reden fouden de gebèöcii/ijf; 
menfchen my met de felvemiate wederom meten door cujp fuüen 
u rechtveerdig oordeelnaer mijn doot,daer ik defe zie- ^^^ ^^ 
len nu mede gemeten fal hebben. Daer en is voorwaer uactjiigj) 
nietwreeder, dan te hooren defe woorden : Ontfermt fijii, 
u mijns; ent' aenfchouwen met de oogen ons geloofs, 
dat brandende vier, ende de grouwelijke tormenten, en 
hem niet gheweerdighen met luttel Ghebedekens ,oft 
eenighe aflaten, te'helpenuwe alderlieffte zielen tot 
de welcke ick oock verbonden ben. Och, hoe fouden zy 

© de.. 



290 Den I I.Boeck. Het I X. Cap. 

de uren overbrenghen , die ick foo onnuttelijck lact 
voorby gacn! hoegrooten profijt fouden zyinkorten 
tijdt doen in de Goatvruchtigiiey t ! Hierom begheerc 
ick met uwc gratie ghcholpcnfijndc , in fulcker voegen 
mijn leven aen te ftcilen,ende do Vvxlluften met de yclcl- 
hcydt des wercldts te verfaken, opdat ick niet en komc 
in de plaetfe haerder tormenten ; maer dat ick ontbon- 
den lijnde van dit ftervelijck lichaem tot u mach ko- 
men, tot u, die dacr zij t de bcghcertemijnder hcrten,dc 
rulle, de blijdlchap cnde glorie, daer ick duyfendt-" 
maelnaerverlanghthebbe, Amen. . 

Praélijckc om de zielen die in *t Vaghcvicr zijn, 
behulpigh te welen. 

^p m te np'^n ccrflciv fco ftamticn bcfo^gOen bat öe <6obt^ 

admoeffc/ (€en tlüceöcn/ l)kx toe baöclpciöjS (mhctc i^\]c\3c^ 
öfïatê, ?c*öencnacluioctTcnfcOic6en/ crtDa Dat foo bichlDijlö 
ölfmcn ö^m op ecaige wpfc beoceft oft ober ftcatcn 
gaet. 

(€ca becbcn / öTictrcncïicnïffc fiouöen ban ^mc 
obecletien töclbocnba'^enbe b^tcnbcn / enbc üiDlJcn 
Uoo^Daresidem €ot bienepnbc fooplacbtin bai 
(leben ben öö^n^n ^k '^ mtljt^ omgaet/ ben geloot 
bigften Wiet toe te becmanen^ 

(Cen btecben/ obec 't öercli-ftof gaenbe/ecnen De 
Profundisïefen/ ofteenigUe anbece a3fteüebi:tien!C?/ 
gube oocN alfoo bicfetoijlsf alfinen paflfeert hoo^bp. 
ceniglj gftececöt oft plaetfe bcc jufiim. 

\^m bijfDcn / ftem iaeüijthë (aten boo^ftacn / tat 
top nu obecleben 3öa/ ^»be 45ï)cbt^m beijoeben/ en- 
be in 't Bepmelöcli boen Bet gljeene batmen ben o> 
berleben gD<^b30on t^ te betoöfen / getjicö top toeten 
bat becfcltepben gljclucfeelöcö gOebaen Oebben. 

(€enfe(ien/ b' aflaten neecfïelücft be5iel^en$?toa 
boegfjen. €nbe ïjet fcljönt boo?toaec eene guoote 
to;ectftcpbtt? toefen /bü alfoo te beconacDtfarnen. 

Schiet" 



Van het Vagevyer. 
Schiet- Gebedekjns» 



291 



"D Echtveerdigh ^ijt ghy Heere, ende recht is u oor- Vh\. 118. 
" deel, maer weeft gedachtigh uwer bermherti^er ^^^^* '4- 

wercken, die van den beginne des wereldts geweeft 

zijn. 
Waerom zijr ghy Heere verre wech-^egaen , ende ver- i'^ai. 9. 

fmaedtons in de bequame tijden,in de tribulacie ? 
Hoe langh fultghy uwe ziele vergeten tot heteyndc? P^*»^* ïï« 

hoe lan^h keert ghy u aenücht van die ? 




13 * AEN 



292 

AEN-MERCKINGE OP 

HET X. BEELDT. 

fBtmtxtht Ijot U) ijöt tmt b;ttht öat bca 

tocoB J0 / öie tot De bccöerbcni jfc kpht i cnbe öoc 
bed 5ic(cn öat oIjp foub fionnen bcriofTcn/ltjacc 't 
Dp alöientiat öDpöeUolmaccfetDepöttetöcwrv 

13 Emerckt het [ a ] groot getal der gener 
die verloren gaen:de welke[B]den duy- 
vel aenlockt, ende[c]doorfchiet met hey- 
melijcke liften en Rgen door de [d] ydel- 
hey t daer hy achter fchuylt5[E] de wereldt 
tree kt ende drijft voorts 5 te weten, door 
hare wetten: ende eylaes ! daer wordender 
gevonden die [f] van felfs in de helle loo- 
pen^ [g] helpt defe met exempel^woorden 
cndeGebedenrochifiec hoe oafefcer dat het 
betrouwen van[H]eenen fondaer is, te wx- 
ten,op een fpinne-webbe^gelijk wy hebben 
in het 8. cap. van den Propheet Job , waer 
mede den mont oft put van de helle over- 
deckt wort. Aenfiet hoe dat[i]de Engelen 
een yegelijck tot y ver verwecken : ja dat 
meer is,hoe dat[K]dé Koninck Jefus Chri- 
ftus felve (waer het noodigh) gereet is op 
der aerden te komen, om [l] de zielen die 
in perijckelzijn, te verloflen , ghelijck dit 
aen[M]den Biffchop Carpus,hier voortijts 
te kennen gegeven is,fo ons verhaelt Dio- 
ny fius Areopagita. 

H£T 



D 



293 

Het X. Capittel. 

Meditatie van het fevenfte verweckfel , 't welck 
is den yver der zielen. 

E voorftelUnge der ^laetfi , QtUjtU Oll.ï? Itl Ijtt D^elÖt 

bsteecftent toon. 

He: gewoonclijckj^ebcd. 

Het I ♦ pomt. %zn\zttht ten eer fien bc \^z\H\)t toj^ 
menten/ töaec mebe öupfent en öupfeiu 5ielen eetöc^ 
iött gepijnialjt i»a:öen/ban öe ujelcöc fp beb^tjt fou^ 
bé öeöben getoeejïfiabtie Oem pemant met ben pber (Sbrtirgijt 
bec 2Cpoflelen tot fjetamptDeöebenomöaecteDe^ Dmftart 
feeeren / booj toclclien mtbbel nocD oocft beel fouben guL S 
tionnen beb^ijtijDa^ben. Cett ttueeben/ftet optoaetts? iiger» 
tot ben l^cmcl/ en bemer cftt fioe \y^t be geluclifaltöe 
3ielen/<0ob in ben C^eniel alle eere bctDijfen/met on^ 
uptfpiefeelijclie brengt ban öaecliebcn felber/ en met 
gene fonberltnge glocte ban <0ob almacötig: toclclic 
faöen toaect bat gljpbietccftertentotlbet nemen/ 
Boe gcootetöfes!^ foub gfip be glorie^BobieJ en be faltg;» 
fiept bet stelen tonnen becmeecberen/en booatsf oo& 
Boe beel foube Biet* toe fjelpé/ toacc't \i^ albt c bat g(jp 
met eenen öloecfeen moet/ubae finnelöcl^Depbt tem^ 
bet en befe qn^tz beroerten N. ^en becben/bemerfet 
tn \y^z groot een perijcöel batben fonbaer i^ ; toant 
boojtnaer gelijcfe be fpinne-tocbbe 10 5Ön betroutoé* lob s. 

Het2-point. 23enierc&t 60e groot bat beöoogft? 
tocerbtgljept ban oSobt t.ö/ fjoe grootelijcöief bat Oet 
betaemt batfe ban eenen pegeljjcfeen ge-eert enbe 
beminbtiDOjbe. €enttoeeben/ ftoefeetbatfjpbtt 
begeert en töcnfcgt; toant fjp fjeeft 3ijn felben öier^ mup.t. 
ombernebert/ begebaente ban eenen bicnaecaen- <i5aDtisf 
nemenbe/ben menfcOen gelöclö getdo^ben/ enbe ban SJeetMi 
toefen gcbonben al^ eenen menfcöi op ba t Bp in fulc? me \^tm 
fter boegen/ a(ö eenen goebertierenigerber/ 5ijn boojonsï 
fcöaepfeen op fjjn fcöouberen toeberom baengöen Tn^t^ 
foube» €en berben/ enbe bit niet alleen/maer bat B>J ra bed upt 
fiier-en-boben onmenfcBefijcfte to^menten/enbe ten ï«föe mt* 
ïaetjlen oocft be boobt geleben Beeft/ om bestelen ^^^^ö^^t» 
met fijn bicrbaerbloebtteberlolTen/ enbeon^boo: Tit.2. 
Bern te fupber^n een aengenaem bolcfe / gefrabc;: 

33 3 löfö 



294 I^cn 1 1- Boeck. Her X. Cap. 

lijcö boïgcnbe goebe toeccöeit. €en bterbeti / hit m 
Beeft nocötanje? fijmr oncpntrelöcfeecltcföcntetae^ 
noeöO oetoeeft / macc IjS ooc& beccptboo? clchc 5ic(e 
tn't bpfonöcc toeberom mdec te Dalen uptöenöe^ 
ntel / enDe öcm te toeecbigen öen fielcö ban fön bit^ 
tec Ui^ennocbeen^tefmaecöen/ opbatfetotflace 
faliaijepöt fouDen mogen gciMecöen, (Dbedcgftt oft 
SBp oocfe <0obt0 pber in i\ öeDt / enbeoft gijp geern 
u felben/ enbe al toat u aengaet / booi be faltgbepbt 
ber 5ï^ïcn/ enbcboo^b'eeceban€>obtaïmacBttgö 
te panbe fielt : oft bat gijp fiter-en-tegen niet bet 
nunfle ban ugemacfe enbe eereen toiltbecben/bjaec 
boo^ be stelen btenietBetbterbaerbloebton^^^a:» 
ïtgömafeersj gcijocöt 3ön/fouben mogen tot Bare fa^s 
Ugbepbgerrafienl 
5^ceï(iig^ Het j.point. 23emeccfet tett eetftett be uptnemenbe 
ijept örö neeriligbepbt bte ben bupbcl geb^upcbt ,• toant bp 
cnöS' gaetom alieJeeaenb^ieffcDenbenlèeutD/ foecltenbe 
tjfrnieöc'^ btenöpberfïtnbcttmocöt/ enbe fepnt fijne mebege^ 
scfciun feilen aen allen feanten / om be slelen te becniden/ 
?Éu?É^htt' «ttöemet fiem tettecbeninbeeeutotgebeberbeni^ 
lüciein fe» Becfoept utoe traegbept/ boo.2 fjjne bjacöetfjept; 
i.petr.j. enbe aengeften bat fijne bienaer^ / 't 5P menfcö^n/ 
't3i^ bupbelss/fo neerftigö 3Ün om be pielen te beber^ 
ben/ en laet utoen bienftmetgebjeecbenomblete 
fielpem €enttoeeben/ aenfiet met toat manieren 
bat ben bpant be menfcDen foecbt aen te locfien / te 
toeten/met eene bjelluflebie eenen oogenbltcö bnert/ 
erf met eenige bo?te enbe bergancbelvjcl^e eere/ toelc* 
fee oocö al gemengbt srjn met groote bttteröept/ en^^ 
be bte be 3iele tot geenber tijDen en bonnen berfa^ 
ben»€en berben/oberlegOt htfc bjoo^ben : ,®oo lan^ 
Matt 2s öbeals? gbp'teenen ban befen minften gebaen Oebt/ 
foo b^bt gbp 't mp gebaen/enbe öoe bat gbp be6oo?:ï 
be gemoet tesijn / om utoen eben-nae(lente ftulpe te 
èomen/bie in fulcbennoot gefieït i^ ; aengeften bat 
onfen ^aliabmafeerfegöt : bat bet Oem al gebaen 
too?t/'t gene men aen fflnen cbennaeftcn boet/gelijc^ 
iicrtoijö bat fip hit in ben bagO be.ö oojbeeljs boo^ be 
gcljeeie toereltopenbaerlöcö fal berölarem 

Gebedt 



Van den yver der zielen. 295 

Gcbedc om eenen >Ter der zielen te verkrijgen. 



O 



Chrifte lefu , VerlolTer des werclts , d ie ons met u 
dierbaer bloedt verloft hebt , cndc hebt uwe kofte- 
lijcke ziele voor ons tot in der doot toe te pandegeftelt; 
worpt toch uwe oogen op ons ; want de helle heeft ha- Ifaiaï r- 
ren muylopen gedaen fonder eenigh eynde, ende ruym ^*^"' 7- 
is geworden den wech die daer leyt ter verdoemcnifle, 
ende veel zijnder die door defen ingaen : maerenghis 
'den wegh die ten leven leyt, ende luttel zijnder die dien 
vinden. Hierom faclgeren mijn oogen door de tranen, 
ende mijnbinncnfte is heelontftelt,mijnhcrteisuytge- Thren.2. 
ftort op de aerde^want onle vyanden zijn geworden m't Thren.i. 
hooft, onfe vyanden fijn rijck geworden om demenich- 
te van harcfbnden, ende de Princen uwcs volcks , die 
hacr hadden moeten als eenen muer tot befchermenif- 
fc voor u huys ftellen , defc fijn wech-gegacn fonder 
fterckheyt. Is't fake dateer eenightijdelijck gewin te 
verwachten is , men reyft ende rotft de geheele wereldt 
door ; maer daer gaenontallijcke zielen verloren,ende 'tBftïif^ 
daer en is nicmantdie'toverdencktinfijnherte. ^^^^^^^^^^^ 
i al mijnen hoofde water geven, ende mijnen oogen eene ki^^^u 
fonteyne der wateren, ende ick fal beweenen dagh ende ifai» S7- 
nacht de gedoodden mijns volcks? maer desHeeren ï^'^^™- 9- 
bermhertigheyt heeft gedaen dat wy niet heel verdaen 
■en zijn^ want fijne bermhertigheden en hebben niet ge- Threo.3. 
faelgeert. Den Heere en fal in der eeuwigheyt niet ver- 
iloüten, Want heeft h v verworpen, foo fal hy oock ont- 
fermden, naer demenighvuldigheytfijnderbermhertig- ifais y^, 
heden. Want ^hy hebt in der waerheyt, o alderfoetften 
jcfuonfe weedommen geleden , ende met uwe ftrameu 
hebt ghy onfe qualen genefen. Weeft gedachtigh dat 
ghy geftaen hebt, ende tot noch toe ftaet inde tegen- 
woordigheyt van uwen hemelfchen Vader , om ons een 

foet woort te verleenen : opent doch de oogen derver- 
iinden,op dat fy u mogen kennen ende beminnen; doet 
open de ooren der dooven , op datfe uwe ftemme aen- 
hooren , ö Vader onfer zielen , weeft onfer aller gena- 
digh ; want daer en is geenen anderen die ons belcher- 
rnc,oft onfen middelaer zy,dan ghy onfen Heere onlen 
Godt, Amen. 

© 4 Pra- 



296 Den 1 1. Boeck. Het X. Cap. 

Pracflijcke om den yver der zielen te oeffenen. 

^ticbt u^ TT» ^w cecftcn moctmen föne» cbm-naefien goct 

ftmiioo' exempel oebciv cnöcfo^jgljUultieliicö onöecftou^ 
öoct crcm^ bc» 't oticiic aenoaet öe fttcOtingOc ban füncn eUen^ 
vti/ tm 1* nacftciu iDvicr öit moeten boo.2 alöe oeeitelöcöeen^ 
Smahé^e reltaJeuft pccfoonen öoen/ op bat De menfcöcn 
vmoonL mogljen Ijace goebe iwerchcn firn/ enbe giortflcecen 
tien )i)aber bic in be öemeien i^. 

(€en ttoeeben/ bDD2t^-D.:enoüen eemoöc^^obt^ 
b^ucljttae t'famen-fp^efiinölïen / xni)z beletten on- 
nutten fiiap / tik be öoebe maniecen placöten te be^ 
berbcn/fcDoutoen enbe beletten oocö oneerlöclie of^ 
te Itcljtbeerbige üebeftenjEf, 

\€m berben/niemanbtinfón öup.sJ-ocfinontfan* 
gen om te bienen / 't en 3P batfe btlo)ym alle maen- 
ben te biccljten enbe te communiceren* Iget felbe 
macö bienen in acbepberiaf te öueren / in aennemen 
banfolbaten/^c* 

(Cen biecbé/licfjamelicfte toelbabê baec toe fcBtc^ 
ïten/ bat qlp ban ben felben pet geejïclijcx toebecom 
^?fjfbaet ticijöt* ^IbiVö fieeft ben ^inte gonatiu^^ (genoobet 
gücbjupcft \joefcnbeomtefpeleneenfpel/ inüettoelcfe öpniet 
^"^aïiV erbaren m toajef ) ïjem met bcfe conbitie tot Ijet fpel 
tm, begeben / bat ben berliefec eenige bagen foube moe- 
ten Icbcn nacr ftet gebiebt be^ qem^ bie getuonnen 
foube Debben : t)u^ Deeft DP befen menfcö bie beilo^^ 
ren ïjabbe opgelepbt be geeftelijcöe oeffeningDen oft 
mebitatien biemengfieb^upcfit omfönlebentebe- 
heeren: enbe boo? befen mibbelOeeftbpfjem op ee^ 
nen goeben tóeg geb^acljt* $ilbu$g öebbe icö op fom^^ 
itiigljc plaetfen gefien batmen nietcer b'aelmoefTen 
npt en bepibc / boo^j tat be ontfanger^^ oft armen be 
€02itleli)cfee IceringDegeijoo^nöabben* <©panber 
plaetfen hattiic ban be !B?ocbei*fcOap ban onfeliebc 
aDjoutöe elel! in 't befonber ecncn armen ïiofe aen 
ben toefcJjen fp een aelmoeffe uptbeplben / naer bat 
fp l]ct ^. Sacrament be^ €>ntaerjöf genut ïjabben. 
25cfof f ht i€cn bijf ben / be ficthcn/ be bebiuchte menfcljen/ 
ïjEüc5:urt9 begebangenen/ enbebieinbegafï-fmpfen3ön/be* 

fikSn ' f^^^^^^^ ^ ^"^^ B^^^ ^^ <0obtbauf ötigfiepbt a^np^ü^ 

len» 



Van den yver der zielen. l^y 

feil* Wam men nimmermcec gcrxcber ca iWom de 
faliae becmaruiiglje t'aenDooren / t^an aifmai in te- 
gcnfpoct t$J / tntit oocfe alfmcn met«c öncöt geöol^ 
pen to02Dt. l^ocö men moet (p felben niet laten 
Doo^ftaen/ öat öiteenCö?tften-mcnfcljbiecöc&is8 
niet en betaemt j toant Idp toeten / öat in Den öagft 
tie.^ oojöeel^ on^sf / om fo te fnaefeen/ afJeen te ftae (al 
öomen 't gene top ben armen gebnen fuüen fjeDöen» 

€en feilen/ geefielöcne botcli^xïW I beelbeïicn^?/ 
«nbc coofen-Doephen.s? upt Depïen: be rflcfeen 5Ön 
toel in anbere bingen upt-gedoit enbe milbt / maec 
ïjietinonacljtfaem» 

(Cen febenflen/ U €fuï|ïeïijc&e ïeecinge/ gDeïöcli 2©friïo?# 
öoDen göefepbt \$i becöojberen / cnbe befgöeltjcüen f "J '«^f 
be fcöolen / enbe a3obtö.nicOtiaöe öupfen \3an toee- if^ri^^ 
fen enbe toebutoen/ enbe in be felbe meecbece fojgfic iteiijche uc* 
b.2agöenUanbe<6obtb?uiMjtigljepbt/ enbe öet gene ""sü^ 
bat be 5iele / ban bat (jetiic!iaem acngaet» 

(€en acl)tflen/befe onberf}ouben \^k be óeïieeringe 
liec3ielenbe{)eiten/ toant ^\z eenen p^opOeetont- Matth.io. 
fangt / in ben naem ban eenen p^opfjeet/ \^\z fal ben 
iooneeniS p5opöeet?s ontfangen. ^j^u.ö öeeft ben ^. 
^Sabeciu.öbei^oninginneban ©o?tiigae! göecaben 
öatfeöet gelbt / 't toelcö Daec gïjegeben toierbt boo? 
muplen enbe pantoffeien / toe fonbc toüien epgenen 
öen be beheecingöe ber 5tef en ; €nbe albu^ gefcfiiet 
get bictïtoijljö / bot foobantglje "^xz niet en p^ebiöen/ 
nocöenleecen/oftbiebeCli2iilelijcïieleecingeboo? 
Öaecfelben nietenftonnen boo^t^ ieeren/boo? eenen 
anberen bichtoöl^beelp^ofijtelöctjerboem €nge* 
itjcïtcctoi)^ bat pemant / x^xt eenen geufcöen ^izX^U 
iöant onbecjjouben/ en geben foube/ al toat tot 5ijnen 
beljoebe bient/ foube fcöuïbig toefé ban bien ^ob$J- 
lafteringlje / en Det beilie^ ber 5ielen / bat ijier naec 
foube bolgen; alfoo/ x^ öet oocö toaeracBtig/ bat Det 
ben genen W contrarie boen contrarie gebeuren fal. 

Cennegenjlcn/ t.sftbp al-bien bat pemant ban^ötsppm 
€iodt geitclt i.ev om eene gemepnte te regeeren / om goo/ai bc. 
IBagtftratentetïellen/foibatentebergaberen l%u ii«r(ïicijt 
^Sit bie boo2 eer ft in fp feïben/ enbe baer naer ooch in ^c ^aot^ 
^enenanberéfo.2gebia0eboo? bea3obb?ucDtigöept* ^Sj ^' 

as c 3©ant *^ ^ V 



298 Den 1 1. Boeck. Het X. Cap. 

aa^ant Der i^ Mxmlm^ bat ftcm em pc^M^th ttt^^ 

(tont bocgïjt nacc bc goeDe / oft qmhz manieren ttt 

genec tiic ni (QhcïDm Qc^clt 3ijn.3©ant al 10 't bat* 

tcc fclöcn pcmanbt foo öoo^enöc gobbcïooiö gebon^ 

tien to02bt/öie ï}ct bolciv oftföae ontfcrfatcn tot on^» 

öObtJClöcïiOcptbcrmacnt/oftDUiingattöïlt/entJoo: 

iDOO^ben oft toeccften öaci* toe bectxiccfieni't i.ö nocl) - 

tanjSnootriftdöcl! oocfi alle becaugcrinaOcn en alle 

openbare foniïentoccl) te uemen.aiïant H t faUe bat 

fiet toaeracljttg ji^/bat b'cjcempeïen treclien/enbe be 

tooo^ben betogen,- foo moeten top ernfielicö bp on,ö 

felben oberleggen/ öoe groutoelijclje fonbe bat'et iw 

eenen anberen tot bal te b^engen.^nbe öierom i^V 

s*p-^ bat be^clinftuerefegfjt : ^enfelepnen too2t berm^ 

lierttgljept berleent/ maer be macljttge fuücn matïu 

teliicfe pöne lijben: ^engcfïcn bat top biclttoyl.o fien/ 

batfeniet ahpteen anöer tnv6obb?«cl)tiöl]cpr te bo^ 

benen gaen/bie boben anbcre in eere berfjeben 3ijn. 

(€en tljienilen / 't gene bat gcfept i$ ban be <abec^ 

Dept/ enbe Döre berfiiefmge/ bient fo beel te meer trt 

ben örijgB/ 't sp batter gefpaofeen too?t banbe ©elt- 

ïjeeren/'t 5P banbe folbaten.a^ant bat bp be b?pöept 

enbe ongöebonbenDepbt ban Icben tk baer onber ï)z 

folbatenplacljt te toefen/ noclj oocfe fiomt fiet quaet 

ejrempel/ ban garen Belt-beer jfo en üan Ijet anberiS 

nietgljefcöieben / oft be aSobtb^ufljtigljepbt moet 

ö^ntfcfi en gefjeel te niet gaen.€n obermits?/ bat al^^ 

Ie öeerfcDapppe i^ iu be banben 4Botj^/ en bat bp hit 

Dan. 4. geeft ben genen t)ic bp toilt / enbe ban bem alleen be 

bictorie te bertoacbten i^ 5 foo bljjcbt felaerlpcö ge^ 

noegft/ bat be fonbe ban ben Capitepn/ oft föne 

lofue 7. beugt/ grootelif jT bier toe öelpt» ïBant ijs *t faSje bat 

fi^rS o" ^^^ oo^faltc ban eene fonbeallecn ban ^ülcöan/ ben le^ 

bemm ciis» oer ban be gjfraclitcn berftagen i.ö getoeeftitoatfal^; 

te loiDaté ber tebcrtoacbten tocftn/ij^ 't bp albien bat \im Ca^ 

J.'*',^"" pttepn/metbieberpe/rooberpe/ïisrbfcbenbingé/on^ 

c ' mcto. ftupfcïjcpt/en Ijoobeerbigfjepbt/ be gramfcöap enbe 

r.c/ ciiDe too?nigbept ban a3ob almacbtig ober fp felbé/en o- 

m oo?fa# uer befönctöbertoecfienbe^^eltinberêbangjfrael 

1 f DÉriaae bjoren tebelbe getrorlien om 't geaacbt ban ^ma^ 

L^ic. lo! minteftrafféimaerobermit^batfetefeer ficnbcop 

ijare 



Van den yver der zielen. 299 

ftaw htatïnm tn ment gtcn Dan bofcfe/ 3ört tot ttoee 
repfentoeljccöjcöen/en becflagengetocelt.a^atfal^ 
bcc öcfcöteöcn / aI.0ö^folDatm;iietancentefcecm 
(lam op Jjaceepgljene b^omigDn^tit / maecoocfi alle 

toaec / Icö fOüDe ge^ï^nc öc Obccficn ban ben legljec 
toillen blagen/ of t fp ftacr late boojltaen/riat fp ban 
<aotit mm boD^ goböefoofc folöaten/be bictorte/ en 
ob^cöant ban Ijare bpanDen bcrtoacfiten / bantïoc.j 
gocöe en a3obtb2uc8tigc i 2.0 't fafte batfe mp booj 
anttooo^be geben/öoo? goebejfo moeten fp alle neec* 
(itgöept boen/batfc foöanige uptfiiefen / enbe fuïcöe 
folbaten aUengöföenisf malden. a©ant al.ö öefe Ijatt 
fdben becDoobeerbigcn öoo? f^att bittonen / en 8et 
rijchDecgobbeiooföePtbagelöcji:bcrb2epben;mcpnt 
Oljpoocfeniet/ bat ^obt ücljtelöc^t'oelaet bat alle 
lietterpe / enbe boofc manieren liecb^aectö enbe bcr^ 
toaerts? ftaei* fulien berb?cpben^ 43ÖP 2cl)t grootelicjc 
in ecné folbaet be b,2om!göept be$? ItcDaemïJ; toaec^ 
om niet meer eene goebe 5tcle^ 45^ en begeert niet f^^^^* 
ben genen biefïapenbeftranc&banlicftacmi^jenbe Sfp^cu 
Inaerom is? 't/ bat gp aenbeert ben gene bieeene boo- bm met m 
fe en quabe 5icle beeft/ en bie tegen <0obt ftvijt^ ïaet öoogijt/ m 
gïjp u boo^ftaen/ bat ben gene bie boo? fp felbcn niet J^j^'J^^ 
«ut en ijcf / eene gemepnte p^ofijtigO fal toefen i <0f t uoo? D^e^ 
bat ftp u gctrou fal toefen / hit o^obe niet getron en puüiöcfee^ 
ijS^ jjBepnt gl)p/ Öet ijuaet boe: Quaet/ bet bpcr booj 
Jietbper im te blujTcben/ be <0obb2ucljttgljept booj 
be boofoepbt te berb/epbeniljct rpcö ban be beiigljt/ 
boo: bare tegcn-partpe ,• €>obtö b^ienbtfcftap/ boo? 
fönè bpanben ; fijne eere te berboojberen boe? be ge^ 
ne tik öem crupcen / en iiit be tempels ötierber 3ie ^' 
len/ enbe befgelijc^en ban anbere fclienben en ctitec^ 
ttwi ^en öonincè ban gubaié in bel^* ^cö^iftiu- 3Reg- 21. 
re bertoonnen getoeejï / om bat bp fijnen legljer met 
be gobbefoofe bccmengelt babbe ; toat mepnt gp bat 
Jem foube obergefiomen [jebben/ baboe 8p fijnen le^ 
gerbanfulcöe boofe msnfeben bp een bcrgabert^3c <©otJbfrut 
ïateftaen/ bat be folbaten bie goet ban conferentie ^^Jq^? 
3tjn/ mebe oocö flercb en b20om 3ijn/enbe bat <6obt bmcotigc 
bier en boben met Daec becDti en bat befebie fo gna? muüwu 



300 Den 1 1. Boeck. Het X I. Cap. 

lijcft bt\}tUln 3ün/ö5t fp <0obt/enbe fijn gcöobt \ict:^ 
atln licübch / mtl) boo> öacr fclbcn / nocft boo? ïjet 
O^mcpn öoeti macr Uoo^ öen öiipDel ban tjtt Deüen/ 
Den töcïclicn fr öiencn/ oo^iogebocren.^u^^ Ddïoo* 
ren be I^^elt-öcccen t'obciicaaficn / toat ampt h^tfe 
bebienen/ enbe töatgelcöenttjcbrnbatfcbcbben om 
ftaren pbcc te beocffencn /enbebatfe oberfulcö?? be^ 
felbe op fijnen tijöt te tocrcft moeten (leïlen ; op bat 
b'onöobbelijf fibepbt / met toebec beecfcljappncen 
Oebbe/ban be <0obtb^ucf)tröï]ept: cnbe batfe Wtcvi/ 
bat luttel Oöebe menfcljen heei quaben te boben 
oaen tn be gratie / en goeöe jonfle bp <6obt aïmacft^ 
ttgb- b'€xcmpelcn f)ier af/ eu geb^ehen on^ nietrett 
tote fal bier aen tlööffelcn ^ ban ben gencn/bie fcubc 
berrenfeggfjen / bat <0obt aïmacïjtïgb / bet guaebt 
niet en fttaft/ nocBJjet goet niet en bergclöt i 

''*^' *'* W ^^^ S^^' Heere , en vervremt uwe hulpe niet verre 
*^^ van my, tot mijnder helpen, liet toe. 

Ibid. Godtverloft mijne ziele van den fweerde , ende mijne 

ziele uyr de macht mijnder vyanden. 

Pfal. 88. J-Joe lange Heere,fult ghy tot den eynde u afkeeren,hoe 
langh fal uwegramlchap , als een vyer feer ontfteken 
worden? 

Pial. 34. Heere wanneer fult ghy *t aenfïen ? Stelt wederom mij- 
ne ziele van hunne quaet-willigheydt , ende van den 
leeuwen mijne eenige. 

Het XI. Capitt,el. 
Van deoeffeninghen daer fy toe verweckt worden die 
ecnighen voortganck doen , waer af het ccrftc is , de 
mortificatie oft verftervinge. 

M€n foube bp nae eenen gcoutoel öeöben / alleen 
aenbooccnbe befen naem / gelöcft oor ö alfmen 
fpjeecbt ban billen/enbe luanbenmiaer ali^ befe bin» 
gen ingefien toojben / o\^ eene mebecnne/ glielijcWe 
toaeracötelijcfe 5ijn / alfban fuUenfe aengfjenamec 
toefen- ïBant befe modificatie/ anber^ niet en i?S/ 
ban fobanigcocffcninae toaer boo^ met <0ob5cï gra^ 
tie D«t öö^ne in on^J örancl^ \^ I gD^font gljemaecfe t 

too?ti 



VandeVerften'ïngc. 301 

too^t; 't gene firom en fïim is^/ recljt b^u^jöat bcnc^ 
feec toa.s^/ lilaec too^t; 't acne tn Den toegj^öer öeug^ 
ten bittei: toas^/foet/ enbe QcuotQi]\ijth toojöt. (€en 
laetfien/toaec Ö002 öe gencpgelijcfeljeben öer 5iele en 
tïe0 Itctjaem^/bie boo2 Daec öetoelt befeibe / naec tie 
erf-fonöe lieroeren enbe ontfteüen/boo: be rechte tt> 
bene in tjebcoancö o^öouben lD02öen / ^en toacr boo2 
ben inenfcB bolboetboo? beforiben/berljümt frjnc 
bcfior ingfie / |ticï)t fijnen ei}en- naetlen / maecfet bat 
fönen oijcbcben üracötiglj 3i)n / enbe ftomt ten laet^ 
Pen tot fönen eerfien b:eDe/ enbe onnoDfclDcpt* 

^ift berfterbmge 10 tboecberlep; b'eene upttoen^- mtUH 
bigö/ enbe Itcljamelijcfi/ b'anbere'intDenbfgB/enbe h^tfbt* 
ööcefïelijcö, b'BpttoenbigDe tief/ bco?betrelc^eBet 5p^"^s< 
licfiacmmetbaftenenanbere flraffigDeben getemt 
too?bt / enbe be btjf finnen naec be rccDte rebene gc^ 
fcBtcöt tDO^ben: toaer af ben jft. 9ïpcfïel ©aulu^ i.cor.9, 
fp^eecfet : 3cïi öaftöbe mijn iicöaem / enbe b?engOe 
bat onber ijet tiebtoancfi/ op bat icfi öïj abontueren / 
algf ich tjm anberen gepa^^bic^t Debbe/felbe niet ber^ 
too^penen too^öe^ TBi geeftelDcSe berflecbingei^ / 
boo? betoelcfeebe gencpoclöc^Debenbeie? Derten/ en^ 
be bec 5teïen geb^oèen too?ben. 

<enbc al tö 't faecfee bat Det '^tbtïjt feer gep^efen ^<it\mt^ 
tooibt/boo? be gene bieban geefïelijcöefaöen fc8?ö^ K^ilL^ 
ben/ enbe al.e^b'eerftebeugöt genoemttooabt/noctj^ nSg* 
tanjSen ie? be becftecbingfic niet min nootfalieïicö/ i^* 
enbe en too^tJt ban befelbe ntet min gep^efen» .§00 
bar ben ^poflcl fcgt: Bant i^'t bat gf)p na 't bleefcö Rom. g. 
ïeeft/fo fulc oDp fterbcn/maei* is? 't bat gljtJ booj ben 
geeft be toeecnen beief bleefclief boobt / fo fult ggp Ie? 
ben : toant bU €l)Mo toebeDooren/bie Rebben f)wn 
bleefcö gecrupjl metbe geb^efeé/en Quabelu(len.€n cai. j. 
gelijftertDijjef bat be ber jiccbinge ben oprechten toeg 
t.$7om tot fiet<0ebeb te geraöen/alfo en k^t Det <lI5e* 
ïjebben menfcö niet alleen totbe becjlerbinge/maec 
btoingljt ben felbcn bectoaevt^ en maecfet öet felbe 
fmafeelij«*^U!^ 6iimt op met be 252upt tot bé berg cant, 4. 
ban mpaifien/te teeten/tot moattficatie/en ben Deu^ 
bel bej2ï ioierooch^i legfjt af ben ouben menfcö/enbe Ephef.4. 
treöt aen t^m nteutuen menfcö/bi^ na<0ob gefeD^pê 



^01 DcnII. Boeck. HetXl.Cap. 

W cntie öcïöcb öc fecpenté ftare oude M\m tuffcfjcn 
cenigc jtcenrotfen afftcoopen/alfo (jcfjoo^öen top on* 
fc ouöc manieren af te (eggen/ en bat b^ptoillïglicfe* 
^0 nocïitani3f/ Dat/aï,«f onö eenige beraerbinge/ban 
eenen anöei-en acngeöaen too?t / top bat ban al0 ban 
be öant <6obtj2? nemen/ mctfniclien ^ttwai^ top be 
meöecöne ontfangOen uvt be Ijanben ban ben ^oc* 
too?/cnbe cenige Ijulpe enbe Dpfiant fouben aenbeec^ 
ben ban eenen getroutoen b^tenöt» 
ïDat bat 3©p moeten boo? aï tn on.ö fleuben b'epgen liefbe/ 
top aiDct^ bat W öet gene/ toaet boo? top al te feec on?$ epgöen 
hflOMtt rt ^«'^^ ^" gemach in alfe^f foecltcn : befe epgene lie^e/ 
httftu* ï^'»" 0^^ tooö;j Oaer boo^too^pfef ïjebüen/ pet bat gec^ 
ttxu (leUjch i0/ booi fu beel alö befe bingen eenig pjof jjt/ 
j&'epsen £,ft gcnoecjjtc in ïutt üegrijpenjcnbe heft en ijSbtcö^ 
"'^'^* toijl.^ niet min fcDabelicft/alsf eenige be toeicfeeftaec 
befiomnKrt met 't gene bat bec finnen bermafeelicfe 
W gelijcöfoube mogen toefen/eere/rijcfebommé/ert 
anbece bufbanige tijbef ijclie goebecen.^Bant aenge^ 
fien bat onfe bolmaeclitöept ïjitt in gelegen i.ö / bat 
top i\\ alless ben vaobbelijcfeen toiüe bolgen:biefBal* 
\)m/i0 't fahe bat pemant boo^ befe epgene liefbe/in 
flet gene bat begfjeljoojfaemDepbtaengaet/ toeber* 
fpannigl) W enbe al te feec barballen i^ op fijne oef^ 
feningen/oft al te feec i^ ban ffjn epgcn becjiant/be- 
fen en Ijinbect fp felben niet min/ban ben eecfien» 
^'upt* vE^'upttoerchingen ban befe epgene liefbe too?bm 
toKchmge becljaeltbanben2üpoflelgaulu5?: ^nbelaetfieba^ 
ïiefDe gen/fegt Dp/fullen baec menfcöen sjjn ïjm felben lief 
2. Tim. 3. bebbenbe / giecigc / ïjoogömoebigBe/ fjoobeecbige / 
ïaficcaecjEf/benoubecen ongeöoo^faem/ onbancfeba^ 
rige boofe toeccFien boenbe/fonbec betoegelflcfeöept/ 
onbjebelijcï!/ befcDulbiger^sf/ onfeupfcöe/to?eet/fon* 
ber goebcrtiecenliept/ beccabeciOf/ftcijgelaer^/opge^ 
blafene/ enbe lief OebbecjS bec toelfuften / meecbart 
(^ob.ö.Ulnbece tehenc ban beft epgene liefbe5ön/een 
befcftaemte/tec oo^falie ban fflne natueclicöe geb^2e^ 
feertj fioetoel men om geene anbere oo?faecfeeüe^ 
fcbaemt en beïjoon te toefen/ ban om batmen <0obt 
almacïitigö becgcamt fjeeft: maec epgbene liefbe 
boetfeD^iw^n batmen ban flec&teaföomfte iS/ ^nbe 

mem 



VandeVcrftervinghc. ^05 

men l»ïl 5önc sebjc&en onfcDulöigcn/ öanbclcn bait 
Dingen öacc onfe zzxc aenftleeft ; ban een anbei: bec^ 
fmaöelycfï/ banfpfelben atlijh en Doogdp geboe^ 
lenen fp^eöcn;alieenlöö tcacljten naer al toat Doocft 
en bcröeben i^ef/ en Dat m$ Doet groet acötcnj allceit 
foiïgDtiuIötgö fijn om fp feiben te IxieDeröouöen / m 
Dingen Dte in 't openbaer göefcöicDen / en niet in [jet 
gene Dat fjepmelücö göebeurt ,• tijhtlijthtfalunbc^ 
neerrtigen/eeutoigeberonac[)tfönwn;eer!iliontfjaelt 
toefen/ 5i]ne<3oDD.nicijtig{)emeriHenacöter!ucen/ 
tel* oo2fafisj Dan Det bonniffe bec menfdjin/ $c. ^^ ^^^^ 

^cigzm Datmen Ijier-en-tegen fean gebjupcfteiv tm vm 
fouöe mogen toefen/D* eer e fcf)outoen/5öne gcb.2eften tcgmtnc* 
Difcreteiijcli openbaren/ fpfelben geenfin^ ontfcDuï- "^^^* 
Digöen / ban fp feiben / oft ban pet Dat ot\0 aengaet 
fonDer nooDt nimmermeer fp^eüen ; in Det gene Dat 
ftet licfiaem aengaet / niet begfjcer en Dat onnooDigö 
ï.ö/ oft Dat aüeen tot eenig^ toeilufte Dient / maer aU 
leennooDtfaïie!ijc!?eDingen/enDe (boo^foobeelató'c 
on<s aengaet) bjenfcöen gier in göeene göenoecSte te 
boelen» €enlaetften/eenenalDer-De(ien miDDel i.ö't/ 
alle fijne toercfecn Doen met eene fupbere enDeop^» 
recBte mepninge/'t 3? DaDelötfee/'t 3P firacötelöfee/ 
De toclcöe fp?upt upt De gftjene Die te booten göeDaen 
ifit gDeloeefl j niet ten cpfjcljte ban oni^epgen baet/ 
maer om Dat <0oDt fulcft.ö begDeert/ enDe tot pjofijt 
ban onfen ebennaeften / $c, 

. ^enanDecgljeb^ecFi moeten l^p Doo^Deberfter^ w^ï^f' 
binge obertoinnen/ te mtzw onfcn epgen toiile/ een ^^„0^ 
feer fcDaDelucIte melaetfclieptonfer sieïen/Detoelcfte fijnfn co» 
Defgclijcfien De goeDe toercèen fcöepnDten beDerft. gnitotnf. 
3Baerom/fepDen De SoDen/ Debben top gebaft/enDe ^^'* ^s. 
CÖP en Sebbet niet aenfien; topftebben onfe 3ielen 
berootmceDigljt/ enDe gDp en ijthbe^ niet getoetenl 
CnDe Den l^eere fieeft geanttooo^t:^iet in Den Dacfl 
utoesf baftenö too?Dt utoen toiile gcbonDen, 

^cn epgöen toiile iö / Die onis niet göemepn en 10 m^t ttt ü 
met43oDt/ enDeDemenfcftenj maer Die on.$s alleen ^^9^«i 
epgcni.e?:aljSftop'tgenctopbegeeren/ntetenDoenter ^""* 
eeren <6oDt^/ nocD tot p^oföt ban onfen eben-nae» 
ficn/maer m opficöte bah on.32^ felbenjntet boo? oniJ 

nemenDe 



304 Den 1 1. Boeck. Het X I. Cap. 

mmcnbc l}kt öoa? 43oDc te DeOagen/cnöc m\m an^ 

öcicn te bate te bomen / maec alleenlijf ö te bolöoen 

aen De öencpgclöcfiftetien onjf ö^nioetsf» 

iDatfc i^^iec uipt homen en fp^upten berfcDepben anberc 

hi^lht f^"'Cï^J^3nt gDeljjcöectDUö ben l?. ^iiguftinuij bz^ 

aUDtintöteeeiieiïntre'onn fijne epgentoille i.ö/t$"me^ 

öe nieufgierigl)/ ongcfiaötglj/tioirtig/aualüclt feon^ 

iieabeDerö^agen onDectDcfen en onöer-recljtte too?- 

ben / bol cntfcOnmingfjen / enbe befelbe altöt aen öc 

Dant Debbenbe/ban fijïi epgen goetbunefien/ en geev^ 

ne fijnen epgen lutüe boenbe / ntet bjtüenbe flaen mu 

tcvctw^ anberg^bebel/ tn bingl)cnbie be goemepnts 

aengaen/ tvaegïj enbe onacljtfaem sön/in epgen gs- 

mach neerftigïj cnbt fö:g()bulötgO* 

iiKttJbricii "^^^ miböelcen remebien Ijicren tegen/moge toe- 

niöeremc* fcn: i€cneec|lê alle nicufgiecigOept b^epDelen/oeff^^ 

^taai*^ «en öem in be qii(tahn}\]mi en om in een bjoo^t al te 

^ * begröpen/ be boo^fepDe fouten/met 't gene bat baec 

tcqcn tj2?/berbeteré/en eenici anber^ toilte geecne bol* 

gen/al en i^ 't onfen oberilen niet. ^it geeft on^ ge* 

I. Pet. 2. noeg te feennen benlpoftel al^ t^n fcgt:H©eeft onber^ 

banigO alle creaturen om «6ob.ïBantbit ben epgen 

Ddif leboot / en berb.-» jjf t be begeerte ban p^ijjof en lof/ 

toelcli een qum geb^^etfel ban ben im^^^ bjtUe i^. 

Mt moet vt^iisf moetmen ten berben uptroepen be begeerte 

oocft 000= ban eergtmgDepbt/toelfh lideen groot fenijn in öet 

«emcii Ö^'^fteiÖ^^ Ichm/ toant Oier boo^ ou^ gijeloobe oocli 

baiteec* brchUjijïö liomt te bjanclielem ^oe nioogljt gbp ge* 

gietigucgt» iooben/fegtbe3Baerbcpt/bie glorie ban malïtanbe* 

loan. s. j.^j^ ontfangt ^ 5IDant baer en ijs? geene fonbe bk Imt 

ijoojber berb^ept fjeeft/en nocli ö^benfbaegfjiei boo3* 

ber uptftrecft t ban eergierigliept: toant ten opficljtc 

ban eer e/ enbe om groot gljeacljt te toojbcn/ boen be 

mcnfcïjen meeilenbeelOarettiercbcn/ enbeoochbe 

^cpbencn en Ocbben geen anber epnbe : toant be toe* 

tenfdjap/ eere/rijcfebommen/ fcltoonljept/oberbaet 

in lUeeberen / 't en $p batmen Dier in gftep^efen enbe 

^Attt* gefienijDO^bt/ en fijn niet feecgeacbt» 

mtnim ^cw moet ban hv (p felben jlupten/batmen geene 

ft«jtegm ^^j^a^nbeerbenenfal/ 't en spfafte bat befeon^ op* 

*»'"• ge^ 



V^ndeVerftervinghe. 50^ 

Ocf^ubt tü02bf ban ben genen bie onsf fean oeMeben/ 
oft bat fnlf U.0' goct ijebojtöen tooaDt ban onfen gee- 
fteïöcl»en©aöer : macr öatmen nocOran.ö ftn Ijcrtc 
bacL* op nopt tn (ai laten ruften. IBen moet fomtoii* 
len eenigen eerlijcften (laa enbe anipt aenbeeröen / 
te toeten/ ai^ öe geDoc^faemljepbt fuleöe? fouöe bec^ 
epfcDeti/oft ben nnot enbe Oet p^füt onfec 3ie(en/oft 
ben boo2tgancft ban onfen eben-naeflen / oft toel be 
berb^epbingeban be glorie 45ol^. 3Bant gelijcfeer* 
toö.ö alfmen ban be rijcöbotnmcn oo?beeU/fo moet^ 
Hien ooch ban be ecre bonniflen. ^uoiö't bpal^ 
bien/ batbe rijcöbommen enbe eereoberblocbigB vctims^ 
3ijn/ foo en toilt u Derte baer op niet ftellen : 3a bat 
meer iö / geeft enbe biebteen anber geecne f^et eer^ 
lijcfeffe/ 't 5P v^ officien enbe ampten/ eerlijche t^U^ 
len/be toecrbigljfre plaetfe/ enbe bat getoiütgölijcö/ 
om ïjiec in onfen iSaligfjmaecltergeliJcö temogert 
toefen : fiiefl ootmoebige enbe bcrtoo^pen fafeen/be* 
becfit utoe beiigljbcn foo beel a\^ 't mogeüjcfi ijj; be* 
geeft u geerne tot foobanige ampten enbe offrcïen / 
toaer af anbcre ben na^m ï)eüben c\i0 oft fpfe gebaen 
ftabbcn/enbe en fp.^cecfit ban utoe faften niet.b'C>o:ï* 
fafeen bieonö moeren bertoechenom alieeereenbe 
grootacOtinge te fcöoutoen/ 5ön onfe htamhf^^pW 
enbe fjetperiicfielbanltcöteïijcfemeentgepbelöept 
te ballen. a©ant ie? 't fahe bat pemanbt b'eere t)ic l)p 
nocö niet befiomen en fteeft/ al te lieftiglj begeert / 
l)oe fal Op öonnen met ber fterten feioecHeïöcli ber^^ 
fmaben / befe baer lip nu toe geliomen iiS i §.ö 't bat 
ï)P een gemepn officie bebienenbe / ïjem in ootmoe^ 
bigftept tegen ben toinbt ban pbelijepbt niet en öan 
tocberljouben/ fjoefal f)p i)it feonnen isptrecöten/ nu 
betljebcn 5ijnbe/ enbe oj) eene frooge plaetfe geftelt i 
J^icrom fegt feer toel ben I|. 23ernarbu.ö/batter lut- Bef" ^erm. 
tel gebonden to02ben/bie oberliept enbe gebiet ober ^- '" ^*"'* 
een anber f}cbbm 1 metOareepglien bate enbe boo?- 
beel j enbe nocft luttelber Xsiz f)et felbe boen met oot^ 
moebtgOeptiga bat meer i3a?/ben%<02egoriuöber^ Greg.m i. 
ret toei tloutelijcö feggen / bat Det onmogcUjcfe \$l ^" ^^^* 
bat b'onbolmaccfete b'eere aenbcecben met b^ucgte 
ban Daer-iieben onberfaten / enbe batfe D^er niet en 

i ber^ 



^o6 Den 1 1. Bocck. Het XI. Cap. 

beröeffcn- ï^tcrom i^ 't öat alle ïjcpliöen foo fojgfi^ 
bulöeliJclialleecreöcfc!)outotl)ebben/namcntii)cö 
öc ^ il. a3?eaociu^ / Ctonfoftomu.ö / imartinuö / 
^uguflinus?/ j?u(aentius?/l9icoIauiï, ïcefl ïjitt af 
^. 'üiciaö Dan 't Ucrflecben. 
Min moet C?ct Uierbc Quact öatmcn öoo^ bc berdetbinofie 
föii CP3CII moet gcnefcn/ i^ oniescpocti ooct-tuiu Itcn/ ccne op- 
80" öuiif* recDtelafei'pc/adijcIi ticn 1^. Bernaröii^ fcgöt/bait 
ftèibcn onfc3teli\ €ntïctDati^fjerepocn gebodend bit W 
alje^oOputiallclötii laetboo?(lacnfcftcc cnbctoaer* 
ac(3tigï) te tuefcii/Dct gene bat beu Obccften/oft(al.ö 
ben oDbecftenfijn gïieboelen niette fiennen en geeft) 
't göenc anbeve tuijfe mannen oocfe boo^ulcliiaf niet 
en Ooubcn/al en 5Ön befe utöe <Ober|ten niet. ïl^ant 
Bafii. in gelöcli ben l§. ^afilin^ feec toel fegöt:i§ct i& gcoo^ 
Reg.brer. te ftoobecbpe / fpfelben niet tetoiKenonbec-geben 
^- " 3. (jï^ ï)et meefte beel ban anbec geboden i^. €nbe \)tn 
Bern ferm l?. ^ctnacbu.ö : Hanbec tol meecber opgeDlafent^ 
2. de refur- {jepbt gljcbonbett Ujojbcn / ban bat eenen alleen fijn 
««^- epgl)cn goet-buncfien ftelle boo^ïjet berftant enbc 
goet-buïulien ban eene gö^öeele gflemepnte/ aljs of t 
gïj alleen ben ^cefi <0obt0 öabbe i 
ficmcuieiu " ^^^ ^" ^^^ ^^^ ^^ Öclpen / foo bfent fitec toe Bet 
obecleggen ban onfe ontoetentftepb t / betoeïcfte on^ 
gemeten ijS ,- enbe be ber fcöepbentöept ban opinten/ 
enbe bedbedep begcerlijdïöeben / toaec boo^ be re^ 
bene becbondiect enbe berbiipflect too^bt : enbe ïjoe 
menigljmad Debben top boo? be ecbarentöepbt be^ 
vmi\at0 bonben/bat top beb^ogen fjeöDen getoeeft^ €nbe ge^ 
tcnijepöt lijcliectoö^ bat befefaute ben oo2fp?ondt i^ ban alle 
?rS?h?r. QU'^^t ^ttö^ ttoeeb?ac8t/ foo in be l§. I^erdie alö in 
cpfchtöm anbere gemeenten enbe alle bergabecingenialfoo i^ 
raeöt enöe oodt B^t becfaöen/enbe ftet obec toinnê bec felbe/een 
onöcttoij^ fcec aengenaemfa€cificieenbeofferanbeaen<6obt 
anwèutjc almadjtiglj. ^u0 boegljtgeccne u goet-bundien 
nammt^ naec ben toilfe enbe fjet goet-buncftenban eenen an^- 
itich ban ^eren/op bat gf)P Mjt een liinbt be.ö b^ebejJ/enbe ban 
iSiiir <©öbt utoen alberiiefften l^aber: öiefteenen gee(le== 
luii toaWr. Ipdjen babec / boo? toienö boo^ficBttgljepbt enbe 
toöfOcnbt gfjiï ti laet Icpben enbe regeeren: fiet en tjei 
unocDtan^ fiifvboo?niet berboben ootmoebeUjdi 



Van de Verftervinghe. jo;^ 

tm^ anttxë tam t'onlierb^aaöen / ooth bcc öeneit 
öie minder 3ijni iaeteeftDIööealiSgöpbaneencii 
antRcen onbecrecöt too^öt : toant oöp en toeet niet/ 
eeli)cö öen g>?opö^ct ^oö getupgDt / ban toaec öat 
oOp ecnigO licljt ontfangen fuit/in 't miöDen ban be 
Dupitecniffen ban foo grooten ontoetenfiepbt* 

Meditatie van het verfterven. 

DE vooYjïellinghe der^laetfe is , t*aenfCÖOUt»en €W^ 
ftum onfen^aligömaecfieröangöenbe aenbe 
gaJgöe bejs örup.ö/ DebDcnDe gfieDeel fön Ucftaem 
boo^toonbt enbe boo^ljaclic(t« 

Het i.point. ^ztïtttcht tcrt eerften/ïjoe onfen ttu 
(ten baöec ^bam geftelt \amctt Op infonben bieï ; 
floe batOetlicOaem alfboenbec3ie!eonbectoo?pen 
toa.^Z te begeerlijcfiDebcn bec rebene/ enbe befe alle 
aen «öobt aimacijtigö: fo bat ben menfcBfonbet ee*» 
niglj beletfel Ijcm öegaf tot Dct aenfcöoutoeö ban 
<5ob aimacijtigö / enDe in alle^ ober een guam/met 
ben toille 45oht^/(^t. (€en ttoecben/Ooebat allebin^ ^tmtun 
öenboo?befonöebecfeeert3ön: enbe öoe bat bit niet !?„ïl°4^* 
min en mi^-flaet/ban oft be leben tie boben beljoo?^ KtnT 
ben te ftaen/beneöen toaren. €en berben/iiJ 't bp al^ 
bten/batben menfcgnulebé toiltnaberecöterebene 
te bjeten/ alö een menfcö ( 't ^^Ith alleen fijn oppei:^ 
(te goeti^ ) enbe niet al0 een beelt/foo moet ï}pfp fel^: 
ben uptgacn enöe berfterben : enöe noc& beel meer / 
i^ 't faecfie bat f}P toilt leben gïjelöcft een €ö?i(ten- 
menfcb/oft göclijcè een religieuief pecfoon/enbe niet 
toeberom en begeert te feeeren totftet tnereltfcB lebê. 
^UiÊf bemercöt / bat ben menfcD boo? be mo^tifica^ 3^11 
tie / of bet berfterben berfielt tooabt in fijnen eer jten tmm 
flaet/ aengefiê/bat Ijp Dier boo^ be reben/be toetten/ ^°Ju^ 
enbe <0ot)e onberbanigb enbe onbertoo^pen i^i enbe }icrbcn 
baer-en- tegben/befelbefcöoutoenbe/ferancli bluft/ üetmariit» 
enbe ten beeften gljelöcl! too?bt/ (Je ♦ l^ierom/ neemt 
boo2 u/ bat göp be rechte reöene fo^gbbulbelöcfe en^ 
be neerftelöcö tollt foecfeen enbe omljelfen. 

Het 2.point.2$emercl[itten eerften/bat De mojtifi* 

catie/ ben toille/ b^tberftant/enbe be anbere feracö- 

tm ber 3ielen Qij^mcfl/znt^e bolmaecutifoo tatft bec 

* f 2 rebeng 



3o8 Den IL Boeck. Her X I. Cap. 

rcöcnc ontierDaniöf) Bön/cnbc bot öcn outien utcnftft 
oehcupft fiiiiöe onDcc't Ijebtoancii gcbiOcOt too^t» 
(€ni ttöccöcii/ Dat tjp alfoo lang!) al<3 U)p op bcfc iüc^ 
relt rcpfen / nictUolmtiecl^lcliKh en fionncn ontftc^ 
hm tDÓ:t!cn booa ecnc bcöcertelinn ficnuifclic faften/ 
'ten 31^ bat tóp nccrflhjf) 3(jn «n t Ocbunnacn banöc 
fteöccrUichtieöcn bcc^iiciiaem^/ oocFïöccoenecöfe 
Gcoo;ïloft / enbc nootfaftclöcft sim. (€cn bcrbnv bat 
befe pljilofopljic / bcfe totcnfcljap/ enbc bit geluclt/ 
naec i)etgeböelen ban alle toefen/ gelegen 10 in ftet 
becllerbcnbanfpfelben : toantbengenenöteonge^ 
pojbeniö/ i^ gebuefigOlijcftbolb^oefnepbts?/ enbe 
toojt altijt alö eenc3ee geö2eben:maec bie fijne qm^ 
be gencgelijcliftepbt bcrjlo^bcn Ijceft/i^' in eenen ge* 
bnerigen b^ebe/ enbe (cptliier een ïjemelfcDleben/ 
cnbe isf boben alle bcrganctielijcfic Dingen : ia en 
iMOjtrtiet beranbcft/nocfj boo: boojfpoet/nocl) boo^z 
tegenfpoet. (Cenbiecöen/obeclegt bebertrooftingcn 
bec l^epligen enbe ftave rnfle / ooth in uptnemenbe 
(ïcangigö^pt ban leben/ enbe gebuerige berfterbin- 
gen* \Zm bijfben/obecbencïn toat begeeclöcöfieben 
bat u aïbcr-moenelijcöfte ballen/ bjaer boo;j gOp 
meedfouö öonnenbertoonnen toojben / enbe neemt 
boo? u/ bte/ beo? öet befonbec onberfoecö utoec con^* 
fcientteupt te roepen. 
^Étb«s H^^ M^oinc. pepniï fioe aengcnaein bat nen <6obt 
ftcrbcn tö b^ojfcrftanbe ban l]ct berflcrbcn fiim felf^ : toant 
ftjnöffifó ïueromïieeft€0?iflu3^onfen^altgf)maf!ec/altoa3S 
tci acnac* ^^^ gïorieuö / Dcbtüongenbe glorie tic upt fijne 3ie{c 
tmmt qI ftbmenbe/ 't ïtcDaem obergoten foube OeOben / enbe 
fErjHintic, bat Op bat lip boo2 onsf \3C alberbitterfle tormenten/ 
tnt^t te boot felbe foube mogen bcrb^igen ; en öier^ 
om \3j0n aen tjc(c beberloffmgeban 't menfcljelijcft 
geffacöt toegefclueben, (€ü\ tloeeben/ fijne falige 
IBocber/ben ^.^m ^apnjla/ enbe alle be ^potte^ 
len öebben met menigbulbigc tegentfieben geoefTent 
gebjeefl/ toaer af eenen alöuiS fp.^eecbt : (<£ot op befe 
i.cor.4. ure3iJi^^POöc&bongeriglK«bebo;j|ligfj/ enbe top 
toojben met ïjalfflagcn geilagen.Cn metftoebanige 
ïïcf be cnbe bpcrigfjept ban liibcn / Ijebbcn be marte^ 
ïacr,^ be to^eébe tprahncn gep^iemt / op tüt fp Baec 

in 



Van de Verftervinge. ^09 

infuIcB^c boegen ai^'t ï>ier foube aeü'ebeti pijnisen 
foaDenf €en DcrDen/onfen l^^ccreïieeft alle l^epligen 
öcfen gccilban fp felben teUerlïcrbéoofe in ö'alöccï' 
tninfie öingen inaeöcücn/acliih yet Dlijcht (n Denl|. 
^(opfiusf en anöere: fo Dat öct <0oöeaenocnamcr i^ 
ben imth Dan ccue üloemc/eenigc (auU^ fpijfe/ 'ttoa^ 
ter/ gclijcfe ^abiö gebaen ficcff /re berben/en Ooöc 2.Reg.23. 
op te blagen ban oocft eencn booben te bertoechem 

Hci:4. poinr. ^cnierclu UJateeuegtooteeerebat i^ftiö eet- 
ïjet onö imm ^t(t ocffeninge onfen^alicömaSer/ |f^^.?^°,^« 
hit in fijn leben foo Deel boo j on^ gelebcn Ijeeft/ naer laXil 
te bolgen:toant Ijet i^ eene gcoote glorie benl^eere te gnu 
bolgen/ enbef)uf)eeft een geöobrgegeben/ enbege^ If^^'^l' 
fept; ZDienampöomenbJilt/bieberloocfienefpfel^ ^"•'^' 
ben/ en neme fijn htnp^/ enbe bolge mp naer* ^ocö 
baec en Itan geenfeec[terbertefeengegebenb302ben 
banbeb^ientfcDaö banonfen <§aligljmaecèer/ ban 
})et l!rup^teb2agenmetï)em/ öieonfenïionincft/ 
önfen Igeere/ enbe on.o öooft i^* ^ibus^/ a\$ ^abib 2.Rcg.if . 
met bloote boeten uprgegaeni^/ eniiTerniemam 2-^«gi»' 
oebonben getoecft/ bie liem Ijceftberrentepeerbe 
pellen. 53ria<Jen fteeft niet toillen in fijn Onpö gaen/ 
öl0 fjoab/ enbe b'ftrcfte a3ob.ö tooonöen onber teti^ 
ten : tn\}z fjoe en faleen€ö?iftenmenfcljOemniet 
f cïjamen te ftrijben onber ïjet örup0/ enbe noeötan.ö 
ban Detfelbe eenen groutoel te öeóbeni eenen Capi^ 
tepn enbe een fjooft tefiebben boojtoont metbooj^ 
nen/enbefelbergenoegöteenbegemacfetefoerbem 

Hct^.point. 23emerclit bat beberfterbinge eene ^thtt* 
bolboeningeiis? boo? onfe fonben- ^Ifoo gctupgt on^ef l^;^fJl 

iïe^cO?ifture/bat3tcl|ab /<Dabib/enbemeeranberet,ie„tto^^ 
aen 43obtbolbaenl)eöben» i^ieronüö'tbatbenl^, baiöocimt- 
^regoriu.öfegïjt: 3Dp moeten bit neerflelijcFigabe gcöct fan^ 
iïaen/bat topoocöarbepbéongJt'ontfioubenbanee^ 7Re^.2i. 
wige bingen bie on^geoo?loft5ijn/gebacDtigb3efen:: creghom. 
be/bat top bebaeben öebben 'tgene ongeoojloft toa.ö/ 34.in Euag. 
op bat top in fulcfeer boegé onfenl^eere en^cOepper 
fouben moge bolboé.^flbu.ö öeeft gebaé bei?.il3ag^ i.uc.7. 
balena/en alle be gene tiz ftaer tot leettoefen bvï Duit 
boo2leben leben begeben fjcbben. ïDantfpboo^fe^ 
^^tiüth toilïen / bat a3ob alle fonbe ftraft / oft Ijier/ 

» 5 of 



Mau.8. 



310 Den 1 1. Boeck. Het X 1. Cap. 

Of Of CC «amaeljs/'ten 5? bat topfefelber ftraffcii.€it 
lonm 3. albuiEi öcfcötebet/öclöcf! bit bani^inibe gebeurt W 
bat top boo? Oet berflerben berlofttoo^benfoobart 
allequaben in bit leben/ aï^ban al l]ct gene bat onjj 
foube mogen obecftomenin öettoeöomenbeleben» 

Gebedt om den geeft van fterven te ver- 
krijgen. 

tlf Ie fal my geven,ó alder-goedertierenften ]eru,dat 
^ ^ ick u fal mogen volgen ? lek fie dat ghy in het ar- 
beydcn zij t van uwe jonckheyt af,ende dat de vofTcn ho- 
len hebben , ende de vogelen des hemels neften,maer 
ghy ö Heere,en hebt niet daer ghy u hooft op nederleg- 
gen mooght.Ende waerom ditpdan op dat ghy my foud 
4Üütit Uttt leeren door u exempel de welluftcn des vleefchs niet te 
?uf?m öiö* ^^^^^^*^"^" ' ^^^^ mijne leden dieopderaerdenlijnte 
bicefcöjS temmen. En wie en fal door uwe liefde niet getrocken 
^ettocrpc* worden,ende door defe alder-foetfte ftemmeiick heb u 
lo°'n n^* ^^" exempel gegeven,op dat ghy oock fo doen foud,gc- 
Jijck ick u-lieden gedaen heboe? O foetigheyt! ö gcna- 
Bem. fup. de!o krachtige liefde ! Ghy den alder-grootften wefen- 
Cant.ferm. de, zijt den aider-minften geworden ; Waer door is dit 
^^* gefchiet ? door de liefde, de welcke hare weerdigheydt 

niet indachtigh en is,uytgeftort is in weldaden, gantfch 
vol isvan jonften,krachtig om yemant te bewegen. Wat 
i©onlJet^ iffer geweldiger? de liefck heeft d'overhant over Godt, 
h^'^i^^ö^^* endeen falfe my niet konnen overv^r^inne? En fal de lief- 
^ ^^' ^* de van mijnen Godt, mijne eygene liefde niet konnen 
uy tbluflchen ? Ick wete wel , dat die niet en haet fijnen 
luc. 14. Vader ende Moeder,en oock mede fijne ziele,die en kan 
- uwen difcipel niet zijn. Wil ick u dan volgen,fo moet ik 
my felven haten,ende mijne ziele verliefen, opdat ickfe 
foude mogen vinden. Och hoe foet fal wcfen de vruch- 
te,dic ghy ons gebiet te plucken van u heyligh kruys, en 
Cant. 4. by een te vergaderen uyt uwe naervolginge ! Ick fal dan 
gaen tot den bergh van myrrhen, en tot de heuvelen des 
wieroocks, ende door uwe liefde de heylige mortificatie 
te wcrcke ftellen. Want die utoebehooren die hebben 
^^' X* hun vleefch gekruyft , met de gebreken ende quade lu- 
iten Kruyft dan,ö Heeie,mijn vleefch,ende befnijt mijn 
herte,op dat ick mach gerckent worden onder uwe kin- 
de- 



Van de Verftervinge. 3 1 1 

deren.Ghy en hebt,óHeere,den naem van Salighmaker 
niet eer willen aenveerden , dan als ghy befneden hebt 
geweeft : ick en kan oock mijne faligheyt niet bekomen, 
't en zy dat ick het merck-teken draghe van uwe recht- 
veerdigheyt, van u geloove,ende van uwe naenolginge, 
ende door eene oprechte verftervinge onderkent worde 't Wttfltt» 
van de kinderen defer werelt. Verleent my, ó Heere de ?g^L^^"^jj, 
gratie,dat ick om uvvent wille gevangen ende gefpannen nimft-te* 
2y,ja de doot mach fterven,cnde blijde 2ijn,als ick weer- feeit ban öe 
digh gevonden fal worden om uwen naem eenigh onge- "^^,°^?^"5^ 
lijck te lijden. Geeft my,o Heere ]efu,dat ick uwe heyli- ^y?^»*^ 
ge mortificatie geduerighlijkin mijn lichaemmachdra- 

Ï;en;want ick vaftelijck betrouwe , dat, indien ick u ge- 2.Cor.4. 
ijck ben geworden door het fterven , dat ick dooruwe 
bermhertigheyt en ghenade u gelijck fijnde fal verrijlen 
ter glorie, ende dat ^oor uwe gratie. Amen. 

Pracftijcke om fy felven te verfterven. 

D' €crtIe/BeSaIUen/öte öobc bccmelt 5ött/f*iï toe^ M^tmt 
fen/ nm een fd?er getal/ bp cjcempel uan bijbe/ S°°^f"Jf 
ut eeren banöcUijftoontienbanonfm<§altgOma^ bantet'^ 
feer/fönbcrflerljingen <0o&eop teö^iöWbcfonDec- aeïumgau 
itjcft acngacntie flet genedaecmcnljetüefonöccon^ 
tiecfoecö fijnljec f onfcientie op öoct / enöcntctop^ 
ïiouöen/tot öat Dit bolD^ocöt i!^»3Bant gclijcöectoijjS 
^abid niet opaeïicuöen en öeeft / be ©Diliftöncn tt 
berbolgen ter Iicföe ban iBicöol bte 8em ban <Saul 
té Ooutoelijcfee belooft toasf/tct bat Op fjonbert Ijoof * 
ben banbefefilnebpanbenbpeen bergaöertöabbe; 
alfo op batonfe5iele toeerbtg macfj gebonden too?^ 
ben om ban <0oöt bemint te too^Den/moeten top ee* 
nige bictocien bebafen banonfebpanben/ bjelcfee 
fijn onfe riuabe pafl'ien oft begeerlflcöljeben/onfe ep^ 
gene lief oe/enbe foobanige andere» 

^ettoeedei.Ê^/ be felbealtemaelbeceenigenmct mmmq\)t 
öet lijden ban Cönftujr onfeni§aligbmaecber/ende uiMcbec= 
bic in fulcher boegen aenfijne<6oddelijcbe.maje? m?r1IS 
^ept opdragen /ende dat bp maniere ban bergelöin- imtsu 
ge/endeop dat bjpalö lidtmaten aen onöftooft/ alsi Cö^utu^» 
foldaten aen onfen Capitepn / ende oprecljte ftinde*» 
rena^n onfen ©ader g^löcö mogen toefen. 

^4 ^e 



3it Den II. Boeck. Het XI . Cap. 

^t beröc / flct ijJ fccr p^ofijtioö bp zm te beto^^ 

ï)txm m\t roUc of t catalogue önec m 5ün aSeteftcnt 

alle De oOelcöOeiuOeöen/öie top fouöen öonnen öeb^ 

ben Dan oï\^ te becflecben / tö 't bp alöien öat top 

ïjet ccup^ €0?ifti en 3ijne toonöen ober on^ begö^^^ 

renteD^lgl)en♦ 

a^bettenct ^c bïerde/ t'obertrenclten/ alfitien in eentoen 

«^tli'Stf Cï^ootcnenöeftoarcn (lri)öti0/ bntmen gljeftelt ijS 

iiaeteencn intiefe toei'clöt al^opeen (ieüaote,* enöebattopbe^ 

ftoaceit gooren al^ b^ome foldatente berlangijen naerfjet 

Jï'? M f öö^i^e bat ftoaer euDe bergcben w l en bat öet eene 

feiHcheii^ loffelljcöcrenbe p^öjsföaerber faecïie i^/ te aioeten 

Daii Die becötcn met eenen fterclien en toelgetoapenben bp- 

iiaetcenm anb/ ban met eenenjIecDten m\^t bertoo^pcn fieL 

S? ^eböföe/ bicfjtoijljst'oberbcncfien batbecrea^ 

tootóbt. tureeenen toon is^/benbupbcl ben fcOencher/bieon^ 

noot om baer af te b^inclJen/cn bat in ben gront ban 

ben firoc?$ berboigOen lept eene flangïie / en ben tx^y- 

fpjonch ban alle quaci^t / uaer !)et feggöcn ban ben 

rroT.23. atóijfen-man : €n aenfiet ben toon met/ alicfsijne 

bertoe in'tgïa.ö büncftt : Op gact foetelijcfecn in/ 

macr ten epnbe/ fal fjp boten al^ eene flangtje / enbe 

ööelycftben bafilifcu^falftpsünbenön Mptfto^ten. 

Pfai.'3o. TpV Raeghtuvromelijck , ende laecu hertcverfterckt 

*^ worden, alle die in den Heere hopet. 
Pfal. 49. Offert den Heere dat facrificie des lofs , endebetaelt 

den alderhoochften uwe beloften ; alle die rontf-om- 

me hem giften aenbrenght. 
Pfalm 2. Aenveert de Iceringhe , op dar den Heere by avonturen 

niet gram en worde, en.dc dat ghy niet envergaet van 

den rcchtveerdighen wech. 
rfalm 31. En wilt niet worden ghelijck een pcert oft eenen muyl, 

de wekke glieen verftand t en hebben, 
Pfalm 43. Om u worden wy ghedoodt allen den dach, wyfijn 

gheacht als flach-ichapen. 
Prov. 16* Beter is oenen vcrdiiKiighcn man, dan eenen ftercken 

man , ende die fijns nioeis Hccrc is , dan eenen ver- 
winner der ftcden. 

H£T 



Van de Pafllen te verwinnen. j l j 

Het XII. Capittel. 
Van het vcrften'en der menfchelijcker 
. genegeiitheden. 

G€löcfecrh)öjc? bat in lm opperftebeclbanonfe 
3tele/Den oo:fp:oncfi ban alle quact ts Den epgcn 
toille/dc epgene lief De/enöc tiet ep'jen geboden : D4)f' 
gclijcfïen in get onDeijlc Deel i:>er gencgcntlieöen/ Die 
anDersnoclj goet nofl] quaet en 5i)n/ i.ö öet bcginfei 
ban alle fiuaetD'ongeflo:benöept.€nöe De beroerten ^^Lf^t 
bcr 5icïcnb)02öenpafTienoft gencpgelijeliDeDenge^ ofSdai 
noemt/ D002 Dien Dat Denfinneli)cfien appetijt oft ^rin/ 
luft beroert 3ijnDe Doo? De berbeelDt'ngDe ban eenigl) pact öat* 
goet oft guaet/üjengijt meDeeenige inDnnrhingeofi iff,f^°"- 
beranDeringe in tjet licljacm. vBefen Init i^ tteeeDec^ oen. 
iep/ te toeten Den bcgOeerenDen luft/ enDe Den gram^' 
moeDigcn.^en begcerenDen lult/Die Dem flrecöt tot 
bet gene DatencbelijcbinljemfclbcngcetoftQuaet 
is^/ïjeeft Defe fe^Sg&enepgbelöctiljeDen, (Cen eerften/ ^^s^ sj* 
een liefDe ban bet goet Dat Oembertoont toert/ upt Sf^an 
befe lieifDe fpaupt een ber langen tot bet goet/ fo toan- oen btgte^ 
neer bet niet tegen tooo^Dig en i^ aen Den öeminner : «eutmiuft* 
cnDe eene blijDrfcbap als^'t öem tegentooo?Digft i^. 
(Cen ttoeeDen/ foo toanneer eenigb guaeDt bem ber^ 
toont aen oni^ gemoet/terflont fo fpmpt Daer in onjs 
cenen ij^et ban b^t felbe quaeDt/ Dat naer eenen 
fcb^oom De^effelf^/ inDien bet niet tegbentooo2Digö 
en ics j enDe ten laetften eene D^oefbepDt enDe prjne foa 
toanneer bet Den menfcb oberbalt* ^^en graumtoe* 
bigben lu|l (irecbt iXim tot Ijtt goet enDe guaeDt/ 
boo? fo beel al.ö De felbe ftoaer enDe moepelbrb 5Ön : 
De gOenegentbeDen ban Defe 3tjn bijbe* (Cen eerften/ mfm^ 
eene Dop^ ban eenigb goet Dat moepelijfbi^ om te nepgeitjcft* 
berbrijgben. (€m ttoeeDen/ een (toutigbepDt tegben g^ g^^mt 
betqnaet Dat gualijcb ban bertoonnen tooabeniCen mocDigcu 
DerDen/ eene toanbope ban bet goet/ Datmenniecen lufi* 
ban beibrbgfien : i^en bierDen / eene b^eefe ban \}tt 
guaetöatmen niet en ban bertoinncn:>€en bijfDen / löeicbijÉt 
eem: groote gramfcöap tegen bet felbe guaet. ;ï^efe ?.??f!f°iJ2 
gftenegbentbeDen beöben boo2 baer boo^to02pfel oft gcnepgc^ 
ïj)it Daer fp toe llrecben / alle Dingen Die D002 De fin^ inckijt^m 

ï 5 mn*?» 



Ji4 Denl I.Boeck. Het XI I.Cap. 

nen Desrepen tDo^ben^töelcfee sijn Oct aoct ticfcr toe^ 
relt/ oft die geleoljcn 30» i" p^oföt/ecrc oft gcnoco- 
öcmewm te. ïDujï ijöf *t öat peitianöt fijn affectie ban berganci 
Difttcfieiu feelücbeöingenaftreclitenftterttotBemeircöe/ öe^ 
fen fal becöcööcn eene Ijeecfcöapppe ober fijne oöe* 
nepö^ljjcftöeöen; öoo? öicn bat befe ban be boo^fep^ 
be affectie oeOecliicft üetoeeoöt too?ben. 3Bant hcw 
oenen t^ic be tpbelyche faöen niet en bemint/ben UU 
benenbeclangOtbaecoocöniet naec/ nocö enber^ 
Wijt Bern niet tefeec ai^ flp hk btfit: toebcrom/ i^ 't 
bat öem petbaerentegen oberfeomt/ tetDcten/ecntg 
Quaet / Dp ^n (jaet bat niet / maec ai^ eencn opreclj^ 
ten bienaec Cö^ifti/omöelflenbe bemint Det ttup$/ 
ölsf öet gene bat in bec toaecOepbt nut enbe p^ofijte^ 
ïijcli/faligb/eeclöcfe/enbebol gDcnoegDtenijsJ: eii 
bliet Det felbe in geenbec manieren/maec foecbt ö^t; 
enbe en 10 oocö niet onmatelljclJ beb^oeft / maec 
€ai. 6. ölocieect met ben ^poftel in 't tnip^/ boo: 't toelcö 
l)em be toecelt gecrupft W enbe üp bec toecelt.^ef^ 
Oljelijcfeenberfmaetöpbegoeberen befeu toerelbt/ 
Qengeften bat gp fijn betcoub^en bolhomcIijc& in be 
eeutoige goeberen geftelt fteeft : öp fcljoutot teel Ijet 
Quaet bat ftoaer w boo^ foo beel aï0 be recljte rebe- 
ne upttoijltimaecen bjo^t nocfltansf boo? geene jïou^ 
tigïjepbt becoect: bp en bjanboopt oft en b^eeft niet/ 
toant ijp niet en begeert. •agP ft^t ban bat ben mib^ 
bel enbe remebie ban al(e fjjne genepgclijcftöeben te 
bectoinnen ië i fp felben bloot te mafecn ban alle epp 
genliefbe/ enbeaüe gefcOapen bingen/ toaecnaer be 
Ucföe ban <6obtalmacfjtigö pleeg!) te bolgen. ^e^ 
jaaett fo^gbt ban boo? al / bat beiiefbe ban alf e bingen be^ 
woctM fer toerelt in u matigO 3P : 'tbjelcfe gefcOieben fai / 
toStö ^^ ^ ^^^ ÖÖP bichtoöls? op (jemclfcOe fafien bencfet / 
upuoepê. en pepn(l bat alïe bergancöelichefaben gemengbelt 
5ijn met mcnigïjbulbige pijnen enbe fmecten / enbe 
obecfulcfi^batbetonmogBeUjcft \^l befenn biec te 
Oftenietcn / enbe öiec naemaeliS 't gene bat eeutoigö 
tj(j. Cnbe biecom is? 't battec gefepbttoiertaenben 
Luc, i6. röcfecn b^ecö : ^one toeeft gebaclK igb bat gbp goet 
ontfangben bebt in u leben. "^xt iö onttoijfelijcfe 
f bjaer / befonber in 't beginfel i maec men moet fijn 

toleefcö/ 



Van de PafTien re verwinnen. 515 

bïcefcg/ geïijcb onfeu c^aïtgöttiaecftcr tiU0 oö^l^^rt 
ftecf t / ccupccn j enöe aif e genocgljten / bi^ bc finnen 
fouDen mogen ber:malien(t!OOj De Dope ban ceuüjtoe 
Ijingen } berfafien ; en fjet fal gebeuren bat öet bec^ 
petben boo? be gewoonte / om fo foet fal ballen/ bat 
ï)etgfjeenjlecben/ niaec een toaeracfjtigö lebenfal 
toojben* ^emercfttbattergefepbrijj/ batbelicfbe 
ban f ijbelijche faften / 't 3p ban eenf ge loellufle/ 't 3? 
ban ecniglj gemacli / b'oo^fafee t^ ban alle beroerte 
oft ontfldteniffe: en acngefien bat cencn pegelycfeeu 
ban fijnen Uijl getrochen too^öt / enbe gelijcii pxt ge> 
Deuct in fpijfen enbe Baren fmaecfe / batfc bcrfclicp^ 
ben3ijn/ en berfcüepbelijcfe bebaüenifoo moet eenen 
pcgelöchen bit neerjïelijcli gabe (laen / ten eerjlen / 
b:iat bat Oem albermeejt bcrmaecfet/enbe toaer boo? 
bat ÜP »if eft getrocfeen too^bt -, op üat Op be berfter? 
bingcfoubemogctetDercn|Iellen.€entU)eebê/öier®eh,rt^ 
op letten/bat be irellufle/ gelijcfe eené pegelijfeé feen? lufte homt 
nelicfeiiS/ (jaren inganch in oas neemt/ b002be beu^ tlutm^^ 
ren onfer fmnemtoacr in top albermeeft beDooren te o„fet mi- 
toafeen/ opbat topbenbpanbtinljetinliomenfoU' imi/eiitie 
ben mogen toeberflaen: 23p ejcempel/ baer feomt i[tct 5»;j«ont bt^ 
boo? oogen bat ber mafeelöcfe i.ö / enbe terftont fiomt "Jt S* 
baereeneliefbe/ enbe baer naereene begeerte of af > tnentout 
fectie/foobatmennaberöantgrootelöcö.ö moet ar- gö^'^"^^ 
bepben om ^U te bertoinnen : enbe toaer 't bp albien ^^^'^^'^ 
batbebegöeerte / oft bat bnertcrflontgöeblufcfit 
f^atitt getoeeft oft om een anber gljelijcfienifife te ge^ 
b^upcticn/ Det (jooft ban bit ferpent terftont geplet* 
tert öabbe gctocefi / oft fjabbe t^tn bpant bupten ge^^ 
floten gctoeeft / foofoübe be3ieleinb?ebe boiljerbt 
fiebben: maeraengöefien bat fjet nieten fean gfte^ 
feöieben/ alief top met be menfctjen Danbelen/ befon^ 
berlijcfei0 't bp albien bat be beuren niettoel geflo* 
ten enbe betoaert en too^ben / oft ben bpanbt fïuppt 
fomtoijlenonboozfienöin; foo ftoubtgbebetoacöt/ 
enbe befpiebt oft öp ooc6 b^ienbt iö; aenfietbeil 
moon-p^iem/ toaer mebe 6p u/ gelijcft goab ^ma» ^ 

fnm gebacn l}eeft/ foecöt tebcrmoo3ben : aenfcftout 
utom bpanbt/ bieubebecfttelijcft onberïjetbecfefel 
banecnigöecreaturefoecfet te boo.:fcDieten. €nbe 

albu^ 



ii6 Den 1 1. Eocck. Het X 1 1. Cap. 

ölöujS fult gfjp licötelijcft uVöc begeerte berfïerben / 
nocf) gfip en fult niet ficïuelijclt berïcpt tooiDen Dooj 
i^enig npttocntïtij fcljijnfel/nocö Ijp en fal u niet trec^ 
ftcntn öe ftciclicu tic l)^ u bere^u Deeft: niacr i^'t bp , 
olöicn öat glju öefe tijöclncïte falic moet geb^upehê/ 
fofult gftji 't iioddijcö ban 't fïecfitonDe'ifcbeptien/ 
öen angel/ of Het gi ne hat ff DaDdijcfi t.ö ban öen ïjo- 
mcftj enöe en fultniet alleen bccftcrben in Ijet gljcnc 
bat u niet geoo^loft en iö/maer oocb in 't gcnebat u 
toegelaten löOK.^an daeciiJcen groot bccfdjtl tuf^ 
fclien ben reciitbcecöigen enbe ben gobbeloofcn/ in 't 
oelvjupcft banbe felbe fahe ; bcncerftcn geniet öe fa^ 
ht matelijcfe/ enbe met eenige pijne enbe moepeücft- 
Ijept/enbe iiceft altijto fijn oogen getlagc n op 't gene i 
bat eeuinigf) io : ben tbJecben toon geb^ebcn als? cc* ! 
ne oni*ebeli)cfte creatuere in aKefaften/enöc bp beeft i 
een toalgebanljemelfcOefafien» Btljsf infulcftecboe*! 
öen pemanbt be ongecegelbe liefbe tot be crentnren i 
toeberftaen beeft / enbeboo^ficljtiger gbeltio^ben i$s i 
boo^ bc perijeftelen baec öp fp fclben m göebonben i 
fjceft ; macbmen fombjylen bit toeberom obei::^ i 
benclien/ enbe fp felben boo? oogen ftcllen/en nabec^ 1 
bant bjcöerom ijet qmtt ban bem beerew.o^n al i^of't | 
Sflcmm ^'^^ ö^f^" ft^y^ ^^öt'^i öe gcbacbten urn iöf/ toaer boo? i 
«gm ftjitc pemanbt bcm gercct inaechttot ben acn-ïtomenbea i 
scöacbtcii (trijbt / obecbcncbenbe 't gene t}^mt gepaffeeit i^ ; 
*j!2^^" obermtt0 bat bier boo? in be5iele geplant toojbt ee^ 
ne geflabigDcpt ban be beugöt; bet ijo^ nocötan^S beel \ 
nutter enbe p2ofütelifberfp felben bier in te oeffe^j 
nen/ alö be gelegentbep t aen be banbt W oft alfmeit 
b^ï^tDiUigbUJcb foecbt be gelegembepöt ban eenigb 
onaelijcbbanbcrfmaetbcpbt/ bonger/ ongemaclt 
oft om fiiuen fmaccb te berftcrben / enbe ban eenige 
anbcre begccrlücliiïcpt/ (|c. ffiaer \)n gbene battec 
®É bcffc gefepbt io ban fijne gcbac bren te berljalen / en iö iw 
ïjiaont os Qeentïer manieren tcberfiaen ban oneerlicbe gbe^^ 
nvum^' bacbten/oft ecnigen grooten Oaet/ oftfobanigegc-- 
ceöact)tm toelbigc begeerten beö gemoet^ : toantbii^rtnbcöl^ 
lööe bi?rbeftebictoriei.5$/ bc blucbt te nemen/ oft fijnege^ 
t,lm?n ^^ bacbten af te hecren / enbe a\ toat t)a^ baec eciugb ^ 
* fin.0toe|ïrccbt. 



Van dePaiTlen te verwinnen. 3 17 

;Dcp?actijcöe Danbanföne quahc gcnepgcïflcft;^ ^tmc* 
fjcticn tt'OcïftttXicni^: iCciucvjlen/ tucUtöjjIjSt'O' tt\cktij\tt 
ijccöcncftcnlKmelfdjefaecöcn/ fimDmcaftreclien ?.^*^V* 
ban aUc töeliulle / mht al toat öc finnen nicöe öaec / ^ yemeu 
' aiö toeftniöc öingcn bic öcn mcnfcD nier en Dctamcn» uut foKnu 
aÉacr toe fuUen moacn Dienen meDitarien liauDefe^ 
, Uenf)ooft-fonDcn* 

(€en tlüceöen/feftere fiemercfetngen en ejcempclen i*^^^ 9«* 
: aentieBantl)eüDé/toaccmeöemenfpfelben(ljterlïp Q^tltt^ 
I tjoegenöc'tgebeötjforiöefionïienbetjelpen/al^b'oc^ mfrcbmsc» 

cafie flikt tJerepfcöte/eu loaec öoo? top on^ ocmoet/ 
t al^ 't öeatnt te toanclieien/ foutié wogen bebeiüöcn. 
• 1 (^en becöen/ a(0 öct fo gelegen 10/ ten ecffïen fijn 3. <0ntift» 
' DegeerteecntoepnigUtoeöecfiouben/enDeonberfocc* Jofc*«cnofc 
e hm/ oftDetoofhgoctisf/ oft p^ofmiijth öatonjs SatSS 
' boo^geljouöen to02t» 3Bie iffccöie boo^eenen toijfen boo^ge* 
1 gccciient too:öt / die in öupiterniffc toefenöe / fijnen £?"5«« 
= boetoftfiant Jicötbecmiijchtcberrefaluptlïeften/ ^^^^^* 
I öcfonöerïijcli alj5 öp toeet öatter öoo^nen / bupltg^^ 
i ècpöt enöe penjcfieien 3i)n ban befniet te toojöén i 
I iCcnbieröen/ bc Dulpe<13oöt?s aangeroepen fieö- 4.9ls?i« 
^ öenbe/öooaODobrigiiefbe/ enbeupteenenliaetban Ê^tbiS 
' onjoJ epgö^n felben/ bectoecöen eenigne contrarie tojchm 
: beugben ; maer i^'t bp albien bat be falie noctfafee^ tontranc 
Ujcfe cft p^ofijtelöcfi i^/ befeïbe meteenefupbere ïïf"ööﻫ"* 
en oprecïjtc niepningDc aenbeerben/enbe niet alleen 
I upttoclluftcenbegenoetete. 

€cn byfben / obertrencfien naer be bicto?(e be s*^tmtrct 
bDo;gaenbe gebacDte / onbe befien ban toaer onjs öet £^\f?PJ?i 
penjiiiel oberliomen i^ / ooch oft top / en toaer boo? en 000; 
topgeballen^ö»/ bacrnaerboo^ficntelijcfeeenigöe toatoaj- 
rcpfen/ in be tegcntooo^2bigfjepbt <0obtjcf en ban 5ön ^^^^ 
8eme!fclj "bm/ (geliicli Doben gefept i.e) be felbe toe^ 
becflaen^ eene oft meer occafien foccfien/ en itiet een 
fefïcr getal befe<0obecp-b2agl)en/en albuömetbe 
Iioofben ber pijiltflijnc^bat i0 met toeröen ban ber^ 
(lcrbingen)beliefbe<6ob0berbiené« iBaer mé moet '^t^ mo* 
boo2 al be curieufOept D?epbelen in't fien/ljooren/f c. buij Datmê 
gelijftertoö.ö bat ÖuilielmuiCk'Parifienfi^ toe! leert, f^l'^'^^f" 
a^antDoeferacBtigbatfei^/blijltt tnallefcöou-fpe^ Soö?c/ 
iWtsp öatfe b^oebig siiiV'tsp blöbe/toaer boo? öoe «jc. nc* 



3 18 Dcii 1 1. Bocck. Het X 1 1. Cap. 

orootelijcfe^ öat öcn mcnfcft gctrocfeen luo^bt/ km 

on^öcn ig- ^uguftinujs^ mcttjet exempel ban 311li* 

p(us^:tDant nacr öat &p ftem eciiiEf lieoebcn Dabbc tot 

iKt acnfcDouUDcn ban befe fpclcn/ en (jccft öaec naec 

<;5xcmi»ic ban Defelbe qualjjö getrocftcn ftonnen toojöcn.^m 

öer genet tj^^^uao 25ï|TcOopban ïincolnicn in Cngclant/ m 

tu/hepDt i^^^^ff ^*^" tgtban btjfttg laren geenc bjoubje acngc^ 

tebbeii ficn / en ben Ig. jrc^^ncifcujS en ficnbenber ntct eene 

iïjomeiöcfc banaenfiem g-s^'t fafte bat befe mannen b^eefben/ 

«ei?^"' bie nocfitans^getoapenttoarcn met bat panfiec be^ 

i.Theff.f . göelocf^ / met ben fjelm bec faligljepbt / en beb2i)bt 

met alberiep <i5obbeIijclie toapenen / en fuüen top 

naentfeen.öf met bjeefen/bie t)m bpant fo menigmael 

obectDonnen tjeeft i ^Ibuö moeten top nm geöoo: 

oofft befnijben ban alle fabelen/ onnutten felap/enbê 

ntcutoe tijbingcn ; fo moeten top ben reucö / en alle 

ikïiticïz fmnen/boo^ eencn [jepligen ïjaet ban ons^ fel^ 

ben/en ter lief ben oBobjef benlerbcn» €n bat niet al^^ 

leen in groote / maec oocIj in Iilepne faechen ; toant 

iKtenfteeftniet beel te bebieben / batmenfpfelben 

ontfjoube/ban bet aenfien ban eenige buple en onbe- 

Öoo^lijel^efaecïie; maec bet is groot teacöten al^ 

men'tfelbeboettnhlepnefaeclien/ enin'tgenebat 

2.Reg.23. geoo^loft t$?. "^li^u^ beeft ;iDabib uptgefio^t en 45o^ 

be geoffert bet toater bat öem gtjeö^ocbt toaief upt bc 

Lucio tiflerne ban ^etDleljem j toant hit nietgetrou en i0 

tn felepne faben / noc& fp felben baer in niet en ban 

^ertoinnen/ bie en fal bet felbe oocbm groote niet 

boen. ijBaer be 3iele albu0 berdo^bcn 3ijnbe/ bliegflt 

gelijcli een b?ooge plupme optoaertiEf tot ben j^emel; 

toant anber^nattoefenbeboo? eenige aertfcftebom;: 

pen balt geburigljjch neöertoaertjB?. €n baer too?t 

ten laetften aen be 3iele in befe fpeninge/ eene groote 

maeltiibt berepbt/ gelöcb öier boojtijbtsf 9iö?aïiam! 

göebaen beeft óp ben bagfi ban be fpeninge ban 30* 

nen fone / 't toelcb ië be gbeellelijcbe berfterbingöe»; 

a©ant 45obten too^btniet gebonben in Jiet lant bec 

gljener bie facOtelijcben en gDemacfeelijcben leben. 

^u0 op bat bet gïjcne ftierafgefeptijs/ foo beeltei 

bieper foube mogen in ome? fterte göep^ent toojben/ 

fiet enbe leeft b? naerbolgDmbe mebitatien. 

D'ecrfte 



Genef.21. 



Van het Verftervcn. g 1 9 

D'ccrftc meditatie van fijne ghencyghelijck- 
heden te verftervcn. 

DE voorftellingederflaetfefalwefen, ^pftWimtcHcU 
ku in <aoöt^ tegentooo^btaOcpöt/ enöefiem la* 
ten lïoo^flaen / batmcn omrinoljclt i^ ban boofc 
Bonöcn/ oft tratmcn bedöerlcp toilöe öicrcntn 3P 
felben qe\)otlt öle tegen malfeantcren ftcötien/ enöc 
onfcecnige öeöcrbcniffc foecöen. 

HecGhebedi.Ql&tOtim. 

Het I point.tjenmcrftt ten eerftcn bat ben menfcö 
om <6obe tcbtenen ban aSobtgljefcöapen i^/ enbc 
ontfangen fjeeft alle föne leben/ hcacöten enbe oB^^ 
nepgelöcööeöen/op bat öp öe felbe ter eeren OBobtjS/ 
en naec fijnen <0obbelijf öen b?ïl(e ( toant pet Bcm al 
toebeDoo^t) foube gebjupcfeen/ 't en 5P faeeèe bat DP 
li'ebec B^bbe / ntet alleen in een libtmaet / $r. maec 
oocftingbeBeelfönltcöaem gtiepünttöt tetoojben» 
^u.^ becfoept u booj-leben leben/enbe offert u enbe 
alöetgDene bat u aengaetaen a3obt almacptigB» 
2Cenmercftt ten ttoeeben / bat befe gDenepgelöcfefie^ 
ben alleen bp na oo^fabe 5un ban onfe eeutoigfie bers 
boemeniffe/ enbe 3ön ben oojfp^oncö ban alle onfe 
fonben / i$ 'tfahz batfe niet toel in't bebtoancö gije- 
Ijouben en too^ben,- ja bat meer ijS/oocft oo?fafee 3Ött 
ban be licöamelrjcöe fiecbten / enbe töbelpcöe gua^ 
bem Wam luttel too^2benber gebonben/bie be goebe 
enbe facötmoebige menfcö^n tegen ballen»€en ber- ^tt geiseit 
ben/ obecicgt Boe groote beroerten batfe mebe bjen- ^" s<nep*_ 
öen/geUjcömen genoegB fal bebinben/i0 't fafee bat^ ?J ooirate 
men aliecniöcfebitgabeflaetj batgelöcfeertoöie^ö^banaJie 
ontflelteniffe ber Bumeurenfiecöten meöeb^engBt / r^cktcuoeï 
enbe ten laetften oocit be boot ; alfoo boet be beroerte 5«^^- 
ber genepgelöc&B^ben aen be 3iele.^u^ bertoecfet u 
om befe te bertoinnen / boo? foo beel aljJ gBp u leben 
enbe b'eeutoigefaligBepbt ter öerten neemt. ^^, . 

Hetz.point. 25emerötteneerflen/Boefoetbatben i7rft?,X, 
b^ebe enbe be gBerufligBepbt ht$ ijtïm\ W ciW befe tm b:tit 
gOenepgBelöcöBcben ber toonnen 3ün / gBelficè Bet «a öat De 
blöcfet in onfen eerften ©aber 3Cbam» ^U ^n& ge^ füShin 
ftelt i0/ en b^eed niet/ Bp en Boopr niet/Bp i^ in eene \jtmom\i 

gebue-iön* 



320 Den 1 1. Bocck. Het X 1 1. Cap. 

ocöucrfac foetig()cpt/tn ccnc ruflccnbc fliJtcber 510- 
Ic/cnöe bichUïijI?3?oocfeöcjef iicfjacmö: ()ct todcfe alle 
toijfeu foo fecr gencfjt ftebücn / bat öe l^^pöcncn om 
Ijicc toe te ftomeiv nlle öincien bcrfinaet Ijeüüen; en- 
öe öe menfcijen nocO öagelijcfts? fo ovootelijchisacü^ 
tcn/Datfe aiic neerftigljept öoen om i^ict toe te gera* 
Êen. ïDant toaec toe i^ 't bat be mcnfcOen öaec lic^ 
ftaem met fpijfe Degeeien te becbuüen/ Oare begeer- 
ten enbe eergierigöept/enbe anbere luftenfoechen te 
bolbociv Tjaer berflant foechen te bcrfaben met curi* 
eufe ci)be nieafatectge bingeit / 't en 3?/ op batfe fou- 
ben mogen feggen aen Dare 3!cle:lciït öür opatiaec 
aï te becgcef.fif / aengifien bat be 5tè(e Diec mcbe niet 
berfact oft bcrbnlt en öan too^ben / al loaec 't oocft 
bat fpbefc al behomenöabbe/ebealöel moeten fptoe* 
ten battei* niet gcbonben en too^t/ batfp feeclterlijclt 
cnbe bafteUjcfi ftonnen befitten / geb^upclöen/oft ge* 
ttieten: enbebattecalfoogrooteb^eefe in Het fierte 
toati ben menfcl) gebonben too^t/ al0 be begeerte en^^ 
Ire lieföe groot i^/met be toelche Op t)t(z bingen ber:^ 
bolgljt, (Cen ttoeeben/bemcrcht battcr gDeenen foo 
tojeeben bpant oft benl en ban gebonben too?ben/bie 
u fo geftabel jjcii lian pönigen/al^ bcfe genepgelijch^ 
z^m bttps Deben bie ban binnen 5ijti;ia bat meer iij/ben biipbe! 
ml^ü^ay^^ ctt batt u netgcnjöf in befcOabigen/'t en 5? bat ïjp befe 
onfc 8i)ci tot fijnen Wnü gebjupcFte* (Cen bcrben / bcmercli t 
mmim-' öat \}zn menfcïj gljpfcOapen i^/ op bat Op ober alle 
^cDcn. gefcliapen bingen Ijeerfcljapppe foube ïjebben / enbc 
"** bat fönen Uift ftemonberloo^pen foube ^ön; maec 
boo? befe göencpgliclftcltljeben too^bt ben menfcg i 
felbe oocft b'alber jTecljtllc faecöen onbcrtuo^pen / \ 
tö'tbpalbien/ bat Op befe niet en bemint nae beiii 
iMille <öobt3Ef. l^icrom bertoo^pt cmm menfcO/ öic 
in fulcfeer bocgOen gOeflelt i^/ ben b^ebe fijnber 5te*f 
Ie / b'eeutoigOe glorie / tnbt al bat goebt i^ I om tot I 
fijne göenepgOelijcliOcpöt te gOeraften,enbe \^ 't bat 1 
fip gOeb^iegljt too?bt / toaerom bat Optiugf uptfin- 1 
nigOiiÊ^/ fpfelbenbuöquelt^ faluboo^anttooo?bej 
OOeben/bat Oet gOene Op berbcïgOt/O^ni niet toe en ' 
laet anber.ï? te boen/bat OP baer aen onberbanigO itf ! 
enbe anbere niet bonicnhau; öp moet Jjier toe öo^j 

men. ! 



Van het Verfterven, 321 

nicn.€nt!C btcBtoijli^ gebeurt fict / bat ïjct tmz bcc^ 
toc:pen faef &e iö bacc ïjp naer 'flaet/toaer af/tö 't b? 
alöieu bat f)p belet toojöc/ ofi Doo^2 ofjetoelt/oftboo? 
gfjebobt/oft 0002 eenige toct/(jp i2^i^ft fp felben in De 
IjauDen ban Den bpant/öp mucmureert/ en aile goe* 
öe dingen becgetehbe/ (ept een elf cnDig leben/Die an- 
becö IjaDbeconnen gelucfng toefen ijaööe l)p getoilt* 
02) öngeluchigen enbcalöeu-bectoo^p^nften menfcö/ 
öie fp felben fo beel beulen enbe pijntgecjj obergege^ 
ben i)eeft/ om eene alöerpecDtfle faüe te geniete/ en^^ 
tt met eenenberoofttö02btbanbeecutoïge glorie! 
a^nbeali.3"töat()pnictalnjtenf3omttotbeeculXiige 
berboemeniflf^/ fo moet fjp nor Btan^ in bec eeutoig- 
fjepbt berben be glorie brefipberDrcgenfoubeljeb^ 
ien/toaec't faöe/Dat fjp fu feiben bci-tDoanen öabbc» 

Het 3. point. Bcmercüt ten eerften/alleöecreatU' ^oebcÉi 
ren/ enOe (m/ tnbicn bat gDp utoc affectie op cenigc ^^.'';?,^""' 
laet ballen / h:xt göP teraont obci ballen fult to02ben i^f „ upt öc 
ban begljeerten / tjope / b:c£fc/ pbcr/ (Icutigöcpbt / ucfDc nn 
örammocbigïjept/ fo iDanneer bacr pemant ijcm tt- «wtuce». 
gen 11 fal jlcUen/ en tncDerom bau cchen ijaet/ ban 't 
gene bacr tegljen i^ / ban b^oeföepbt/cnbe met eenc 
bjanliope ban öct goetrenDc io 't tat gfjP bccferiigljt 
utoe begiicei'tC' ban fuKcn u bcbecincn licföc/ pber / 
iiPtftoHingcn tot inuicnöige bingen / cnbcccne aen* 
fclcbnigc ban uIdc gccfc aen öe benjanchclöclie ccea* 
turen. JDant eer|l fo too^t eene fafte bcrnint/be toclc- 
ht Darc Itefbe inbriuiu in DccïicrtebanDarcnbe^ 
niinbcr/ glj^Iijcli Detbper in \}tt Ijoxit bertoecfet eene 
grootc [jitte. B^.tttitfclkfU bolgijt een bcrlangcn/ 
jeene blanuncnbc bcacccte/ enen bjanbenbcn finnc* 
lijflïcn Pbcr/enCcccncoucIlingebc^geefliS/ fotoait^' 
necrmcn niet en ftan berarijgcn 't gene men begeert ; 
tjaer naefoo feomt i\\ nxvS eene cngcregelbe ftope/eenc 
b?cefe/eene toanöoptnge/ batmen niet en fal bertoec^ 
ben baer men naer berlangljtv^telt Oem pemant te^ 
gen ong/fo ontfieech t be gramfcfiap met eenen groó=» 
ten pber enbe eene ongetcmbe (iouitgliept. 51Baer bp 
( imim top berooft 5ön ban onfe begljeerte) boegöc 
Öacr eenen grooten [laet / eenenfci)^oom ban eeniglj 
quaebt/ ^nbeeene lafiige bjoefDepbt, o^nbe foo men 



322 Den 1 1. Boeck. Het XII. Cap. 

bcrlirijgfit i}it öcncbatmcr.fccöccrt/ foofpjupttn 
onjï ccn kötlDcOaöcn/bat on^ fccc öcac ötciijh treeft t/ 
tem uperigOcpt enöe oocli ecnc aucUinge öcjef qteft^/ 
cene opgetogentOcpöt oftacrtffÖcacnöïcbtngcöejS : 
OÖccri.ö/ ^oc;> öc tDelcftcbeaminnaecgljeöcelbccp' 
nonbcn töinbccrcaturcöteöpDcmtm/ ccncfmtl- 
tinge bejS Oertcn/ op bat Bet goctbatmenöcmmt 
baec infoubc mogen bïoepen/ eertelebenbigeenbe 
öcacfjtigc aenftangingBc aen be fcöepfelen / eenen 
pbet boojbcrelbe/ eeneb^eefcbanbietebcrliefen/ 
cene grootc Ijope/oft een t)ic^ miftroütcen ban i}iz te 
öetoaren/eenen ftaet/ eenen fcO^oom/eene b^oef fjept 
ban bat baec ftnjbt tegen 't gene/ bat top beminnen* 
€nbe albujs loojbtbenbegeerenöenluftgebuerigö 
lïecoert/boo?8arefe0genepgelncfi()cben/ betoelcfte 
5ön : liefbeenbebedangcn/ bïiibtfcöapenbeftaet/ 
fcO^oom enbe b?oefJ)cpt> SnfgclijcfiQf be gcammoe^ 
bige begeerïijcftö^pbt too^öt oocIj öeroect boo.2 iwc 
biibe / te toeten : boo^ ïjope/ boo: toanljope/ bjcefc/ 
(iouttglicpbt enbe gramfcöap» %$ O^t ban alfoo/bat^ 
aïïc faften Ooe fefepn batfe oocft 5ön/ii ïionnen becoe;» 
ren tn foobeel manieren/ berfaecftt ban alleongere^ 
gelbe üefbeber creaturen/ enbe (lelt utoeïiefbeaU' 
ïeeniöcfe op <6obt/bie be fontepne i^ ban allen go^tt 

De tweede Meditatie, van het felve. 
De voorfteUtnge der fflaetfcyal^ DObett. 

HEt i^point. ^emercfet ten eerflen/ bnt €fob/ al^ 
Oetopperfre goet / enbebe fontcpne banaüe fa*= 
ften/altijtbtruijS/ öicaiommemebetoercftt/ enbe 
toacr in aïfe utoe rufte gelegen ijo?/ enbefictoftu 
ban üem foubc lionnen affcljepbett eenige faerfie/bie 
oHpfoub mogen toenfcöen/ oftnuöebt/ oftfoubt 
toii(en bcdmn; m^c oft gim fmls mogen feggen 
Rom.8. niet ben %p^fiel:Wicfal on.^ fcFjenben ban be iiefbe 
3D£8Éööfijs<$fjf^tfti^ €nö0op bat gijp faubftenneh/ toaertoe 
tfiigebcn ^jtit Hfip alicticpgljt V)t/ ï^t 00 ftit gOene baer gftp 
to «ïf c' mccjï op bencFit/enbe" fiet ftoe fnoobe/lntter/leelöcft/ 
tjmctes enbe bergancftelijcö batbitije?* i€enttoeeben/ be# 
inmt, mercïit bat ïjct felbe geenfin.sf enberfacbt/ maeif 
mccc enbe meer b^rto^cftr omnocDmwtebegee* 

xmj 



Van het Verften-en. 525 

ren / jae bacr-en-öoben fett qmh entie pündiicfe i$* 
f€en öecöen / tjoe ktlm^ öat tjet w öefe Dingen on* 
öecirio:pen te 5ijn/ enöe Dierom alfoo fiecoert te toe^ 
fen. (^en bieröen / tiat gcUjcöertoijö ntemanbt ban 
öen Deginnc DejC? toerelbtö in cenigc faectien rulle en 
geeft öonnen bmöen / Dat oöp öefoöeüjcfeen Defelbe 
fttcr in oocfe ntet en fult gemeté / enDe Dat gijp boo.2^ 
toaer in De ure utoeo Dootsj/ of in 't upterfte oojöeel/ 
iDel fouDt toillen Defe fafee fo niet bemint te Rebben. 

(Cen böfDen/ DoeDatDenDupbelaJ.s'eenefpintie^tn tiup# 
fit in alle creaturen/ om ban DaerallegocDe men^ ^IL (mt 
fcöen Doo^ De lief De Der felbcr te Doo.2fcöietcn:geIijcft „e m aue 
8et blijcbt iït onfe eecfte moeDer <eba / Die ban bet m^ïou 
ferpent beD^ogen i.3 getoeeft. €nDeDenclu Dat gijp 
Obequelt fult tobben / foo boo: ais? na Jet befitten/ 
cerft ban Den Dupbel / enDe Dacc na ban alle De boo?^ 
fepDc genepgelijcfefieDen / begeerten/ Ijope/ teanbo- 
pe / af öeeren/ b^eefcn enDe grammoeDigfleDen/ $c. 
^nDicn Dat Den Dupbel ban Der beüen/u metDelief^» 
De ban eenige fykt èebangen beef t/ foo fult gijp fi)n^ 
gelöcb bJO^Den ; JiBant ben-lieDen gelrjcö moeten fp 
too^jDen/als? Dengiopbeetgetupgljt/Diefemaecfien: pfaim nj* 
cnDe D^t i0 al eben beel oft Bet b^at blepnsf oft toat 
groot.é i0. 3Bant beel 5önDer/feg!jt Den l?. (©aego- crcg. 
nu.ö/Die ban öet fanDt obecballen b30^Den/Die öaer • 
ban groote faeclten getoacfit öebben. 

(€en feilen/ obeclegfittoat Dat gbp ban Die faec* 
fee 3ijt bertoacbtenDe : i^ 't todlufte i boojbjaer gbp 
moet toeten/ Dat Jet berte Doo? beroerten geD^eben/ 
geene oprecfite genoegbte en ban genieten / gOelijc* 
feectoii?^ Defpöfe Den fiecben niet en fmaecbt : enDe 
fiet/gïip fult in 43oD beel meerDer genoegDte/ meer* 
Deren fmaecb enDe toelUifie biiiDen. 

Het 2. point/25emercbt ten eerften/fjoe Dat <0oDt/ 
DieDefontepneen Denoo2rp2oncb i$ ban allen goet/ 
in u tot nu toe geDuerigbiijcb De beet jcbené ban fpne 
genaDe enDe bermbectigbepDt/Dooj ontalUjcbe toeU 
DaDen beeft laten bloepen/enDe nocb Dagelöcbö Doet 
bloepen: bierom bcrfmoojt in [jem alle utoe g^nep* 
gelijcbbeDen ; Dat f\}^ utoe beefe 5p / gbeüjcb ginc ob 
fepDe; Dat t)p utoe Dopesp/ aengcficn Dat öp u alleen 

© 2 ban 



^24 Den I L Boeck. Het X 1 1. Cap. 

ïmn Ijclpen: öat Dp uIdc licf öe (p/cuDc al 't aettc öacr 
Olm nnet berlanölu: bat göP ^^iet m (jact ban bat te* 
oen l)cm (lri)t/bie alle binaen Dcarijpr/cn alleen ooet 
i^ : löant u niet en lian bcwren fonbec fijne Dcliefte/ 
nocï) pü Oupten Oem gclucbigl) mahem 23emercfet 
ten ttocebcn/ toaer boo;j batliet t;izbiiiw ï)at oÖP en 
beeï nienfcljen met ii bit niet en Deliert^^ïti^bóo?* 
aöabïint^ toaecoelüclj tooberpeen berOltnt!jepbt bec oogen en 
ijcpöt D« it,0£{ uecflantö/enbe eene uptnemenbe uptfinnicöept: 
mimm* jjjgj^j aengeften bat gljpgeenerufte en feont binben 
in gefclmpen btngen / en bat Ijier niet en t!e?/bat göp 
ïanglj oftbolmaecftteUjclt Ftont befitten : i^ Ijet niet 
een groote uptfinnigficpt ïjem niet te toilïcn in eeni* 
Ocftlepnefaectjenbccjlccben/om i6obt/in ben toelc:^ 
feen alle genoegfite gelegen i^ i fner en ïnecnamaeliS 
in ber eeutotgdept te genietenf €en berbcn/altoaer't 
bat gfip oocft boo? eenen tijbt alle gefcflapen bingen 
foubt niogen genteten/göp foubnocötanöbefe moe^ 
ten becfal^en/ bp albien bat glju bcgeerbet in rutle te 
ïcben. IBnnt aengefien bat top boo^ ftet genieten bet 
f reatneren / anbcr5S niet en foecïien ban gerufllKpbt 
beö Oerten/ enbe bat Xsii onmogeïöcö iïjliierinte 
bcrïirijgen/ eenföeeï^ beo: bienbatbeblijbtfcljap 
\\\tx boo^ gentctenbe / op een fcltjepen npt&omt; 
* foo oocü boo2 bien bat eenige faeclie beulJtegenbc 
begeerte tot een anbec meer bervnecht / '^ii>^ xm-^ 
ftlufcftt : geliicfi ben toater-futfitigenplacljteglje;? 
beuren/ biemct geen b;2ïncliengencegöfaembec5 
faet en lö02bt ,- boojt^ mebc / boo> bien X^dx be crea^ 
tueren ontalliitri ^ön/enbe batmen ober-fnlcfiies bcr^ 
ïooren moeptcboct/ foove'ftetnoobioObiegantfcfj 
twXM gfieöcelüc^ te berfaechen / ia oochfijnepgen 
feïben / om te geraecften tot eenen toaeraclitigen 
pe»ï|? enbe rutle fiïnber ^iele : foo gUpnocfttanötot 
befe/ geliichDetaliennienfCiientcelïaet/ foetlitte 
geraeclten» €cii ïaetfie^/ai^ ^xjp eene ban befe Inften 
berftregen ïiebltcn/ foo rijft tcrliont in on^ op eene 
bjeefe/ enbe ^{t foo bed te grooter/ lioe on^ be faeclie 
meer ter tierten gacr, ^aerom en berïueft glip ban 
niet pe^^'C^en b:ebe in €5obt boe?, ben feonden tóegft/ 
te toet$u/boo^ Ö^t b^rlooc öcnen yx\s:^%^ felf^/ enbi^ b^ 



Van het Verfterven. ^2^ 

few tn <0otit ocbonDen Ucbbmbe / Doe feomt hat Qi)p 
' u niet enfcljaemt tot fijnöei: fpijt cnDc oncereceniglj 
folaeje? ban öe creaturen te beöelen^ 

Hetg.point. ^emcrctJt \xiattct bnnnootietie? om ^trrjttf^ 
be göenepgOeUjcfiljeöen ulDci: fjerten/ öatt^ utoes^^öcnua. 
albectD^eeötftcbpanben tebertöinnen, i€en eerjlen/ SS' 
föo iflfcr ban nooöe eene groote couraoie/ öie öaer te 
ooet fient omtjcïecaen öefe aertfcije enöcpDeiCfa- 
ften t'onöer'iöa^pcn^ €en tUjceticn/eenefeernecrfti^ 
öOe enöe fo2at)buiöigl]e tuacijt öcf finnen / toant ö^ 
buanöen Otecöoo:in|ïuppen/ gelycfiöoo2Depoo3j= 
ten/ öiemenücötdijcfeec Dupten ijoiiöt/ eecDatfp 
in feomen/öan menfe öaer naec tian uptO:ötien. €ert 
öccöen/ obecöenclien Dat a3oöt/ tJic al cn'ö goeöt W 
met on$'t$?j enöe öaerom alle onfe Degöeerten tot 
!icm (lieren. €en bierben/ gedurigljlijcli oberpepn^ 
fcnD*?tïeiOeptenfnooöt(jept ))an alle faec^xen öefer 
toerelt. ^iet boo2t.97 toaer toe öat gijp in'töocpfel 
ïje toerelt berfaecét Ijcbt; boo^toaer anöer^ ncrgen.ö 
cm / öan op bat göp alle tocrelDtfcöe faccl^cn fouDt 
fcfjoutoen/ niet fo fcer liCijameliiFjalötoel geeiielp/ 
tn met öer Ijecten/en met eenen gejlatiigen totUe om 
öen l^eere te bienen alle öebagen utoe^ leben.$?* 

Jget gOeöebtenbeöep^artiicfeen/ falmen mogen 
Kernen upt be mebitarie ban yet j^erftecben» 

De eerfte Meditatie, van den haet fijns felfs. 
Ds voorftellinge derfketfe ü , fp felben bOOJ OOgcn ütU 

len eenen fcO^oomcirjciien en 'gronbeloofen öupl / ü\^ . 
eenen afgroribt/ toaer upt alle booföepbt feomt* 

Het Ghtbedt , alöf ÖObeU- 

O Et I .point.cöbcclegt ttn eet jlen be baoo jbeni^te luc. 14. 
^^mt en fiaet 5önen baber en moeber/en bacr-en- 
j[ïoben^öne5te!e/ bie en macömönen hi^ti^zl niet 
3ön. 'ien ttoeeben/ ïjoebat pemanbt/ bie eenen an^ 
beren fjaet/ reg^f^n ^^w felben gemaet is?; enbe toeet/ ©«otië 
batbiefpfelben öaten bjil/ tegöen fp felben alfoo m^^my 
belioon göefïeït te toefen; öp bebooat öemteber^ K\fp* 
bUjben in t auaebt bat Oem acngOebaen to02bt / en^ ^nt ter* 
bete beminnen bieftemfuldi.ö aenboet: toantbieniommiu 
fpanbtban met öemt'famen tegen fiinen gfteftoo? 

t 3 ven 



; 26 Den 1 1. Boeck. Het X 1 1. Cap. 

ren bpant/toelcfecn ï)p felbec i j?;andere/d!cftem gce* 

ne qiieUinaeaenboch/ maec naecöcn montfp^eftcn/ 

öte CU mact) l)p foo fut niet acljten/ gemercfet dat fp 

fijnen bpant onbecljouden. (€cn beröen/fiet öoe beel* 

öerlepbegeertcnöatbefeepöenlieföeinubectecfet/ 

cnöe l)oe bccl gclege nftetien/ batgf)pl)cbtomöen 

gact ban n felben te beoeffenen / cnbe bcrfocpt öeep^ 

gen liefde/ feggenbe metöeni^cpbenfcben^ÖilOj* 

sen.cp.66. foopD <§eneca : ^icööenebelöciênbeboogecgeba^ 

ren/ ban battcfeeenefiabebanmönücöaemfouöe 

5i)n» a^ectoecfet u üi^rboo^oJHeltgieufenperfoon/ 

cnbe aenbeert bet gene ftart enbe fcöerp W enbe be^ 

mintfe/ bie u fulcfe.ö aenboen , enbeljiec-en-iegen 

berfmaet bet gene bat fat\^t enbe foet i^. 

^n tinm Het2»point.55emeLclit ten eerden/bat alïefonben/ 

fp?uptupt enbe bte^ bolgenbe aden ïyct qiiaet befec toerelbt/ 

iiefte^^" fp2UDten lipt be Itefbe on^ felf^. JlBant memantert 

fonbigbtboo^eergierigöeptofonfeupfcO^pt/banal^ 

leen boo.2 bien bat DP fö» gemacb bemint: cnbe bier* 

ütni^ 'tbatbefen/ bieeencn bolmaecbtenbaetfijnjS 

felfjcf Deef t/b?p i^ ban alle fonben- i€en ttoeeben/bat 

öefeeugenliefbe CO?tftum onfen ^altgmaber ge^ 

ferupft Oecft» 3Bant gelöcbcrtoijo ben ^pottel ge^* 

tupgbt/ ben fonbaecörupfi ben ,§one<0obt38/ foa 

beel alö bem epgen aengaet : enbe Dkvom tö 't / bat^ 

men boo? ben baet fijni^ felf^/ <aobt enbe onfen éSa:? 

iigbmaecltet: moet bolboen* (€en becben/ bemerclit 

bat be epgene liefde tief gelrjefi eene fcb^oomeltjcfte 

ttielaetf oept/ enbe een mercïtteecben ban ben biipbel 

bec öellen; maer bat den baet fijnjS felf j^ een teben is8 

ban eenen difcipel ban onfen ^aligbmaber/ gelijcö 

tittfelbe genoegb blijcht in be leben^ef der ^epligen» 

Hetj.point. oBberlegbt op toiebatbemenfcbcrt 

gram placbten te toefen/ te toeten/ op ftaren geftoo^ 

renbnant: foobamgei^utoentoiüe/ enbebeliefbe 

!©m wgm "^^'2? r^lfj3^.5©ant bet i5f eenen becraber/ftelt on^ be^ 

haiiiccuDe mjn enbebergjf om teb^incbcn/ ijsbenalber-boo^ 

^«iicfö<5 beerbigbflenenöetojeetlten/ eenen berb^ucber bec 

mmit ejlcnbigcr menfcben/ b'oo^fabe ban alle oorlogen en 

gefttjQïm oproertenbter in utoe3teleop|laen/ eené roobecban 

öpanöcn. ^^ goedctocccben/ bendoottlaget' ban <aobtenbebe 



Van het Verfterven. ^2'^ 

xkk. <Dcfc btnöcn tocgcbocgöt Der epöcti fieföe/ 
feanmcn öe fclbe alfa berfocncn, 
€'famcnrp2efttnöemctonfeii^3lt(ïmaficrfiangé^ 
bc aé be a^Iae öcjof ftrupij/bte c«i0 in fulfeec manieren 
jbemtnt fieeft / tat ban bc pïante bcjs^ boetjef / tot ben ifais i. 
top bejsf DooftjES in gem geene gcfontöepbt en toa.^» 

De tweede Meditatie van den hact fijns felfs. 
De voorflellinoe der fUnfe, a(jG? ÖOben. 

HEt i.point.?[enftet ari)2i|lum ^efum ba bc gob- €^nfttpqt> 
beloofe menfcfien onber be boeten getreöen in 't "^ '^^^^e a» 
fjupöbanCapplia.ö/enbemerchtöoebeelteleelijC'cnög^st, 
lier bat hit gefcfjiet ban fijne cpgenc licfbe,- enbe tioe (mmkim^ 
fcöanbtgö bat flet W bat een alberbertoo^pjïc jlabe/ i"!" ;"<■"* 
ïict toelcfe ijEf onjs? bfeefcö/ <0obtben^ontncfiber ^^jlj^f' 
feoningen becfmabe en onber be boeten trebe. €en 
ttoeeben/ u epgenbleefcö/bat u\xien alber-tojeetften 
bpant i^/enbe l)oe onbetamelijcfi h^t Oet is?/ bat top 
bitfouben beminnen / enbe ftel(enboo2eenen bjient 
öte fijn bloet boo2 on$f ge|l02t Oeeft j ecnen becrabec 
tn (aten / enbe ben ]^eêre bupten flupten ,• een alber- 
fïecïitfte faecfee/ te toeten/ eenen ftincftenben too?m/ 
toelcö i0 u bleefcO / tn meerber eere en toeerbe öou^ 
öen/ban be opperde enbe alberOoogfïtle ^aizftm* 
Het2.point. !23emercfit ftoeCfniltuisJonfen^a:: 
ïicöma!ieraï!8f eenen albectoölïenöonincö/altoa.ö't 
h^it 6p bupfent enbe bupfent mibbelen fjabbe / toaer 
mebe ï}n bcfe f[ube foübe feonnen berloffen / ï)eeft 
notljtanö om fijne onepnbelijcfee goetOept enbe lief* 
bc tie toonen / boo? be felbe fTabe / W ïjém alle fpijt 
enbe ongelijcö aengebaen flabbe/be boot toillen fier^ 
ben/ enbe lijben al fiet gene bat mogelijcli toajS? te lij» 
ben. i€en ttoeebcn/bemercfttbat bcfefïabe/Oier-en- 
tegen inalle^fijngcmacfefoecftt/ omöierboo2fij=^ 
nen !SonincIi enbe Baber toeberfpannigH te ballen. 
Cen berben ^ bat fm oocli be epgen [finberen ban hen 
^onincfe / hat i^/ begoebeenöe«6obtb2uc[jtige bz^ 
f[emen boobt/ om fijnen boofenbpant te gelieben* 
Cen bierben/ bat bcniaontncftbieufootoegebacn 
U utoe fiulpe begeect/om tojafec tt nemen ban fijne/ 
enbe utoe bpanben / enbe fioc berre bat öet ban hatt 

S 4 W 



328 Den 1 1. Boeck. Het X 1 1 . Cap. 

i$/ öat oOp tjem fjlec in fouöt iBillen öljelteben entre 

öcUoo? göebcn ; maec ontljaclt Ijtcr-eii-teoDen oefen 

l3panöt/ toont Ijem aIleb?ienbtfcOap/met Hem Ijan^ 

öelenöe banutoen laonincli te bermoo^öen ,• luant 

Qclxitk boben oftefept iö / ben fonöner crupH toebec- 

omonfen ^^aliGbmaber. 3Doeabtenbepa|! tiit al op 

ü"ü)efamcliïclU)C)i)bt/enbeberfoe)[)tftVenöebertoec{it 

een acooteiieföe tot 43obt / bie öacc allen u goet i^^ 

^et ié Het 3 point. 2i5emei:cfet ten eccflen / bat gijp gfje* 

graote maecïu 3i)t / ban een albec-ebelfle3iele/ enbe een 

cucft/ am ^^^i ^ctl]t enbe bec too^pen (icl)aein. r€en ttoeeben/ 

öcciS:/ toareene oneer bat fjet tö/ batmen ecnen facfe bec 

^ant tt too,mien/te toeten onjS licDaenvtoeltïi oncebelpfe W 

sDcöeii. tï'oberljanbtlaetDebbcn obecbe 3iele,- entoateene 

fottigljepbt bat bet tg? / tot b'eentoigbe beberbeniff^ 

förtbec 5ieic/ 5ünen bpanbtboo^ eenen ïioaten tijbt te 

berbeugben/enbc be 3tele/ enbe bet ücBaem t'fameii 

eeutoeiycb obecgeben te b?anben» 

Tfumcn-firekinghe , alS^bObettv 

De derde meditatie, van den haet fijns felfs. 
Ve voor^ftellinghe det flaetfe , a\^ boben* 

TT Et i.point.:i5emerebt ten eecfïen/boe beel bupbe* 
•*^-*'len bat oaö alle it jien en lagen Icggben/ enDe (joe 
Ctooten feOabe bat(c ben menfcben boen» €en ttoee^? 
ben/ bat gbp nocötaaö geenen fcDabeltjcfeer bpanbt 
en l}t\)t I bah utoe epgene Itefbe / enbe battec niet tn 
iie toecelt en is?/bat u meec btnbert» (€en berben/bat 
alle utoe bpanben bectoonnen toojben/t^'t bp al- bten 
bat gbp befe engljenliefbe bertotnt» ^uef becf^eclu 
befen bpant geöeeUjcb / en alle bermaecö / al0 eenc 
aenloc!?tng[je öec toelluften/ ertoe fmeecbtngben bejS 
bleefcb5J/en obcrlegt met eenen/ljoe goet bat hi%tz-^ 
re i% aen x^zw genen/bie bent op^ecbtclöclfi foccben» 
Het2.poinc.B2mercbtteneer|leiVbat be genoecl> 
re bec npttoenbige finnen luttel tijbt.e? buert /en fiet 
Dieren tegen boe geffabicö/ebelen baH/be genoeclj^ 
te \^i \ixz be 3ie(e in iSob en in bc beugbt fcbcpt ; ftoe 
Ijoelbat {\^ fjaer oocb becmaecfit in be gbenoecbre 
btcöetlicOaemacngaet. (€en ttoeeben / bemercl^t \\\ 
\i^i Det oninogljclöcli \^i batmenfr' bepbe t'fa^ 

men 



Van het Verfterven. 529 

ttien Mn fjcntetcn,-f)icc te toctc fijn ïtcfiaem berbiii? 
len/cnl)icr namaclöDc sielc, CenöcrDcn/Dat/als't ^e^annu 
bat glip !jct licïjacmal toegeeft 'tgOene Detfcml?e J?S?öt 
mogen töenfctien/ bat ïietnocljtanëncrgcniofantïcr.ö met bcc^ 
töc öicncn en faï/öan tot een tcrgingcenDcecn nteuto fAm, 
bectoechfel / enDe Dat fijnen lii^ tot geenöec tijDe en 
fal berfaet loojtien. €n to' ftet niet ccn groote tjUjaef:' 
ÏKptit/ fijnen bpant pet te gcben op bat gfjp genoot- 
fa0Clufoiit!3ijnomöemnocl) meectegebeh /enuc^ 
foagen / en op bat gtju utoe flabernpc te Ijerbec foub 
mafeen. Cen bierben/to' 't Dp albien bat gijp be bcc- 
gancïidijclte genoeglite becfmaet / foo fult bljp Ijkt 
naec ecne eeutoige genieten / enbe oocli in bit tegen^^ 
tDooabigf) (eben eene meerbere ban gijp fonb fietsöen 
fllö gïjp utoe bjclluflen ^wik genoeglitèn Oict bolgt» 

Het ^ poinc. 23emeccïu tm i. ftoebecblint bat be ;^r,\ too'^ 
bleefcïielijcöc affectie i5";ljoebupl/cn met toateépe- ttian ' 
rijcltel batmen liem aen be felbe ónbertoo^pt/en baei* {''^"suöt is? 
öf laet {epben/aengcfien bat top met Ijet Utln bec re^ "^"^^ 
benen bcqaeft ^jn. €en 2.oberleg(jt bat ftet bleefcö/ 
enbe be bleefcfjelijc&e liefbe tegen alle beugben ftrij^ 
ben/ obecmit.$f/bat be beugöt fcuaer om te üeftomen/ 
enbe öaren toonel gefijclmien gemenneïijcljen fegftt/ 
bittec iöjenbeOet bleefcö altijt^ fijn gemacfe foecfit- 
(Cê 3 »oberbencht/bat fo beeï M^ gijp begeert te toaf^ 
fen in be liefbe a3ob£f/bat gijp fo beel moet bermin;^ 
beren ban u epgé iieföc;\x)ant ^t een met 't anber niet 
rfamc en ftati blijben (taem€en4.bemerclit l)oe ï)^t 
Clj?i(iu9" onfen ^aligOmafter fijn epgen blcefcfj gc^ 
Ijaet Reeft/ enoberleglitbefetooo:ben:^ienamp Matth.16. 
feomentoiïtbieberloocljenefpfelbèn/enbenemefün 
fcrupiS/ i^nbolgemp na:en gljpfuftfié batbefen fjaet 
banfp felben/foo noobigö i.öVbat f)p niet toeerbig en 
10 ben naem te boeren ban een rdigieuis^/cftbaneen 
oprecl}t43obb:ucF)tigmenfcö/bt*e€ö?tftumnietna 
en bolgt ^cfm nu/o"f gfitJ in ber toaerOePt moaaijt 
feggen : mtt €Ij3i(ïo ben üh geörupfl/eri berb^ec&t gü 2. 
u felben tot belief öe ban ntoen ^eere/iitoen <öobr. 

Det'famen-Jfrekingey hetGebedt , enbe bat baerUOCÖ 

bolght/fal mogen genomen too:benuptbc|]^ebita^ 
mbanDcti^^rflerben. 

g y d' Eer- 



330 Den 1 1. Boeck. Het XII. Cap. 

d' Eer fte Meditatie van de nieuws-giengheyt,ecn groot 
achter-deel inden wegh desHeeren. 

Devoorftellingederplaetfe, fal tocfctl teDemcrCl^Cn bat 

cnfc smc 10 gtlijdi cm haitcel / tjcbbentic böf poo?^ 

uw öic onfe bpanöeit üefpicn. 

Bona. fpcc. U Et I. point. ^cmcttht tcu ccrfïcrt / \i}{:ltfi bnt bc 

®c toet J' toercticn ban be mmfijxcvi^Uevt fijn npt ben l^. 

km ban 25onabaiturti. <Z^cn nicufijicnglien maifcïj / feotjt 

nieufgie* j)p/ bte bcöomuiertljcmmct 't o^nc/ bat Ijciti niet 

fijfjepDt, aj^n 01^ g^^c/ bcconacljtfacmt bat nootfaccïiclöcït 133^/ 

cnbcfpfelbenbergctcnbc/ öcmercfit/onbcrfoccfet / 

cnbc let op een0 anberö toer cfien; 10 't bat Ijp ecgeniS 

pet öoo^t Op tjef fo^oDbulDigO om baec nae te bernc* 

men / enbe fonber ff Oaemte begfieert bat te toeten / 

han be gene/ bie fulcftö toilfcn berftoögcn; fjp feomt 

op ongeoo?!oofbe plaetfen/ boegOt Dcm in be berga^» 

beringen/ enbe t'famenfpMnnge ban be bioebcrsi/ 

öaeröp niet toe geroepen en 10; al^gfip nupntbat 

f}p bertrocöen i^ / boegïjt fiem fcnber fcfjaemte aert 

utoe5öbe / enbe aen utoe oore / foo bat gijp oocfe be 

alberOepmelöclifie tooo^ben niet fecreet en fiont upt* 

fp^eecfeen ; l)p boo^fiet alle üoecfien/ Bp ïaet fijne 00^ 

gen Dcrtoaert^ enbe bertoaert^ om-loopen/ftp bljjft 

liille ftaen op al öet gfjene t^At öem ontmoet/l)p blijjFt 

ftaen op bcggemepne plaetfen/öp berbipt bcm al«f 

l)P b^eembe aenficljten ontmoet; fjp i^bcficöniet 

nieutoe tijbingen enbe toerelbtfebe faïjente booren 

tnbetebertellen/bpenOoutmetopnieufgrecigOIttït 

te ober leggen/ 't gene baer öp geenen lafi af en tjcef r. 

(€en ttoeeben / bemerefet öoe bat befe bingljen 

mtö-flaen» 

cccchmm Hetz.point. 55emercfet bat be teeclienen ban be 

hrrwm^ ^^tt\s)omm tütUufl^cpt 5ü«/ nocbt'Oupie^/ "öcij 

mii rul önpten 't bup0 fijne oogen onboojficBtelijcl» petoenai 

rifufijcp^ op too?pen/'t en 5p boo? noot/ oft om eenigli cerljjcö 

en tamelijcft bermaecfi , nimmermeer nocljtan^ op 

ongïjelöcöe perfoonen / niet bernemen nae een^an^^ 

ber0 bingen: upt bet gene bat top fien/ eenige 45ob^ 

b?ucötige bemercöinge trecfeen.rCen ttoeeben lact u 

Ijoo^^aeti/ bat gbp Cf)^i(lu0onfcn ^ligöuiaecbec 

oft 



Van het Verfterven. ^Ji 

oft bei|. IBacrct iBaria fiet / toel gefcfif cftt en b»c=ï 
(io?ben : enöc fict tjoe berre öat uloe maniccen ftiec 
af nocö 3ijn/ enoe bcclnecöt u om öacc na te bolgem 

Het 5 . point. 23emercht ten eec(ten/öat orö Dtt le^ ©cmmf . 
ben / en onfe finnen gegeben 3ön / om a3obt te feen^- nI,T? S?* 
nen / enöe op tjat top fouöen becferijgen ftet gene orts^ pSo"tm 
nooötgfj iö ter faltgfiepbt/ toaec lipt men Ucfjtelijcö onrecfm^ 
feanbecflaen/öoebecreöatöpberöooltijes/ bte fijne »«"• 
3iele met bupïeen oneedijcfee berdeelöingöen en be^ 
geeftenbefmeurt» €en t toeeben/ bemercht batbe 
bpanbcntn geenber manieren ben tngancFi en lion^ 
nen brijgcn/oft bet ftafteel onfeu 3iele innemen/'t en 
3P tiat onfe finnen boo: nieufgiengöept oft curieuf^ 
ftept/ al te onbeöoojlijclien open flaen, €en becben / 
bat göelijcö Bet iicljtom boentsJ/ftemtebefcljeri^ 
men/ tegen be bpanben bte ban buptèn 3öni bat alfa 
oocfj aljs onfe finnen bjeï betoaert 3ön / al 't genebat 
ban binnen i$ toel betoaert fal toefen^l^ierom moet- 
men fp felben begeben tot treffelijcfte en p^ofötelijc^ 
fee bingen / tDaer mcbe men ben fjemel foube mogen 
be-erbenren bemercfeen öoeleelijcfte fafee bat Ijet W 
liebec te bifputecen ban eentge namen en tooo^ben / 
nieutoe tijbinge te onbecb^agen/ pet toiilen fien/ $c. 
ban möne 3iele te beb?óbeh ban be eeutoige to^men^ 
ten/ enbe fp felben te èennen. 

t'<Samenfp?ebinge met t}tn geccupfien^efuiS?/ 
bol pijnen 3tjnbe in aKe fijne finnen. 

Eene andere meditatie van 'tfelve. 
Devoorflellinge der f loetje ende hetgeledt , ató bOben. 

O Et I . point. 25emerbt ten eecfien/toat bat göp nu 
^ ^ \)m I ban al 't gene bat gBp tot nocö toe nieuf^ 
gierigblicb geöoo^t enbe gefien \yt]^x. (€en ttoeeben/ 
biat bet u fouöe baten / bat göp beel meer foubt toe^ 
ten/ ja feenntffe fout Ijebben ban alleö/ enbe u felben 
enbe <6obt niet en foubt INennen/ enbe ben bjegfl om 
Siertoetegeraften» €enberben/bemercbtbatben ^mmt\^ 
mcnfcl) bier niet boïmaecfitelicfe en fean begrjjpen/ „"iuip^^^ 
maer batbit fcer onbclmaetötelöcè gefcDiet» ^oo mafchtei 
batlüpoocbbenatuere ban een bet alöer-felepnfteïöciïbeï^ 
beeftfeen niet en ïionnen booj gconbeeren» ;€en bier^ ^^^ï* 

ben/ 



J32 Dcti 1 1. Bocck. Het X 1 1 Cép. 
nen/ Dcmctltt öat ecnen nicufaicrigen mcnfcli nïtijt 
onijerufl i$ l en \\\ 't niiöbcnlian bed moenelijclilje- 
bcn/cnpenjf luien lccftjObcriegfttöaec-cn-tcgcn£tc 
rufle bec^ gcncsï / öie Ijct in o^otital bint/ en [)em {je* 
geeft om alle nieuföiecigiKpt gci;ee(ijcü te berftcc^ 

Eccicti. • ben. J^oojtDenaöiifenman^'Siclilieötnniiincnfm 
boo^genomentefoechen/enöeteontzecb^igenUrijfe* 
üjcfi ban alle öingen/ öie oncec öe fonne gefcïjiebcn» 
^ècfealberQUtietfte beliominevinge Ijeeftvaoötben 
ftinderen dei* menfcljen gOegebcn/öat fp Ijen baec in 
bcftommeren fouben/eniS behcnt bat Xyxzt tn ooc ar? 
bept toasf eri pöneijicïiöept be^ gee|l.iS/om bat in beel 
löijfOeben / bcel bei'bolgentïjeben Uy en toie Uietent» 
pept becmeerbert/biebermeeröert cocft tien arbept. 
Het 2. poiut. ^emeccbt ten eerjlen/ bjat eene fottc 
fabe bat bet foube 3ört / eentge ïilepne faben enbc ^\z 
ban geenbec toecrbe en 5ön/enbe eenen anbcren acn* 
oaen/ tebeneerftigen / d\^ baer pevijcbel is ban ile^ 
ben teberliefen/en bat nocb meer tjS / ban 't eciitouj 
leben: (Centtoeeben/ bat Oefen ben alberbJijfienni 
ben bemel fal toefen/bie bier met \^i l^.^enebictué/ 
loijfelöcb ongeleert fal 3ijn/te toeten ban curieufe en 
nieiifgierigc bingen.Bemercbt ten berben/ bat gijp 
in sèobtbint/ op 't alöer-fupberfle en ten bollen alle 
öenoegbte \i\z glip upt eenige gefcljapen creaturen 
fout mogen fcfjeppen, ^^z\\ bicröen / bat gbp teber^ 
geefjj arbept / al0 gijp u \dxix boo^tlaen bat gbP utoe 
5iele XiXt onber faDelych isv foecbt te berfabcn / öoo^ 

5. Reg. 6. Jjooren enbe fien/ aengefien bat b'ooglje niet berfact 
en too;jbt ban fien / nocö b'oore niet berbult en too,2t 
ban fiooreUvCen bijfben/obcrbenfttboe bat benl^ee;^ 
re be nieufgierigljcut ban be;25etfanii)té met be boot 
ceftraft beeft / in alle be gene Ut alleen bare oogben 
op b'^ïrcbe gefïagen baoben- (Cenfeftcn/ boe bat ^-^ 
ba/ boo? Xsxm batfein 't aer tfcbe parabijö ban be tw 
rteufbept befiooit enbe ban befelbe beritjonnen toa.i^ 
onö in alle befe ellenben en miferien geb jocbt beeft* 
Het 5 . poinr. ^emcrcbt ten eerflen/ bat pemant xt 
bergeef0 eentge neerftigbeptboet/wn te geraben tot 
liet aenfcbouruenbe leben / 't en v^t bat bP fÖ«^ «Pt ^ 
toenbtge finnen/ maecbt te berfterbetv ^»i^^ \y\ttm\ 



Van het Vcrftervcn. 3^5 

i^ 'tbatbebnipöt gcfcPttD02iit : hem ntocoDg!jen/ cant.g. 
toant lp (jebóen mp Dom tocclj blicgtn/en obcclecöt 
l)oe fcljaöeïöcö öat öit 130. f€e» ttDceöcn/foo en moet 
gl)p tot geenöer tijöen nieufoiertolöfi de boimaeht^ 
lieöen »6oöj5; fijne oo^beefcn/enluerc&cn onöcrfoec^ 
feen; toant een onöeLroecdeciyecli^ajeftept/falban ivor.sf. 
bec ölori-e beröjufet too^öeiL^Bp en tnoete nimu-ec^ f^f^^t* 
weer be rebenen onberfoecïien/ toaerom bat on^ pet 5 eii mi:« 
geboben too^t/ maer on^ met bollen tceftaen begebé Dctfatcht 
0m 't felbe te boib^cngcn/ gclijcli h)p boen/in falien/ gfwc unv 
bteonisf gfjcïoobe aengacn,- l^ct i^ be ftemme cnbebc "^* 
bjage banbc bupbeI;3Daerom ïieeft ijp't u geboben^ 
IBaer ^bjafiam toijgt ftilie/öpen onberfoeöt niet/ 
nocD toaer bat öp moefte gaen / aï.$ fiem telaft toajs 
«pt fort lant te bertrectoi; nocö naer benaj^omeltn^ 
gen ban fijnen ,§one/ aI0 öem gebcben toierbt/ ben, 
felben <6cb op te offeren,- befgeiijcö en fieeft SfatajS i^^»- h 
ntet met allen onberb2aegf)t al^ Bern bebolen Inierb 
naecfu te gaen ; nceD 3ieremia<$ ül^ ï]p ober-Ioben 
toiert met boepen enbe üetenen ; neef) ai^3ecfjieï/ a\^ 
l^tm beiaft boïert bat Op op eê sybefoiibe gaéltggen* 

"^at be ffametifprekinoe gefcfjïebe tot <Öobt / in ben 
toelcïien be gepligen aüe bingen aenfcöouUien/ met 
eene groote begeerte ban lieföeenbe berfaftinge ban 
alie ajfectie tot nteufgierige bingen. 

|ö|et G^cW/ , enbe be anbcre fafien / faïmen mogen 
mmen upt be mebitatieban D^^t^erfierben» 

Een ander Gebedt. 
TT Eere jcfu Chrifte , in wien verborghcn zijn alle de <^oïrt ett 
^^ threfoorcn Qndt fchatten van wetênfchap en wijl- [^^'L^^'^"^ 
hcyt; och oft ick u mochte kennen , en my felven defge- j^ {,e linoaa 
lijckcn , ende uwen alderhcyligften \\'ille ! want defe my iïc tatjfs 
alleen genoeghfacm is;\vacrdoor ick in der eeuwigheyt Ö^P^» 
V.'ijs gjenoegh kan worden, u kan kennen,{ien, ende in al- 
le dingen mach belitten ; ende fo veel te meer en te vol- 
inacckter, hoe ickdoor denieufgierighcydt te min her- 
waertsendc dervv'aerts fal verftroyt worden: want eene 
fake is noodigh , ende dit is het eeuwigh leven, dat wy u 
alleen kennen.Wat wil ick dingen onderfceken,die hoo- 
ier en ftercker zijn dan ick benrWaer toe fal ik mijnoo- Ecckf. 3, 

gen 



3B4 Denll.Boeck. Het XI L Cap. 

gen flaen op d'ydelheyten niet op ii,van wien ick alleen 

Bernard. hulpe verwachte ? Maer , eylaes ! als d' aerde mijndcr 

J'^n^s^^ 7- herten door onachtfaemhcydt , dijftelen ende doornen 

Idem Ver. voortsbrenght, door dien datfe in haer felven geen rulte 

ad Ciar. cn vint/o is fy genootfaeckt haer buy ten haer te keeren; 

en fy begint llaperachtigh te worden in het onderfoec- 

ken haers lelfs , wordt dan curieus ende nieufgierigh om 

te weten het gene dat een ander aengaet, Ende waer toe 

fullen myoock dienen alle fchoulpelen en ydele weten- 

fchappen , wat baet dit aen de ziele oft aen het lichaem? 

Wantmijn ziele en kan hier mede niet verfaet worden, 

noch ruftc in eeri^he creature vinden, maer in u alleen, 

waer in alle dingen gevonden worden. O falige ziele,aen 

de welcke ghy alleen genoech zijt, cn dient in de plaetfe 

van alle andere dinghey; en die in u alle dingen fiet, ende 

van u al ontfanghc, enSe tot u alle dinghen fchickt. 

Het XIII.Capittel. 

Qefteninghe oft beradinghe , van het verfmaden 
van d' oordeelen der menfchen. 

®e b?tf fe \J[ ^tt ^i^^^ öficcn meerber bektftl in Bet gceflc^ 

ban De 003:" ^-^-''Iijclilcbencn benecrftinae bec bolmaecfttljept/ 

ïsnimm öanteb^eefcnbeoo^bedenöec mcnfcljcn/ m^pfzU 

SrtSt bennaecbiete ftïjithemljkttoo^ i$'t boo^toacc/ 

acijtKDcd bat be boo^gcnomen öcpf tgDc begeerten ntet alleen^ 

in önt g«* ijjcö in fiet beginfel / als? 3? nocö joncö en teec 5ön/ 1 

bal?2t* too^ben berb?ucfet ; maec oocft aljj fp nu groot gfie^ i 

smiciu toaffen 5tin/ toojben neber getoo^pen en uptgeroept* I 

3Bant fjoebeelfönbcr/ tic berbeertsijnbe / boo^ an^, 

bere Iteben feggflen enbe opfp^iecïte beronacètfa^^ 

menbeel<6obtb^ucötigeoe|fcningOen/totbeU3elc^ 

fte3Pf)wnanberfnij9ffouben begöebenj oftgetoooi 

fijnbe iJk te oeffenen enbe te gOeb^ipcfeen/ berlatettj 

bte boer? eenen tijbt! ftoe beel 5ijnber i)k in iafïeringi 

enbe anber ongOelijcfi fouben berfoeneljjcö enbe' 

facOtmoebigO Bijn / 't en toaer / bat 3P boo? Dct oo^! 

beelenbejs bjerelb.tf tot tojafte bertoecfet toïerbenll 

;|^e <0obtbaweBtigD^pï:»t ^n D^^ff iconen weerbereni 

bpanbt/ 



Van'tvcrfmadcnd'oordcclendcrmcnfchen. 335 

bïïandt / ban be opfpjaöc lian 45oöbeloofe : enbc bat 
te bectoonbcccu Wtiit boo^ ex'tmpelen tot ijet quact 
niet en toojben gljctrocften / fietmen bicfetDijlö boo? 
Itïoo^ben ban bcü recDten toegö enbe bolmaecfetcc 
ïeben afaöieïepbt too;jben» 

Hf/ eer He voor- bereytfelfal tvefen , fp felben tt (lefïcn ttt 

be tegentDoo^biGDcpbt 45o^t0 / enbe ban 3ijn \}t^ 
mcïfcööof/ meteen büo?nemen banallebinsente 
fcljicttennaföneoicne. 

Hettweedevoor^bereydifel, feeC 00tmOCbtgl)IljCfi Ota- 

tie öegöeeren/op bat top boo^ be fcibc fonben mooen 
be&ennen befontepne/ bp-lfean^sï ban ailen quaetj be 
toelcfee ië/ ficm u boegljen na be oo?beef en ber men^^ 
fcOen/ enbenaerbefelbe (oD^ïöc^ ben meeftenbeel 
ber inenfeDen boen ) 3ön leben tefcöicïien» 

Den menfch.(D eeutoige 3Bööö^Pbt/fiet/foo bf cfe^ 
toijlö als? icft bp mp feiben maecfee een 45üht\)2utlp 
ttgft bao2nemen/foo oDeboele icfe/bat icfe niet alïeen 
i en bemerehe toat be faecöen in Daec feiben 3ön/niaec 
I oocli l)oebanioö geboelen be menfc j)en baer af fleb=^ 
ben ! aBant inbien ith n\p feiben (ïelleeene toet ban 
toel te leben/ ban te fcBoutoen ïjuabe gefelfcöappen/ 
en onnutte t famen-fp?e6inoen/ban foberDcpt/ ban 
; be toerelb te fcDoutoen/ ban feebaerDept in feoft enbe 
/ lileeberen/ban mp bicfetoijlsS te biecftten enbe ten ^* 
; ^acramentete gaen/fogefcöiebetboo^Oetoojbeel ®<oo?fidg 
ber menfcfien / bat beel banbefefafeenmpbuncèen Jl^-Ï^^ahf 
; ftoaer enbe Infticft te toefen; iaoocfebicètoöïci boo? 'tgocttoor- 
, bet oo2beel ban Doofe menfcften / oft immer.ö ban be mme (\aatt 
; göene/ bienocögoet/ nocDquaet/ maec tuffcfien ^"lamcö» 
j, bepben ^ijn/ enbeober bepbe 3öben fereupel gaen» 
i, Chriftus. ^€ijE? eé boo?-bonnifTe/öet toeifi fcöö«t te 
i.(lrecfeétotagterbeel/maerfonbecbec(lantgefp20feé. 
.- Den menfch. l^H becb^et mp feec / bat ith alfoo 
iubccboertentoecl) göenomento02beboo2be toinben 
\^ öer menfcöen fi}7ahc en geltlap / en niet boo? be qt^ 
,j toicluigljepbt bec faec ften / maer boe? ftet bunchen» 
vlBaectoiefalmp beiioffenbnnbefegemepne quale 
i„mfiecöte/bangfip/mönen<aobt^toantfoïèliemer^ 
•i ^e/be Hcïigieufen3ijnoocf?metbefebebanöen/too^ij 
jj Jenbiclitoöi^ booj befclbebaecnebergö^toojpen/ 
,1^1 enbe 



3^6 Den I I.Boeck. Het XIII. Cap. 

cnöcboo2ïof oft mifp:ijjö boen ftunöoolenbmtbctt 

recütc pabt b^t ootmoebigljept m aeljoc^rtJcmljcptj 

boet Ijun aftöycJïen ban ï)t))yk ber eenboubiöjjepbu 

Chriftus. 't 30 alfo/cn men bintfe fclben/bie/baec 

ben regel tumn ijS/benfelbcftcensclucd onbcrïjout» 

Den menich. ^p b^eefen upt tc f cljjjncn in bcfon- 

bcrljepbt cnbeepaenttjepöt/ entjeanberentettebe^ 

Öacöen/ enbeuniettemifOagcm i^et todcö ubien 

Au^ lib. 2. bienaec 3üu0u|tiniiö eectyöta' ooch hlacgljbc : gc& 

cont. c. 9. j-(jj^^j^5> ïiip „ j^f onüefctjaenu te toefen» 

Chriftus. (^cfj (joe gtoote clenbc enbe boofijcpt bcc 

toerclt v^ ^itl betoelcöe fo groote macDt neemt oocft 

oba* be ölooftciw en be gene/bie fiun felbé beracft:^ 

té! öte boc^ mp alleen Deïjoo^ben te (eb^/en te ftetbe» 

Den mcnfch. Boo2toaec icïi bcgeece bat feeivtoanc 

Galat. I. ith ijooce utoen ^pofïel feggen:§inbien itU be mcn# 

feOcn Deljaegfjbe/ ith en foubc €D:t|iüiS8 bienaer niet 

5ün» O toacrac[)tigeuptfp.2alic! toicobecïcpbtbe^j 

fe/ foo ftp Dcöoo^n ^ oclj bft gfip u getoeerbigï)be mp 

lob 14. t}iz te bcrleenen / bic alleen ftont fupber maliën/ bat 

ban onfupbec5aebti53^ontfang[)cn/ enbealleenalj^ 

ben^gamaritaenïtontonfetoonben gftenefen^ ten 

pegijelijcö fiecft tnfjctDepligOboopfel betoecdbt/ 

ïjarc oberbabigOepbt cnbe oo^beelen berfaecftt / en^ 

öt bafielijcii boo2 Dem genomen u te bienen/enbc al^ 

foo tot Det leben ïn te gaen ,- enbe fiet / tc!i en binbe 

niet bat ons^ m-^er acljtertoaect.ö trecnt/ ban be pbe* 

ïe bonnifTen bei2^ toerelbtsf: topb^eefen quaetgfic^ 

noemt te too^ben/ cnbe top en Iionncn bit niet bec;? 

b^^gl)en j enbe nocötan^ bcrbaagen / bat top om ba 

tooo^öen alleen bec menfcfjen / cïuaet 3ön* 

b'»©02ti«* Chriftus. iBaec toat 5ün ticfc oo^beelen meer ban 

ïfii ijcc pticie gepepfen/pjopooften enbe rafernp«n ban eeni* 

S'/ïttn au* ö^ iii^nfcöi^rtö ; enbe meed ban quabe/ enbealfnlc^ 

tttfmtt fte/bieonÊ?niettoegebaenen5inn toanteenp^glic^ 

öan pöfïe Ujcfefp^eecïit enbe 002beclt foo ijpgemoebtisf* Cn^ 

f Sf '^ff ^^ aengefien be geljeele toerclDt gcftelt i0 itiht Doof; 

ii?m! ^^^P^^ I ^«5^^ ^^ "^^^ i» befelbe te binben \^ I en i0 an-- 

i.'ioan. f. ber0nietbanbegeerlöcï5Oepbtbeö?bleefcfj!£?/beroo^ 

loan. 2. Qcn/enbe Oooberbpe beö lebcn^ : DoebanigD 6^n Dci 

bonniffv* ber felber toefen^ 

Dci 



Van * t rerfmaden d' oordeelen der menfchen. ; %7 

Den menfch. i^it i^ \}tt ofjcboelen öec oöciicr/ 
öie boo? bcrnuftcc totüeri oljeljouöen too^öcii j Dat- 
men ö^fc faccöen met be(6obtb^2iicöttgl)epDt moet 
boegen/ öie ban be felbe feec berfcDülen / enöe tegen 
be 43obtb^ucötigOepDt ticöben: enöebpalDienbat 
niet gljeft DieDen Kan/ batnun aljsf ban Uebccban b^ 
43obtb:ucluigiWbt toat moet af-trecfeen; op bat 
ïjetntetenfoube fcDiJncn/ battouon^aen fjctooj* 
beeUnbe gljeboeien ban anbeve nieten bjilicn on= 
bertoo^pen» 

Chriftus. ïBacc toe 5ön befe oo?beelen p^oföteïp 
oftfcöabeïijcfe^ Uiat batet be mane/fonne/ enbe flec* 
ren/bat fp ban be afgobiften boo? <0oben eectöbtjS 
geöouben 3ön gebjeeft i toat fcDabet Bet goubt / bat 
getboo?tïÖcötoo?btgeacïjt^ « ^ ,^ 

Den menfch. j^tet met allen/gfjelijcfi Bet onj? oocfe f.^^^^f'^ 
mt en HD^Xitt i oft batet/ bat top becfcDepbelijö ge^ fcjjcu/lun» 
oo^beelt/ battopgep2efento02ben/ battop Deöcnt nmiofm 
3ijn/ Pbelijch bermaect oft mifp2eren tooabcn» mtfacptnv 

Chriftus. ©oo2toaec \\\ 't bcfonöec toillen bemtnt K^i ^ 
toefen (aengfjeffenbattopcen pegeljjcö ban onfcn fcjjaiDu 
naeften/ aliffonis fciben moeten beminnen) \^ tot 
ongbelDcH ban anbere mcnfcficn ; enbc göep?efen te 
toiKen 3ijn/ maecötonjggbeljcelonpiöfdijch zx{\^t ^\mm, 
becifpelijcft: toantbie bat begljeert/ en \$ nu niet Sïof- 
Ioföaec/toantniem.mbtento02bt ten vecöten göe^ bacr/ödn 
piefen/ ban biegoebt/ enbe bieop^ecfttelijcö/ enbe meöcugöj 
niet balfcBelijcïi p^iifbaec tooabtgljeacBt» Opbat^"^^"'* 
pemantfoube mogen gep2efcnbo2ben/moet l)p beu 
ïof aïbecmeefl fclioutoen/göemeccïit bat BP nïet op- 
recOtelijcö gep2efen en fean too^Den / XAz ben lof bart 
feffdfoecfet/ maec iief om frjne Boobecbpe feec tod 
mifp2ijfen0toeerbigf). gnfgBeliJcfeö "iM B«?ntber-- 
oranit oftbjoebicB i^omcentgö onrecBt oftlafte^ 
cingOe l\yiz f^m aengOcbaen too^bt / "i^u gdeiupgBt 
batöPÖetfelbetoeecbigO i^eJ/ enbe batBpboo2foa 
bee( \ut^t ben (of/ ai^ Bp gfiefcBoutot B^cft \\z\, 
mifp2ijfcn- ^nbicn gBp ban \^a;sx\M oft berfmsebt 
föt gOetoeeft/ xw'^uxi pemanbt guneöt bcrmoeben 
ban u gBeöabt Beeft/ niet tegOcnflacnbe t^ 't bat 
öBp ubaet inncècbt becfieuöBt/ foo berclaert gBP/ 

S bat 



5^8 Den 1 1. Boeck. Het XIII. Cap. 

nat 't fclbc te onrecOt u gefcftieDt i^ i gnoe xm\. rccfit 

toacct g{)ptoccröia()beracOt te toefen/ fnöicnoöp 

^fmoifcüu om bcfeberacDtinaöeOaötbcb^oeft. €nbe toat 

f" H^^^f, Oebt göP banufellien/ oftbat utoe iö^ Doo^toaec 

bw met »i^t met allen/ toant 't t0 al mijn» 5Baeiom totlt 

öat ïofr' CÖP öï^rtlj^t felbetot u treclien-l toacrom Deaeert 

tueaöigu ööp bat een anbcc u bat toefc!)^i)\je / enbe baerom u 

'^* eere betoöfe^ a3elijc!i bc bupbêlcn toillcn / bat (nut 

öe <aobbelöcöe eerbtebingOe aengljebaen too^be/ 

alfoo toilt eenen pbelen mcnfcïi gljep^efen enbem 

bertoonberingïje 3ijn / enbe mp öe eere / bte mp met 

recïit toeliomt / ontrecften» gnbtcn ïjp toöi3? toaer / 

Öp foube met mijne ^poftefcn feggen tot be gïjene / 

Ador. 3. bte öem beminnen enbe berïieffen : <6öp SfraeUjt^ 

, fcBe mannen / toaerom bertoonbert gftp u öier af/ 

enbe fietopon^/ al.öofttop '^xt booj onfe epgïiett 

feracöt Dabben gfiebacn ^ oft geUjcIt anbere fepben/ 

aïjJ men ïjun toilbe offeranbe boen: iBannen toaet^ 

Aöor.14. 0,1^ ïiogj öOpbtti top viycK ooc[i (ïerbeüjtftemen^ 

fcljen/gljelijcfe ^^s'^Ait^^tx^ 3ijt ,• toilt gfip ban/bat fp 

nip beclatenbe op u fien \ u fonbeclingfi p^ijfen enb^ 

alle eere betoyfen \ bat 5P mijne bpanben too^ben/ 

om bat fp utoe b^ienbcn fouben 5ön \ aBilt gbp mp 

boo2-bp gaenbe enbe berfupmcnbe be eere / ben lof/ 

be liefbe/ bte gl)p mp feonbt betoonen / toe-fcljicfteii 

aen eenen fecr pbelen afgobt ; bat H aen liet bonnif* 

feenbe oojbeeïenbermenfcben^ toant glip/ Xi\z\it 

oojbeeïen ber menfcflen bemint/teozbt be felbe boo? 

be liefbe onbertoo^pcn/ enbe bemint be toereibt / en 

too^bt mijnen bpanbt» aJDiltgöpbatbemenfcben 

boo j be liefde tot u/ belet too^ben mp upt gantfcOec 

Berten enbe met bolïiomcn liefbe tebeminnen^toift 

gijp mp alia? eenen muec (lellen tufTcben bun enbe 

mp / oitt bat 5P mp niet bolbomeïöcben en fouben 

aenfjangben^ oöbp berbïijbt « mogbeUjeb/inbien u 

beelmcnfcbenaenfien/enbeberecrcn: batiö/ bat 

3P beb^ogljcn too^ben/ tw^t gbp bun bebitegöt / in^ 

bien fp tot u bomen/ xxi^wx leb bun pet boo? 11 gun^ 

iK\ éxK fiet gbp niet bat be bïiegbcn bergaberen bp 

ben pot/ enbe be blopen enbe mnagben bomen tot u 

bleefcD/eitbe baer iipt fupöDcn \ fp fiipgHen u bioetit 

booi 



Van'tvetfmadcnd'oordceleHdcrmcnfchen. 339 

boo? ftun en trccfecn 't u af; alfo öütot u feomcn om 
ftuipe oft trooft te UertocrtJcn / beaeeren 't gene/ tiat 
!jun 10/ öat ich Dun öoo? u tcefcljicöe/ toont om Dun 
lieübe ih u öat gcöcben/fp ontfangen bat mijn I5?;öat 
fp mp öan den lof geben:en en fo^gt gfjp boo,2 geenen 
lof oft iafler/noft) bco^ geen oo;Deel öei: menfcljen. 

Den menfch. ^nDien tcli öan gijeenen lof en macf) 
ïjopen nocf) begljeercn/ nocfi ftet Ue^maDen öatcn/ 
i^ 't faöeöat ich goet toil toefen cnöe ^oöe aengge* 
naem: o i^eerc/ !joe groote ontoijf Depot i^ 't te \x)iU 
Ienrïuaet3önom öenfelbenloftcöehomen ofttm> 
tmv0 niet foogoet/ öooj ijn Ijeraeljien Deernen* 
fcDen mp becfloorenbe enöe l?eb?oelJenöe» 

Chriftus» 3Bie iffer/ Die fouöe \üillen Deöetbcn 5Ö» 
nc gefontfiept/ toetentfjeptJ / flercfeBcpb/ rijcfiDom / 
om öatöie niet en too,2i5en gepiefen/ ja mtfpaefenl 
^icmantJten ptjntgöt fpfcitten met Ijmact / om 
tiat öe ötoafeenbe öcuptfinnigDe roepen/dat Oefpö* 
feenöeö^ancTibenrjni.ö?» 

Den menich. €n r<oc[uan^/cm tsat pentantJt &? a^ 
bontueren tegöen on.0 3önen mc-nöt niet en foube o» 
penen oft mifpröfen/ontfjoiiDen topon^ öicfitoil^ 
ban öe <0otJtb^uc&tigBe ceffeningöen/ en ban tie ge* 
èoo^faemijeptit te boibjengcu : Dat i0 / ban De fpijfe 
bec3iele/en berliefen DertcrcliteeneijclïDomDer fci* 
ber;en top too2Den om niet becliocijt onDec De fonDe^ 

Chriftus. gnDicnpemanturaci:irb^aegOde/ toat 
ftp fouDe mogijen berfiiefen / oft toat Ijtm nuttec 
fouDe5ijn/ oftoprecijttycli/ eectJaer cnDegOeluc^ 
bigü te toefen / oft balfcljelijcö boo: fiüth^ gljcDou^ ;©einft» 
Den te 3ön / obecbloedigijepDt te fjcööen ban aikimmn 
DingOen/ oft bloot enöeonberfienljanaUeij/ njcö ?^öf«/"'* 
te toefen ban beftanDigije DeugijDen/ oftaüeenlijcfi Saurtjöè* 
metfcfjijnelgcfee berciert. €nfouDt gl)p nictco?:^ iijcheniDj 
Deelen Dat De toaeracfttigfie DingDcn boo^ De ba(= tocrcufdje 
fceeenDefcfJönbarebeijoo;Den gljcjlelt te too^Den> Tütae^^ 
nocötanjsf i$ een pegöelrjcn met Defe DDOIinge be^ ntm^* 
bangljen/ enDeomDatfpnieten fuuDen mifp^sefeu 
too^Den / Debben 5p liebec onrecljtbeerDigü / oft im^ 
mm min recötbeccDigft te 3ijn / Dan om De Deugöt 
met recöt iftto reDen paüfbacr/ falicö/ ^nöe alle 

^ z eere . 



;4o Den 1 1. Boeck. Het X 1 1 1. Cap. 
ccrc tocccöigli te 3ijn» l^oc btTfcöepöen fal Bet 00?^ 
öccl öcc nicnffl]cn3ijnintïcurcbe,ötiootit$f : tioo?* 
bjacc anbcr^ fal alfbnn toefen l)et oo^öeel bpöansS 
ïjct öfteljccle toerelöt. <Dan fal öen oenen ban öe 
tnerelbt oep^efen too^öen / Dic iwt Ijkt te boren 
berftooten enöe berfmaeötfalfjeDDeni enöebtetet 
contrarie fa!berïTptbJ0^2ben/ Dietioo^ljarebeöjie^ 
Odijcfteftcmme berlcpötfünöe/ ecnlebiaï)/ bupl 
tnbe onaerötol) leben fal DeDOen aeiept : alföanfal 
berfteben too^öen be itef öe öer armoeöe/be berfnia- 
bin^cban alleecre besJtoerelbtö/ enbe Ijareoojbee* 
len j ban fai be miltfjepbi tot ben armen enbe alle 
beuoöben met ()aer oocö ban be Qiiabe/ inaer boben 
öl ban rtip enbe mijne liebe Igepligen in ber eeutoig^» 
ïiepi gep^efen bjo^ben ; foo bat tcfi met recfjt begeert 
ficbbe bat ^zw fterf-bagO ber üjepligen / fiunnen ge^ 
l)00?t-bagï) foube genoemt bjo^ben/enbe oocft tn bet 
toaeröepbt foube 3iin / toant fp alfoan opjiaen/ enbe 
al0 fterrctt/ bte ben bagö befc^ lebensf onbergaet be- 
ginnen in ben nacOt te fcïjtjnen» 
<©nbf5 Den menfch. iBaer bc boofe ontfien alfban oocö 
S?ïS?!^^ alö 't tijt ijSban be faltgljcpt te beneerftigen/ Dun tot 
fSöic u te beheeren/ DunopenbaecUjcfitebiecOten/ ftet 
oochmDe ftoogöbjeerbigBd§acramentbeie?^utaeri2?/Öet€>Üf^ 
"«öcsi fel teontfangeii/ om batmen niet en foube feggen/ 
firn öaï? te bat fp onflantbaftigfj of t beb^cejl 3(jn / enbe too^ben 
betcwiu in fulcfier boegen to^eebclöch gcpönigljtboo^Oun 
epgenconfcientie» 

Chriftus. gnbien gflp beooafalietoiltonbcrfoec^ 
hm bic i^ 6laer/fp feggen : 3©at foube men ban mp 
feggen I 

Denmenrch.(0oeben Ie SU, tooibt ban Det feggen i 
enbe een bliegenbe tooo^bt meer gljeacljt/ banbe 
faeciie felbe^ban be tuaeracOtige faligljepbt^ 5Bo?bt 
baerop meer gOelet/ ban om u te ontfangljcn / ; 
ban banubefocDt/ gcbocbtcnbeberjlerclittetoo?^ 
ben i b)0^bt baer banmecropeen tooojbtgöepaj!/ 
ban op alle utoe gaben i meer op eene lilepne b^eefe 
5©toacf* ban eentge opfp^aecfte ber menfcben / ban op öet pe^ ! 
U^ptp" njclielban {)ct eeuVuiaï) lebend €> lioegrooteïiracDt 
Ster ü J:" ^^'^^ ^^^^^^^ ^^'^ï' nuniff üviöcïic oo.2beeien ! €plae0 1 



Van 'tverfinaden d'oordcclcn der mcnfchen, ^41 

toat fal i)p tn't oojöcel lieranttuoo^Cïcn/ al^ fijm roiopbc 
ötoiicffjepör opcnDacc fal 3ijn boo^ öfjt^ÖejJlöetöC' tooo?afli 
rclbt^ ailfoan o ecutoiac iDijfnepöt fult gf)p ïjcm Jeftö^'lii 
bcctoijtcn / Dat fjp n bcrfmncöt/ enöe meer tDcrcfisf oy (s'oDt^ 
Ofjcmaecöt liccft Ijan fjet feggcn banecnigO^ö^r' ooiöeei cu 
too^pcn mcnfcljen / öan ban u geDoöt. ^a» fal qc^ SabiïïnbÉ 
ftcel öe tDcrdöt tegen f)em opjlaen/ banfullenöegunepgm 
^epligen t)em befpottcn/ enöeöeöupUelenöegec-' mmm* 
feerij töelchec foföattööunfcOecpcpöïcn/ öiefip 
met foo groote beg^^t'te OaöDe gefocljt / enöeDoo^ be 
toelchenugetoontsijnöe/falgertrafttoo^Denmetöc 
mitotaefcDanöc. 

ChriJhis.iBacrbj'empentïetïe 45oi3t\^nKljnQl)cpt Matt.io. 
bOD2 be menfcïjcn fa( Debben befeben / dien fal tcït 
oocö bclijöen enöe beficnnen boo^ mijnen 3^aber: 
S^acï foo tDte mp / enbe mijne tooo^Den geloocOent 
fal ftebben boo2 be menfcöen /btenfal ben ^one be^ 
menfcDen ooc6 loocOenen / al3e?fjpfaIgehomen3ijn 
tn fijne iBajeftepr/ enöebie ban fijnen ©aberenbe 
bec^cpligec (Engelen. 

Dcnmenfch ^ocbeb^ucFit fuUen be fiinberen befet 
toei:elt5jjn,-eplae0! in be lange eeutoigftepbt/ batfp 
om een tö002t/een gepcpö eenen toencft ban cenigen - 
mcnfcö/ berïoren fullen Ijebben bupfent gelegentijc^ 
lim bec faligöept/ en bec een toigec gloite. 

Chriitus.llfban gelijcö ooclt tn 't oojbeelfuKen be ^^amj or^ 
boofe öupfen/fcggenbe : fiet befe ^ön V bie top fom- d«i dcc ' 
toijlen f}tbbtn geöabt tot fpot/ enbe gelrjcfteniffe be.ö J'jo^'- "^^»* 
bectoijt^ töponberitanbtgeacljtebenOaer-ltebecle?^^* 
ben te toefen cafernpe / enbe öun epnbe fonber eere: 
fiet/ ïjocfp gerefient3ön/onbcrbe binberen <0obti3f/ ^it w^ 
enbe onber be l^epligen i^ fjaec-lieöer beeL lou uan oe 

Denmcnfch. 303? tolden beminbtto02ben/ enbetocrcftbe» 
fiet/ inbien top baecom utoe liefbebcrlaten/ toP Jl^e^br"" 
fnllen tn bec eeiitoigDepbt ban uonfcn<Öobtenbe mamtoo!* 
«toe B^plige engelen gebaetto02ben : top tracluen ö«i/faiiïi 
ïuier eere/ enbe aüe onfe booföeben enbe berboj^^ ?rifbiS"^ 
öïientljeben onfer ö^rten / fullen booj een pegfic^ ^aot g"'» 
liJrbopenbaer5ön: toptoillenbermacrt5ijn/ enbe tjact/bn:- 
tpiac^ l toP fullen ineeneeeutoigegfjebancfecniffe ïlïi?""^^* 
QlMotm/ enbe altiibt^-buercnbe bergetemöepbt ffiiu 



?42 Den 1 1- Boeck. Het XIII. Cap. 

Dcgctiben Imïm/ nocft oDp onfm <0oöt en fuït 
on.ö noot octjacljttijlj toefen ,• öe gene naectoelctïe 
top Ijebben gclupflert/ toelctier oo^2tieeïen topl)eb== 
Ijcii aftcti^^cft / fuKen oaö meteeutoigöebermale^ 
bü'^tngen queHein gnDien topnaereereflaen/ eit 
l)cïjoo2tïcn top/eplae.öl nietboo? beboo^bp-büegen^ 
bc / Die aï5? eeneu roocö niaer eencn oogljenblicli 
gn öuert / deeeultitge eere te becfetcfen ! O geluclï;^ 
faltgc 3tele!vacrt öe toeïcfte öen ftejiitgen <0ee|t Defen 
raeöt enöeleere gljcgöt'benöeeft/ bat glip De eereii 
cnDe tonften De<ef toereken foubt lieracifteii/ enDeu 
berfteben fieeft bob^ii a!le gfteftJjapen Dingen. ^ 
<i5tmmVt faltgcn 3illeriui5 / DieDaec gijp feer eDel toaevt ban 
ban Dc tiet* tiiuime / lïeööet becbo^gen geljouDen / om boo^ 
fmamngc De gcïjecle tocrelDt te betoijfcü / DatgöPtoaerteen 
rdt?enöe ^^^'"0^ ^oDt0 : glip fjeüt bectoonnen / o b^onien 
ijarê'oo^ ftamp^becï)tec / gfjp öebt bertoonnen enDe bictorie 
'ptcidu beftaclt / onDec De tcappen fcöuplenDe / gl)p OeDt De 
gebcele toereïDt Doo? gefpjeptDeflcalenutDeröep^ 
iigftepDt. ^ ï}t:pmc ^poiteïen cnDei,l^nttelaren 
Clnifli/ftoebanige ejcempelen ban bcrfmaöinge Dec 
Dtoafe oo^tieelen DejOf toerelöt^/ (jeöt göp onö acötec 
gelaten/ gbp gincfet blijDelöcfe ban ö'aenficöt De^ 
raetö / om bat göp toeerDigö toaert geacbt boo? Den 
name [ e s u s berfmaetljepDt te fiJDen» <& faiige bec=» 
gaDertnge Dec tfinacljoreten enDe €i*emüten/ Ijot 
geïucfielijclt fiebt gïjp met De toerelt gefpot/ om Dat 
Die met u met en foiiDe fpottcn.'gbp ijcbt met Deboe^ 
ten gefiooten 't gene Dat fp groot acljteDegDpiiebt 
berïioren 't gene Dat fp mifp^eeiOf.lBie DaDDe u Defen 
öcetlgegebenl 

Chriftus. Wctt boo^toaer/ Dat 8etbïeefcDcnDe 

bloeDt 0«n Dit niet en fiaDDe geopenbaert/ maec 

Den oBeeft mijn.i^ BaDcrjes Die m De Demelcn i0 / enDe 

fp ftebben fiierDoo;ieenengrootenbjeDebecbregcni 

j.cor.^. fp ti\ toaren nopt beancjct/ acn niemant bcrbon^ 

fii^ui^t^t ^*^"' ^^^^^^ ontftagen/ b|p en fonDec fo^jlje Doo^ 

Ier genet/ ^^^^ enDeoneece/ Doo? guaDe fame enDe goeDe fame/ 

ötóöoQ:^ alcs berlepDers? enDe noduansf toaeracbtige / aljS 

öeeicjiDec r^ic ouöcffeiu ^tjn enDenocOtan^öeltent / al^ftet^ 

S«SI ^'^'^^^^^ enDclebenDe/ a(^ gefeaflüDt enDenietgbe* 

i^ooDt* 



Van 't ver fm ad en d'oordeelcn der menfchen. 545 

tooDt. JIBacr temn toerelrfcöcnmenfcDe/ ötege^ ^pwafcit 
^udttoo2t ban öctmcnfcöeïöcfeopficöt/ moet ujaec Jp^^J]'^" , 
nemen ö'ooiji^it/ monöen/ ^nöe manieren Uan een ^;y^'^^^^^ 
pegeüjcfi/ enticeen.öpegeiöc{t0fmedjt3ört» aa3ant oo?D«im 
die pet bemintJt/ moet nootfaecfieUjcfeaenOet fel- y^.^»"^"' 
te 0002 öe tteföe onDertoo^pen tDO?öen / enbebec^ fcömdrut. 
toolijlit fontjecn!|le(U3eicftbelfjetalDec-eIIenötoö^ 
fletö) öe iieföe/ jonjle/ entre öoeöc acOtinaefijniS 
felf0 (bie om be pbelfjepöt niet opcecljtenfconnen 
3Ön) enöe en ftan nopt toeten of tdpöiebechregen 
fteefti toantïietöcrtebanDenmenfcOi^ijuaetentïe lercm.ir. 
önorouöeecüjclijtöiefal'tfelbehennenlïBantDicli^ 
toülö Die u met bsn monöe upttoenöelijcö P2i)ft/ 
berfmaet enbe benfpt u tnioenöciücftjenöetegcn ee^ 
nen die u becfjeft/iffcr Oonöert öte u becacöten enöö 
becncbercn : foo dat/in Ijoat gedaenten göp u al0 ee^* 
nen ^^oteuje? derandert / nopt en fait Qf)p aen eenen 
in aüecJ/nopt en fult gfip aen een pegdijcü deöagen/ 
maer fult aen deel miföagen» 

Den menfch. (^cö tot toat dieren pjijfc \jD02den de 
öojdeelen der menfcOen derhottjt/ daernocljtanö 
niemant opt en han toeten / oft \p die oprecDtelijc^ 
feen ende naer fjjn begeerte berferegen ïjeeft : ende 
al toaer 't fafee dat Op 't toi fte/foo en foude öp ban de 
felbe niet eenen oogcnDïich berfeeclicrt feonnen blij- 
ben / foo cnfïantbaiKgl) ende toancüelbaer Demerc- 
fee ith de Ijerten ende liefde der menfcl^n te toefen; 
ende dat öp Beden op defe ure p^ijft/ bpbertoo:pet 
op de felbe. 3Bpbertoonderenons?/ fiendcdatpe^: onhjtj^ijé 
mant fijn goetberguifl met onfiupföepdt ende gul? öP/Dieom 
figftepdtimaer beel onbedacöter ies fjp/dieomde tn:^ J^ö?t['Srr 
beeldingen / gefrntöedcn der menfcöen/ de oprecfite m«ifcijc« 
beftandige eere/ b:jebe/ deugOt/ende utoe gratie/ dat «öodsè gw* 
i^alic goet/ berltelt. f« ^'öe «1=' 

Chriftus. '.c i?s toel toaer/ dat den menfcö beel el^ KaL 
lenden ondertoo:pen iiss / maerdegenediefpfclbenij«iwftt 
bermengljt bn andere licijamen / bp maniereban 
fp^elien/ dat istb^ljetgoetduncljen/bertoonderin* 
ge/ eere/ ende Iieföe der menfcfien/bermeerdert fijne 
ellenden feer : toant gciijch ïjp geboelt de guetfueren 
ban fijn epg^n licöaem/ alfoo geboelt öpoocöde 

E 4 ^\^^u 



;44 Den 1 1. Boeck. Het X 1 1 1. Cap. 

quetfurc ban ö'anbcrc/ entic öp ö^engfit ijont om f? 
fclUcn te O^anticn/ enDe banöen om oeDonöen en qc^ 
troclten te lüo^öcn» 

Dcnmcnfch. ^acrom ncmc icfe baft boo? mp/ 

noptacDr te tinencft aeu te fiangen 't ooet-dimchen 

tïcr menfcOen en öe.ö toerelötsJ; maec atleenlijcïi aen 

te fien / toat ban mp be rectjte rebene/ utoen goööe^ 

löcften toille/ubje öeboben enbe caöen berepffcöen : 

4r?i:i(ti U'^ toamljceöamgentjoebtoaes? bat(j(Jljetoo?beelöej8 

h^^Mfp^fft tot'>^^i^t0 / 10 opent(i)clt berfïïaei't oö^^^c^ft i» u ï^^ 

tïa£timh ^^tt ^«ö^ boobt : Ujant aOp 3Öt in ben nacOt in eenen 

ijftoont/ ftalaOeOo^en; Dectiöbfarentiebtobponüehenten^ 

Doefot Dat j^g ueracljt met ben menfcben berhecct/enbena bat 

Snïe^^oOP^^^fï^foetftelEsu u getocerbigbt Debttebcro^ 

tocwiDtjs» penbarenacn betoecelö/ Ijoe menigbmael bebt gbp 

om befe bevfmabtngbc be^ biereibt^? bebolen / obP 

en Ijcbt öOeeneere / flaet cft lof gbefocöt / feggben^ 

joan. 8, h2 1 3Ich en foeche mijne glorie niet/ tiaet i^ een t^ia 

f e foccht enDeoo,2beelbt. iBaec nopt en beeft bet 

meergeüleftentjoe baifcb bet 002tel beölDerelbtes 

tjEJ/ban in utoe albec-bepligbfleboobt: JBantbaec 

OÖP b^pïigOenbe onnöofel toaert / een Sam fonbec 

blecbe / sijt ban be toerelbt gbcrebent ggetoeeft 

onbec be (juaet-boenbecjs / beracBt mi)z gbeOouben 

ai0 ben lïccOtfïen enbe bectoo^penflen bec mannen ; 

gnöefal ith benlofoftberacbtingbeöecmenfcben 

acbten i 5Socb gbpen l)cbt ub3el^epligbengbee^ 

tien anberen toegö gbetoefen / bic u ecnftelijcb/ niet 

gbebepnföelöcb / op^ecbtelijcb / niet beb^ogen boo? 

öolingbe oft epgben liefde / bebben beminöt / enbe 

fteöbcnbieingölbcb beg&eert becfmaebt/boo? btoa^ 

fc gbeöonben enbe gbeacbttebjo^bcn/ opbatfpu 

foiiben mogbcn nacrbolgben. 30oo2b5aerOeti.öee:ï 

ncgcoote oneei'bietop u aenboen (gbclijcb utoen 

cjvryfofto. bienAci' €t)2pfo|tomu^ leert) tnbienb3puboo?-bp 

^^^^^ gacnbe/totonfemebe-&necbtcnon«?beeren/alj£^oft 

nendTiIu C^tP «i^t genoccöfaem en toaert/ om on^ naer ber^ 

dehomi- bienftetep^ijfen» Tl^it bertoerret al / befefaecbe 

num. jjccft gbebcel te tüerelbt in beroerte enbe onruftf 

gïieHelt / toant ItJtJ boen allebingben tenopficne 

ban bemenfcDen/ enbe top en bjagDcn gSeen fo?gbe 

booi 



Van 't verfmaden d'oordcelen der menfchen. 545" 

boo? öe oocDe Ujcrcbcn / maec top öejaoficn en foec^ 
fccn öen lof bnn onfe nieöe-tjnccfjtcn. 

Chriftus. ;Dacrom ijk^eftieiicronpniu.ötoacracB^ 
telöch öoo? mp göefepDt : ö'Cerftc iDcugtjt ban ben 
IBontnch i.ö te berfmaöen ti'oo:öcclcn bei: men- 
fdjen/enöealtöörötepeufnioptöD^ne öat mijnen 
21poflel Jjceft gljeKpöt : 3;nöten üfi De menfcfjen cai. i. 
beöaegütie / it}^ eu foube öen öienaec CD^ifti niet 
toefen. 

Den menfch. (O altjer-ftefjlen 1 E s u, gOp en loclit i^mi (Con 
tnp niet alleen met ejcempelen / maer oocfi metfeer ^ijf " ^.^^ 
beel en öccote toeiöaDé/Die oDp mp op alle oogcbltc- opmijt 
ht toefcliiclit: toant toat beflionötaen mp öefe/ Dan goeöt/ lof 
batmcn'ben op^^cljten (of banu moet foecfien/ ban E^^JfJ^^^"^ 
toten on.ö alle goet toeïiomt ^ IDant i^ 't fafee batteu ^^^^* 
geen goet en lionu ban ban u / ï)U be 5ee 5öt ban alle 
goeberé/toaerom toille tclj ban anbere groot geaeïjt 
too^ben / baec 5P mp niet en fionnen gebcn ban boo? 
U/geen fafie opaccDtelijCft en ftonné toeerberé/ toant 
3P geene fafee bolbomelijcften en feonnen befeennen i 
W oo2beel alleen i^ op^etljt enbe toaecacDttglV aen^ 
Qf^fim ban tiat top Ijet oo^beel bcr mcnfcOen niet en 
b2eefen/ 't en 3P bat top meteenen ban fiunon^fel^ 
ben pet Deloben» ^ieü be fontepne ban alle goebt 
aenfiet / en Dcmecct^t battec bupten u niet en i^/ tiz 
beiacljt alle bmgen om u ; toant toat foube öp bup^ 
ten u foecJten i Ijp fietbat De üromme toeglien/ Docj 
toelefte be menfcljelüclie berbünDttjept rufte focljt / 
lancli enbe f toaec 5ön / enbe battec ggeenen b2ebe iït 
Die te binben en i^ / m Dat meer 10 ^at t^tn eikntiU 
gen menfcö DaerDoo?fpfeibenb2enaï)t tot alle ort^ 
rullc/b^oef [jepbt en benautfjepbt De.é gljeejlö ; toant 
l)P bz'oulttnhc obecgeeft fpfelben aenbe ongöejla^: 
bigeenbe cnfefteretoinbenbanben toille/ jonfieett 
b2cefe bec menfcfien / Die nopt in eenen (laet en blö* 
ben,ai> ftoe fottelijcli bemint foDanigen De pbelgept/ 
fieunt op De feibe/aljGJ op D^ijbenDe bare/ op be locfjt; 
op fnelle toinDen/ b2ee|! met rebene / enbe baeefenbe 
betoont Dat ()p ontoijc? enDe onboo^ficljtigö i^* <2rn 
nof fjtanisf bcfc pbele bobbelfienö toojben boo: fo beet 
om-toegen/foo beel b^eefen/foo beel gebepnliöeben/ 

Z s öoo^ 



^4^ Denl I. Boeck. Het X 1 1 1. Cap. 

boo: foD beef pcrijchelcu enbe arDeptien Ijan t>e mm* 

G H E B E D T. 

- yXA Eeftons bcrmhcrtigh Heere , Schepper van allc 
'^^ dinghen , ontfermt uonferydelheydt endellavcr- 
nye , met dcwclcke wy de vverclt ende de gcpeyfen der 
mcnfchcn dienen. Indien wy luft hebben om te dienen, 
is 't niet beter te dienen u mijnen levenden en waerach- 
Ctbebt m tigen Godt? is' t niet beter u te dienen Koninck der Ko- 
ö? mt^n\ "^"g^^>^" Heere derHeeren?Indien ick begeere gepre- 
bcchie/t fen te worden, fobegeere ick voor uhemellch hof, voor 
üöoöc te de wijde werelt, en in der eeuwighey t geprefen te wor- 
ticnen / m (i^n: indien ick glorie foecke,fo wille ickd'onftervelijc- 
tfdfii Dcc ^^ glorie van u handt verwachten : indien ick voor ver- 
ntf nff t)fii / achtinge vrecfe , foo moet ick aldermceft vreefen van u 
^öc UI verach t en ver fmaet te wefen ? want wie fal pri j fen den 
bchaum te g^^^^"' ^^'^^ 8^7 veracht lult hebben > wie fal defen voor 
tiraiciK goet houden, dien ghy waerachtighen Godt, die de her- 
fia\. 118. ten en niercnonderfocckt ende doorfietjfult verworpen 
• ^7« hebben ? SietHeere, ick hebbe den rechten weghder 
waerhey t , en uwe waerachtige oordeelen , die gerecht- 
veerdicht zijn in haer felven,verkoren.Verlichtaan mij- 
ne duyfterniflbn , dat ick voortaen dendaghdesmen- 
fches , niet meer en begeere , maer wenfche u alleen te 
behagen, vree fe u te milhage. Want ghy zijt mijnen lof. 
ghy zi j t mij ne glorie : is ' t dat ick my beroemen , ende 
Pfal. 43. verheien moet , in u fal ick my beroemen ; want door u 
lullen wy onfe \yanden opworpen, met den hoorn , ende 
door uwen naem fiiUen wy verfmaden, die tegen ons op- 
ftaen , op dat wy londer vreefe verloft uyt de handen 
onfervyanden , ufouden dienen allede daghen ons le- 
vens , Amen. 

Pra^tijckeom d'oordeelen dermenfchen 
te verfmaden. 

t©«! xtqti 'TT oBii ecrfïcn/ men moet 3ön Voer cften oberlerrgen/ 
fc^Tm^'ir ent!eDicrfï]icïien,-nietimcci)etoo^fcecltïairta^^ 
51)11 S'^tüct mcpn bolclJ; maernaccï^en regel ban öe tpct ^aoö.cf/ 
*0.oöt!ö/mcntJcalföann>etecnen lJloecl?eti moetboo:rgacn in 
Tttiln^' öeu 5J0CÖÖ tJcr öeuaöOcn. m i^OHteeheiycft/ ftoe 

wenfcijpii. '^^'^ 



Van 't verfmaden d'oordeelen der menfchen. 547 

fter onfen tioongancfe in Den aengenomcn Wal) Dcc 
Dcugfjticn hikt/ enöc licrncljtcrt lijon öoo^ tjct b2cc^ 
fciv cnöe amftm öcc oo^öccUn Der menfchen : toant 
Dit [leeft bcel menfctjen afofiefeecrt enöe tocer-ljou:^ 
öeii/ ban bicfetöijl55 te biecljtw ten l^ <§acramcntc 
tcaacn/ enöe Dotoi Dien ban berfcljep^en andere 
<ï3oDtl32uc(jttgeoeffeninaljen- Hfejenbintcu becl Die 
tóel oerren/ ö'eerHe/enöe öe boo^jgangere 3Ön/ in be 
fcijolc Der pöeiliept enbe boof [jcpt j tnacr luttel bie in 
ben toegl) bcr <0obb;ucf)tïglicpt Ijun berren baer toe 
bccltöuten» p^en b^eeft ijier nf be tooo^öen en 't pbel 
oo2bcel Der menfclien / en men b^eefl öaec in niet bet 
dccnge oo:öee( öesf eeneigen recgterjof* ^oe groote^ 
lijchö bat <aobt bit miftucgöt/ biijcöt biaerlijcli 
boo: fijne epgen tooo^ben a!^ fjp fegfjt : hat Dp boo^ 
fijnen IjemelfcöenBaöcr inbenbagb be.ö oo?beei?ïLuc.9. 
niet en fal bebennen / bie fjnn gefc fiaemt fuUen [jeb^ 
ben boo2 be menfdjen fjem te bclijben. 

i€ent\xieebcn/iö'tgeraDenenöe fcerpjofijtelijclfe ^i^i^V^ 
ficmbicbbjiöi.ö te beröeeiben/ aï.ö oftmen gbeflelt„;S5 
Èoaer op eene groote bectOoon-pIaetfe cft tbeatre legctöoo:* 
boo: a3obt en fijn Ijcmcl^ gefelfcïjap / oh] baer op / pam/ti} 
inbunnetegljenbJ002bigïjcpDtonfetDcrcben tebcl^ Kfam 
b^engöen / enbeinfulclierboegötnbeoojbeelcnbei: " * 
tnenfcben te berfmaben» 

€en berö é/gemerlit hat hit qiiatt fijne oo?fp2cn6 ®« ^'-ft(t 
neemt iiptbcepgene liefde/ en batniemant bpltanis ^ILu^^l 
eenö anber.ö oojöeel oft beracbtingije en bjeeft/ 't en oo?ö«im 
3P bat bpoocb meteenen foeclit Den lof oftpet biet^fp^'upt upt 
o'beUjcIi(^/ fooi.sf onjöbannoobeeenegrootmoeöig'^ hMfPK^ 
Ijcpt/ toant Defe en laet niet toe bat ben menfcö eeni:= St d"o2 
ge pbcfe oo2tice(en en bermocDingen/ ia ooch nier ee* oamot* 
ncn anberen menfcl) biene en onbertoo^pen 3P j beel ^^^p^^ 
min bat iip Die ban Ijem met fijn groot acbterbeei ett ,ie„ "' 
ten P2ijfe ban De Cfjrtfleiijbe b;,ijöept fouDe bebcïen* * 

cCen bierben/ be l^epügfien hcbbm beo? eenc nm^ Sofïncft 
nicre gcliab/ fommige binaenie Doen om De tongen ofb?upcft 
bei^bolcfj^fteberteclien/ enbe Dun feïben te boen ^^*^^^^ 
beracljten / fnnber nocötan.sf baer toe cenige gerccö^ * 
tigOe oo2faccI?e te gfjcben, l§icr inne moctmen f^un 
naerbolgcn/ inbien lop toillen ben loon banbebol^ 

maecHt' 



548 Den 1 1. Bocck. Het X I V. Cap. 

mmlnhepm/ enbe hm ptv^ cnöe gïjunltïjcpbt bc^ 
])ctun ücbomeiu 

Schiet' (jehedek^m^ 



I. Cor. 4. 



T-T Et is my voor 't minfte dat ick van u-licden oft van 
**■ -*• den menfchelijcken dage gcoordeeh worde. 
rfal. 118. Ik hebbe gedaenoord*eel en rechtveerdigheyt,en levert 
Pfal, 4z. jj^y f^j^j. ^^^ j^ jg j^^y lafterenioordeelt my Heere, ende 

onderfchcy t mync fake, van dat onheylig volck; vcr- 
loft my van de boofe ende bcdriegelijcke menfchcn. 
Icrcm.12. Ick en hebbe den daghvandemenlchennietbcgheert, 
ghy vvctet. 

Het XIV.Capittel. 

Meditatie van de Hooveerdigheydt, 
V\ E vooYHellinge derflaetfe is , ^muttht Cllöe fielt U 

*^ boo? oogljen öen af-öroiubcc (jelkn / enöe lm 
bat alle pömnbcc berboembe Ijaren oo^fp?oiuö ne^ 
men ban be öoobcerbiöDepbtallecn» 
He^G^^tf^/,al$Jbocen. 

Het I . point. 25cmercïït ten eecflen/bat be Boobec*' 
bpe ië ctm ouöDeregelbc bcgljcecte ban uptnement^ 
ïiepbt / 't 5P in tijbelöche oft oOeeflelpclie bingïjen / 
toaec boo2 peman t fp fclben meerbec maecfet oft be^ 
eemtebiefcn / banöpinbectoacröepbtt^ : enbe 
bit i^ alfoo ocooten fottigöepbt / aljj oft een naent^ 
feen qualijch te b?eben toare / batmen fepbe / bat Op 
öeenen ceufe enitf / oft bat öet lilecbt ban eenen an^^ 
tra*en flcm niet en pad- ^ierom iief'tbatben ïjep^ 
chryf.ho. ligen €0^pfo|lonui.öfeecb)elfegOt:^acr en teniet 
59.{n Matr. Quaöec batt be Doobeerbigö^pbt/bie be bracDten bet 
3ieïen/biebe menfcften ban <i3obt gegbcben 3ijn/ in 
fulcfeec boegen neberb^ucht / batfe öaer be toijf öept 
beneemt / enbe ban bJijfe btoafe maecfet. ïIDant ij5 't 
bat pemanöt in fijne lengDbe bemaet ban anbec- 
Balbijnboctniettebobenen gaet/ öeni lan boo?^ 
flaenbatOp öoogfier i^hm be Dergfien/ enbe bat 
Bpobcrfulclii5fpfelbenberDcft/al.^ oftöp Dobenbe 



Van de Hooveerdigheydt. 349 

Ijccööen toare/ menfouDcDoo^^toaec gBccn anöcc 
teccftenban fónebiuacfOepöt öeüocbcn te bcctoacü- 
ten : alöUjËf alieJ oDp ecnc» noobcerdigOen mcnfcft 
binbt/ biefpfdben laet booiflacn öat ()p Detcfisi 
alömianöec/ enöe mcpnt dat Ijpbeuacljt toojtit/ 
alis öp met pcmanöt anbersf bergljelcerfeen toojöt : 
boojüjaec g[jp moooljt toclop-ljouben banceniolj 
anöcc mthm tcfoecfteii banföneuptfinnioöepbt: 
toant befen i^ beel meer tDcerbtgö öcfpottesön/ 
ban be gö^ne tjit upter natueren bul enbe onberftan^ 
bigö i^ I booa bten bat ïjp fp felben befe uptfinnig^ 
\st^^i acngöebaen Oeeft. Cnbeeen toepnioö baec 
naecfegötben feiben CD^proftomuieS: ^efen fieeft 
ben bupbel boojbjaer al^ een bertoo^pen flabe/ enbe 
eenen miferabelen gfiebangljenen bjecfj-cticboert/ 
ontöaelt öem met fïagDen / enbe boet Dem alle Tpöt 
acn/ toaerDpüancftmacO» €en ttoeeben / obec^ ©eijoo* 
bencht / batbeöooberbpef^omtboo^bien batmenj?"^p^ 
gccneficnnifTefön^fetföen f ceft/enbeupteeneop- L'oK 
rcclite btoaefö^Pt / gelL^cü ö^t \^VQi\\i upt öetboben^ wutöfpot* 
gljejlelbe exempel, ^ieruptftomt/batbenmenfcö 
Dem balfcöelijcè laet boo>ftaen / batmen fiembeel 
fcöulbtgï) 10 / bat ö^m beel geoo.aloft x^ -, enbe albusc 
boenbegiftefcDtebctbatijp nocDbe toetten onberba-. 
nigf) en t.^ / nocö bancabaer en i^ boo? be ontfangett 
bjelbabenj toant öp laet Bern bunc&eri "tM Dp in nle* 
manbt gljcöouben en H l baer Dp nccljtan^ in eeneit 
pegf)eiöcftenberbonbenijö/Dptuo2pt ban fiemalfó 
gljeDoben / j[)p en acöt niet met aïlèn be toetten enbe 
regelen/ öpfoecfeteenenanberen te gDebieben/ fip 
boet alle bingDen/ dX^ of töp eenigö bebel Babbe. 
^^ujsoberlegfjt göP/ bie bit leeft boo3 eenremebte 
toat bat gijp naer foo beel fonben berbient Bebt. 
enbeopbatgljp tot befe feennifTefoubtmogljengöe^ 
raecöen / bencF^t neerCeüjcfe toat güp getoeeft Bebt / 
^^t gÖP 5Öt/enbe toefen fu[t»€en berben/ bemercfet 
batter inbefetoerelbtgeenguaebtenijeJ/ nocBaen- 
gaenbebe3iele/ nocB acngaenbeBet licBaem/ B<^t 
toelcfeunietenfoubemogBen oberfeomen/ jaebat 
meer x^l bat gBp niet berbient en Bebt; 3Bant H Bet 
niet to?(rebelö(ö/ bat alle et?atuer?n to^ahe nemen 

ban 



3 50 Den 1 1. Bocck. Het XIV. Cap. 

ban ïjct ongcrijcli/ Dat öDp öcn fcïicppcr actiöcbam 
i)ebt / öusf bcctoonöert u/ Dat öe CngcIen / en 43obt 
boojal/ ubcrö^iöljcn/ btcoljpboo^utoetccrchcn 
lafïect/bcrlöonbcit uoocJv öatCD^iflu^ö utDcn^a* 
iiamaecIicriuneten|lraft/b!engf)pfootDetofpan^ 
nioö balt boo^ utoe manieren en fonben / en m 3ijnc 
fcDoIe ban ootnioebigOcpbt anber^nietboo^iie^ en 
b^en^ljt ban tracaïjepbt / onDelecft ijepbt / enbe ber> 
tlccnt{)cpbt bcjs Ijerten / ia fclbe ben minften arbept 
niet en boet om öem open te boen / al0 ÖP boo2 utoe 
beure filopt, €n aaet albu0 boojt^s tot be creaturen. 
Hcii. point. 23emer£ht bat ööp aliof cene creaturc 
M)002t utoen ijeere en <6obt onbertoo^pen / en on^ 
bcrbamaljte5ijni aljG^eenenCÖnjtenmenftO heli. 
lücr cöc/ ai^ eenen borger bc gemcpnte; lae bat meet 
i^V ts^'t bat a5? op^cctnelöcFien oo2beclt/o0p 3Öt aen 
eencnpeijeiijckn bcrbonben: toantbte <6obtboo| 
bcfonbeluebcr fpanmoöï55/ bieboct befoDclijclien 
alle creaturen ongeïü^t; toaer in fult gfip u ban ïion^ 
nen glorieren en beröejfenl i€enttoceben/ batoÖP 
^tnmm fuicftö in ber toaeröept 3öt/en anber$ niet ban toaec 
-anörtsf ^öo? OOp ban ^öobt ben ^eece geöouben bjojbt. <9^ 
nangcujchberlegDtban / ijoebaniclj bat öOp in 3Öne tegöen^ 
Dptoooi toooabigö^pöt 5ijt / ter oo?faccöe ban bed quabe 
kt^\^^* toer clten / maer toepnigö gocbc / en t)k nocD onbol^ 
maecht ; foo Mt gijp u felben toel te recfit met een 
flocerboletterisf moogljtbergelöcfeem €enberben/ 
bergelijcfit u met be beeften / aengaenbe be geftelte* 
niffen \)c^ licljaem^i en fult gfip niet bebinben batfe 
uöieritttebobengaetil en aengaenbe u berftanbt/ 
OÖpen 3öt niet alleen banbe bupbelen bertoonnen/ 
maer gaet öaer ooc6 in boofDepbt te boben / ten op^ 
T ftcljte i)at gftp naer foo beel ontfangïjen toelbaben/ 

foo menigüitiael toeberom in fonben öOcballen 5Öt; 
enbe toat fal 't toefen / isr *t bat gijp u toiltbergelijc^ 
tien bp be berboembe / hit beel min fonben göe* 
baen Hebben ban glip i Oiaatfalbergefcöteben i^'t 
bat gï)ti u bergelijctu met be ^epbenen/ bic öaer foa 
neeriteiijcfe tot be hmqln begöeben öebben / enbe tot 
ben bienji ban öare balfcDe <©oben^ 
Het 2 .point.35emer clit öc« im bat <5obt aïinacB* 



Van de Oormoedigheydr. 351 

tiöDtïeïioobccrmgfiepdrfiiact. .€enccr(lcn/ iiptï?e <Botitöatt 
QD^upgcnilTe ban öel^. <^cl)jifture / öie al-oinitic l\^^l%^ 
be fjoobeccöigöc möe op-aljeblafen nienfcD^n bcr-- tjcpöt^" 
focpt» EBantöc ï)oobcei:bpct$fjati1öcfiboo?a3obtË^ci.i3. 
enöe boo^bcmenfcljcn/ cndc t.ö *t beginfel ban alle 
fonöe / enöe Den ^ecre fiaet bc gfjenc / öte bacr mebe 
befmet 3ön. €nbe befefonbcentïfnictallemOatc^ 
ïijchboo2 43obt/ maeroocbboo^bemcnfcijcnj foa 
bat be ^cbjtfturefeoljt: ;©at Ijct beter i.öï)emte 
bcrootmocbialjcn met ben facIjtnioeDiöen / ban Deit 
roof te Deplen met ben Ijoobccröiaen. Boo2toaer/ 
Oljelijcfe ben ^. ^uguftinu.ö feer toel öetupobt/ baer ^"s- ^°f • 
tjo? qualüf b een blabt ban DepliOÖc boecben/ toaer tn ^ i , ^' 
oitömetgbelecrtentoojbt/ öat<öobtbenBoobecr^ 
bigen toeöerftaet* Cen ttoeeben/ bemercbt beftraf^ 
fcn ban be fioobeerbige menfcöen/ foo toel ötcr/ aljs 
gier namaelÊf -«öcö boe groutoelicbe ejcempclen Reb- 
ben top ban Suctfer/:4bam/^manenbejr^aöuc8o^ Eftherr. 
bonofo?! -Cenberöen/bemeccbtb'eflcntiobetlaber* Damcu. 
nnc ban be boobeeröige menfcften enöe öaec teben / 
toelcb bol benautotfieben enbe fojobbulbïgD^beniic?/ 
{)oc f^ met b^eefeenbe Dope gebufcrigblijebbebocö^ 
ten b)o:ben: enbe becfaecbtbitlebenupterberten. 
^m bierben / aenmercbt bat ben menfcD / boo? ïjet 
recljtbeeröigö oojbeel <6ob!£?/ter oo^faecbe ban b« 
fcfjioomeiöcfeefonbe ban Doobeerbpe/balt in alber^ 
lep bnfiupfbepbt/ enbe anberefonben» S^antbefteio^ Banr.cóft. 
beerbrgbeptbecoofton^banaUcbeugDenjenbege' p]°"-c- iq» 
Itjcb tien ^♦<0?egoriujGffept3t:^eöomngmne ban wor^c' 17 
allefontiéiöbeboobeerbtgö^pt/toantaljOf fufietbcr:^ &Hb 34.' 
te geöeelijcb bebangljen beeft / foo lebcrt fn bet felbe ^^°^- ^- ^^ 
aen be feben booft-fonben / ai0 aenfoo beet tojeebe 
bebel-beüberiS/om bat t'eenemael te berntelen;enbe 
fp ïöeen blaer teecben ban bebecboemDemenfcben/ 
gelijcb b'ootmoebïgöept ban be uptberborcn ijef-Be- 
mercöt ten laetften/be fcbanbe bte ben fjoobecrbigen ^^» b^Jo* 
fal moeten lijben m fön upter(le:toant bie bebcl ïieb^^ flllf^^n^ 
ben ober anbere/ fiiUeneen flrangö enbeftoaer bon-- |ie„ met 
niffebertDacötenjmaer öenootmoeötgben falgena? uim^t 
ïe gbebeuren / alj^ ben macbtigen maeöteiijche to:^ ^J^^^^^^ 
Mmm fal lüUen» «acD boe lallig fal ben boobeerbt^ ^"'^^"^ 

gen 



352 Den 1 1. Boeck. Het X I V. Cap. 

een öet Deoccfi entie öe öefpottinaïie Ut bupbcïcrt 
ballen /a\& fp \mt fullcn befpottcn en feaoen : 43ljp 
3Öt octDont oeiijcli top / aï)P 5ijt o"ö' gclijcli getoo^* 
tien/ utoe öooberöpe i? tot ni öe Delle getrocfeen^ 

Medicatie van de Ootmoedigheydt. 

DE vooyflellinge derpUetfe. %aet U bOO^flaert bat öSP j 
nu eerft ban niet oöefcfiapcn/ naeclit/ ongeVoa^ ^i 
pent/ enbe ban al^ berooft 3Önbc/(!aet in öe tegljen* 
tD002bigï)ept ban *0obt aimacDtig/en gcïjeel Det bt^ 
melfcö Dm/ bat boo^ u iö ben afgront ban alle fon^ 
ben,- acDtei* u/en ban alle ftantcn ontallijfte bpanben 
bie uboo^tftootcnj onbcrubeöelleopêni bobenu 
ben Oeniel en Dct fiemelfcfj fjep? u aenfcfjoutoenbe. 

iDat tie 25ibt ben l^ecce / bat ftp u toilt berleenen eene op* 

ootmoc^ reclite ootmoebigOepbt besf Oerten. 

öKöcpt i^« Het I . point. 2öemercfet bat b'ootmoebtgliept eene 
beugftt tö / bjaer boo? ben menfcftupt be ftcnniffe m 
3ijns? felf^/ felepn tooabt in 3ön epgfjen oogden/ enbe { 
hmt fjem toaecacOtelijcft bcctoo;jpen te 3ön/ upt fiet 
gene bat rip ban fijn fclbent^. oBnbetoatijS'tbatöp 
upt fön felbeni.^s^ boo^toaer niet met allen: toant 
ben menfcB i^ ban niet / enbe foube toeberom in niet 
beranberen/ öct en bjare bat Ijp betoaert biierbc 
booj be macDtigOe fianbt €>obt0 ; ïae bat meer W 
foube min ban niet too?ben/ re bieten/ Demtot be i 

Gal. 6. fonbe feeeren/ een albergrootfte quaeöt» ^efietnu ii 
oftgöp toel fulchen gOeboelen ban u felben öebt/ i 
toant 10 't bat gbïJ u laet buncöen bat gBp toat 3üt; 
baerg()p niet en 3öt/ foobeb^ieglu gijp u felben/ 

©cnmêrcb gftelijcfe ben ^Hpoflelgfietupgöt. Centtoeeben/ aen> 

ta i)«ft göcfien bat gi)P ban u felben niet en Ijebt / foo ober* 

S?nm«^' bcncfttb^at glip ban ecu anbcr/ te toeten ban <0obt/ 
ban bc nicnf ci)cn/enbc ban b'anbere creaturen fjcbt* 
^cöepb befebingOen ban u/ enbe legïjtfe aen b' eeu 
5übe/ te toeten/ u toefen/ u leben/ en u berjlant/ enbe 
gijecftfe toebecom bengfteenen baer gïjpfe afont^ 
fangljcn ïjebt : enbe befiet toat u fal obcrbli)ben: 

1 Pet. c boojtoaer niet met allen- lijoubt u ban Oier aen/ bat 
gnp u felben foubt mog&en bennen/ enb^ leeren bcr^ \ 

ootmov^ 



Van de Ootmoedigheydc. 3 f 5 

ootmoctiiöBen onber bc macfttioD^ D^ntit €>obt!^» 
(Ccn bccben/ bcmcrchtufdben (boo2fooliccl al0 
öDp pet 3ijt}bcn bac O utocc gcboone/ u gefjeel leben/ 
gnbe ben uptöancliiiptbcfc beb^ucörc toccdbt / enbe 
öUp fult tn bcr toacrljcpbt bebüiben / bat 0ÖP in alle 
bebcclcnutoeieJlcbcns^fiatöbïcöenbe ellcnbicD 5Ö^ 
ïDaiu toat öcöt gïjp ööctoceft -J niet. JDel aen / toat ©c tiien* 
5ijt oöt' nu ^ aenftct u licDaem/ toat t.ö 't anber^j ban öic^rpt dcc 
ecnen facft bol buPligDcpbt.ö enbe bjc^men i aen- "«"i^y"^» 
mercFit utoe stele/ foo beel alö 't bccflanbt aengaet/ 
bolbolingOen cnbeontoctentfj^pb/ foo bat Ijct ban 
geenegoebc facffte t'cencmael cp^ccDteüich enüan 
oo?bcelen ; aengaenbe ben totlie / UJcbccfpanntclj tot 
albatgoebttjS/ gcnepgöt tot alle quaebt. ïDanteii 
ticbt gijp in Hfelben niet ben boncl^ ban alle fjocft- 
fonben/ enbebenbjo^telbiegöebuncljlöth bjeber^ 
om groept / enbe b302bt gOetoaec ï)c b?anbenbe gfte^ 
ncpgDclüCftfieben ban ben luft ber begBeerten ; enbe 
be gljenepgljelijcftfjeben ban ben gcammoebiglien / 
tcaeglj tot alle Oetgljene bat goebttj^^ 3©atfaltch 
fcggen ban t)c memorie i eplaeiaf ! met öoe becl pbcl^ 
fjcpbtö iiTe befmctl fCen bierben/ bcmercütbocö l)ct ©ép«üc» 
quaebt bat uomcingfKlt/ gljclöctitopbobeninbe ^^^"^ 
boo?-ftclltngöe berplaetfegljefepbtöebbcn j bcpe^ 
njcfeelen htt fonben baer göp th ballen ftonbt^ be 
boo2'leben fonben/ gljeltjcö een ftoaer enbe lafttgD 
pacöoberuöanghenbei bebupbelen bie u ban alle 
feanten bebecftten , be fiellebieonber u fijnen monbt 
open boet ,• ben ftemel boben u open/ enbe ben öecli^ 
ter tik u bertoacljt om bonniffeobcr utefiriicfeen. 
Cenbijfben/ oberlcgljttoatgljptooabenfultiboo?^ w^it^an 
b3aer/ aengaenbe öet licüaem/maereenen honen r^^scfcinc^ 
tijbt / naer fiecfiten / enbe naer beel ellenben enbe ^e tooou 
miferien bte göp fult gfjeleben (jebben/een fpijfe ber 
too2men/ enb« bat tot ben bagl) bee? oozbeel.é toe* 
blijft Wer een toepnigl) flaen beminben 3tefer/ enbe 
baelt (nocljlebenbe) inbegraben» l^iernaerpeptl 
toat bat g&P too^ben fult naer be stele/ te teeten/ 
tiaer beel btoalingften / naer eene langljbnriglie 
Quellingöe be-ö qaü^ enbe fonben / fult gfiP moeten 
(ierben/ enbe fult oóetracöen toojbenboo? ben reci):^ 

^a ter- 



5 54 Den 1 1. Boeck. Het X I V . Cap. 

tccflocï ban <0oti almacötiaö/ onfcfecc 5ijnbc bati u? 
löc faiiöljcpt/ en dooz fijnc fcntcntic fuU a!ip bcctoci^ 
fcn UJO^Dcn ten minflicnacb^int te3ijnin'cUagcbici7 
Ujant luttel too^öcnöei: gljcbonöen Dieöiccopbcfe 
tocrcltten bollen afKfupbm 3ön* €ni^"toocfttoe( 
lacob. 4. niogclijcl! bat gijp utoen (jo^m öcrret opheffen/ m 
pfai. 74- tcgenjö? a3obt booföcpt fp^cïjen^45ljp tneanöeriJ niet 
en 3ijt ban eenen bomp / tk een luttel tijbtjS oljefieti 
iDOK/bie ban baecli 3ijt/en mo^aen fult berb toijnen» 
z^t oniïjc* ^^^ ^- P°^"^- ©«^P*^^*^ ö3t gijp ban u felben niet niet 
teiiijeptöcc alïen enbermoogtnocli en baeet/ macc bat <6obt al^: 
oienfcöciu ic bingen tn alle^ toetclit / en t^at gijp 3i)t aelijcö een 
lölepn öinbeöen/bat noclj opflaen/ nocD fa felben be* 
fcliecmen/nocl) ftaen/noclj onbecöouben/nocl) be fel;» 
be ban een anber epiTcfjcn en ï^an. <!^n leert ban ben 
Matth.ii. albec-facötmoebigljiten gcfiijCJ / faclitmoebigO en 
ootmoebigD ban Ijerten te3öit/ (cim^u öem al toe/ 
en u felben niet met allen* a©ant öp i^ f)et licDt/ ftet 
toeïcö alle dingen boo?-lttet/ g8p3Ötgelücli eenen 
lanteecne/ tic/ alisf tbatmenin iiaec eenicölicljt 
ftelt/en betlicljt nocDtanjS? upt Ijaer felben niet/maec 
i)n licDt battec ingejlelt i^t jac i}at meec i^ berbup^ 
ftert fjet felbe licljt / fjct toelcö naec fjet goebt-bunc^ 
feenban ben göebnipcfiec al-omme gljeftelt macö 
too^bé.aieert ban ootmoi^big ban fterten toefen/ ban 
ben albec-ootmoebigïiflen Jesus» <0i|eere/3ün 
ïjiec toe geltomen alle be tlj^efoorenen fcöattenban 
toijf Oept en toetenfcftap bic in u bcrbojgen 3ijn / bat 
topbitaleJeenetoonberbace faecfeeleeren/ bat glip 
facDtmoebigljenootmoebigft ban fierten 3öt^ 3^ 
ftet fnïcften grooten faecl^e / fefepn te toefen/ bat 't en 
toaer faecfte bat öet ban u te toercö gSeflelt toierbe/ 
hit groot 3iu / ban niemanben en foube öonnen gDe^: 
leert too^ben^ cnbebitis? immers? inber toaerDept 
alfoo / toant be r ufte ber 3ielen en toojbt anber^ niet 
gebonben/ban aljs be onglierulie op-geölafentljepbt 
berteertijEf/ toaer boo^ ben menfcD fp-felben laet 
boo^flaen groot te toefen/ al^ fip mt\j bol ongöefon^ 
be liumeuren (ieecftt* 

Het?.point.^enfietbeboïmaecfttftebenbanb'an^ 
beie crcatueccn / ^nbi? bat öDp niet bob^n b' anbere 

en 



Van de Ootmoedigheydr. 3 5* f 

tn öcbt/ nmt batu Ijkt-zn-mb^n beel öfieb^cccht/ 
cntie bat oö^» banb'anbcce in beel bingftcn obec^ 
toonnentD02bt/ al trt bat öÖpD^icc mogfjdijclt in 
ten te bobcn gact* ^^ieroni obciieofit toat u bctaenit 
acngacnbc ben fioj! enbc fekcbinöïje / (bie nit maubt 
èoftelijcfi en beaOeert / ban op bat Ijj) foute mogljen 
OÖefien tDo:ben ) oocFt at^ngaenbe u officie enbe 
tooort-plaetfe / op bat Qhv met befcljaemt en too?bt 
in ben bacö beiS oo^beelö / en tat u gfjeboben toojbt 
be feeghfte plaetfe te nemen/ foo gfip nu u felben 
flüebeeltocgöeeff* <0ï)p fult met bec tDaerfiepbt 
fcebinben / iief'tbat Ql}^ aiïe bingoën tel infiet/ 
öatbe ölberfTecfttfte enbe albec-becfaDO?pen(!e ual^ 
berOeft foubc bctamem 3Bant i^ 't bat éet fpotten^ 
toeecbiglj toare / bat eenen tïecötftm boer {jcm fou^ 
be totllen boben bm Sonincö berfjeffi^n/ oft bat 
lïemanbt Ijem lm himthcn groot te \xit(tï\ / booj 
bien batfipop ecnen öergij btTlicben (lonbei bcel 
meer fult gijp oocft bcgfjecfit mbz befpot lt>o:jbett/ 
i^ 't bat gfip milt tracDten naa- pet bat boben u ber^^ 
fianbt i^/ ft 't bat göp u tuiit berljeffen ter 00?* 
faecfee ban be gaben bie öDp ^^i^ <0obt ontfangïjcn 
ftebt/ baergbp nocDtan^fict/ bat onfen ^aMQl}^ 
maecfterfn felben bcrnebert/enbe eenen anberen ge- 
bient beeft, ©erbcugïjt u ban naer öet cjcempel bcc 
i^cpltaljen/ in IjCi- becfmabenr ntoeie? felfi$/ beujbt bat 
öb? anber.ö niettöeerbigü en 3ijt / macr bat anbere 
menfcfjen / alle eere / p^ibilegien/ en eetlijcfic ainp- 
ten enbe officien berbient ijebben: enfilaegfttobec 
niemanbt / toant alle creature enbe o^obt befonber/ 
öan bcm grootelijcöö ober u beölagen: enbe tis't bat 
öftpu felben boo^fïecöt enbe berfe>o^pen aclK/ foö 
toacbt u om boo? pet anber.^ te toülen gijereijent oft 
gïjetractcertUïo^ben,- toant bit 10' eene grootegöe^ 
tjepnftbept / en booflicpt : en i^'t bat gDp alle anbe^ 
re boo? bztet enbe toijfec boubt aïö göp sijt/ fo moet 
Obn baer-lteben alle eere be UJijfen / gfip en moocl)t^ 
fenietbeb^oebcn/ niet oo2beelen/ maer moet ban 
eenen pegljeJöcfeen goebt geboelen fiebben/ enbe toeï 
fp?eecöen / enbe Dun fiet beftejonnen/ enbe oocè toe- 
fcfiicfeen» 

na 2 Het 



356 Den 1 1. Boeck. Het X I V. Cap. 
Het tweede deel. 

^tmci Tl Et4.point. 23cmerclit be tmniqlmiiWtfoxu 

öiaK' '^^" / ^^^ öOp tot fpijt ban iitocn I^ecre gcdacti 

oufct föu* ÖelJt/ cnöe leert ft Icpn toefen in u epgen oogen. gc^ 't 

önu bat aï)P öebocfjten toojt boo^ eenige pödDepbt/ toe^ 

bcrljoiit u beo? öefe gebacDtcni ffe / eiibe oberbenclit 

flet albec-floaerfte/ toaei* boo? oöpbeeeuttjïgcpij» 

ncn enbe tormenten ber OcIIen becbient Debt / )xiatt 

öf al i.sf 'tbnt gij? mogehjcfi bei-giffenilTe bechregen 

Oebt / en beljoo^t nocfitanief nimmecmeec fonbet; 

b^eefe te toefen/ aengefien bat öOr> ntet en toeet / oft 

Ecci.9. oöp beiS öaet0 oft bec liefben toeerbigb 5ijt. (€en 

ttoecben/ bemeucfet in Doe grootefcnben batgfip 

Aug.hom. nocö foubt mogen ballen. aBantbaerentoojtgee^* 

25.iib.jo. nefoabcfoa groot gebonben/ bie ben eenenmenfcft 

boet /oft cenen anberen en foutje be fclbe boen / 't ett 

toare bat ben ^tliepper ber tnenfcfjen !|em/nu bal;« 

ïenbe / ineberljiele- 3Bant top ftaen op eene fliO- 

beracötrgc plaetfe / cnbe eenen bcrgb bic ftepl afba^ 

ïenbe i^/tntiz eplaeöl top tooabcn ban alle öanten ge:= 

bjeben om te ballen,- maerbefonberlijcltboo^onfe 

natucrliicöe genepgclijcliïjepbt- (Cen berben / be^ 

merclu bat göp niet boo^feccïier en toeet/ oft gijp 

opt ecnigö toercfe gebaen Ijebt/ bata3obtaengc^ 

Rom.iT. naemiögetoeefl : ïlDanttoie beeft ben fin be$?l^ce^ 

irai«64. j.0rt gehent^ €nbefietalieonferetbtbeerbioljcbert 

^"^* ' 7' 3Ön alg? 't ïaecfeen ber maenfncljtiger b^outoen/ enb« 

alö top al gebaen bobben bat oniS? bcbolen ijS / foo en 

3ijn top anberiS niet ban onnutte hnecbten : i.ö 't bat 

be gaben€>obt.öbermenigftbulbigbtto02ben/ foo 

toojbt oocft onfe berbinteniffe enbe relieninge meer^ 

berV toaer aen top ninuiiermecr ten bollen en fuUen 

ïjonnen bolbocn. (€ett bierben/ bemercbtbatgbp 

niet met allen macbtigb en 3ijt upt u felben te boen/ 

maer bat gbp 5Öt geljicbeenianbt'ttoelrfeanberij 

niet boo2ti9? en b^engöt ban biftelen enöe boo^nen/ 

ïiet en 5^ bat glip in u \)tbt f)ttfaet)t ban be gratie 

iöobtief / enbe ftoe menicbmael Debt gijp bit in u toel 

berbooft enbe berfmacbt/ enbe alö gbpbonbert- 

toerf b^ucfitcn Dabt moeten boo^t^-b^engen/ en 

D^b( 



Van de Oocmoedighcydc. 3 ^7 

Ficbt F)ct mtnfte ntctgeDacn^ CenDijffccn/ obcr^ 
loopt alïe utoe öjcccj^en / enDe gijp en fult'cr niet een 
binöcn/ toaer inoöpnfelbennictcnfoiiötfïonneit 
öecïfpcn/ oft tDaec op öcn genen öteöeOcr ten cnöc 
nieren öoo^ficaelt/ niet enfouDeöonnenl3inöente 
feggen» 

Het ^point.^cmerefet bat befebeugljtfoo noot' ^ocnoat* 
faecfteïjjcfi iö/ batfonöec befelliegeen anöei:e43ot;e f^tmim^ 
en beöaegïit : 3I3ant 't en 5? bat gt)p tD02t ald iilep^ mmm-^' 
ne feinöccen/getupgöt onöbelBaerOeptfeIfj2i/foo en fjcpné; 
fult gfip in f^ct njche bec tjcnielen niet öomen.TDoo: Mare is. 
bien bat ftet i^ ben gront enbeD^tfïennfelbaniiet 
geedelijctt boutöfel/ enbe top moeten boojootmóe- 
bigfiepbt om Ooogö ftlimmen / gemeccfet bit alleen 
ben tDegl)ts?j enbebieeenenanberentoegöingaet/ 
ï^it balt eec ban ïp opl^limt/ vtjaat b'ootmoebioljept 
alleen berfieft on.^f / (p i^ alleen t^it on.ö tot fiet leben 
Itvht* ïDucf leert oncf ben I|.23ernarbiri2f, €nbe ben Bern ferm. 
Renltgen €f)2pro)Iomuö fegöt:^at fp i^ be moebec/ 2^^^ ^^^enf. 
ben tooneï/ be boetfler/ f jet jleunfel/ enbe ben banbt ch^^folf. 
ban alle goet/ gljeUjc^ be Hoobceröpe i^ ban alle hom.io.ïn 
Quaet; baer en i^ niet feracótiger enbemacötigerA'^a. 
ban b'ootmoebigBcpb/ fp iö ftercher ban be fteenen/ 
bafter ban eenen ^iamant-jleen. 23emercfet ten 
ttoeeben/ bat fjet <0ebebt ban ben genen bieljem 
berootmocbigljt/altöt berftoon to02t. Igp öeefr ge^ 
fien tot ben gebeben ber ootmcebigen/fegfjt^abib/ pfai.ior. 
twtt Dp en Oeeft öcn <t3tbzt)t niet berfmacr. ga bat 
meer i^/ ï)p en fiet op niemantanberis?* 3Banttot 
toien/ fegftt l)p/ fal ir li fien/ban tot ben armen/enbe ifai^ es. 
ben Deel gebaböen ban gcejle / enbe tie ban mijneii 
tooo2ben beeft^maec <öotit toeberflaet ben Doobeer^ iPet.f . 
bigen. 

Hcï6. point. Bemerc^.t bat gfjpge!le[t58topbc 
ftellagte ban befertrerelbt/ enbe in be tegen toOi32^ 
bigbepbt ban ftet gantfcO Ocmelfcö Oep: ; tlnpt bp a 
felben oft gOp tieber ban tiit göefelfcljapgep^cfen 
toilt toefen /oft ban eenen too^m bec aerben* (€tn 
ttoeeben / bemercöt tat be geöeele bolmaechtfjepbt 
ban een crntflen leben in b'ootmoebigljepbt gele^ 
gen i^ I \^%{e i$( be DougO^P^t ban ben menfcD / ^^^t 

2la 3 \^ 



^58 Den 1 1. Boeck. Het XIV. Cap. 
iö fflnc gloïie cabefijne fioogftöaöigDcpt / o^tet'^t^ 
iürë te üehcanen ijtt öencöat gcootte^/entie tjetfelb^ 
acn teljangen/ cnDe glorie t^^foecfecn ban Den %ere 
bcr gloiien. €e« becöcit/ let op ö'crcmpelen ban 

phiiip.2. ciniftuö onfen <§altgftniaher/ Die fp fclben becoot:* 
moebig!K ïjecft totter booöt / op öat gl)^ in beceeu^ 

I.UC.I4.18. totglKptfoudblijbcnleben. i€en biecöen/obcrIcgBt 
betoaerlicpbtbnnöcfefententie : Mebie ftember^ 
ï\tft falbeuncbect toojbcn / ciibe toie ï)cm bernebect 
f a{ berdeben too?ben» r^en bijf ben/ ober ïoopt be ejc^^ 
gmpeïen ber^lepltgen/ birglorieerben/ enbeöuti 

Aaor ^ bcrmaecïi namen in öet htup^ tjèë l|eeren : fp ber^^ 
ïieiujfiben ïmt/ ombatfebjeerbigljtoarengeacöt 
boo2fijncn iiaem berfmaetOept te üjben.^ïi fiabben 

Hebr 1 1 . ïieber gepijnigïtt te Itic^ben met lï^opfc^ enbê^öobiJ 
bo(cft/banberti;beUjcfeegenocgötetegertieten.f€en 

Prov.3. ï letiten / öemercltt bat ben grooien <0obt aUeen ban 
be ODtmoeb^:ge ge-eert toon / enbe bat fyn fp^afie i«e? 
met ben fimpelen; enbebatter nieteni^batOem 
acngenamer i^/ ban bat toponj^rehenenonberbe 
minjie. 

G H E B E D T. 

OAlder-ootmoedighften Jefu, mijnen Schepper ende 
VerlofTer , en hebt ghy my niet van niet gelchapen, 
ende met u dierbaer bloet verloft>Voorwaer hieromme 
behoore ickii t' eenemael toe : mijn memorie, mijn ver- 
ftant , mij-nen wille, het is al u , ende het maeckfel uwer 
handen , ende al het gene dat ick hier uytrechte, door u- 
we gratie,komt u toe,maer ehy hebbct my mildelijk ge- 
geven,op dat ick ' t foude gebruycken , met conditie dat 
ickvan alles naderhant fcherpe rekeninge foude geven. 
Is ' t dan dat ick dit van uwe hant ontfangen hebbe , om 
dit al te gebruyckcn , ende is ' t dat ick het felve al qua- 
lijck doe , wat heb ick dan daer ick my in kan verheffen 
oft glorieren , dan in mijne kranckheden, ofthoe lal ick 
my lelven boven eenen anderen (tellen ? Eylaes ! fal ick 
"U-el eens konnen dnnckbaer wefen voor duyfcnt en duy- 
Eccl.y. fcut weldaden , die ickvaniuve milde hant ontfangen 
hcbbe r mach ick wel van ccn foude fondervreefe we- 
fen. 



Van de Ootmoedigheydt. 3 59 

fen,als oft de felve my vergeven ware?Ick weet wel dat 
ick menighmael de helle verdient hebbe, maericken 
kan niet \veten,ofi: ickdaer voor ten vollen betaelt heb- Ecci.9. 
be, ende oft ick uwe liefde, oft wel uwen haet weerdigh ^^ "'^"^ 
ben. Ick fien oock datter ontallijcke ellenden ende fon- ftraiuhs^ 
den zijn, waer inne ick foude konnen vallen. Wantdaer tjeput» 
ea is geene fonde foo groot die den eenen menfch doet, 
die den anderen niet doen en foude,waer ' t dat hy van u, 
6Heere,niet geholpen en wierde.Siet ick ben in uwe te- 
genwoordigheyt, als een kint dat eerft geboren is,ick en 
Kan niet ftaen , noch gevallen fijnde opttaen , noch eten, 
noch ick en ben nietrnachtigh om my felven tebefcher- 
men in 't midden van mijne vyanden , ende van veel be- 
nauwtheden. Voorwaer met recht mach ick .bekennen,ö 
Heere, dat ick den alderfnootften ben; fulck een gevoe- 
len moet ick van my hebben , foo moet ick van my fpre-» 
ken,foo moet ick my felven tradteren, ende voor fulcki 
van eenen anderen geacht worden ; ende alle andere 
menfchen voor beter ende wijfer houden dan ick ben. 
Maer fier, oHeere,niet tegenftaende dat ick fulcks ben, 
foo kranck ende foo ellendigh, nochtans ick mifprijfe 
eenen anderen,ick ftcUe mijn gevoelen,ende mijn felven 
boven haer,ick ontfchuldige mijne fauten,ick foeckfe te 
verborgen , ick ben geern gi oot geacht ende geprefen, 
ick vreefe veracht ende mifprefen te zijn.Ter contrarie, 
ó alder-ootmoedighften ]efu,die my d'ootmoedigheydc 
van uwe geboorte af, tot uwe doot toe geleert hebt, die 
om mijnen wille eenen Samaritaen ende eenen fchimp 
van de geheele werelt hebt willen worden , fult ghy , o 
Heere, dealder-leeghfteplaetfeverkiefen, die mijnen 
Koninck zijt, ende lal icknaer de hooghfte ftaen ? in 

f eender manieren,oHeere;want ick en ben' t niet weer- 
igh,ende fal noch verworpender worden door uwe gra- 
tie in mij n eygen oogen , want ghy veracht de hooveer- 
dige van herten, ende verheft uwe ootmoedige vrien- 
den. Sulcks begeere ick te leven ende te derven, gehol- 
pen fijnde door uwe Goddelijcke gratie , ende wcnfche 
dat ick defe mijne begeerte foude mogen beveiligen 
met mijn eygen bloedt, ö machtigen ende alder- 00c- 
moedighften Jefu, tot uwer eeren ende glorie. Amen. 

Sda 4 Pra. 



36o Den 1 1. Boeck. Het X I V* Cap. 

Pradlijcke om d'cx)tmoedigheydc 
te oeftcnen. 

T\ 'aderde fal toefcn/fomtoülé t'obecïoopé be tt^p^ 
•*^ pen \yan öc ootmoediaDcpt/öte top öiec beneUcn 
fuUen tlellcn/cnöe onj5 fcll3cn baer opondccfoccfecn^ 
^c tlDCcöe/oOt^ïÜcJ^ 't in be mebitattc öö^ frpt tis^/ 
te bemercben bat top ban alle öaiuen omr ingelt 3ürt 
met alberiep peröcfeelen/ taelcfee benierchiugö^ up^ 
tecmaten pjofijtelijcö tsJ/ enbe al-omme te paffe 
bomt in be beöocinööem 
©f mniff 11 ^^ ö^>^^^ / 0^^^ tc^^^ <'öï feonnen oefc Ijteben/ obec^ 
nart De benct^enbe bat top gelijli een nieu-gebo;jen fiint 3ö«/ 
5icici5gcj'tjxi^ie{5 alle miferien enbe ftatijbiööeben onbec* 
mm qrbo' bjo^pen 1$/ cnbc Derooftban alle toapenenen ïjulpe 
f en "üuiDu om fp lelben te befcDermen / of t göelucö eenen lan^ 
teccne/fo kit lube mebitatie betocfcn fteü. «l^efe be^ 
mercftinoe moeten top In alle oelegentbeptban pl^z^ 
Ie gl03ie geb^upcfeen/en men moet tim genen bit on$8 
piijft/fjouben boo? eenen/ l}iz Doo? nnfberftanbt/oft 
bbo? beb^ocB / a3obt te bergeefi5 foecfet v ontrecfeen 
bat ïjem toe-feomt/enbefcöijnt on.ö 'tfelbete toillen 
oeben / en in fulcfeer boegen onjs beelacbtiglj te toil? 
Icn mallen ban 5ijnenroof bieljp<0obtboo?on^te 
p^2i)fen ontcoclien tjeeft j oft toel / Ik om foeclu oft 
boo^ öaet/oft boo? ontoetentöept te benemen be eeu;^ 
ïxiiqt glorie ban onies goet toercfe/enbe nemen gelijcfe 
be feroone ban onjs fjooft / om in be plaetfe een ptit^ 
ïeteftellen/ en albuss met onö ben fpot te (jouben. 
<j^ebiecbe/bp göetal fiebben 3ijn onbolmaecfetfie:? 
ben/ enbe bat naecben upttoijsf ban ben 3(1. 23. enbe 
benfelben obecloopen aljjonsseenigjjebefeocingbe 
ban pbelfjenbt oberRomt. JBant bet gbene eenj^ aen 
eenent^epfec geraben toierbe/om be öaejïige gram^ 
ff önp te bectoinnen/bat np eerfl 5üncn ^♦B. foube 
opfcggen eec ijn eenigbefententie oft bonniffe foube 
Mr.tf4)2cecfeen i 't felbe falmen Oiei* niet fonbec groot 
pjofijt ftonnen te toercbe ftellen / en ben felben licB^* 
teliicö bagbeïijcli^ fomtoölen oberloopen. 

<I^e bijföe / €cn oprecbte bkthu bicötojjlii? gü^^ 
im^lim öclpt Dier toe srootelöcö^\ 

(Seit 



Van de Ootmocdigheydt. 36 x 

(Ccn U^m/hemachm dat top alommc 5ijn öelijh 
opeen (idlagie öl]cfteU/enticbatij3pl3ant)obenbait 
vöoDt almacljtigij cndc ban fijne l^epligöen qMm 
to02öen ; en bat l)iir tegOen een bertoojpen bierfeett 
baripöelöepDtinon<J op-ftaet» vZ^it falons^fionnen 
te paffe feomen tegen b'pbele glorie/ ende öeopges? 
blafentDept der Oerten / die fomtoylen homt upt ee^^ 
nige goede tocrcfacn/ of ter oo^fahe ban de gabcn die 
top ontfangen IjeDben/ltl.ö oocfi i.ö't dat top bemerc^ 
öen/ Doe ontocerdig dat f)eti0 dat topmet d'ontfaniï 
gen tóeldaden tegen <6odt opjiaen / aï.ö Ijp on.e eert/ 
dat top tiem onteeren ,• al0 öp on^ ber trooft / dat top 
den üepligen <i5ee|t ded?oeben; al^öpt'onftoaertjS 
nult en Itberael i.ö/dat top ter contrarie öet gene dat 
fiem toeDef)oo?t enepgeni.ö/on$É toefcfj:öben* a^ant 
)33at doet eenen DoobeerdigDen menfcö anderieJ / dan ©m ïjoo^ 
ban <0odt t' ontfangen fijne gabcn / en defclbe ter^ bfcïnigijcii 
(londtdaernaergebenaen fijnen geftooren i^pandt ÏÏ^J^'JJ 
tot fpijt ban fijnen ^eere/ oft met de felbe 8em de> anöt tt* 
becöten,- ban a3odt berljeben te tooiden / en foecöen bw ^q^u 
daer tegen (0odt toederom te berèlepnen i €n ftier* 
omi^f'tdatöpdoo^ den ©^opDeetgifaia^ftembe^ 
ölaegïjt/feggende: gcö fieb ftinderen opgeb^ocDt en ifai. i, 
berrjeben/ maer fp Ijebben mpberacöt» 

l§ier fal oocïi grooteUJcftjsi toe Oclpen/i$J 't dat top 
nopt in 'tfp:e!ien onö felben tebeel en iaten booi^ 
ftaen/maer dat top alle dingen der<0oddelöcfee|Ba^ 
UHm toefcIj2ijben/ toaerafallegaben af-dalende 
3ijn/ en darmen te toercfe (telle dat den ^poftei fegt: 
g^ 't dat pemandtfp^^eclit/ datDetspban ^odti iPerr.4. 
90 't dat ÓP eeniöö anipt bedient / dat Bet feibe ge^ 
fcljiedea[0doo^deferacöt dieban<0odt6omt» €n 
Hierom en moetê top nopt defe tooo^dé geb^upcften: 
gft Heb dit of dat gedaê:maer/doo? de gratie a3od^ 
tja liit of dat gedacn:a^n aldu.ef fp:eecl5t den 3£poftel/ 
a(.^ f)p fcpderSI ti niet/maer de gratie ^ohë met mp^ i.cor. ly . 

^e febenfte/ in al 't genedat u ontmoet/ toeeft al:: 
tijöt de leeringe ban de oonnoedigljepdt tndacft^ï 
tigfi: 3©attoo>dtander$j doodde ballepen oberbloe;: 
bigï) in ïioren/ doo? de doarigljepden onbjucljtbaer^ 
im op de bergen beteöcm dan ootmoedigliept/ ^t. 

3Ca j d'JJcÖt^ 



3(52 Den 1 1. Bocck. Het X I V. Cap. 

ö'^CcDtfte/fomUnjtcn bcimtthtn febcnDcrïcp bal^ 
ïen; ö'cecflc iö/ ban ö^; Qtm hie utoe.cf Qeiijth 3öntie r 
tu lccIijfliöebaIIen5ijn:öettDecbe/ban öeljcpbencn: 
bc berDe/ bec öinDcrcn bic boc3 bet ^oopfcl (lecbcn: 
bc bürbe/bec geHcc bie toaniiOpen:bc bjjföc/ban bte 
Ijacc tcfecc beroemen op v0obt.ö liernUiertigbepbt : 
^en fefteiv ban alfulcben Die tot be bolniaecfetöcpt 
ObJ^bomen toaren : ^©en febenben / banbiebpnacc 
bolfieibt unbbcn / enbenocO Ofcballcn 3ijn» 

(€en ncgentien/ceHioe beugben in anbcce bemerc* 
ftcn / enbe Dit fp fdbcn boo? oogen ftcllen om naer te 
l30lgen / oocö fp felben boben ntemanöen te (lellem 

(€en tienden / eenen becbiefen Die or\^ upt \)}imu 
fcbap enbe getroutoeiicb bermane/ enbefoobantgen 
tiic on^ niet en foecbe naer Dtn monbt te fp^eccben / 
maec oprecbteii)cb be toaerbcpbt fettge. 

(^en elftïen/ oeffcnen toereben ban ootmoebig^ 
Rept / en geboo?faemOepbt/ naec 't erempel €lj2iftt 
bnfejEf ^aligbmaberisf. €nbe Dtitt m too^t niemant 
foo groot gebonben / oft bp en moet bem fomtoijlen 
boegen naer ben toiiïe ber gener hit bcm onbertoo?* 
pen 3ün : *t toelcb ÖP met groote b^iif bten fal boen / 
is? 't bp albien bat l)p geern toaerneme be göelegents' 
ïjeben enbeoccafien banbeugben tel^cccffenem 

(€en ttoaelff!cn/op toegb 5önbe/geern boïgen ben 
raebtban fijnen mebe-gefelle / in 't gene bat boo: be 
Rant te boen ftaet ; tot geenber tijben beroemelijdicn 
fpjeecben ban fp felben/ oft banijetgijenebat on^ 
aengaet. 

Bemerckt dcfc tekenen ende trappen van de 
ootmoedigheydr. 

ctnpixti T\ €n eerden / fön epgen fnootOept bennen : ïï^en 

b.mö'Qot* *^ ttoeeben/bieraf leettoefen ftebüen : tDenber^^ 

J"Jf/s* ben/ gener fijn fcljult tcfjennen : ^tn bierben / 3Ött 

^ ^ bede boen bat b'anbere fulcb geboelcn ban on^ Ocb- 

ben: ^en bijföen / berbulbtgO berbjagen aljS fp bet 

feggbcn : ^en feden / berb^agen bat top al0 fiecbte 

cnht bertoo^pen mcnfcbcn getracteert too?ben:tDcn 

febenden/to?nfcöcn bat bet in fulcber manieren ge^ 

fcbtebc» 

Pradijcke 



Van de Ootmoedigheydt. 363 

Pradijcke dienende tot de kennifle fijns felfs van 
den E. P. Roberrus Sotowellus. 

\\j m BcD kh Qzwtft o ^mti toat ttn itfi i toat 
^^ fal Kit toefen^ gjcft en ijeö nietoctoeefl/ tcfe en 
ben niet met allen/ en kh fal mogeïöf ^ «ijn öan niet 
toefen, gcfe [)cb ontfangeit aetocett m be ecf-fonöe / 
uh ben bol baöelrjcfie fon^ien / enbe toie toeet oft tch 
nietbcctoefenfal too2bcu tot ö'eeütDigeftraffe^Scö 
ïjeO ellenöigO getoecft in ^t Deoinfei/ icö ben noct) el^ 
lenbtöljer in mijnen boonganch/icbfalalöer-ellen^ 
bigölïe \3)tfci\ in mijnen uptgancn.^cb ben geboren 
ban onfupber saebt/ icbben eencnfacb bol buplig^ 
8ept0/ tch fal toefen eene fpijfe öec too;jmen. %\0 kk 
niet met allen en toasf / toaisïiclibupteii'tperijcbel 
ban becDoemt en ooii ban faüg te too^jöen,- en a\0 nu 
ben kh in groote ttoijfelacDtigöePt ban 't felbe : kk 
fal / oft gelucSig toefen booa 't gene icb beröope/ oft 
0002 't gene ben tjjt en 't perijcltel fouöe bonnen n\^ 
bc-b.^engen/feecongcluchigD.^Icbbebgetoeeft/bat 
tcb niet en öonbe becbocmt too^öen j kh ben foo ge^^ 
(lelt / bat kh qnalijth ban faligb tooiden ; 3Ecb fal 
fulcjc toefen bat icb oftinbereeatoigDept berloren/ 
oft in bec eeutoigfjep : bebQuben fal toefen, gcb toe» 
tetoattcb getoeefllieb/ te toeten ben albetbooften; 
toat tcb nu ben / en toete kh niet ; toant f eb geene fe^ 
berfjepbtenDeb / oft kh in be gratie ben ; toat itö 
toefen fal 1 en toete icb oocb niet / toant mijne falig- 
\mi onfeber \$. J^ergeefr mp ^eere bat icb getoeeft 
fjeb/ berbetect ^at ith nu ben; ^ècbicbt mp tot 't ge* 
hebat icb toefen fal: beert mp af ban be boojleben 
quaben/ fiiert mp in Bet tegöentocojbiöB öoet/ en'o$ 
tot ben eeutoigenloon. ^mem 

Schiet-Cjehedekjns^ 

r\ Heere gheefr rny dat ick u ende n-iy felven mach Aug. 1. 1» 
^^ kennen, dat ick u beminne , ende my felven ver- ^ohioq.ci, 

achte. 
Wie ben ick ö Heere Godt, ende wat is het huys mijns 2.Reg7, 
Vaders, dat ghy my veel weldaden fout bewijfen ? 

Wac 



3^4 Den IL Bocck. Het X V. Cap. 
lob 7. Wat is een mcnfch dat ghy hem groot acht,oft wacr toe 

(lelt ghy u herte aen hem ? 
Pfal. 112. )yie isgelijckden Heereonfcn Godt , die in dehoogh- 

de woont , ende de ootn:iocdige aenfiet in den hemel , 

cndc op de aerde? 

Het XV. Capittel. 

d'Eerfte meditatie van de ghchoorfaemheydt,de 
dochtervan de ootmoedigheyt. 
^ot «oot* T) E voorflellmge derfUetfe , ^p fcltïcn bC ^t{)tt\t tOC^ 

fakÉiöch *^ cclötboo^ooaljeuitdlen/ CD^iftum onfcn^a? 
üaOmaficc/ bc % IBaöet cnöc iBocöer <0oö0 iKa* 
ria/ bc Ciigef en / enöc alle gefdjapen creatueren öie 
a^öbt/oocft tot ben mtnflen toencö geïjoo^faem 3ön* 
Het i.point. 25emeccöt Ijoe bat be <6obbelöcfee 
iBajeflept/al x$ 't batfe alomme tegentooo^btgö W 
nocötans^ bcfe toccelt niet en Ijeeft totïlen regeeren / 
öan boo? eenige ^becöepbt/ gelycft \}ti bljjcfit in be 
ftemelen / €ngelen/ enbe menfcöcn- %t\muht ten 
ttoeeben / bat hz^ onbectoo^pinge foo nootfafeelöcfe 
<j$/ bat gel jjcöerlDijjöf öet in ben omloop bec öemelen 
göefcfjiebt /baec benonbecflen meteene feöere göe^ 
noegljetöchöepbt aücen gfjeroerttoo?bt/ booj Xim 
genen bie Ijp aiöa*-naell onbectoo^pen i^ / bat alfoa 
oocïiben rnenfclj \im a5obt/ enbe ban ben ^obbe^^ 
lijcfecn toille niet gficregeert en too^^bt / liet en 3p bat 
befen met ben toillc be^ oDberften liereenigt 3P*^^rt 
«erftenoft Ijoogftcnöemel/ljier: in i^U tDiüea3obo7 
tjen toelcften cenen regel / oft öet recïjt-fnoec i^ ban 
alle goebe toillen/ftiei: naec bolgöt \yzn \x^\\\t ^t^ <0 ^ 
berften tik öp berftofen öeeft, aBant alle macDt ban 
O^obt afbalenbe i^ / enbe too^bt ban <0ob boo? eene 
fonbeclinglje fo^glje gDeftiert/ aengefien bat be gïïe- 
mepnte boo? ben <öber|ten göeregeert too?bt / toaec 
boo^ <0obtalmacljtigli metrecljt meerberefo^gDe 
b^1eglJt/ ban boo^eenenpegelöcfeenin'tbefonbcr» 
^èemecclitrenberben/ bat alle gefcftapen bingoën 
a3obt onberbanigfj 3Ö»/ öuö fcüaemt u/tiat gijp al^^ 
Ieen45obttoeberfpannig03ijt/ aen toien nocl)tanj2{ 
alle bingoën göegeben 3ön / ban ben alber-miltfien 
<©obt/ op batfe u fouben onberUJO^pen 3ön/enbe bat 



Van de Gehoorfaemhcydt. 3 öj* 

gTjp tDebcrom •öoöt onticctoo2pen enöconberbanig 
fout toefen» ^emercltt ten bierOen Ijoe ontoeecöio^ 
falicöat'et i^/ öatöen mcnfct) öen totlIe<öobt.ö/öat 
t0/ban fijnen <öber(ïen/ni^tge!)oo^faem en ijsfjtoant 
fooDaniijen nienfcö / toeberfïaet / enbe (lelt öem niet 
alleen tegljen Den toom / maec ooch tegen ben Oer ij - Rom. 13. 
bcc/ Qclijth een ongetemt peert.ïBant toie be €>l3cc^ 
fjept toebei;|laet/bietoebecftaet43obtj cnbeöierom 
ii$ 't bat tjt ^f ö^ifture fept : ê§oo toie öeni berOoo^ 
beecbicöt / niet toillcnbc onberbanioD toefen beiS^^"f''7. 
^^ic|ïei\sJ aeboben/ biefal fterben* ^. ., 

Hetl.poinr. ^Scmercllt lit \X^CCÜii^^m tü be bor maechtl 

maecötöepbt ban bc geDoo^faemöcpbt. 3Bant befe bm «10e 
Dnö op öet alberboïmaecfetfle bereenigljt met €5ob/ |»«iöiss> 
fo bat fulcöen menfclj ^ualijcè öan bDlen:(€cn ttoee^ ggS^^^^ 
ben/b?aegBt on^ geïjcelöch op/in eenen bjant-offer/ iatmtvu 
Oftelijcö oftmcn ben boom felbe / enbe niet alleen be 
b.:ucötenopenb?oegöei toantfpgeeft/ enbeicbert 
obecfiettoeccFi/ bentoille/ enbe öet goetbuncftcn 
'ttoelch öetalbecftoaerflcf^. ^m oft oDP fooba» 
ntgl) 3üt/ te toeten/ aïjs? een bootlicDaem/enbecenen 
Duben man.ö ftocö/ in be Oanben ban utoe <0ber(!en. 
fCcn berben/be gefioo^faemDept/i^ bebeugt alleen / 
ijit b'anbere beugöben ( nacc Det feggen ban ben ^, 
<ö?egoriM.cf}in'töerteplant/ enbe naerfjet inplan- cregiib. 
ten betoacrt.Cnbe bat eenj?-beel]S^/boo^ bien bat alle 3 j.mor. 
bc ocffcningen becbeugijben bebolen toerben^ eengi- ^- '°' 
DceljS DC02 tjicn bat be geftoo^faembepbt in öaer be»* 
flupt be iipttoercftingljen bah ootmoebigöepbt/bec^ 
öuïbigïjept/ Dope enbe lief De ,- ja boo? ïjatt al0 eenert 
tocMtcen/ tooabcn alle be anbece beugöben gep?oeft 
enbe beltent gljcmneclït / hiz oochinbealber-ber* 
licDtjle l^cpligen 5ön : €cn bierben / bemercht befe 
piaetfe ban be^cb^ifture/<0nberbanigbept 10 betec 
banflacö-offerlianben/ en geljoo^faem $ijn/ 10 meec 
ban offeren öet bet bet rammen» JBantgöelijcfe be 
fonbeber toobcrpen/i0 tocberfpannig5ïjn/ enbe al.ö 
bat groot mifbaébtbcr afgoberpen i0 / niet toiUeii 
Öooren.^en C^. *ö:cgoriu0 iept be ffacö-offeranbcn 
upt/te toefen/be Ujf-feaflijbingen/enbe toecclien ban 
bebotie; €mz b'onberbanioDfpbt/ fept öP/ W ^^^^^ ' • ^«e- ï^ 

ban 



5^6 DenlI.Boeck. HetXV.Cap. 

ban flaöD-ojfi^ranöen/ totnudoo^ (Taölj-offierönlie 

tooiden öc licljnimn oSoöt op-oOecffert/ macr boo? 

bcohöecbeiUtor>^pö/ benepgfjentüitle* €>berlealjt/ 

LUC 10. Öier-eii-bobcn / befe teco^beu ban onfen ^altöma^ 

iöec : ^te u ïtebei^ ïjoojt/bte öoc^t nip/ en ^ic u bec^ 

Bernard.de f itiact/ btc bcrf maebt mp» aöDant 't 3P bat <8obt/oft 

rraecept.sc ^0^ mmfcïj/cêtabt- Jioiibei* <25oötjö? on^ pet oebiebt/ 

' "^' oelijcli ben ï?. 25crnarbi!]0? fcer l\3el fegljt/ men moet 

ï)et boo^baaer met be felbe necrjliy iicpt/enbe eerbie^ 

btnglie boïb^engijem^nbe fjierom i^ 't bat on^ ben 

coioff. 3. ^ipoitei bermaent ; m toat obp boet / boet ftet ban 

Öectcn/ al^ ben l^eere btenenbe/ enbe niet ben mm^ 

fcöen» ^emercht ten bijf ben / bat boo;j be ofteDoo?^ 

faemöcpbt alle befto^inglien enbepetöcfeelenobet* 

rrov. 21. toonnen too^ben ; naer ijct feggfien ban bed '^ijfen* 

man : <Êcn onbecbanigi) man fai btctojte fpjefeen ; 

Gregor. ^^^^ ^^t owfc \xicuim\ l)ict- en-öobett bee( ebelöec 

enbe becbtenfiigec bi^oaben/ enbe onfe gbebeben ban 

mcecbere !u*acï)tcn. 3Bant 43obt fai onfe oöebeben 

onbecbanigft 3ijnenbe bcrboo:cn/t^ *tbat top onfen 

<0berften gï)ci)002faemïjept betoijfen* €en fe|ien/bc 

^rad. 4. geOoo?faeml)epbt/ geliicft ClimacbujS gctupaljt/ijj 

eene berfafeinge onfer 5ielen/ eene gOetotütce boobt 

ban ons? epgöen ltc[i3em/een ïeben fonbcr fojge/ een 

Uttqi)t^ fcbip-baeitcfonbecfcöabe / een Degrabentffeban 

mach ttt öe ^^f^^^ ^ j[[0/ ^^^ i^\^is^ ^j^n ootmoebtgbept/ enbe ge*^ 

bK Dé aïe* Ujcli of pemanbt al flapenbc rcpföe : toant fjp onbe^ 

j)oo?racm«. fo^gbt i0n 5ïJ txat bp eenial) toer c ft boet/'t 5P bat W 

pept meDc ggt met en boet / alöf öp maer be gcboo^faemfiept en 

B2engDt. jjojgt/ toant Op ficm felbc ^ob obec-gelebert ïjeeft. 

Het ;.point Bemerclit ten becbé/tn 6oe beet hnp^ 

flecnift'enbat ben menfcbgejlelttJGf/BoebatftpbeCtf 

bUnbt i.ö/öoe onfeliec bat alle onfe bingben 3ön/ foo 

bat niemanbt en \s)m toat bem nut tö : €nbe obec^ 

fuif jc i^ ï)ct eene groote toelö':ictban ^obt almacft* 

tigbbattopeenengoebenlepbt^-manbcbben/enbe 

Au^ iib ^ befonberlöcb43obt/ bie in fuicftcr boegben op on^ 

conf. c.i I. let / al^ Of t top alleen m be \ümm toaren : foo bat 

top met recbt mogben feggbcn : ïl^en {geere regeert 

pfai 22 mii/ enbe mp en fal niet gljebaeften/in be plactfe bet 

toepbcn baer fieeft DpmpöÖ^fï^tt^ g©antöMöc^ 



Van de GehooiTacmheyt. ^67 

feti:torj0 hat €>oöt onö booj öe ^. ^attcimmm% 
öeplioO nxatcht I aifoo regccct (jp öe mcnfcïjcn boo? 
be menfcflen / enbe öD^^ft föncn totilc te {jennen : 
toant ben reltgieiüsf / cnbe alle öe öO^nie ^\z eenenan- 
beren onbec-tD02pcn 3ön / ftebben altöt b'Krcfee bes? 
ïgeeren/ bat i.ö/ hare ^Dberftea/ \^\t ftj aitijbtfeonnen ^^*^^- ^J- 
terabe cjaen» €en ttoeeben/ batKc gfieen ftonfte 
OOebonben en toojbt / bte Iicötelijcfe fonbec meedec 
oO^ï^^t^t too^öt / enbebat ben oljeefïelijtfeen toeöö 
fo beel te itieer eenen erbarcn leptie^-man bercpfcöt / 
enbebat fteteenegi'ootebtoaeffjepötiief/ op fijn ep^^ 
OÖ^nperijcheltotüen bep2oebcn 't gljene onöonü'e* 
feent i.ö/ alfitien anöer.o i^ermacfi- €n!jtcrom t)2J 't/ 
fooCitmacön^feöOt/ batootfebenongfjefcerben/ Grad.4, 
enbe luttel erbaren / boo? be gfjeöoo^faemöepbt öes» 
Icpbt 3önbe/ tot be bolmaecfetfiepbt oliecaecfet/enbe 
bdtfonöecbefe/ oocö ben aiöec-toijfien ïtcfitelöt ft 
f ai((eert.€cn biecben/ bemeccèt be profijten ban be 
op2ccöre onberbanigB^pbt: toant isf 't bat peraanbt 
op^ecfjt onöerbanigö H I ftp fal terftonbt ggeboeïen 
X^dx oocfe b'aïöer-meelle befeo^jingljcn/ befonberlijcft 
beö bfeefcfjcr fulien berbtoijnen / enbe boo? be feïbe 
ööcnefen töojben. €en bijfften/ met ïioebanigeltef^ 
beenöeeerbieöingöebatmen b'a3ber|ïen eeremoet 
DetDijfen/ aen gefien batfe onfe 3©aberief 5ön/^tabt - 
Öoubec£? <€5obsf / enbe btereöeningöefuilen gfjeben 
boo? onfe fielen- 3Beejl onberöanigli/ fegfjt ben ^^ Heb. i^. 
poftel/utoen Ober (ien/ enbe 5öt Benqnbec-tDOjpen/ 
taant fp toafien gfïcftabelöcfe/ dX$ bie'rebene boo? u^ 
toe 5telenrullenijeben , op bat fp bat met blijbfcfiap 
boen mogftcn/ enöc niet fucDtenbe ; bjant bat en ijs 
u-iieben nietp^cfötelijcfe» 

De tweede meditatie van de Gehoorfaemheydr. 

Dff ^oor-/?w/ï>jgfce J«'p/^e(/i.53ernercöt/<Sobt biealfe 
bingfien boojtö-baengöt / enbe bre on^ een gfiebobt 
Obeeft ban fijnen töille te boen. 
ILJ Et i^point. 23eïnercF5t bat onfe faïtgfïeptöt'ec in ©egfje* 
^ ^ gelegen fsf/ bat top ben toüle <0oö.0 mogen bol^ ijao?rann* 
gen een al]^ alöerbolnidecfeff en regel: ja bat f)et falt^ f^^f o»i=» 
ger ii?/ba« te toefen be JBo^ber oSobt^/gö^liiclt ben rj^i 



568 Den 1 1. Bocck. Het XV. Cap. 

i^. ^Jjurruflinuöaetupörit. <Jcntïcf)icroiïi fepbcünfcit 
«;^aliatjmaccfeer/ als öe bjoutoc in 't i^. acuauocüe 
tuc. II. gcfcpöt öabbcr^afigO r$' öen biipcfe/ öic u ocö;jageii 
Öecftj dat'? immeri^ Itjacr/ macr oocEifini fp faliglj 
ï)ü Ijct tooo^bt oBobt^Dooren/ enbebatbetuarnn 
Cen ttöceben/batonfen ^aliaïimafietfccc becröig* 
ïijch gDe&onicn i^ / om ben inilic ban fij»^n IjcmeU 
ff ()cn ©abcc te bolb:engcnj enbe gljettiojbcn tö gljc? 
Öoo^facm tot lizt boobt / niet alieen acn *0obt fijnen 
ÖemclfeOen Babec/ en aen fune .fBoebec / niaer aen 
be boofe menfcï]en/te toeten/aen ben ï^epfec 'Kugu^ 
fliiiS/ crt aen be beulen / bieöem alle tormenten aen* 
beben» €en ïaetften Ijeeft be felbe in fulcifiec boegen 
bemint/bat Bp Oet fepbe. te toefen fone fpöfe/ te boen 
Mauh.ii. ben toilïe ban fijnen %melfcOenBabec* ^iet/oft 
gljP ben (geere J e s u s gelijcB 3Öt« <Dus? foecht alfoa 
neerfielöcft/al^gOp be licljanielijcliefpijfe boet/bat 
ben toille ban <!3ob/en ban utoe o^berften bolb^ocöt 
too^be» (€en bcrben/obeclegl)t befe tooo2ben : Soa 
toie boet ben toille mijn^ lï)aber^/befe i$ mijn bjoe* 
bec/enb^ fuftec/en moeber* €cn bierben/bcmercfet 
j)oe bat be 1^* iBagdet iBaria / Ijaren Sone naec*^ 
ÖÏjebolgfjt W enbe bcfgeïiicöen b'^pofielen/bie ben 
^eere allegabec boo? ^etflanten / bat W fjet öupjj 
ban geOoo^faemöepbt tot ben bergö ban (uitbeten / 
alö ()p ten i^cmel foube op-felimnicn/^lepbt fieeft* 
W^iit boo? be göeïjoo^faemDcpt Dangen top op Ijet 
albcr-bolmaecfetfte acn be <0obbcUjfftc boojficO^; 
tigöept/ be toelcFie top boo? onfe vDberflen gbetoae 
too^ben» (€en bijf ben/Demercöt bat ben gOenen/ hi 
oprecDtelijcft gljeïjooafaem t^/nieten bel)oo?taen t 
fien Ijoebantgö fijnen ober flen t^/ te toeten/geleeut 
oft ongöeleert / aengljefien bat top boo^ be 43obbe 
ïijcïtetoöffjepbtenbeboo?'ficï3tigbepbtgï)e(lierten 
Ql)eregcerttoo?ben. €en feiten/ bat ben fclbenoocö 
beljoon boo: goebtte liouben/enbe te begljeecen [jet 
gene bat bari hm <öber|!en gefcfuclit too^bt gelijcft 
toP boen in bingoën bU 't geloobc aengaen/ gïïciijc^ 
ïiectoijjol oft ïiet aï)ebobtuptbenmonbtban<©obt 
Hier. epift. almacfttig felbec Quam.a^^aec toe bient/bat ben 1% 
u ruft. j§ieronpmw0 fegDti Saet u boo? jlaen/bat Det faligö 

i0/ 



Van de Gehoorfaemhey t. 3^9 

W/'t gftene ben <9tïcc|len gDebi^tit ,- nocD ^» U)nt öet 
ODcboelen n^oct 0)ictfte\\ \mt UonnifTen ; u ftaet toe 
DnbcröanigD te 5ön / enöc te bc[b2cnof)en bnttci* ö^^ 
iïoben iö/ öciücii llOopfcö fegljt: l^oo^t giriacl/enöc 
ftoöoör. JBant öic tjoo? eeniolje reöenc fjctöeeol)t 
bjo^öt/ om onöecDaiuijlj tC3ön/ öie ij^ fp fciöcn cnöe 
Der reöenc onberDanicü/ en niet t»en aDberflenj nocD 
eamacODoo^aeenop^ecöt ocljoo^faem menfcö oe- 
refient iMO^öen ,• öelücli öte om öe reöene alleen olje» 
Icoft/ bteenliefntet g^eioobicö. cCenfeUenften/ Oe^ 
tncccfetöc onp^ofijten/ Dieupt (iet beufupmen bet 
felberfp^upten» iCeneccfren/ öen mcnfcij (leunt op 
fijn enaften tonföepbt / 't toelcftfotteiöfïi aeöaen i^; 
toantbenlDecijbanbenfctïjCïCecijtm fönc oogDen/ Prov.u. 
mnerötetöijötfif/ öoojtöeraben. €nöe boo^H^aec ^'onpf^/» 
men fian niet lanoOoeDoo^faem toefen/ oLo? fjet ep^ IShm 
gen geboelen tegen -ftrijtit; toantfoobanigenmuc^ toofüfpou 
anircert licötelijcö / oojbeelt lic&tbeeröelijeïi föuen 
<Obetften/ öcötfp-felbenDetei'; enfttcrombefege» 
!joo?faemljepötent^güeenc öeuoDtban lütitfaem^ 
ïjepöt/maeceenbecfifelbanargljepöf» Wooiw/ ten 
ttiieeben / b'eenb^acfjttgliepbt gaet tentet ; icant ïjct 
i^ rebelijBec bat te (eben fjet Docft / alsJ t)Qt Bet Dooft 
beleöcn onbecltio^pen sön. 'Bmuttln/ ïjoe tidt göp» 
fitectegïjen mtj'occt/ enbe öoegi'ootelücli^' bat Bet 
niiffraet/ tcanneereen celigieu)^ pcefoon biefpfel- 
ben obecgegeben öeeft om te toefen geli)^ eenen ou* 
ben manö fïocfe / oft een boobt (icDaem / enbe om be 
g^Dco^faemficpbt tcBouben boo2 eenen cegDel fm^ 
iebeni^ / fp felbcn noc!jtanj2J Diectn mifgaet j en toat 
een öoobeecbigöepbt bat fletijef >• bat pemantfjem 
lact boo^ftaen / toöfer enbe beter te 5ön tn fijn epgen 
fahen ban v6obt felbe. ïl^ant aengefien bat ben on== 
Qctioo^famen toeet/ bat öet gebobt ban (0obt hoim/ 
toaerom oojbeelt öp anberjsi/ enbe W ber gljeljooa^ 
faemtjepbt toeberfpanntgl)^ 

Het 2.poinc. 25emercèt ten eerften/ bat be geOoo?- ^^ bmi]» 
faemOcpbt t'eenemael te niet boet benepgüentoil/tmbanDe 
bi^eenefcöabeïöCftela3erpeonfer 5teïeni!ef:toantOet s'^^?,^% 
10 in ber toaeröepbt eene melaetfcijepbt be toelcfee '^^"'^^^^* 
maecfet/bat öet goebt Qlj^m goebten i^/m'^e unjbt 

?3b tegljen 



370 Den 1 1. Boeck. Het XV . Cap. 

tcööcn <6otit / cnöc orrbecb^cccftt be fcfticïtüiaBebte 
«aoötalniacljtiaöop betucrelötoWtit Ijccft- (€cn 
tteeeben/Dat Dcfc bc bcure opcnt/aen aibcrlf p fteare 
Dcltotingcn en orujldtciiiflTcn: mcl\ boo^ gcene fonbe 
caff. coii. en tcccïu ben bupbel foo licljtcïijcfi ben |iit)onicfe nc^ 
^^^^•^°y-bcrtotbcboobt/ btinal0!)pl)euibaci:toe b;ti\^i)t/ 
bat Ijp op fijn cpgöen ooebt-biinchen enbe berfïanbt 
foubcbetroutoen, iBaccben onbcrbanioen/enbe bte 
fijnen epöBenUjtlfe berfaecfu Oeeft/ taert gïjeljjcö 
in eeneiïille ftabe. ^emeucöt ten berben/ befonbec:^ 
ïijcö alö gftp fjier af belofte gebaen ïjebt / ijoc f toaec 
öatftetie?i nietonberbanigJjtcUjefen/ aenoHefien 
bat on^ \}kt toe be rebene / onfe ff Depptnge / berlof^ 
finge/ enbe onfen fcep berbtnben* l^rcroni fegijt toel 
Bafii. ben ^. ^afiliu^ : ^^ï bat gftp fonbec be toete ban u^ 
ten (0ber(ien boet / bat i^ bieberpe en bercbfcDcn* 
becpe/ jae ije? u fcöabdijcö / enbe gfieenfin^s^p^ofijte^ 
lijcfe/ alisf'tbatutjetfelbegoebt bmulu te toefen/ 
löoantï^'tgoet/ toaecom en bjengöt gijp 't niet te 
boojfcDöï» ^ föemercfet ten mtït^m / i^ 't bp aï-bten 
bat gOp utoe <0bci'(len niet onberbanigïï en 5öt /foa 
fultöDpnootfafiClijcften ubleefclj/ ofteben bupbel 
moeten onbecbanigf) mefen j enbeobeclegljt/ Ijoe 
fottelflcli batfietöOebaenii^/ OetfocteiocltCB?ifït 
te becanberen met eene foo fioare tïabernpc» 
g&e toitti^ ^^^ 3- po^"^- 25emerc(!t ten eerjten/ be tonbitten 
mnbanDe ban be gcDoo^faemïjept / en oft be felbe in ii gebon^ 
suföoa^- ben toojben: (€en eerfien/fr> moet gcbeel toefen/oocïi 
f^mu ^^ jjj, albecmtnfie fafeen : toant ï)et fcöanbeij^ / bat- 
menoocli ftetminffeontrerl^e in ben b^anbt-offer^ 
(^en ttoeeben/ batfe beccbigö 5p / en bat top 5ijn ge^^ 
iijt^ bappere en toacltere €ngefen / en tot ben min^ 
(ien bjencfi gereet: tonnt "t^p bat <6obt/'t 5p bat ben 
menfcO eenigl) göebobt gljceft/ tup moeten ijet felbe 
lioojtoaec / met be feibe neerfiigOepbt / enbe eecbie* 
bingïiebolb^engen, i€en berben/ fpmoetfimpelen 
ccnboubicD toefen / te toeten / bat top be felbe pure^ 
ïijft tcv eecen <0obt0 boen / niet om eenigl) gemaeft» 
€nbe öierom i^ 't bat t)it op^ecfjtdtjcft geRoo^faem 
i^/ gbeen onberfcDcer en binbtin t gbeneöemge^ 
öoben too^bt/oocft in bc alber-ftoaer(le fafien te aen;= 

beerben» 



Van de Gehoorfaemhey t. 571 

Ijccrbem €cn bicröcn / fp moet bolBecbiaö tefen* 
(Ccn bijfften/bïötigfj. €en feften/ootmoetiiaö» €m 
fcüeuficn/ fp moet upt ht ïtcföe cu öebotie fp^upten. 
(€en acljt(len/met ecne oecjlclijcïte Dlöötfcfjap. %Cf 
mttcht ten ttuecöen ö'exempelen Der l^epliöÓW öi^ 
opcecötcIiichonDectjanigl) Ocbócn öOcbccil/ gelijcfe 
toaö 3l02aDam/cenen adiarcu^ fjoanneii gcnaemt 
ie» enöe bp moööeii on^ fcijanïciv Dat top foo neugf- 
toöiS tolden toefen : toanf al toaec 't öat top peman* 
öenonöerbantgtj toaren/ öie foofcec m öD^^^ïÖc&e 
faecben nietecbarenentoaecj nocBtanie?/ öD^löcö 
Climacöu.ö gIjetupgDt/ <0óöt en i$ niet onrecftt^ Grad.if4 
beeröiaD/ bat öpfulcöe stelen fal laten bebjogöen 
too^ben/ ï}ic met een gïjeloof enbeootmoebigijepbt/ 
ftaec felben eenen anberen onbectooapen^ €enber^ 
ben/ bemercFit beftcaffebec ongBeFJoojftemöepbt 
ban3lbam/^aul/ enbebanbicngaopfjeetm^e^ Gen. 2. 
tljel/ enbetoee(tbccfcö;jicöt. o^becbencftt/batbcn 5*Re|*\t* 
meeden tcoofi/ enbegljeluclt öcclgepligBeni^/ te ^nqiiütH 
toeren enbete boen ben <0obbelijc{ien toiflc/ enbe öcrgetjooi* 
bat ben onberbanigöen befe goeberen mebe beel^ f««iniJfp«^» 
acötigö igf. iCen bJerben/ bemeccöt battec geene 
berbienfle en i^ fonöecgljeöoo?raemftepbt. Wmt 
toie too^bt tiaa gfjcbonbcn / bte fijnen linecöt fal 
toillen loonen/ 'ok boo: füncn meejïei: niet en fal 
totllen toerclïen / nocö fynen tollïe niet en begeert te 
boen^ €nbe be giieDoo^faemfjcpbt i^ ban fulcbec 
toeecbe/ batfe al Oet gljene baec fp aenftomt bec^ 
bienftigö maecfet/ oocft be toerdten/ bieuptljaec 
felben nocD goet nocö rjuaeten toaren / gelöcï- Ijitt 
booatijts? Bet roebellen ban ïjtn ^oninch iBtba^/ al 
toatöetgeraecfete/ in louter gout beranberbe» fCen 
laetflen/ bemerclit (aengcfienbat glip op fc beelber^ 
iep manieren/ utoen l^eereenbe^bbttoelieljoo2t) 
fioe groote fonbe bat fjct i^ / te murmureren / niet te 
toillen gegooafaem toefen - gelijch Ii^t bUjtht in Clicu= 
re/ be öinberen banfjfrael/ enbeffiariabefutrer 
ban IBopfe.ö: <iSoa t^at lym ^. 25afiüu.$ feer toef ge^ 
fept öeeft: ^e geDoo^faemljept berDient eenen meer ^ 
beren p^ö.ö ^nbe loon/ ban begoebetoercöengöe^ 
boegötmetmatioDepbt, 

5ab 2 GHE- 



171 Den 1 1. Boeck. Het X V . Cap. 

G H E B E D T. 

O Mijnen Schepper ende Vcrloflèr, mijnen Heere,en 
Godt, (iet hier u fcheplel^uwen dienaer,uwen Sone, 
die u op ontallijcke naanieren verbonden ben , om uwer 
Godlicker Majcfteytondcrdanigh te weien : Maerey- 
laeslal is' t dar allen dingen u onderdanigh zijn^ende dat 
ghy my dit al verleent nebt , op dat ick \\ foude gehoor- 
laem wefen 5 nochtans naer'*t exempel van den verloren 
Sone , ick ontfange uwe goederen en weldaden, ende en 
SBt onge^ begeere niet onderdanigh te zijn^ als oft ick wijfer,ende 
|joo?facms voorfichtiger waer dan ghy,ende de gene,die ghygeftelt 
fSï/mSÉ* ^^^^ ^^^ "^y ^^ regeeren^Ënde hierom is' t,dat ick niet en 
oii«ufïc# weet waer my keeren^ ende leve vol forge, die nochtans 

feruftclijk foude konnenleven,waer't fake,datick mijn 
etrouwen op u fteldc AVant wat weet ick,wat my nu is? 
Dit weet ickalleen,dat ick u behoor gehoorfaem te we- 
fen , ende op te dragen met den Patriarch Abraham mij- 
nen wille,die mijhen eerft-geboren is,cn mijne vryheyt; 
Dit doe ick als heden in de tegenwoordigheyt van uwe 
goddelijckeMajefteytende geheel u hemelfch heyr,cn- 
deick begeere in alles gehoorfaem te wefen , mijne O- 
verfte te bekennen als uwe Stadthouders , ende de felvc 
met eenc oprechte liefde , alle eere bcwijfen , geenfins 
vonnifTen hare geboden: want die oprechtelijcken heeft 
leeren onderdanigh wefen, en weet van geensvonniffe te 

Phil.z . ftrijcken. O foeten ]efu , die om mijnent wille gehoor- 
faem zijt geworden tot de doot des kruyces toe,en uyt u 
lijden d'onderdanighey t in u felven,ende ons voorts ge- 
leert hebt door u exempel, ende verwonnen; Ghy fcght, 

Luc.22. Niet mijnen wille,maer den uwen gefchiede. Sal ik dan 
feggjcn.niet uwen wille o Heere Godt,maer mij nen wil- 
le gefchiede , wedcritaende, ontfchuldigende en tegen- 
fprekende fo dickwijls als mijne finnel ijckheyt, en mijn 
eygen goetduncken anders lullen raden dan my de ge- 

loan^f . hoorfaemhey t IcerrPGhy fegt,Ick en Ibeke mijnen wille 
niet,maer den wille van die my gefonden heeft; ende ik 
daer-cn-tcgen,'tê fy dat het my wel fmaeckt,en behaegt 
darter geboden wort, foecke menigmaei mijnen wille te 
doen.Maer ick oflere u defen nu tot een flachtofterande; 
op dat ick voordaen den lelvsn niet en gebruyckc , noch 

in 



Van de Gehoorfacmheydt. 575 

in'rklcyn,nochin'tgroot/renzydathetubehagelijck 
is. Want niemant,o alderminnclijckftenHccre,en leeft 
voor fy felven, maer tot uwer ceren, en tot uwen dienft, 
die u geweerdi>t hebt voor ons te leven ende te fter\'en. 
Och óf ick in der wacrheyt feggen mochteiick leve nu, 
voorwacr ick niet, maer Chriftus in my ! Want wat ilfer j^ct iö fa* 
faliger,dan mijnen boofen wille die my fo dickwils be- ^^SÜ fij'«>i 
drogen heeft, ende noch dagelij cks bedriegt, als ick den fe jfhttfa» 
felven volge,uy t te fchuddenien den uwen aen te trecke, ftcn» 
die den regel is van alle goeden willen? O eeuwige wijf- 
hey t, ft iert my in de paden uwer geboden, en onder wij ft 
my,hoe dat ik uwen wille alleen lal konnen volbrengen: 
want ö Vader des huyfgefin , die my geroepen hebt m u- , 
wen wijngaert, ick en fal van u geenen loon konnen ver- ^ 
wachten als ghy de arbeyders loon fult geven naer hare 
wercken , is 't dat ick naer mijnen wille ende goetdunc- 
ken fal gedaen hebben : ende niet naer u welbehagen. 
Verleent my dan gratie, ó Heere,dat ik den felven mach 
kennen, ende uyt gantfcher herten volbrengen. Amen. 

Pradlijcke om de gehoorfaemheydt te oefFenen. 

D'€ct(le i^ nccrfïelijft btxmttht \^at <&\iet^t/m 

ben \]ccft;tu öacc na öaer-itcöen öcöodcn/cn totren 
onöccfoccfecn cnbconbeiDouben/Daeren U)o?t öcene 
beuat gebonbc/öic Daec berber upt(!cect/cn diep^o^^ 
fijtelücftec öeoeffent inon/al.ööe geOoo^facmftepöt. 

^e ttDeebe/neerflelijcé bolbjengen 'taene cnfe ou^ 
bcrjes/ cnbc mcefter^ fuUen gcboDen ftebbcn / oocli in 
bealDcrminfïefahcn.i^teromïjcefttiel^.Catijanna 
bati ^enen tn 't fitmö Oaerbcc ouöer c^ (cbenöe / m 
Baren ©aber/€flM(ïum / m ftarc Motïjct / onfe %. 
aOjouluc glie-eert/ enbcbefemetaüefojgDbuIbig' 
gcpDt onbcrbantgö getoceft. 

'^c berbe/al^ top '0 mo^gciiK? onfe toer cfeen fcöic- 
lien be fclbe altjjt na ben regel ban be geöoben/ enbe 
ben totlle be^ <aber(ien / bat t^/ ban <0obta(macD* 
tigö (d)ichcn mtc (Ireren. 

ïBe biecbe/ in aïïe ttoöfeltngen/boo j aï/<ï3ob bOD> 
te ootmocbrg gcDeb/ en baer n^cr oiifcn Obcrftcn te 
tabe gac/^n bat met een oprecötobergcbéon*? f cm.. 

2pb j ^e 



374 Den 1 1. Boeck. Het XVI. Cap. 

^e böföe/rrjn Oerte gcrect mafecn/tot öe geboben/ 
hk on.ö ftoacc cnöe lafiigï) foubcn fjonncn ballen* 

^cfcfle/ bicfttoijIötufünOcrte/ bcfctooojbert 
obcclcggenr^ic u Doo^t/bie fjoo^t uip:öati53i/bc ecu^ 
toigc a©öf(jepbt/ gcetftcpt cnoe macbt/bec toclcfiec 
niemant en ftan tDcberftaen. 

<De febenfte/ tot gecnber tijben foecften ben ODbec^j 
ften tot fjjnen fin te treeften/ maec fijne rebenen 
boo>t|5-b^engen met een obergeben fön^e? felftf. 

Schiet - Ghebedeks^s^ 

C Prceckt Hecre, want u^yen dienaer hoort. 

^ Heere wat wilt ^\\y dat ick doe ? 

lek heb mijne handen opgeheven tot uwe geboden , die 

ick bemint hebbe, ende ick falmyocifeneninuwe 

rechtveerdighmaeckingen. 
PfaI.II^ O Heere, want ick ben uwen knecht, ick benuweq 

kuecht, ende uwer dienft-vrouwen Sone. 

Het XVI. Capittel. 

Meditatie van de Gierigheydt. 

De vooYpUinge derfiaetfe, ^emercft t cnbe aenfiet tiU 
U be menfcften gelijcö op eenen öergO feltmmen/ tn^ 
be Ooe bat CO^iftUi^ be armen aenlepöt / enbe bat be 
felbe onfen ^aligömaecfeer foeteUjcfeen na-bolgen/ 
b'anöcreben bupbel/of toerfommïgeonfen<§aIigf)^ 
niaetlicr/ maer boo? bien ttatfe oberlaben syn/bicfe^ 
ijDöi.önebertoaert.^^ in 't opbümmen balfen. 

25ibt ben Igeere/ hat öp u Dertc toil berlicïjten/op 

bat ööp be toeerbe ban be ar moebe foubt mogen be^ 

ftennen / bte ben igeere ban bat ïjp in befe toerelt ge^ 

ftomé i^ I in toeerbe geliouben Beeft tot ber boot toe» 

i©attjc TT Et Kpoint. ^emercöttoatbegterigljepbijSte 

mxmm *^ toeten eeneonberfabelijcfte begeerte ban gelbt/ 

^* enbe goet befer toerelbt -, toaer boo3 ben menfcl) ïjct 

felbe in fuïcher boegen toegebaenis?"/ bat öp nieten 

ftan bergeten/ oïgJ fijn geit Ijem ontnomen toojt/ ïip 

f jecïit onnDObiglK zw^t nieufgicrige bingen /oocfi 

fomiövj'en metfcïjabcban eenen anberen/ enbebe^ 

b?aert bie met al te groote foiöDbuibigDepbt* fCea 

ttoee^ 



Van de Gierighcydt. ^75 

ttoccbcit/ Roe kdm^\bcfe f otttic intact felbmi^t ïi^ae^tem 
cerfttcn opficOtcban tjctboo:-lö02prci fdbcc : cnbc ö^Jtöest^ 
öoe DiM öê mcnfcl) f)cm t'cencmacl ccm 0abe maccht *^'^^'^^' ^^* 
toan öct gt^lt/ mt ffccftt itictcieï ban bcraei'öciufoa 
bat be giciirtöcpbt catcn afijoben-btcnft oenocmt 
tDOibt) toacc öoo? ftp niet öctcc / nocft ocfucfetgcc tn 
too^öt / acngeficn bat ftctbimten on!9f 1.0/ ban nUecn 
bat on^ baec boo? eentgc pbelftept aen-toacpt / cnbe 
bat top i*ücft fienoemttoozben. €cnttoccöcn/ öoc 
ïcclijcöfpiiS / bbt^cmitieföccbdOcpbt cnbc tocccbta^ 
f^cptit ban t}m mcnfc-ft/bre Oicr toe geboren enbe ge- 
fcliapen i.e?/bat f)p boo: be liefbe foube befitten Oob/ 
bfe allen on.ögoet 10 / enbe Ijp bectoo^pt fp felbett 
boo? be giertg[]epbt tot ffecDte enbe bergancfteljjcfec 
bingen / enbe acïit meec Ijet geit / 't toelcö eene ber^ 
too^pen fubiïantie lef/ban fijne 3iele, €en becben/tec 
oo?fafeeban be maniere / tk men geb^upcbt om fil^ 
ber enbe gout te bergaberen / aengefien bat bet beit 
mcnfcfi nootfaecfet/ ombemtebeoebentotöctal^ 
bcrfïecbtfïe getoin/ oocfe met fcOanbe/boontöi?! en* 
be ftijbagie pf rijcFtcl ban fijn lebcn te berliefen/ enbe 
onrp:eFic(ijcöefo2ti(f)bulbicf)cben>toaerboo?f)etbeCiï 
te op ontaüijclte manieren/ (jertoaertj3? enbe ber* 
toaertö berflropt too^bt; foo batter geenen t^bt noc9 
plaetfe gebonben en toon / baer mengerujïeUjcö op 
fp felben foube mogen letten.€en bierben/boo? bieit 
batmen'tmet befelbefojgbbulbigftepbt enbe neer? 
(ligFiept bp een moet ïjouben/ bet gene nu bergabert 
i0* €en bijfben/bat oocfi naer bet gebcelen ban alle 
be C^epbenen / eenen gierigen menfcli / boo? ben aU 
ber-bertoo:pentle-i gerelient too^/ aliSbiegeen ge* 
titct of t geb^upcfe ban fijn goet en beeft / tnbt fp fel* 
ben altijbt meer enbe meer belaft boo2öet gene bat 
Bp bergabert. 

Her2.poinr.^emercöttoaettoebatgïjptenlaet* 
ftm I alle befe goebcren \xi\\i bpeen fcö^ipen. (€en 
eecften / b^n gierigen (telt öem booj oogen pepje? i^oeotibeï* 
enbe ruft/ enbe 'f iet fiier-en-teaen/[ioe bat bp rijdier fouciöcïi 
to02bt (toelcï! gbebeurt in alle aerbtfcbebingben) ^^atfeï^f» 
boe bat be begljeerte ban goet te bergaberen oocft 
meer bermcerbert / gelöcb top in ben toater-fucljti^ 

%b4 ö^n 



576 Denll.Boeck. HctXVI.Cap. 
oen mcrtfcööageljjli0fieit gcfcfjfeöcn mttUttMnt^ 
fïcn j toant De onöoöDelijcl^e en Ijcbbm gmicn t)2cöi% 
(€cn tiucetïcn/ fielt Dp Oem Uoo? oogen Det gljemaci} 
|f!ii« 48. öc?^ licöaem.j^i om toel gcfileet te loo^öen/leclierlijcfe 
te eten / ^c» om toelcfec reöenen/ eplae.öJ öen cijchen 
to^ecfi öegraben i^ geteeft in öe t)elie» €nöe om öe 
Ijjaeilicrt te feggen/toat gelien öe r jjchDommen ben 
tttenfefianöecö/ Dan feoftenDe lileeöeceni jöoo^toaei: 
anDeri^niet met allen j enDeDü en geD^eecln Den ac? 
nten oocft niet» Ji^acrDenröclicn jjceftcene faecöe 
meec/ te toeten/ Dat altoaer l^ee! rijciiDommen 3ön / 
alDaec oocli bed Ijiilper^e? gljetJonDen too?Den/ om De 
felbe op te mafecn/enöe te uer teercn;enDe Dat De IxieU 
lullen een fonDerlingf) boctfel 3Öït ban mentgecfjan* 
be fiecl^teni toaec af /bit foöec enDe matigl) 3un/niet 
af en toeten: euDe Dat f}? Oier-en-öobenontallijcfec 
tnflcumenten fteeft (fiet belchalDeemeeflteDetUa^ 
gen ijS) Dan gulfigö^pDt/ onfiupfljept/ tubz ban alle 
flnDcre fonDen / om liem te Ij^^engen tot De ecutoiglje 
fteberbentffe/ enDe nieten (leeft lu ecnen iiibOci'aclj* 
tigljen toegö / bjaec meDe öP fp felben fouDe lionnen 
tocDecBouDen»5Bat öeeft Dan Den rycüen/ toaec Dooj 
ftp fp felbcnfoogcootelijcftj^fonDerreDenetoilbec* 
lÖoobeerDigen op fijne rijctiDommen i 3lengemerc6t 
bat öe rtjcöDommengcene oprecDteeereenöonnen 
meDe bjengen / obermit^ Datfe minDer 3ön Dan Den 
menfcïj/enDe upt gaer felben niet en ftebben Dat p^ö^» 
^«giftige fcn^ toecrbigöt^^^emctfht ren blecDen/in fioe beel 
öf rtncKm rtticften bc^ Dupbelé baift baden / Die fjiec begeecen 
öcö 0UJIS njcïi te toefenilDant Den itjc^tet ban alle Q«aDe/i.6 öe 
W0* begeetlöcfeftept. €en eecflen/rp en öonnen baei* niet 
begcben tot öet gcbeDt / toant albatt w Oaec-IieDei: 
ftecte / Dacc öauen fcöat enDe tfnefoo^ i^. (Cen tteee^ 
Den / fp geboelen ctivcn nf fteer ban aile ttiecclien ban 
a3oDtb?«cfittgöepöt/ aengefien Dar fp aUijt geb.secö 
iijDcn/enöentmmecmeerenhonnenberfaettoo^öen» 
{^cn Deröen/fp fcö^apen 't al bp een/öoe enöe in toat 
manieien Datfe hohnen/*t5P/öatfegeoo?ioft3ön/oft 
niet/ en jijntn fultïizt boegen berfotop 't gene Datfe 
onrerijtbcerDclöcfj bergaöeft fjeübcn/ bat \}ct Op-na 
cnmogeiöcli i^öa^c t^ brengen tot vefiitutie/oftom 

toeöeiv 



VandcGierigheydt/ ^77 

tocbcrom te öcbcn tintfc ïiualicli getdouncn ïjcbbcn» 
<^i\\ bïcit«ea al iTe lionicn it ftecljcn/ tuojticnfc \yg-\\:k 
toanDopïöi)/ tec mi{^^t Uan öe fcOcrpc refeentnodc/ 
Dtcfcniomn öocit/ ombatfc Den armen ontrocheii 
tiebben/ öat ben armen toc-^uam / en om öatfe ijan 
Ijare ooebcren moeten fcljcpöcn. ^w^! omenfcti/ 
iDOjptbnn u utoe röcööommen / oöeiijrfecrtDij.ö of£ 
ötjp ineene groote tempeefï oft onluetrerfoMDt moe- 
ten berti2incaê en bergaen/ 't en toaer Dat g&pu ban 
tie ooeöeren ontlajleDet ,- entre en toilter u nerte niet 
op pellen/ \^ 't Dat OÜP oUerbloeöisö ban njcliDoms 
men 3Üt/op bat gfj? ten laetflen moootjt geraJien tot 
tï'eeutoige ijnbcn. €nbe naöemael/ bat gijp alle bm^ 
Oöen moet laten aen een anber / foo en töiit boo? gen 
geene blijtfcöap beraaberen/en boo2 u b'ectotge xi^%-^ 
menten / met öet onrecljtbcerbigD tJcfit enbe beljou* 
tjen baneen.efanbersgoet: CnbeiiS'tbpalöienbat 
OÖP.'ten mtn(len}in be ure be0 boot^/ï?et fuit mceteti 
becfafccn/ of toeberom geben/en toüt bocH fo langö 
niet toacOten tot bat u bc boot oberbalt/mêt fo groot 
een acötecbeel ban ulüe 3iele» 

Her^.point. (Oberïegfttbegrooteblöae|T)eïttbatt ©efottig- 
be gieriglie menfcfien cefectoerelbt/ bie aen ^obt ^^^l}^ 
tï'eeutotgïie toijföepbt/ (bte ïjaer Ofei* öonbecbt^ **^ ^ 
mael meer / enbe ijier naer b'eeutoigb leben belooft) 
nocïitan.s? tecpgïieren (in fijne armen) toeberomte 
Oöeben/befebingen/btebocbboo^feecüerbericoren 
fuUen gaeHj enbe g[jeloobenDiec-en-tegï}enbebe^ 
b2iegi]e(i)Ctie töcreït / enbebe menfcljen / baer fp een 
ftlcpn ofj^'iijtnafteberixïacljtenöeiibci^ (Centtoee? 
öen / aengljefien bat göp maer eenen uptbeelbccbec 
felber xx^x 1 "cqm eene fottigliepbt bat öet t^ / bat<|Ijp 
bte mepgjjert aenoSobttoeberomteglicben/ enbe 
bertjnift albusJ bat eenen anberen toefiomt/ toaec 
af gijp naberljanbt fclierpe relieningïje fult moeten 
OebenjCen berben/bat gijp Iteber \^^'^^i eenen oogen^ï 
blic^ röeh te toefen/ootö met foo beel eUenben/enb^ 
Öiec naemaelö altöbt arm / banin ber eeutotgöepbt 
met eene cnfp^cïielijclie glorie röï:fice5ön/ enbe al* 
Sier met Ciuifluaf ub^en i^onincli enbe i^eere / booj 
fenenöo^teutybtarm» iCcn bierben/ batgOpbefe 

23 b 5 flecDtc 



378 Den 1 1. Bocck. Het XVI. Cap. 

ilulnc cn bcctoojpeitc öingen/ (o orootchjft Mjt acl]^ 
tciiLical.öüchmbcrcn ijnre beufciingen/enftinöcr- 
fpelcn / öacc nocljtan.^ Cönftii.ö eriöeatlc bc toijfcn 
fulcJi0 aantfcö «iet ocacijt cn fjcDDem €cn böföcn / 
öat oOp uluc3iclc / öltoacr t»c gcfjcclc tocrclt niet bp 
te aüelocöcit cn i$ I cnöc toacr l3oo? Cfj^iftUjGf onfcn 
dSalioDmaccIftci: öc booöt oefio^bcn iö / om fulcltcn 
(ïccBtcn p^öö? bcrboopt / oft ten müilien on-Dol* 
itiaccöt m^yt arm lact in 't toeïtoutcnöc lebcn ^ cnlte 
fllfoo tic rücööommcn mccc acftt/ öan u fcibcn. (€en 
fc(tctt/al-l)oc-iöoci bat öcn i|ccrc on^f Oclooft/bat als? 
top cccft 't lijcfec «6obt0 focclicn / alle anbcrc bingcn 
on.sf tocgöelDo^pcn fuilcn luojbcn / "i^^x nocljtan^ ec^ 
ncngtccigcn bit )3Cconacl)tfacmt/ af^oftijp €iobt 
met cn Dctroubc. ^cmcrcfet ïjoc batbcniiccrcop 
bcfc tocccibt bcötcrigc mcnfcljcn geflraft fjccft / Doe 
bat Op ^cfjanom fönc XAt\^tin Decft boen ficcni* 
gen ; gefabcl/bic ben toöngacut na 5^abot0 begeert 
"^^^Xiti ^naniaö cnbc ;§aplnra/ boo.j öicn batfe pet 
ontrocïien ban ^t gocberen / bicfe boo? Xit boeten bec 
^pofte(enb20C(jtcn/ enöebcu becrabccgjubaiJaUe 
wet ecnegcöutoelücfteboobt gejtraft öeeft» 

Meditatie van de Armoede. 
DevooYflellingederplaetfe , fal fcöCfcn OnfCtt ;§aïigïl* 

maecficr te fien met fijne ^ifctpelcniTecDteüjcö ge^ 
felecbt/ fiongerigfj/ in groote armoebe repfenbe boo? 
bojpcn mt}c tlcbcn / cnbc bat top al^ pelgciais^ Dem 
bolscn op ben bergl). 

HetGthedt , ')5m Op bat gï)p ttioogDt fiennen be 
tocerbigfiepbt ban be acmoebe» 

Het I . poinc.^emcdit bat b'armoebe \^ ecne bec* 
ïoocftcninglje (tcnminjlenmmerliertcn) ban alle 
upttoenbeUïCï^efaecïien/ fp fcötcftt oft baegötben 
iticnff i) geDeclijcfe/ fo toel upttocnbelöcft al^ intoen* 
beincft / boo? foo beeï al^ bit ban noobe \^* mw cec^ 
tien/ befc flett ix\ 't berflaut een oprecïit geboden ban 
befe faöen/ geïijcd fp in be tegen tooo^bigIjcpt<0obsJ 
3iïn / en öerooiu batfe in bet* toaerfiepbt bergancöCi: 
fi)c!! /fleclK enfcrjabeluclJ 3Ü«. (€en ttocebcn in ben 
\si\\\z eeiic af ^eev en een toalöinge bcfec bingen*€en 

laet- 



Van de Armoede. ^9 

lactfïctt / in 't toercïi een toolhomen bcrloocDencnf t$J 
het ticit i)p ban 43oö tot öe öolmaecbtljcpt ocrocpen 
to02öt.) €)l3ccleoötoftgf)pöcfcöeua()toocti groot 
nct)t / Ooc gercct tiat gijp 3i)t " öloot te maecHen ban 
flüe$f/ tDaec*tra!iebnt utoec 3iele faligljept oftöen 
noot fulciio ban ubere^fcDtc. ^emercht m\ ttoee^ ©carmoi* 
bcn/batgöelöc&ectorjoöebegcccüjchljepötöcnoo^' ttistewt 
fp2onc!i cnDeöen b)02tcl lö ban alle Quaet/ enöe öen "^?f ^« 
fcnöament-fïeen ban 23abplonien / oOelijcö ben i^, öcugXw* 
2tuguf!inuöbe^jDijfi; alfooiöbMcmoebeenljetbeC' Augi.2.de 
fmabcnberirijchbommenfjetbeginfel ban alle goet/ civk.Dei, 
enöe een moeöec banalle beugijben/ ben gront-fieen "^* ^^' 
ban'tbcmelfcögcrufalem / enbe ban onfe albcr- Ambr. i. 3. 
|)oogl)rtefa{tgljepöt- ;Dereöertei.9/obej;niit.ö'öatre »"Luc. 
Dnsf beneemt betinitcnnient ban alfefonben/ toelch 
iö ben rijchbom / bie be gulfiggepbt enbe ïjoobeec? 
bigfiepbt boebt enbe onber jjoubt j enbe bjengbt tiie^ 
be eenc nootfaöelijcfeljepbt / enbe blytigljcpt om U3e( 
te leben : aengefien i)c\t ijct naec Det geboelen ban be 
eeultiigetoöfOepbtücötect.ö/ bat ecncn feemei paf^ Matit.i^. 
fere boo: b'ooge ban eene naelbe/ban bat ben rijcben 
ftome iiVt njclie bec bemeIen.a3eïooft gbp tit oocfe^ 
^emerc[;t ftier-en-bobcn / bat b'aimoeöe be fcnöen 
rcpnigbt/ naerbegetupgemfrebanbefe ^tljnftu^ 
re: 5!cfeOebu berfeorenin bcnobenberarmoebe ; ifai2 48. 
enbe batfe ben menfcljbebiiit ban alle toerelbtlijclie 
bchcmmeringe/ op tiat pemanbt <ï5obt alleen foube 
mogen btenen enbe aenbangen» (Dgrootgclucöber Aug.rer.2?, 
Cb2t|ïenen/ b^ien gfjejont 10 / batfe met b'aimoebe aII^ 
ben bemel feonnen fioopen enbe be-erben l bat u ban 
b'armoebe niét en mifnoege/ boant baer niet rijcfeec 
en fean gcbonben toojben» 

Het2.point. 25eniercfet bat be armen aen<0obt t'^mat* 
b'aiber-aengbenaemfte3ön/ aengefien bat ïjpb'ar- öusöoat 
moebe b.jptoilliglücfe aengenomen/ enbe fonberling jf^Jtn^"^^* 
in Uaet fclben bemint beeft; enbebenjebbommen 
ïiier-en- tegen/ enbe alfeeere/ fjeeft öp foo in fijn ge^ 
boo2te / aljS nabcrbant in fijn feben/enbe ten laetfteii 
infiiïtboott'eenemaelmet be boeten getreben: t}ie 
aljö bpnjcfe töa^/om onfenttoilfearmisf geto02ben; 2. cor.y. 
foo bat Dp niet en Beeft gefiaot toaer Dp fijn Dooft op i-u^, 9. 

xuüm 



58o Den 1 1. Boeck. Het XVI. Cap. 

tuUcn moclK / cnbc Ijctft een arme moeöcr ew armt 
iJifcipelen bcrïiOfen» €11 top moeten onjj laten boo?^ 
itaeix I öat liii» ecncn friet becljofen fjceft öie [jem be» 
taemöe. <Defa0^tÜcHen fieöben al(e öe ^ePïtQien ge* 

Philip. 3. öaen/bie met oen l^/BCpoftel }5aulu<$ alle dingen ge* 
acDt 8ebben alö D?eö/ fjaei* beiOcagt fjebücn in Dort« 
gec/üommec / bo?|l/ en nfet me: allen te befttten :fo 
öat den 3^.5?canciTcuj2? gepliglöli bê genen öïe armee 
toaren ban Op/benöbDc.i|teL-en-tegcn belwereltfcfie 
menfcften / en be gemacöeïöclie btenaer^e? ban a3obt 
fllmac jjtiglj / begljeben ftner met bollen toeftaen om 
rijclibopjmen te becgaöëren/opbatfe feoftelyb/ciec:? 
lijcft/ nfeufgtecfglöcb/ en gemacfielijcft geöleet mo» 
gen 3ün/ en op befelbe maniere ober tafel/en in \wt 
toooningl)e ontöaclt mogen b}o?öen/ Dier boo? gfje^ 
ïieurt Det bat fp gD^crn 3ön in gOefelfcljnp ban Ijare 
b?ienben/en niet geerneen bienen/fc.a^erfmaetbe:? 
fe bingen / niet min of t meer ban gljeiöcFt alsi eenen 
öie een mannelpcö öerte beeft / eenige beufelingbeii 
cnbe ftinber-fpelenberacDt/ en Debt u Dcrte göebue^? 
rigljlflcfe gebejligDt in 't gene bat eeuöigl) enbe on? 
bergancltelicfe \$ I en al0 eenen b?omen folbaet ban 
utoen ^aligljma&er ^\e uboo^gcgaeniiÊ?/ enfiebt 
geenen groubael ban 't gene bat lafïigij enbe moepe* 

^ftgoet lijcftis?» ^emercöttentujeeben/öoeberfiebenbat 

C11 geiucft tö ben moet ban eenen iBïeligieujS h\e b'armocbe on? 

uSï^iS*^' beröoubt/ toaer boo? fjp bobenalleaerbtfcljebin? 

wam. öO^n toanbelt / foo bat Ijp oocft met be tooo^ben niet 
en begeert pet fijn te noemen / op batfijn berte baec 
öen niet en foube geöccDt too^ben» (€en berben/ boe 
grooten (Iröbt bat ÏJier in gelegOen iö / aengbefien 
bat öier boo^benmeeften-beel ber menfclien ober* 
It3onnen3önbeboo?fiunne in-geborene bcgeerlöcfe? 
èepbt/ foecften ober art gene tjun aengaet / 't gljene 
gemacfteïrjcft is? / enbe 't gOene eeniglj fclnjnfel fteeft 
ban beröeben te 5ön;bicrom fegbt oocö feer toel ben 

Eed. 3 r. a(ïDüfen-man:,§aligï) iiS ben mnn/bie na \ gont niet 
toecf) gegaen en iicJrtoie iö befen/enbe tcp fullen ftem 
p^tjfen \ toat eene groote glorie ijS 'i ban be begbeer? 
föclibepbtte bertoinnen/ boo? betoelcfieailemena 
f tö^n \}^ei lat w b^clcpb^n / tocr<?lbtlöcfec / gfjeeüe? 



Van de Armoede. 381 

ïflc ïte en oocfe ht (lappc en flouyue ïteh'otcufen^bDaet 
toe Dient (jet gene öatöcni^Cö^pforromuiJ fcöDt: chryf.ho; 
q^e 3?ele üan eenen armen Dlinüt alst 't oout/ fcöünt 47-"» Mait; 
fll^eenenfeoftelijcuenfleen/ tierbeect met De meni= 
fcóen aljöf eenen <gnaeJ/enDe iö Den Dupbelen niet on^ 
öertD02pen/ en tsf altijöt bp <aoDt» Cen biecDen/ Dat 
befe acmen/ oelycfe gauluis oöetupoöt/aijn alie^ ntet 2. cor. s. 
BeböenDe/ en alle Dingen DefittenDe j en gelijcti j)tec 
boo?töDt.ö€IimacDuéfepDe/ eenen iBontncft/Dte Grad.i6. 
Bern bloot göemaecïn ï}tcft ban alle fafeen / i$ eenen 
^eere ban De gfieDeefe tecelDt* 23emercfu ten bijf^ 
öen / Dat Die *t al beriatrn fullen IjeDbcn en Den J^tc^ Matth. 19. 
re naegcbolgDt/ öonDertfoutontfangen fullen/ eriDe 
fitten cp De ttcaelf ftoelen / oo^DeelenDe De ttoaelf 
öBefTacötenban Sfcaei/ enDeDat foohjanneeraljS 
öeöoningenfuüen fiaen/ enDeDemacljtigDeDefcr 
toerelDt fullen Deben. 23efiet/ o iaeltgieu.^ / of t gijp 
oocb in Der Lönecljept b^el fout mogen fcggen: ^m/ 
UjpöeüDen'talbeclaten / enDeoft uftertenietaeit 
eenige liïepne öeufelingen göcIjeeDt en 10/ Die ban te 
boren alle Dingen fooln'oechtelöcFi ijhb bcrioocuent. 

Het 3.poiijt. ^^emcrc^ta3oDt^boo2ficf)tïg8epDt ©É<©ob- 
ober Den armen / nae Detfeggen ban Den ©falmift : HaSw 
qE^erijctjeDebbengfjeb^ecfi göeljaDt/ enDeljcngger tmipto* 
gljeleöen/ maer nu Den l^eere foecijen/ en fullen niet m nm au 
ber minticrt too^Den ban allen goet^ïDant Den l^eere "}"/♦ 
böojfict Den armen al^fijn €Delm.an.ö tn töDt.^s / fp ^ ' ^'* 
ficbben <6oDt booa fiaren ^oof-mee(ïer / gclijcö 8et 
bvlclï gDelucfiigD i.cf / toienö Den i^ecre öaren 45oDt pfai, m* 
tö* i€en ttoeeDen/ Dat fn alleen toeten enDe bepaoe^ 
ben geelïelijclie becöeugingöcn in 't binnenfle Daec^ 
Dec Ijerten/ fp en b^cefen niet/ fp en bergopen niet/fp 
3ijnfonDer eenige f02ge/met luttel tcb^eDêj toaer tn 
<Êpicuruiai ooö De falicfjept ttelDerfp en geboelen gce^ 
ne malginge al^' De rijöe/ maer toojDcn upt De tïeen? 
rarfe met öoniglj becbult ,• enDe al,ö fp ftacr alfo bael 
berblöDen niet üebbenDe / Dan De geDeele bjerelt bt^ 
fïttenDe/genteten fp De feeerne fonDer De note te fera^? 
feen: aBant Die a3oDt oprecl)telöcl5 faecfien/ b)0?Den 
Dcfe Dingen toegetoo:pen/ gelijcïi ©aulu^/ Daniël / 
en o^iia^ gefcöiet i^/ en^ie nocD DageliJcH.^f alle He^ 

ligieufe 



3^2 Den 1 1. Boeck. Het XVI. Cap. 
Umufc qtbcutt. oEtttre fnerom 3ijnfc qcteet in ölfé 
O0c\»cflen ïic& töcreltjef fonbcr ccnigö tccrgdöt te 
oacn/ enbe ftticr te bcgcbcn rot ïjet bcfeccren öer jtc^ 
Icn • toantfp öacr öctroutoen op ^obt aOeftclt \j^b^ 
Itn/ bat Bp Dncc-lictJcn niet en fai tJevgctcn» 

G H E B E D T. 

2. Cor. 8. /^ Koninck der Koningen , en Heerc der hcyrkrach-. 
^^ ren, ó mijnen Saligmaccker,die als ghy rijck waert, 
om mijnene wille arm geworden zijt , op dat wy dooru- 
wc armoede rijck fouden mogen worden ; verleent my 
dat ick tot geendcr tijden en gae nacr het gout , noch en 
Eccl. 3 1. }^Qp^ jj^ j^^.^. gg}^ ^ ^fj. {Q\-^2.zicn , noch in de onfekerheydc 
der rijckdommen,en dat ick niet te fcer beforght en ben 
om rijck te worden , aengcfien dat defe fchadelijcke be- 
gheerten de menfchen brenghen rot hare bedervenifle. 
i.Tim. 6. Wantwaerzijnfe die-tfilvertot fchatten vergaderen. 
Bar. 3. cnde het gout daer de menfchen in betrouwen ? Sy zijn 
vcrdweenen ende ter hellen neder- ehedaelt. Hierom, ó 
Heere J e s u , t'uwer eeien en ter liefden uwer armoe- 
de , die ghy begeert hebt door uwen Propheet , dat ick 
gedachtigh foude zijn , oftere ick uwe Goddclijcke Ma- 
jefteyt al het gene dat ick van uwe mildehant ontfangen 
iieb : noch ick en begheere u niet met allen van dcjfen 
Matth. 6. brantoffer met Ananias t'ontreckcn , noch ick en wille 
nietfooforghvuldighwefen, wat dat ick faleeten, oft 
wacr mede mijn lichaem bèkleet fal worden. "Want ghy 
zij t mijnen Vader , en ghy weet dat wy dit al van noode 
hebben : ick fal dan voor al u rijck foeckcuj en ick weer, 
dat defe dingen my. toegeworpen fullen worden : Verre 
i^r n7cö * ^y ^^" my,dat ik mijn herte foude willen laten vallen op 
^aiigraa* ^^" brocxkcn aerde,die tot het rijck der hemelen »croe- 
fe£C3» pen ben , fonderlingh , naer dat ghy Koninck vannemel 
en aerdefijnde , allé dinghen om mynent wille verlaten 
ifaiae 66. hebt,cnde en hebt niet ^ehadt,ö alderminnelijckften Sa- 
Matih. 8. lighmaecker , (die nochtans den hemel voor uwen ftoel 
jLuc. 19, hebt,ende de aerde eenen bancxken uwer voeten) daer u 
hooft foude mogen op ruften.Hoe /al ik dan,oock eenen 
oogenblick, yet onrechtveerdelijk by my bewaren,w^er 
ick eeuwelijck mede gepijnight worde? Hoe, fal ick ko- 
ftclicker dingen gebruycken,als ghy,die mijnen Koning 

zijt. 



Van de Armoede. g8} 

zijt , ende d'alderflcchtfte rot uwen gebruyck genomen 
hebtr En Ibudc ick niet befchaemi: wcfcn boven mijnen 
ftaet gekleedt te gaen,ende u lien naeckt wefen? dat ick 
anders niet en foude doen dan goet ende geldt by een te 
vergaderen, ende u niet naer te volgen ? lek fchame my 
als ick verftae dat de Heydenfche Philofophen allen 
haer goet wech-geworpen hebben,ende dat ick vol for- 
gen leve , die uwen Ibne ben, voor den wekken ghy , als 
cenen getroüw'en,ende forghvuldigen Vader,altijdt be- 
forght zijt. Verleent my de gratie,datick alle mijn for- 
ge inu worpe , ende dat ick oprechtelijck arm van her- 
ren zy. Want ghy hebt gefeydt,dat de arme van geefte Matth. f. 
faligh zijn , ende dat het rijck der hemelen hen toebe- 
hoort , maer de rijcke hebt «^hy ydel gelaten. Waerom Lbc i. 
en begeere ick niet faligh te welen , ende t'ontgaen de 
droevige fententie: Wee u ghy rijcke ! want die u waer- luc. 6, 
achrelijck dienen zijn als behoeftighe , maer veel men- 2.Cor. 6. 
fchen rijck makende^als nier hebbende,ende alle dingen 
belittende.Ende hier-en-tuflchen en hebben fy niet ey- 
gens met de Levijten , noch en hebben geen deel onder Nura. i8. 
d'andere geflachren,dan ghy hebt haer-lieden gefeydt : 
. Ick ben u deel , ende er^-enifle. Maer my is 't goet den Pfal. 72. 
Heere aen te kleven, te ftellen in mijne God-mijne hope. 

Praélijcke om d'Armoede t' onderhouden. 

D'€er(!e/'t 5pi3atfjptDcrelt!tUjcö/ 't3P rcïtgKUjS 
511/ öat ïjp oberlcrrgc cntie tp getal ö^bbe/ al t)at 
\]tm toebcïjoojt/ cnöc Dat Dp fitoft inet vn onöcr iö 
bat ()p onccc:)tbccrbclijcfï befït/cft fonöec tote ban 
fijnen <Olier(tcn. gjö 't bat Iju rcltgieu.^iö/ batfip 
oberlcggöc oft [iP pct öeeft dat niet noobiglj m iö / 
oft al u cucieiijS / enöe Dit aüe jaren tms^ oft mttt / 
enDc Dat fjp'talleb^rcin öanöenenb^ mbemacöt 
ban ben <Oberficn» ^ettöboo^töaeccenebe^lagc^ «lEmöcïi* 
lijche faeclie / bat een aeügieué / hit be ge&^ele toe^ sifa^ m 
idöt/ enö0 al bat öp te bectDacljtenftabbe/ bedaten HiftJ ^|*' 
l]cef t fön fjerte fouöe (lellen op een roofen-l)cepfeen/ gen» hiep« 
ccn boecxlïen / een mcfücn / oft vttfukh^ / tuhttit "^ fasci*'^" 
foo bccl te fcüanDïger/ Ijoc bat Ijp ïjeerlijcftcc be tee^ ^^""^* 
reibt berbjonnen Deeft.l^ierom h 't tatut fommt^ 
ölje gebonben bjojb^n/ bic ccn vol ban alle flavcbin^ 

gen 



384 Den 1 1. Bocck. FIct XVI. Cap. 

ccn f)cLibe«/cntïe öcfe niet en bcrmcccbncn/ 't tn 551 

bat fp 't Uan te boren röpeliicti obeiööcijt öeööen. 

;s>e t\33ceDe/öat Op nlie fccöbaeiijcpt m fijne 6!ee^ 
btnae ïiouöe/enöe in al teat fijnen Onpftaet aengaetj 
en öat !)pai 't öcne 't toelcU öP fünep?acöt (i^ 't Dat 
ïjp iDcccitliicU i^)oft fijn QcmatU ontrecfit/uptbeple 
acn Ci)?itl«m in öen armen / enöe öat !}p obcröeche 
öc naeclite lebelicn^:^ on^ ^aliqmaUeïfS/ nm 't gene 
öaei* ban te boren öe mneré meDe DeOangen bjacen^ 
XBc öerbe/eencn pegelijclic ïian fp felbc eenc anöe^ 
ven onöcrbjo^pen/gciijclnncn berïjaeltöat(€(joma^ 
Movn0 getiaen Ijeeft/te b^erc/ bar fjem aifo ban eenc 
anöeren ban alles? befo^gt bjo^/ «?« metDet gene bat 
I)em gegebé bJO^t te b^eöen 3p/'t bjelcïi befonberlijli 
be hinberc hc^ Ijupfgefin.cJ/bodjterjaf/maer boben al 
religicufe perfooné beljoorê te bcenjbie Daer moefii 
berljeugé/ aliJ fp eentge oo^fahe D^'bbê om ö'armoe^ 
be te bep^oeben^ nocD Ijcten i^iu geenöer mameren 
te berö?agen/ batfe ülagen/ en nocbtan^ boo2 artne 
begeeren gevefcent tebjo^ben/ en batfe niet en bon^ 
ncn lijben bat f)aer pet ontb^ebe/acngefien bat oocli 
be njcbe niet al en ïjeöDen b^dfc bael fonben bjif len* 
^e bterbe / öIö onfen jlaet / enbe be eere baer pe^ 
manöt toe berbcben i^/berepfcl)t batmen feojlelijc li 
geblecbt gae/fcr. ban ben genen bie met be perfectie 
enbebolniaecbtlKpbtbanarmoebetracöt/ bemin^ 
nen enbe Dcfo^gljen bat be bïeeberen bte öp onbet 
b^aegljt/ flecijt/ mht berbjo^pen 3ijn/ geïijtfe'ec ban 
ben Ih CarolUjS 25oromcu^ berrelt too^bt* 
iiRf» <De böfbe jjö/naer f)ct cjcempel ban onfen ^aït g- 
moet he^ mabcr/ban bé armen gcenen afljeer te Ijebben en bc 
nfc DanDc ft^^^ ^^^ber ban be njcbe/bte Ijkt bare trooft öcbbc/ 
röcfte bp te ftaen/met ö^^cr fpiebé/boo? fp felbê/of t boo? be 
trooiiciu fijrteljaerIiebentroo(lé*€nboo?U3aer/alij5'tbatbit 
niaclj btenen aen alle rijelje / oor b groote igeeren en 
5l>?incen/befonber!ijcbnocljtan5S moet bet biené ben 
religienfen^ïöant bet i^ cuberb^agelicb bat begenc 
bte p:ofeft*ïe maiic ban b'armoebe t'onberOoubc/ett 
bat aen <6ob belobc/ öcfelbe nocbtan^ in Ijaer epgcn 
fdben niet lief en ïychbm/ enbe oTD^iftu? onfen c^a? 
ligmaber bic b'armoebe berbofen Dm't/nm na<^^ tni 



Van de Armoede. ;85 

ïj^illm bolöen/ben armen bcracDtcn/cn trcn rijcRen 
nacc ben niont fp:cften,ai3ant onfen l^cerc i^ alö ee* 
ncn acmcn imnfcU tn öefe tocrelbt acöomcn / fieeft 
arme bifcipden bciiiofcn/enöe Deeft gctupot öat !)P 
Oljefonticn toaiEf om ben armen fier ^. €uancelte te 
berfeonbigenjenbeaOP reliofeusf/bieeenen naerUol^ 
ger ban €\)M^si 5Üt / en fait gijp öaer-Iieben niet 
beminnen/ oftfoiibrolipfefomtoijlenoocli toeiber^ 
ren beracOten ^ gïjp toont boo^2toaer bat öDp ï"^t^ï 
bencöt op 't gene baer gön toe geroepen 3ijt/enbe bat 
öOp 43obe belooft Dcbt / enbe niet en pepnft bat glip 
b'ar moebe moet toefcöajjben bat göp leeft en onbcr^* 
IJoubé tDO^t/ia bat Dier in utoe faligöept gelegen i^* 

;De fefle/ onbcrfoecèen tot toat trap bat top ban ©e trap* 
bearmoebegefioniensön. ^efe^önnaerbeleerin- ^^"°S^^^^^ 
Oöe ban benig. 23onabentura : €en i. alletijbeïflc:^ **""** 
fte bingenberlaten; Cenz. aUetoerelbtIl)cfeeenbe 
tiibelrjffie b^ienben enbe magften ; €en 3. fpfclben. 
<Oft toel: (€en i. niet Defo?gïit toefen boo^tgöenc 
bat töbelijcft enbe berganclielijcïi i.e?; €en2.naer 
befelbe niet begecrïöcft toefen j €en 3^ öefe berfma^ 
ben/ enbe t)it niet aenbeerben/ ban bebtoongen 3ön* 
be. Oft op een anber maniere : €en i . tnet alle^ te 
bjeben toefen j€en 2. niet aenbeerben ban bat noot* 
faecftelijcö i.ö j (Cen ; . bet felbe ooch geern berbem 
(©fttoel: Cen i. niet nemen fonberbante booren 
oojlof geb^aegfit te ïjeböen ; €en 2. niet geben fon^^ 
ber oo2lofi^en ^ niet ftebben bat ober fcöietsCen 4* 
in bet 'gOene bat tot onfen beïioeben gegeben teo?bt / 
toenfcf)enbetalber-fïecbt(iebooKpfdben ; (€en 5» 
blöbe 5ijn al$ on$f pet noobelijcfesf ontb:eec6t» 

Onderfoeck waer door darmen de ghebreken 
van de armoede kan bekennen. 

•y^n eerden / niet toilfen berben bat nootfaïtelikfi 
•*• i^/ 't toelcö nocötan.sf bé oprecïjten armen epgen 
ijf: (Cen ttoeebé/fijn epgé gemacfi toegebaen toefen: 
i^enberben/fönebingé nietgabe teflaenr^Cenbier? 
ben/ bp een te bcrgaberen btngen ^it niet noobig en 
3Ön/begeerlijh toefen en niet geern te gebé: Cen biif* 
ben/bat fïecfit ij^/mi.^-öc fité/en gefparioDept ïjatt: 

Cc (Cen 



Pfal. 6l. 



3S6 Den 1 1. Boeck. Het X V L Cap. 

km fcflcn Afeoftelöcfte cnbe feonflclöcöe Qtmatthtc 
ömgljen totfönen gneO^upcfi Dcgcei-en ; fCenfebcn^ 
(ten/ pet gljcö^upcöen meteen begeerte ban epgen^ 
bom/foo bat öp gualjjcö te b^eöen fouöe sijn/toaec't 
öatmen 't Ocni afname : (€cn ac[)t|ten / eentge loofe 
tceecften geDzupclien om tc(c öingljen tegfjenfeten: 
(Cen negenden / petbccbo^gfjcn/ opiïupten/oftöp 
cenenanöerenpet ftcbben teöetoaren: iCen töten^ 
ften/ pet oberïeberen/ uptöeplen/ontfangen/ geben/ 
oft toel tot fön geD^upcö upt ben l)up(e nemen/ booi 
fefeeren aengenomenenbebcrfierben oojlof» 

5(r^i et' ^ebedekerj. 

IS't dat de rijckdommen ovciTlocdigh zijn , fo en wilt 
u herte daer aen niet ftellen. 
ïccl. 3 1. Saligh is de ri jcke <XiQ na' t gout niet wech-gegacn en is, 
noch niet gehoopt en heeft in' t geit en in de fchatten, 
Matt. 6. Soeckt eerftmael het rijck des hemels , en alle defe din- 
gen lullen u toegeworpen \^ orden. 
Prov. 30. Armoede en rijckdom en geeft my niet , maer geeft my 
alleen mijnen nootdrurt. 
Wy en hebbê niet gebracht in defe werelt,'tis oock fbn- 
der twijfel dat wy van hier niet wech-dr4igê en moge. 
Matth. 19. Is' t dat ghy wilt volmaeckt zijn , foo gaet verkoopt dat 

ghy hebt, ende geeft het den armen. 
2. Cor. 8. Om uwent wille is Jefus arm gheworden doen hy rijck 
was, op dat ghy door fijn armoede rijck foudt zijn. 

D'eerfte OefTeninghe van het bedeylen 
fijnder goederen. 

jTOaet toe TT Et I. point. ^emewht tot bjat epnbe bat u be 
nl.^"?^"^^ * ^ goeberen ban <aobt gcgebcn 3Ört / te toeten / op 
batgljp befelbentet anber^s? ban totfönbec eereen 
gïorie / enbe tot utoer ^k\t faltgöept foubt befleben. 
^beclcgljt/ oftgfjp bit albu$? totnocfj toegOebaen 
Ijeöt. (CenttoeeDcn/toeetbat fjetonfiSnietgeoojloft 
en 10/ bcfcibeïcgfjetelatenliggöen enfonberp^o^ 
fijt baer mebc te boen / gijclijch bien xn't €uangelf e 
bebe/bïefijnponbt berbo^gljbe/maecbatonjcs bebo^ 
!cn too^bt iioopmanfcöap tsaer mebe te boen/ tot bat 
ben ^^eerefal fiom^n j enbe bat op D^t 9lberp?ofijte^ 

iijeiifte/ 



1. Tim. 6. 



I 



Van 't bedeylenlijnder goederen. ^By 

l^thHc/ i^'t Dat topgetroutoe fenccBten bBQCttm te 
toefen / en boo^ fooöaniöD^ oep^efen toiüen too?öen; 

hm toelcltcn böf ponbcn ontfaj^öen fteööenöe / nor l| 
bijf antJcrcbaec bP glictDonnen Ijaböe, 

beticht öof f) ectiiof oft afip niet en foubt begecren/ 
bat ulue goeöeren in (uklut boegen gc(v2upcht foiu 
ben too^ben / oft gijp niet en fouöt toillen / bat üet 
facbt tat göp in be aerbe too^pt / fjonbectmael nieec 
boo2t-b2enge j en leert 6ier upt / bat ben Jgeece met 
rebene begeert batgfjp in fulcfeer boegDen utoe goe^ 
beren foubtgeb^upcfeen/ bat gfip eenen getroutoen 
beflebec / oft upt-beplber foubt mogfien gfjebonben 
too?ben. 23emercfetBierbcneffen3E?/bat'ti,ö^negSP gfntacif^ 
fegöt utoe te toefen/u in geeHber manieren toe en be^ ftet boegm 
ïjooit/ maer<5obt; enbatgöpobecfulcW naeru ^p^"^'^ 
goet-buncben m bate aUeen / ti^t af nieten moogfit moeten 
fcfticïien. (Cen laetfien/gfip en 3öt niet getrouto/in» %tbmtU* 
bien bat gDp jacr[ijb.ö(om fo te feggen}()onbert feont 
toinnen / en nocfitanje? aKeenlöcfe tacötentigfi utoen 
J^eere geeft; en tteintigD berguifl inpbelflept/ en in 
u epgöcn gïjebiupcb : gclücfe bien FinecDt tthz I ban 
ben toelcben top gefcljjeben birtben b'p ben ^.€uan* luc. i6. 
geltit 'Slfo boet Ijp/ hxt föne goeberé/niet opjecfite^ 
!pb en geb2np[itter eeren Oobief/maer totfön epgen 
^ere en grootöcpt/oft cenigc pbelDept baer in foecbt» 

Hetzpoinr. 25emcrcüt "i^axxzt b2p foo^ten ban ©nTauj* 
menfc&en/ oft bnccfjten/ tft om beter te feggen/ban «fn ban 
feinberen gïjebonben too^bem ^'eerftesönbegene/ JftK"? 
hxz be goeberen ban Daren ^eere oft ©aber berboen op W* 
tot fpbcr fpöt en oneer / en ftier boo? öem bebecö- fcDepöcu 
ten, ^oobanige sijnfe/ hiz ftare goeberen mifb?upc^ SSttm^ 
feentot onfeupfOcpt/ enonbctamelijcbepjacDt/ enbe gcbjapi 
ftaer mebe-ghcrenen boo?öaer exempel/ oftanber-ficnbe. 
fin.ö bertoeclien om bun na te bolgen / oft mcbc-bep^ i.^oojtf, 
ien be gene bic fulcfeö boen om batfp'ttcbcguame? 
Iticbcr foubcn mogen boen / enbe in fulcber boegljen 
ohberfioubcn fp met fiare goeberen be bpanben 
<0obtiss. Oen mogften top {jaer-lieben niet met recbt 
bcrgbelöcben / bp be gbene h\t ban ïjaren babcr/ 
oft meejter gfielt ontfangöen/ om^aerte bienen/ 

C c 2 enbe 



388 Den 1 1. Boeck. Het X V I. Cap. 

tnbc tcDcfcBcvmcn/ enöcbitontfiinacn8cbD^nbc/ 

ïjucrcn met ftet fcIDe moojöenacr^ om ö^ïrcn ©a* 

bcr/oft l-Jccre te bcrmoo^bcn/ bnn öe toelchc/fp öaet 

®e2*foo?sfelben 't dooft malicm ^^\inDcre foo^tc isibanaï^ 

«« fuicficn/ ^k 43oöt Iriücn dienen/ enbe De rijchöom^ 

^•'"•ö- men/gcïijcfi öe «gauiarjitcn <6ob cnbc ben '3tfooöen 

ijtcnfr ixiïlöen DccDöfcn^fP lutlïen d? fioopöanöel t^np 

Den Uoo^ 45oöt / enöe beo? l)aef epgen feilien. :3!>'eft' 

oljer al / öaec hm l^cere fijne toapenen (ïelt / toillen 

tiaei* ftare toapens? bpboegen al0 ben Igeere felbe: aljJ 

öen meetler ttoaelf ponben betaclt too^ben/fo nemen 

ip baec ban tot Daren boo^beeï be fe^ /biti^ een beel 

lian be öïoric enbc ban t profijt* ^it sgnfe hk in be 

tcöenvBoo^bfaOept <6obrö berren fcggen/batfe ecnfp 

beel?^ ftaren enigen loille / eenfbeeljsf ben bJille <6obtjEi 

©ibttbe bcoeerentebóïb^cnrren-^eberbcfoo^tefjof/ btetoel 

foo2te ban toeten bat 'toene fp befitten/Daer niet toe en Deljoon/ 

Snbö enbe!ictfelbecl5obeopb^igen/ opbatf)pnaerf(jnc 

lèii/ beliefte bat foube geb^npffeen / enbi onberfoecbcn 

fo^aöbuibelijcli Soebat fij hm l^ecrcftiec mebe ceni^^ 

ge b^eugöt / eenige eere/ enbe glorie fouben mogen 

aenboen. ^it 3önfebtegeöeelöc!t obergegeben 5ött 

in al5Döt^ toille / enbe gebonden 5ijn fonbec bïecfte/ 

cnbe die be rijcfedomnicn bcfer \3ea1t niet gebolgljt 

cnl)cbbé:<©efe/opbatfeiïC^ifnpclenbanC0^i(ïu!2S 

onfen ^a(ig[)maïiet fouben mogen too^bcn / berfa^ 

feent mht berlatent al toat fp befittm/ gelijcli bp ben 

Luc.14. l?.€uangeli|lbebolentooK« (^berïegDtbpufelben 

onbec bjat foo^ten tjifqcml ban menfcOen hat glip tot 

nocli toe getóeejl Oebt/ende boojtaen toefen toilt 

mtiiui Het^poinL 25emerc6t batmcninbenbagObes? 

fcmvttt:> co?deeljS/ een fclierpe reftcningefalfioubenbanbe 

ftaimge ontfangen gccbecen/ loantban jjctbebepfen bei* fel ^ 

bflrü'xVen ber fp?cecl!t ben %|Battl]eu${in fün 25^cap4n fiUc^- 

öaïïij Dcö ïier boegen aisS oft men aïf ban geen acöt nemen en 

oaiDceiiï foube op andere faecften» €enttoeeden/ bemerdit 

ö?miirf öoe bat menfcöeïijche begeerlöcfelKpdtindefetoe^^ 

oatfaiigcii. relt altöt lipt ijS/om tot Ijet ftoogïjfle te geraften/ eni= 

bc andere niet en toenfcfit ban bat ïjet geit feer toel 

bcfïeet foube too jben in fpijfe / in fileeberen/ in l]upi^ 

fingen enbe landen / ende öoe fotteliicöen dat fiet ge* . 



Van 't bedeylen fijndcr goederen. 3 89 

bacn 10 batmen niet ecnö en benciu op De De(!c tooon- 3;n an? 
plaetfe/nocljopairulcftefpöf^/ ftlecöecenciiDcbcr? ömgmDe^ 
ciecfelen öie in Der eeutoigljepöt Duecen fullen. üBcn [^^^^"^3 
fouDe booioaaer fooDaniöcnFJDopmanboojontoö.cftjccüeiïe 
cnöebtoaecf acficen/ btebooaDenfelbenpnjsfouöc pnijoogii* 
iionneneeneüoilelijcfjepeerlebeöomen/ cuDenDCïj^ nucTac^- 
tan.ö een anöcc Die fjp fouDe loeten bccl tlecljtec te f^eiijcü nV* 
3ijn/boo: fijnen l^eere oft boo: fp felben foul^e Voillcn nt eemz^ 
lioopem Hl anber^ tooaDcn top 6002 b*ceutotge toi)!'- ^^ch mw 
I)ept onDecuoefen / al(Te feijljt : if et rijd! Der Ijcmclen 
iö cclücli eenen ftoopmanfoccftenbeaoeDepeerlen. Matr.is. 
o^nDegebonDenOeObenDeeenelioflelijcfiepeerle/foa 
10 Dp toecO-geoaen / enbe ftcbet aï berfiocöt toat fjp 
IjaDDe/ enbe iKeft Die ocfidcDt. Oberlegijt bit In be 
tegcnbJDo^bidöi^^pbt 43obttS / enbe begeert ban Oem 
berücftt te too^ben/ berfoecftcnbeoocfeföne gratie 
taaer boo: gijp in u moogl)t bertoecöen een groot 
lm'\y}cfc\vli:it gf)p een feint De^ UcïM toefenbc/ foo 
boo2ficf)tig[j niet en fiebt gcbjeeft / al^ jijn be In'nbe^ 
ren Defer toereïbt in fjaer geflacïjte. vDiealtöbtbe^ i-ucs 16. 
fo?aOt 3ijn/ öoe enDe in tbat manieren Dat fp meer 
p;ofijt$?/mcer eereenbe aemacliDooa geit enbe goct/ 
xm Dact (ant enbe fant/ ïim ftare feonjte/ ie. fouben 
lionnen beljalen/ jabooirepfenenbeboojrotfentoc 
bicn cpnhz begefteeletoerelbt,- maer göp geb^eben 
fijnbe / 't 5P boe: öct crempeï ban anbere? 't 3P boo^ 
eenigc rebenen mp onbelient/baer glju ftonbcrt-fout 
foiibt mogen pjofijteren/fjour u alleen te b2Cben met 
tacljtentigO^enbe DaeraötJ u'doe bingen fouD honnen 
b302fcecheren/ flcIt u felben/ enbe al toat u acngaer/ 
in\)eelDerIep perijcheïet). 

T\ Terfimen-Jprekingefaia'efen: IDaer bOOjgltpU/cn^ 

*^ tc al bjat il aengaet/43obe fult opb^igen/op be«» 
fe of ( op biergelijcïte maniere. 

/^ Fonteyne van alle moederen, van wieii my alle goet 
^^ afdalende is, ende daer ick alleen den iiytdeylderaf 
ben,ik oTere u de lelve gantfchelijk op,\vant het behoort 
u t'eenemael toc,en ick wenfche allen 'tfelve geheelijck 
tot uwer eeren te beileden. Och oft ick wifte, hoe en iii 
\i'at inanicre dat ick dit op hetalder-beftc foude mogen 

C C 5 doent 



;9o Den I L Boeck. Het X V I. Cap. 
tlocn! Voorwaer ik foiide my daer toe,alscencn getrou- 
wen dienaer veerdelijk begeven,geholpen fijnde door u- 
^^c Goddelijcke gratie,tot uwer meerdere glorie,Amen. 

De tweede oeffcninge van defelve bedeylinge 
fijnder goederen. 

gil 't be^ tJf Ec r*point.53emm6tbatmcntii't b^hcplmfm^ 

öepicnfnm LX ^^^^ goeöcrcn / boo^ al moet onöecfoecfeen Den 

rm moet* tDiUeUan ^aoötalmacöttQö : toant al toat gOpupt* 

mm öm öcöcpït fult ï)tbbtn / öat tcoen öcn toille <aoöt3Qf i^/ 

toiiie of met öcnfclbennietoUer ecu en ftomt/öat fult gijp 

onöctfow ti?p-tiobbcl moeten goetöocncnbe betalen. <Daerom 

Hem begeert ftiec in / gelrjcli göp in andere dingen boet/ 

öat <0obt geliebe föncntoilleu te bennen te geUen/ 

gljelijcft goannejü^een ^oomfcD<i^öel-mangeöaen 

Deeft / aljGföpfo^alJtoultielöcb De i^.lBoeöer <aoöt3S 

ÏBarta gebeden fieeft / omte toeten toaer toe datfe 

begeerde dat öp fijne goederen fouöebejteden : de 

\i)tltlic ftem te bennen gegeben fieeft / dat öetOaec 

aengcnaem foude toefen/ toaert dat Op fijne erffelöc^ 

jbe goederen tot ftet boutoen baneenliercbefoudc 

befteden/ttoelb fp ooft met een feer doo^lucljtig mi^ 

rabel bebefligOt beef t: maer op dat u den toille<aodje8 

Èenbaer tooide/ foo moet göP ufelbcn geljeel *0ode 

obergeben ; toant <©odt en geeft foodanige men^ 

fcDcn fönen toille met te bennen/ diebanteboretï 

baftelötb bp ftaer felben gefloten fiebben / fiaren ep^ 

gen toille te bolgen* ^itije?dat<25odtalmac!jtigö 

boo^ fijnen ©^opfjeet i^ beblagende : 3Bant fp foec^^ 

ifai* 53. èen mp ban dage te dage / ende fp toillen mijne toe^ 

gen toeten/ aljöfeen bolcbdatrecötbeerdigbeptgeï» 

baen Beeft / ende fiet oordeel ban <8odt niet ber laten 

en ïjeeft ; fp bjagen ban mp de bonniffen ban recljt^^ 

beerdigbept/fp toillen 43odcna bpbomen.3©aerom 

ïiebben top gebaft ende gDpenjjebtljetnietaenge*» 

fieu; topbebbenonfesielenberootmoedigftt/ ende 

ObP en fiebt bet niet getoeten i ^iet in den dagö u=j 

toeö baften.0 to02t utoen toille gebonden, 

3Dat aei' Het 2,point.|Baec op dat göp met redene foud mo^ 

wocffcöat gen begrijpen toelcb dat den toille <0odt0i^/ ober^? 

öf jjeftcisf» jj^j^jj^j jjj^j aelmoeffe dOit bet^r ii2f.©oo^toaer fooda^» 



Van 't bedeylen fijndcr goederen. 391 

xmc tó 't I toaec Doo? b'eere ^oöttf alDccmcclt ber^ 
b2c?tl»02tjljiccom t.ö't bat alle 45oötb^ucOttac Ijec- 
ten/töcnfcUen Doo? ft;ire miböelen enöe antrerfm.sf/ te 
mogen üeticcrfügen öat alfe menfcBen foubcnfto^ 
men tot be feenniffe ban o^obt / enbc ben feiben fou^ 
ben liefhebben enbe bemtnnen;ia toaer 't fafee bat f? 
nieutoe fjemelen/ enbe nrcutöe cfjooren bec €ngeleit 
lionbcn maften/ fn fouDen bat aebuertgfilpcfe begee^ 
ren te boen/tot lof enbc p:i)c? ban^abt almacDttgfj. 
o^nbe aengefien tsyx (^abt albec-mcefr ban bc reclu^ 
beecbige enbe gocbe mcnfcBcn ge-ecrttoo?bt; foo 
fcöijnetaen^^Jobtalbec-aengenaemfl te toefen bat^ 
men fijne aelmocffe aen bie gebe/op bat^obsf bienfl 
tiequamelöcft foube mogen b0D2 (laec gefcftieben. 
^aer fijn ttoeebcclep goebe menfcfjen / b'eerfte sfm/ 
Die/ op batfe i^obt httzt fouben mogen btenen/ enbc 
opcecljtelrttftec bolgcn / berlaten b^ptoilligfjUjcIt al 
bat fp \^z^\iitx\. <ï:nbe fjet i^ licnnelijcli genoegf) Doe 
feec '^dii ben i^ecce begeert batmcn alfulcfeen 'txz-^ 
naecö fjelpe onbcclioubeih ^^anberefoo^teisfban 
olfulchen ^\t of bp gebal/ of boo: fiare foute/of booi 
bebtoancö enbe noot gebtoongeri 3ön/arm te toefen: 
be toelcbe i^ 't bat gij» ban utoe goeberen mebe- 
tieplt/ fultoocö toel enbe <0obtb?ucötelöc!tbocn. 
IBaec Boe beel aengenamec bat b'aelmoeffe \^ I ^\t 
men aen b'eerfte / ban bie men aen be ttoeebe geeft/ 
10 ftennelijcft genoeglj. (önbec be goebe menfcfien ctoeefoo?' 
f ijrtbec nocii ttoeeberlep te binben ; tD'eerfte ban be ten uan 
gene W alleen öaec epgcnfalicfjept benecrftigen en f/ufu '"^"* 
öe^ob bienen;be tWt^ziW ftier-en-boben beel an^ ' -^ * 
bere menfcfjen tot \itx[ bienfl ban a3obt almacfïtiglj 
foecöen te trecöen / W fijne eere foccben te berb^ep- 
benenbetebefcOecmen.^attcrfoobanigereligieufe 
perfoonen gebonben too^ben/ ijseenenpcgeUjcöen 
liennclijcft genoegd. €n [jet fcfnjnt batbe cijclv ban 
<0obt geftelt5ijnalép2ocureur0/ aenbetoelcftebe 
rijcltbommcn tot ^m\ epnbegegeben v^jn/ omal^ 
fulcben toecch-liebcn vn ben x^izw^ (öobtöteber^ 
boo2berem €nbe ftoe befetocrcb-liebenbeguamec 
enbe bolmaecïiter 5ijn / öoe fp oocli beter ben feoop- 
Öanbel ban ben Igcere bjijben j beter boojtoacr ban 

Cc 4 aU . 



59^ Den 1 1. Boeck. Het XVI. Cap. 

alfulCuC bieten felben cpnbc/met gfooie onfefeer^ 

Dm tan tctit öacc af öomen fal/eecd gcfociit en aen^^ 

genomen toojben / en tact na ooch met gcootc fojg^ 

Dulbigljepbt moeten onbectoefen too^ben. ^^itftan 

boo? een ejcempcl/ upt ben öröosr-ijanbel getrocfeen/ 

filaerlijcli betoefen tö0^ben:toant toat iHonincft iffcc 

öienietüebec gfjeocffenbeenbe eibaren folbaten en 

foube in fijnen Icgec begceren/ban nieutoe aenhomc^? 

lingen iiic nopt boo^ ben bpanbt en Ijebben getoee(ll 

tüie en foube niet iiebec alfulelie folbaten onbecljou:? 

ben/ t^k Op ober beel jaren felbe aengefcü^ebc Oeeft/ 

ban nieutoe aen te neme/ban be bjeilie öp niet boo?:? 

feliect en iö/ oft fp tot ben fergg nut en beguaem fu(* 

len toefen^ ten (aetlien/ een pegelijïi foube befe folba^^ 

ten boo^ be öeguaemfte fiouDen tot b'oo?loge en om 

eece te behalen/ hit eenen boo^ricljtigen enbe toöfen 

3©eït-l}eer/ met grooten afbepbt im beelbupfenben 

uptgheiefen foube tjebben^ €pgentenbc boegfitbtt 

acnCÖ^iftujj onfen Uonincfi en be teligieufeperfoo^ï 

nen / hit ïjatt tot be beljeeringöe ban üaren naeften 

begOeben / toant hcic Ijebben bunnen roep boo? Oun 

belbt-teeclien / en alle b'anbere/ foo beel alflfer bjo?* 

ben onberOouben/ bjo^ben opgbeboebt op bat fp 

metter tötalfulc&e oftbiergïjelijclie/ gljelijcft befc 

nu 5ijn /fouben mogen too^ben. tDu^ foube 't oocft 

aengenamer toefen aen ben ïioninch /batmen erba^ 

ren piloten enbe ftjer-mannen foube foecöen en on^ 

berl)oubert/om fijne fcOepen en blote booaficDtelijcö 

te liieren mht te regeeren/ ban eenige gemepne enbe 

(Iccöte bootf-gefellen / nerggenö toe beQuaem / ban 

i^et i^ fecc om ben burclj upt te pompen ; foo oocli lieber foube 

ïoftciijck {)p ïjebben batmen öonjlige boumeefter^ foube aen^ 

Scïnm t^^ï^öen ban plompearbepberjC?. IBaer Ooe treifelp 

Doo? aeu enbe eerlijcfi bat Oet i^ boo? ^ob enbe boo? be men^ 

nioEfTcn te fcOeji/ban alle lianten h^ een tebergaberen fraepe en 

S« ^'^ uptgelefen boo?-becOter^ ban 't Catbolijch gïjeloo* 

mtimjm be/oft ftonflige toereik meeltere en flier-mannen in 

tot Dm bescebefer toereU/ baer fo beel menfcljcn bicütoijlss 

SI fcïjip-b^aïie lijben/ ^n i0 wiet ban noobe ïner b?eebec 

fotckmte te lieijoöfeiï ,- hie^ tjiljetölaerbatbe aelmoeffe aen 

xxc^Mih fulcfeeperfooncn albcrbeiï tot profijt en b^ucftt ban 



Van 'cbedeylenfijndcr goederen. 393 

bcïe bcrb^cpbi too^öcn / toanmcrmcn eenenna Dm 
licljameonticröout/ op öatöp becfcöepöen andere 
nae Den geeflfoutie DoeDeiij ja dichtoijl.ö ocbeurtflet 
Docd öatmcn met cenen 0002 öen feibcn nitööcl beel 
arme na öcn licOame te (julpe feomt.Cen alöer-laet^ 
ftertöitgaetbafl/ öatD^aclmoefTe na fiet ööeboefeit 
ban alle öe a3oöt5"-gcIcert)e/ boo2 al gegljeben moet 
too:tïenaenöen <0oDt-b2ucötigljften» l|terom!0't 
bat ben I^.J^ïeronpmujEf/fclpijbenbetegen öen fietter "''eron. 
Btgi(antiuè/en nptleggenbebefe toooaben: jH^aeclit "iëuant. 
boo: u b^ienben ban bc onrecötbcerbige njcfeöom- cap.^ 
meïijb^aegt of bit berflaen moet bjo^benban alfulc- luc is. 
hm armen/ be toelcfte toel onber eenberfleten Mm/ 
en onber öe biipügHcpt ticsi iicfiaemjö/intoenöelöften 
ontftelïen 3ijn met bleefcfjelijcfie begeerten : baer en 
ftact niet/fegt ïvj fimpclijö/ bat be arme faligfj 3ijn/ 
niaer be arme bej^ gceflö ; in be gö^Jï^cpne armen te 
Öcipen en moet men fnn berflanbt niet te toercö itcU 
ien/ maer be öantJt in be bo^fe (leFjeni in be öepIigD^ 
armen moet men bet berftant ber faligljept geb^up- 
ïten/geliju baer gefcb^eben ftaet: ^aligt^den man p^*'-4o. 
tik bem berflaet op btn bcDoebigen / en ben armen/ 
in ben Quaben i^atlj fal öem ben ^eere berloflf^n^ 

Op-draginghe fijns felfs ende fijndcr goederen , waer 

door denrijcken arme , ende gheluckfa- 

ligh is voor Godt. 

/^ Mijnen Godt, (iet, ghy hebtmy defe goederen ge- 
^^ gimz, óonghcmeren goetheydt ! maerzijnfeoock 
oprecht goedt ? ó goedertierenfte jefu , ghy zij t de eeu- 
\\-ige \Vijfheydt,gevveerdichtuditmy te ieeren ,ende te 
fpreké;want uwen dienaer die luyftert toe jmaer fi^t,wee 
roept ghy tot de rijcke,die hier hebt uwen trooft,\vee u ! 
hoe konnen dit dan oprechte goederen welen ? Eylaes 
ellendigh menfch dat ick ben, wien ghy dreyght , ö fon- 
teyne van alle goet ! ]a wat meer is , ghy voeght daer 
by : Voorvvaer ick legh ulieden, want den rijckenfal ©«tijöüa 
qualijck o;eraken in het rijcke der hemelen , ende lijn dit jj^jj^^'f* 
dan goederen? ende wederom; 't Is lichter eenenkemel jtjnmct 
door d' ooghe van een naelde re gaen , dan eenen rijc- ^Oït^ 
ken te komen in u rijck ; ende zijn dit dan goederen ? is 

(Cc 5 dit 



394 Den 1 1. B<5cck. Het XVI. Cap. 

die dan waer , ó eeuwige Waerheyt, is dit dan wacr ? en 
zijn dit dan goedere, ó oneyndelicke goetheyt? In vvelc- 
ker voegen dan zijnfe goet? is ' t om datfe ons acn u, die 
zijt't eeuwig goet, aengenaem maken? hoe kan dit wc- 
fen, daer ghy (fo uwen Apoftel van u ghetuygt) hebt de 
arme in dele wereltuytgelefenenverkorenroft wel,is't 
om dat wy door defe beter enGodvmchtiger zi jn?maer 
cylaes! ick hoore u feggen: Is't dat ghy goet-rijckc zi jt, 
ghy en fult fonder fchult niet wefcn , en alle de gene die 
rijckdommen willen vergaderen in defe wereld t, vallen 
in bekoringen,ende ftricken des duyvels, en veel zijnder 
door 'tfilver en gourverlooren gegaen : fulleiuvy door 
de behulpfaemhey t der rijckdommen te kloecker ende 
vcerdighcruweGoddelicke majefteyt dicnen?maer ick 
hoore u feggen : Ghy en kont Gode niet dienen en den 
tijtkdom: en kont ghy niet ! en konnen wy niet? zijn dit 
dan goedere?niet te min ghy fult ons tot u keeren.Hoc? 
en verfekert ehy niet, dat die 't qout bemint, en fal niet 
gerechtveercfigt wefen ? want dacr en is niet boofer dan 
het geit te beminnen , en faligh is den genen die nae het 
gout niet gevolgt en heeft , noch fijn hope op fijne fchat- 
ten niet en heeft geftelt! en ter contrarien , geluckfaligh 
noemt ghy de arme van geefte, en dat met redenc, want 

fhy hebt gefeyt dat het rijcke der hemelen hun toebe- 
oort.O krachtige ftemmedes Meeren, nederwerpende 
de Cederboomeniftemme des Heeren,openbarende dat 
verholen ende verborgen was ! maer gheloove ick dci'c 
oock mijnen Godt ? geloove ick u v.'aerachtelijck ó eeu- 
wige Waerheydt? geloove ick u oprechtelick,ö eeuwige 
Wijfheydt ? zijn uwe uytfpraken waer , zijnfe feecker ,• 
7ijnfeongetwijfelt, en mach ik dan niet met goede rede 
feggeniWee my ellendig menfchlden welke de verganc- 
kelijke goederen, die ik maer eencnoogenblik genieten 
en mach van u,ó alle goet,affcheyden!goederen,die hun- 
ne» befitter quaet makêrgoederê die hem fchadelik zijn, 
en niet en late fonder mifdaet leve! goedere,die my uyt- 
fluytcn,en onten'en uy t mijn eeuwig erfgoet, ' t welck in 
hé alle goedere befluy t! wat fal ie u doê,o bcwaerder der 
menfchen?waerom hebt gy my wederfpannig aen u ge- 
maekt?Ic weet wat my te doe ftaet,ic fal u ceré met mij- 
ne gocderc:maer wat {c^ ic?fy zijn u en niet mijn.Want 

wat 



Van'tbcdeylenfijndergoederen. 395;. 

VJSLi heb ick doch in defe wcrek gebrochr?wcl is 't waer 
dat ik uytreycker der felver ben, maer eylaes! is 't fake 
datgy in rekeninge treet met uwe dienftboden, wie fal- 
der getrou gevonden worden?lk weet wat ick doen fal, 
de benaiuheden omringen my , en ick worde ^efmeten 
door de bare defer woeite, en ongetemde 2ee,tiever dan 
dat ick foude verfincken; ick fal ' t al uytwerpen,cn ghy 
fuk my mijn erfgoet weder geven: den wegh is engh,ick 
fal 'tal vrywillighlijck af-leggen , liever dan ick in der 
ceuwigheydtbiiyten gefloten van u foude moeten blij# 
ven, en ick weet dat ick 't al weder fal vinden : u en kan ^tt pacft 
niemant volgen dan die afgaet al dat hy befit; niemant? öer.crjck» 
ick verlatet en verfaket dan al, ick begeere,ick bid u,ja Jjj^Jïji-^ 
met ootmoet en fmekende valle u te voet , en verfoecke öeitjcft 
door uwe grondeloofe bermhertigheydt , dat ick doch ^oöt te 
mach uwen difcipel wefenlO mijnen Heere,ó mijne fa- Volgen» 
ligheyt, ö mijnleven ! ghy en verblijt unietin onfebe- 
derft-eniffe en doot; neemt dan van my alle begeerlijck- 
heydt ,en aenveertdefe mijne begeerte, door dewelcke 
ik *t al verfake , ick begecre arm en bloot te wefen , ick 
oftert u al op.Is't dat mijn goederen verloren gaen,ikfal 
eenftemmefik met den H.fob feggen:DcnHeere heefc- 
fe my gegeven, den Heere heeftle wederom ghenomen: 
den naem des Heeren zy in der eeuwigheyt gebenedijt^ 
Is 't fake dat gy van my door den armen vraegt,oft we-» 
deromeyfcht dat u toekomt, belovende hondertfouc 
weder te gheven , ick fal 't u geerne betrouwen,en nim- 
mermeer en fal ick yemant bedroeft van my wech feyn- 
den: maer ick belijde in uwe tegen woordigheyt, en m 't 
aenfchijn van u gantfch hemellch hof, al dat ick fal ver- 
ftacn, *t zy door natuerlijcke redene , 't zy door raet van 
voorfienige perfoonen,'t zy doorH. infprake , te wefen 
tot uwer (en niet totmijnder) meerder eere , en glorie, 
dat fal ick volbrengen. Al dat ik eens verlaten moet,mcc 
d*aftèd:ie ick verlatet nu; al dat ick eens verliefen moet, 
verliefe ick nu, op dat ick 't felve weder vinden macb,ik 
verfaket al, om uwen difcipel te moge wefen.De werelt 
en kent,rioch en verftaet dit niet , wekker neerftigheyi; 
tot cieraet der familie ,en vermenighvuldinge der huy- 
fen alleen is ftreckende; maer ik ben uwen dienaer ende 
getrouwen uy cdeylder, al dat ick fal oordeelea tot uwer 

meerder 



is6 Den 1 1. Boeck. Het X V 1 1. Cip. 
meerder glorie,tot winfteder ziclen,ende meeft nacr u- 
wcn Goddelijcken wille te wcfen , fal ick beneerftigen : 
want u en kan ick niet bedriegen, endcick weet wat ick 
van mijnen knecht foude vercyfchen , ick weet daer be- 
nefFens wat dat ghy van my begeert ; ghy hebt gefcA-dt 
dat ick mijn geldt tot woecker moet geven, aen u fal ick 
het geven, en hondertfout fult ghy my weder geven, la 
ick geef ' t u, en fiet van ftonden aen ick ben arme,iiet ik 
heb 't al verlaten, en volge u na: wat fal dan my ge vvor- 
®obt iïf den? ghy fult my mynen Godt wefen, ende al myn goet, 
ST h?^" ghy fult my in plaets van alles wefen,die my u-licden en 
ttqm m ^^^^^ ^^^^ gcfchoncken; ick geve u my felven wederom, 
plactjS en al dat ick bcfitte ; want ick door uwe gratie hondert- 
lian alle fout hope t'ontfangen,en het ecuwigh leven te bcfitten. 
ftuiin/"''^ Ick geloove u valler, want ghy de Waerheydt felve zijt, 
tniiDc ïjtit ^^^ eenen leugenachtigen menfch; ick geloove u , want 
SjelDiiige. ghy de goethey t felve zijt , en door geen miltheydt ver- 
wonnen en kondt wefen^hoe wel dat 't ghenc dat u toe- 
komt en geven wy dat u niet wederom, o mijnen Heere, 
ende Godt mijnder herten ? ontfanghet dan gelijck ick 
het u op-ofFere, met een oprecht en ongeveynS herte,op 
dat ghy my met der daet wel is *t waer rijck, maer met 
der herten ende toegedaenheydt arm van geefte, als het 
uwenwilfalwefenontfanghtinuwe eeuwige taberna- 
kelen. Amen. 



Het XVII. Capittel. 
d'Eerfte Meditatie van de Suyverheydt. 



D 



EvooY'Jïellifighderplaetfefal wefen» t'acnfCÖOUtDClt 

IBaact MAiirA,uiet ecneontaüijcliemcnigïjreban 
^. M^cQlMn in ïjet ïjeitidfcD 2ccufaicui otJcDue^s 

®c tefcr^ Het i . point. Bemer cïtt bc toccrbtgD^pb ban befe 
öigbcpDt b£ugl[5t / toatccn qclutU cnbc rufle batfc aen bc 5ide 
fiiptore, nicbc-bcplt: fo bat ben $>Iji(ofoopï) ï^lato incï ijccft 
öepöt. becren fcggcn/bat'ct kim tjct mcnfd)c foubc tocUn 
fjelöcft ïjct (cbcn bcc ^obcn / toner 't D? alDicn batfe 
fonbccïjetöcbiiitJhbcrbJOUbJcnD'ibbcn fionncnic* 

bcfon^ 



Van de Suy\'erhcydr. . 397 

bcfoiiöe/ tiiebefetoioïjtteölKnijaf. 3Batit fp toten i. cor.7, 
booitpacc / teat öat i0 hcib^iet öcs? blccfcljjj te öeb:= 
Ijen/tjie be tocrelöt bcuünncn. (Cea öei'öen / ftcnt öe 
toccr^ioOcpöt ban be fupbei1]cpt/ boo^ öcn p?ö^ bic 
de albertoijlte öier boo: aegcbcn Oebben, Wam {]oc 
bcel niacgBOeiien^ fjeübcn Ijict hoo^/im De lief öe 
€\)nai Öacr ieben te panöe aeflelt. ^enfiet öe I^% 
3Cane.ö/Ctir0arnia/^arbara/en gcïjeel Dcdioo? öec 
Iil5aeal)öcn.<ï^n 10 't bat öaec be mactelie oiub^olteu 
fieeft/ foo Deböcn fpbefelbe t1)up^ gefofljt/te toeten 
boo2 een HL-ange berftecbinge èn eene fjacöe maniere 
ban ïeben / ïjebben fp foecfeen be fupbecljept t^onbec^ 
ïjouben. ^Dcmercfit ten bierben/Daren pnj^ upt f}a» 
re moepeïiJcfeO^pöt / bjaec booj ben meeflenbeel ban 
be toereibt obertDonnen too?t : enbe fiierom ijsf 't bat 
a3ob ölmacötig befeibe nieten fieeft toilien (leileu 
als? een gebobt/maec;alisfeenen raebt. ^^emerclttten 
bijföcn/ bat ïjet een tefeen i^ ban be eeubjtge berhie^ 
futglje/ enbe bat oberfulcfe.ö/ i)U be repnigljepbt oni» 
berfiouben/ baten ban eere genoemt toojben, i. Tiieff.4. 

Het 2. point.53emerclit be p^ibilegien enbe uptne-- ®^ p^jJj» 
inentöeben ban be fnpberDepbt* (Cen ecrjten/ batfp öS^^I? 
ben mcnfcö be engelen gelijch maecfet/ja bat meer jjrpDt, 
tó/boo? bien bat b*€ngclen geen licDaem en Oebben/ 
gnbebiesf-bolgenbe göeenenftrijbt onberbJo:pen en 
5ijn/ fo gaen be fupbere menfclien b*€ngelen Ijier tn 
te büben/ naer öet geboelen ban ben %23ern3rbus^, 
Cen ttoecben / tie in repnigfjepöt leef t too^bt ban be 
<i3ngelen oauingftelt enbe befccaert / gfjelijcfierbJiiiS 
bsfnnberen tn'tfc^ncp^glKbeurtijs?/ enbefptoo^» 
benberïïodtmeteenenöemelfcften bauto/ bie ben 
b?ant bcr onfiupföepbt nptbliifcf)t» (€en berben/ben 
fupberen menfcö i0 a3obe alber-aengenacmft /enbe 
fijh geneugte ijS/gelöcfe ben ^.^afiliuis fegt/te ber^ Bani. ub; 
fieeren metfoobanigemenfchen, l^icrom w't bat bi^ fj^J^'s^"'" 
ï|. ji^agöet Maria berfeofcn r.ö gticbjeefl onber bnp? ' 
fenbcn / èn bat ben l}. goanneö boben alle b'anbere 
bifcipelen bemint i^ geioeefr. Cen bierben/be fupbe» 
re 5iele too^bt ban onfen <§a( igljmaRer getrcut in 't ofca 2. 
gclODbe enbe in bermfjertigDepbt/ enbe too^bt ober* 
goten met gDceflelöcfee geileugDtnv boo; t)m batfc 



398 Den 1 1. Boeck. Het X V I T. Cap, 
he Wcftïjelijclic bcrfatcn ficcft j foo bat fp Bonbcrt:» 
mad m öefe toercU ontfangljt/obccmitja^ bat fp bait 
ontallijclic elli^nben bccioft/enbe met beelDccïep ooe^ 
ben bccbult loo^bt- IfjicromtjeJ^tbatbeulgeerebc^ 

ifaiae j6. f oof t bcii bcfriebcnc te gebcn eencn beteren naem ban 
ber fonen enbe bei* boctjteren / enbc bat öaec beel aU 
ber-aenöenaenifte fal bjefen in ben fCempel 43obtj2f» 
Het 3 point.^emercfu bat be repnitjöcpt bé mcn^^ 
fclje albec-bequaemfte maeclit tot be liefbe (öohW 
ut oojfaecöe ban be b^pftept bie öp geniet ; maer bie 
oen eene bjoub^e gebonben W en tjeeft geene macljt 
ban fijn licftaem» 3Bant bic fonbec öupö-b?outoc 

i.cor. y. \0 1 bie 10 befojgbt boo? fiet gene bat ben C^eercaen^ 
gaet/ïjoe \i^x öP a3obe behagen macD; maer xya met 
een {jup^-b^outoe i^i \s\z \^ gebeelt^ (€en ttoeeben/ 
boo^ bienbateencfupbere5iele/ €fj?ï|tumboo?lja^ 
ren bjupbcgont beeft in ben Ocmel / enbe \stx b300?bt 
45obt.ö in ben fcljootban <6obt ben JDaber.bjant Ijp 
maegtjt 3Ö»be/ beeft eene maegfjtberftofen- (Cen 
berben/bemercfet bat befe beugt/be menfcïjen <6obe 

/mbr. 1.2. gelijcb maecïurtoant be onüeberbeltjcbïjept maecfet 

de Virgin, tïcn menfcïi <(3obe albec-getijcbflc/ enbe bat bp ^^n^n 
fupberenenbeonbeblecïuen fpiegel x^M^w bierben/ 
\^^i Öet eeue offeranbe t^/betoelcbe gelücb <arigeneg8 
fegOt/€^Dbe albcc-aengenaem(ie tiS/enbe toaer booj 
bjp albecbefl <^obt ïionnen berfoenen. €en byf ben/ 

Lib. T. de bat befe beugt/naer bet getupgen ban ben 1^, Igiero»» 

Virgin, npmusf/ bergele&en too^bt met x^t mar teïie/ ia felbe 
marteiaer^ boo^tj^^-b^engfjt. €en fejlen/batfe eenen 
groeten loon in ^zn If^emel gereet maecbt/enbe boet 

Apoc.i4. bat bjp *t 3[am bolgen altoaer bat \\%i gaet/enbe bat 
top mogen fingljen fönen fangft» 23emercbt boo^tsf 
met toar ecne fo?ge bat top befe boftelöcbe peecle be* 
liooren te betoarenenbe gabe te (Taen/ obermibt^er be 
igroote pecijcbelen in betoeïcbe top bagbclijf b$? glic^ 
ftelt 3Ört oï^^ bie te berliefen^^Bp moeten oberfulclijS 
bancnöbeeren/al te grooten gbemepnfcöap enbe 
occafte ban ongeUjcbepecfoonen. (OTen ttoeeben/top 
moeten fcbiibt-toacbte bouben boo2 b'ootmoebig^ 
bept- €en berben/be geöoo?faemöept neerftelficb te 
toerche fielten* mimnaerfietfeggOenbanbenH^j. 

2$ernar* 



D 



Van de Suyverheydu. ^99 

5!5^rrtarbuje?/ alfo boegDt öem om onbcrfïe beeïnaec Bem. f<rm. 
onfr 5iek/ckïen.cen.é o^Iöcfi lup oniö boegen iiaer fjct is " ^^*' 
geboot ban onfen Oberftcn / entie bc tocbcrfpannig» * 
iKpbt öei5 bleefcfjiS geeft te bennen cnfccngf}cï)oo?^ 
faemDept. iCen bïerben/fiiec toe fal oocb gcoctelijoc 
Delpen/ fijne beloften öicötoijfie^ te bernieutoen. 

De tweede Meditatie van de Suy verheydt. 
E voorftellinghe der ^laetfe, ^Cenfjet be J?» iBOebCC 

<6ob.ö M A R I A,omcingeIt met f)cnIigeiBaegl> 
ï^thcm/ enbe blaec-blinefeenbe ui ben fjemeU 

Het I. point.23emercht batmenteaen befe o^ngel^ i^ocbat* 
fcBe fupber Dept fonbigfjt : gn ben ccrtlen / boo? on^ "J"i 'ffl*" 
repnegcbacfjten,- i€entb?eeben/ boo? bjoojben bie ÏSl^,* 
centgöfin^ ï}kt toe flrecfiep; €en bcrben/boo: be ge- mgüu 
noecöte bie men fön bijf finnen aenboetJilSaec be te^ 
feenen ban befc ^cuQ\)t 3ön: be oogen/tongeenbe oo- «ckstim 
ren teel te betearen* Cen tteeebcn/ feec teepntgS ge> Sg^Kt^' 
bjupcücn Ijet bene ^at De finnelien^ mcbe gaet/enbe ' * 
ban Ijcm toepren/al teat facfjt enbe gemactjeücfe i^. 
(Cen becben/ repnigöept in btn mont. i€m bierben/ 
repnigfji^pt tn alle b^ientfcbap/fcöouteenbe te groo^ 
te gemepnff öap ban b^outóen/fiare t'famenfp?ebin=^ creg. 1. 1 1. 
gljen enbe giften. (Cen bpf ben / blieben al teat befe ^orai. c. s: 
beugijt tegen fies/gelijrb 3ön/grammoebigDcpt/Doo* 
becbpe enbe gefelfcöappen. €en feflen / fupbertjept 
in onfe gebacOtcn/ enDe alle beroerten/ 't 5P toaben* 
bc/'t 3P flapenbe, t^itfijn be blaberen ban bealbec- 
fcboonfte lelie ber fispberljepbt. 

Heti.point. ^Dberlegtbeleelijcbbeptbanbecon- ©ciaiüRs. 
trartefonbe/aenmert [ïenbe ben oo?fp?oncfeban onjaf pept ban 
Iicl)aem/öet teelcLMöb'oo2faftebanbeelberlepbup' g^öiif^^^^ 

ligïjeben enbe ontallijcfïe fïecbten / enbe ten laetften *"«'^*'^* 
een fppfe ber teo^mé; ^laet bier op eenjsJ utee oogê/ 
tntic gOp fult bemercben be leelijcbbepbt ban befe 
fonbe/in fulcher bocgljen/bat be nat uere ben mcafclj 
OOeleert beeft/ altijbt bier toe eeiügïjeberbo.jgöeii 
plaetfen te foecben. ^telt bier-en-tegen b'ebelfjept 
ber 3iele/ enbe bemerc&t ijat bare gbenoegöten/ beeC 
fupberber 3ijn:bie0 bcrfaecbt alle gencegbte/bie bet 
licDacm aengaen/ enbe fcecbt be teel luft en/ enbe ge^ 

noegtj^ 



400 Den 1 1. Boeck. Het X V M. Cap. % 

nocaOtcn Der 3ic(e / enbe flicct öe fcibe tot Oct ö^tie /, 
Greg. 1. 31. bat tjcmelfclj i^, OEen ttDceöcn/Ocmccclu Ijare Ixiccc^ 
Mor. c. 17. iicn : öc toelcöe 3ön bcrDIiniïjcpDt öc^ fjerteiv onbe^ 
öacljtiaöepöt/onge(ïabigöepöt/öae|ttgöcpöt/lüföe 
fÖHö falfö / Ijaet ban <0oöt/ ccne bcocette tot Ijet te* 
OcntD00^2btgl) Icben / enöc ccnen fclj^oom euöc teaiti: 
|)opc ban f)et toeliomenöe, (€m lactflcn / öefe fonbe 

btDingf)t ben menfclj/tot alfe onüeDöo^iicf^e öi»ö^»/ 
lob 31. enbeiöoïKiiJcötJcn JB^opfjectgobfcgöt: €enbpec 
tottcc bcbccbeniflTe toe berfltnDenbe, (Cenöcrben/ 
oberïegïjt / m Ijoe bcelfonöcn/ öatbe menfcljcn baU 
len/bie met bit bpccontfteften 5Ön/tn f)oe bcel peröc* 
èelen batfe feomcn ban (jaren naem enöe faem/ cnöe 
Man De feracijten foo ber5ielenaröDei5ficöaenii$te 
tocrliefen; be menrcfjen too^ben öier boo? ben beeflen 
öOeliicö / oocft naer Ijet aeboelen ban be i^epbenen / 
cnbe fjet 15J een onberfabelijclte aöenoecljte / hit niet 
ücbteiijcfe t'ont&omenenisf» ^oemercötüoeClj^i^ 
ftuj3f onfen ^aUgOmafier / enbe fijne l^>epligcn / met 
gare oogen / enbe gantfcö fiaer nptbjehbiglj gelaet / , 
befe contrarie beuaïit betoonen : ftet / öoe batfe fiare , 
oogöenbetoaertOebben,- toatecnenbaetbatfpglje* 
öabt öebben ban alle nteufgierigljepbt/ enbeljoefp 
alle occafien eenigljfin^ tot fonben trecftenbe/geblO' 
ben Debben/gelijcberbJitó gebaen Bebben be i^cpliOé f 
56ernarbU30f / ^öenebictuie?/ €bomai2^/ OEbmunbuss/ J 
faberiujef:enbeaenmercFitDter-en-tegen/boefcf)an* 1 
belijcft batfe gcbaïfen 3i)n/bie bier in niet toel toege* f 
fien öebben/al toa.öf *t bat fp anber^e? ijcpltg ban ïeben 
bjaren; gJeUjcft ^abib/ ^alomon/ ^ampfon enbe 
De verb. örtbcre / toaer af ben bepligen^uguftinuö fegt:3|cö 
Domim. fjgj, bebonben bat be Ceber-boomen ban 3libanu;e? / 
tiic (eptfmannen ban b'anbere toaren / boo: befe 
fcöabelicfee pefte ban onftupfcbept gebaUen 3ünjba« 
be bjelcfee it'^ niet meer acbterbcncben^ en babbe/ 
ban ban öetoneerlicfe ïeben ban^mb^ofiui^/oftl^ie^ 
rottpmu^ : enbe berret g!jp in ben fleur enbe jeugbt 
ban u (ebcn/ toef getoefr 3önbe/in 't mibben ban aiie 
perijcbe!en / fiopen t^at göp fupberlijcö fult bonnen 
leben I 
Het 3, point. 55emercbt Doe bat <0obt in be toerelt 

befel 



Van de Suyverheydt, 40 1 

trefcfonDcöe(!caftfjecff.€en i. met bert aïaemcpné ft fïraffe 
obccbloet. Cen 2, met fjet Decnieien ban ^oöoma. °;"^^f, J'/// 
(Cen 3. öoo^ be öooDt banöe i^ijwfmt gfracliten/ KupftjcpDt. 
boo? De beröccbeniffe ban bc hmöerc ban i^elt/boo? Genei. 7. 
ftet onge(ucfttof) epnbe ban ^ëalomon / Doo^ hc bet- ^um '^ . 
bolGïnöfje bie ^abtö öccft moeten löben ban fönen ,.Reg. 4.' 
cpaOen fone / enöe boo? ben bal ban ^èampfon / $c. 3 Reg.i i. 
23emercftt baer-en-boben be ftcaffen en pijnen / ï^iz f^^fl J^- 
be onfupbere m bec eeutoigfjept löben/tecoojfaecfee 
ban eene oenoeote tik ecnen oogenblife tijt^ gebuecE 
ïjeeft/befonbcrlrjcfi in be libtmaten met betoclefee fp 
be fonbe bolL\:ocbt liebben / a^flefeen 3önbe tn eene» 
b?anbenben poci/baec fp oocö groutoelicfee tormen- 
ten löben/ tn alk bare finnen / qüijth onö berfcbep*' 
ben bifioenen / enbe openbaringen geleert bebben. 

G H E B E D T. 

/^ Alder-heylighfte Mager, cndeKoniiiginne van al- 
^^Ic maeghden, aeniiec ons doch, met uwe minuelijc- 
keoogen,ende aeniiec onfen ftrijdt,ende d'oorlogen van 
de kinderen van Adam. Evlaes ! fy leven in het midden 
van hare vyanden,in * t midden van ontallijcke perijcke- 
lenjja fy zijn gcdvvongen,hare vyanden by haer te ioge-» 
ren,te voeden, ende t'onderhouden ; want niemandc lijo 
eygen vleefch oyt gehaet en heeft : ende wie fal het ge- 
voelt van defen vyant konnen ontgaen? Siet van defen is 
verwonnen geweeft, den alderheylighften David, eenen 
man na het herte Gods;den alderwijlté Salomon,den al- 
derfterkften Sampfon.Wie fal hem dan konnen verwin* 
nen?0 hoe veel duyfenden heeft dcfe beeftevernieIt,eQ 
geftooten tot in den afgronc van der hellen oock opdefe 
ure! Och hoeveel verborgen en fecrete fonden en Doof- 
heden fullender tevoorfchijn komen van menfchen, die 
«u Godvruchtig en heylig fchijnen te wefeniWant dit is 
cene algemeyne fonde, die ons ingeboren is,endevv^clc- 
ke den vyant van der hellen gedueriglijck foeckt in ons 
t*ontfteké. Och hoe ongeluckig zijn wy ellendige men- 
fchen! o mijne zicle,die van fulcken wreeden vyant fon- 
der ophouden bevochte wort, daelt neder tot in der hel- 
len;en is 't dat het u luft in der eeuwigheyt te brandê,op 
dftt ghy voor eenen oogenblick fout i;nogé fijiaken eens 

<3^ O bitte- 



402 Den 1 1. Boeck. Het X V 1 1. Cap. 
bittere genocgte,fo gaet voort,endc en fchout d'occafïé 
niet,macr bemint de perijckelc,en gaet in defelve verlo- 
ren. Indien nochtans dat ghy wilt wijs zijn/o hout dele 
beg2erlijkheytin'tbedwang,li:iei-tuhcrtcopvvaerts toe 
uwé Bruydegom,die fijn vermack neeint,te handele met 
de kinderen der mcnfchen.Waerom luft het ons meer te 
wen telen in' t Hij k met de verekens , dan te genieten fijn 
omhelfen ,cn met de Engelen te verkeeren; en haer- lie- 
den gelijck te wefen ? Weeil indachtig hoe edel dat ghy 
zijt , ende en wilt u lelven niet al te feer verworpen om u 
lichaem te dienen^maer neemt de vlucht: in de vlucht is 
de vidlorie en u falighcyt gelegen; in harde faken is defe 
foetigheyt te vinden , in moeyelijckheyt is den meeften 
frooft te behalen. O mijnen goeden Engel, die my hebt 
inuwebewareniffe, en die eenen leyts-man zijt mijnder 
ziele,keertdoch altijt mijn oogen af,dat ick geene ydel- 
heyt en fie , op dat mijne ooge mijne ziele niet en verra- 
de ; datmy de vreefevan mijnen Godt wederhoude , dar 
ik fijn Godlijk aenfchijn alle eerbiedmge bewijfCjOp dat 
mijne vyandé tot geender tijde dé fpot met my en houdé. 

Pradiijcke om de Suyverheydtt'onderhouden. 

<etmnx^ nrcn ecrflen,b!iet ailc occafien: toant t.ö 't bat htft 

rcmcöie iö nabotgenöe fclj^ifmrc etqtn^ te paffe ïiomt / foo 

fcijoutDm tsf't fner/tetoeten/Dic liet perijclui bemint biefalöec 

üoccafie* tn toérgactt* ^ierom toaie? 't/Dat öen 1% Cpp?tanu$? 

cvpr'ian f^ÖÖ^ / batitien lüctm öeljoo^t tanoii te öujben tii be 

de fing. * teaentooo^bïgö^pt ban b^ouiSf-pcrfoonen» €tï ben Ig. 

cier. ©afiliu.ö leect/batnic alle neeriiioïjept fai bcen/om 

confti7* öUe conbecfatie ba» b^outocn/iji^'t mooeltcfi/ t'eene^ 

Monaft. mael te fcDoutoé/maer i^'t bat liit met bcinelijcft en 

"p. 4. fö/ batmen immer^e^ foabe beneerliigen/ bat befeltic 

feer felben/en op Detaibec-lto^tfte affcljïeben»|Baec 

öe Ujei'eltlijclte mcnfcïjen/ en moeten Ijaer niet laten 

boo^ftae/bat hit allee boo^ be celioieufc bient.aBant 

fp mogen eenjs? oberbenclien/ oft f^ in 't mibben ban 

fo beel pefijclielc meecboo^fcftcct 5Ön/ban alfulcïaV 

hit boo? gebucrige oeffeningé berC^obbnif ?)tig{)C)tJt 

gctoapent 3ijn^ aiDabeniera berliaelt ban ben €* ^» 

5^i'ancifcu^23o^2gia/ batals^ljnnocöinbetoerelbt 

toa^s^/nimmermeeveenige bjouüjêgincö Oefoecüen/ 

ban 



VandeSuyverheydc, 403 

tm een fiaprenMeebtaengöetrocfeeitöeftbenlic- 

(Centtoeeöê/ö'eerfle oprijfenöc gebacöté/teritont 
beröjijben en toeöerfiacn/ teUenö^, oftDe ruptcn ban 
öc gclafé/of De ftepcr^ ban öe foiöennge/cf pet fuU'jC 
een-nemenöc b^aec mcöe top onfz gcbacöten foubcn 
moaen becfïropen/oft kodeentoe ö^oebe/of luontiec^ 
DarcöcffineöeniiTen nmttt Ijercc» oberieggsnbe. 

rCcnbecDen/ fönlicljacmliaüijtien/fonöerlinaDe 
boo? ballen: toant öier doo^ too^t Det boctfel ban hit 
bpec berminbert : ^ch cafiijbe mijnlicïjaem / fegöt 
bén gcpligöen ^ipoftel ©autujsf/ enbe b^enge bat m\^ ^' ^o»^- 9* 
ber'tliebtoantït. 

(Ccn biecbê/niet foex ïjen ban ongelrjclie perfoonc/ 
op eene fonberlinglje maniere/ tjeannt/ge-eert/noclj 
gefien te toeftn/cn aiïegememifcöap/en 't befoec Iten 
affnijben/ cocfi ban fijnen 23tecör-a^abcc felbe/'t en 
toare Uat bé noot auöcre? toaec beïepfcöenbe/gcUjch 
be l^epligen gelöDon 3ön te boem €nbe fjierom ijs 't 
batmenf02g[jeiijcèi33anbdt/ alfmcnte fangötTa- 
men fp^eccht: toner upt hQmt 1 batmen fijn Ijerte xz 
feecopnivViöantJcrcnfuit/ enbcbatfonöeröctfelbe 
Oöevaaer te b302ben. aBant al \^ 't / bat oncJ ooci? be 
llepiigen befen raebt geben/ ban altijt zzx{%k{ "Bxtxxyt^ 
©aberte g6eb:«pcf?en ; nocljtansJ aen öem gelijcli 
geIjccDt tebjefen/enbe a(.ö öp b^ccö t^7 al tcfeer naec 
Hem teberlangöen / en is nietfcnber pcriicliel/ ia i^ 
feer fcfjabelijch in ben göeeitclijcben tDec|{. 

(Cenbijföen/ alle iebigöcpt op ftet alberneerftig' 
fïefcfioubjen : toantbeelQuaet^ f^ceftbe iebigijepbt Eccic.53- 
gfjdecrti ^itijefgöetoeeftbcbooföcpbt utoecfafter 
;^oboma/ fcpbe hzw g^opljeet/ fjoobiirbpe/ ber> 
faetöepbt ban baoobe / enbeoberblóebigljepbt / enbe Ezecb. i^. 
Öare/enDeljaerberbocDterenlebïgöepbt» 

€en feften / Iet op be tehenen ban be bleefcbefijcfte p- ^o"^^« 
Üefbe/ betoeUfeeben Ijepligöen ^otiabentura onjj proVföu^ 
geeft» €'eneer(tcn/pbele fabelen/ en onp^ofijtelijcfee cap. 27. 
t'famen-fpjeöingcn geb^upcften/ baer ter r oiurarie ® ^ Jf"*«^* 
begeetlelijcfteliej^epiacöt geboet te toefen boo? ge. KffU> 
fticDttge t'famen-fpjaüen-Centtoeeben/onDeDoDre^ j^euffW 
Inlïe manieren/ en roeringen ber fcben: toant be gee? 
ftelijcfee liefoe/i^^ gefeten/ en boojficijttgli/ enbe boet 

^0 2 bat^ 



404 Den 1 1. Boeck. Het X V 1 1. Cap. 

jtintimn fijne oogcn toe! betoaert / en alleb'anber ïe» 

ben onöec 't öebtoancft ban eencn goeden reael \}ouu 

\€cn beröen/een ongeru|tiaï)cptöe5^ (jccten/fp^upté- 

te upt Oet toeclj-'^cfen ban öe oene öte me Kef öeeft/ 

obeföenehenöe toot ï)p boet/toacc ï}:it Op i^nuacc De 

Oee(leIijl»e üeföe/en b^aegt t}iet niet naecjCen bier* 

ben/ Qualijfi nemen bat Dp ^^n anderen lief Heeft/ ja^ 

loers? toefen/bat ïjp eenen anderen aenfp^eeht/of dat 

s.Hieron. ï^mpcmantraetb^aegt. €enbijfden/iicütelücöen 

Neot-^'* fonderredeneontftelt toefen. fCen feften/ de Ijeplige 

rum. ^' liefde en toeet niet/ban fnutdoecxftenjef/baiecfeernpj! 

en/ bei'fcöepden qifthcm/ minnelücfie en amoreufc 

b?ieben te fepnden. i^en fcbenficn/ al tefeer gebepn* 

fen/ a\^ of top de fondeu ban den genen die top aldujJ 

beminnen/niet en fagen/fo batmc de felbe/ooö fom^j 

tüts? fcfiijnt te beminné.^it upt dêl|.^ieronpmui2f* 

TBt febenfle p^actijcFte/ende eene alder Defle toaer^ 

fcboutoingeiiS/die oocdoo^d'ecbarentftept ban beel 

jbepjocftijS/ een ander niet lic!ite(ricfi teoo^deeïen/ 

ofte bonniffen ban defefonde: tonnt öet gebeurtfeec 

bicfttoölïf / batmen in *t gene toaer af men eenen an^ 

Rom.2. beren oojdeeït/ geïijcftden ï^.'^potlelfeertoelfeöOt: 

^n felbcn berdoemt ; toant dit gecnen anderen ooi^ 

fp2oncïtenOeeft/dandeï)oabeerdpe/biedicfetoij!!efirt 

fodanige menfcFjê niet eer genefen en toon/boo^ dat 

f 13 feïber in onöupfcfjept gebaïlen 3ön •» ^iet fiier af 

ber fcïiepdc exempelen in't leben bande O^utbader^* 

^e acbtfte tjü? / füne upttoendige finnen op f)et al^ 

ber-neer|Iiar)|le te Detoaren : toant Dier npt bomt aï 

fiet duaet in debiele- i^ier toe dient upt fijn öup^e? te 

bannen/alönaec bte en oneeriijbe beeldenrtoant i.ö 't 

fabe/datna ïjetbermaen ban den l^.lpojlei niet ge^^ 

noemt en macD tooiden onder de Cö^ifrenê datbupl 

of t oneerUjcb t jf / öce beel te min mogen fp öet felbe 

aenfcboutoen^lBaer men fiet/eptaeie? ! bp-na ober al 

bat fuicae bertoecftfelen boo?ti^ geflelt too?den-g.<Jt 

bat de fpijfe mijnen bloeder berargert / fegijt de!i ^» 

i.cor.8. ^po^ei pauïuj^/foenfalicbgeenbleefffjeteninbec 

Matth.^ ccutoigl)cpt:i0't dat utoe ooge of utoen boet u berar^ 

Mdrc.9. ggjf/ j-pQ fje[jjgt jjgji ^eerebat top dien af fullen fnö^ 

ben/ende toecD tooip<?n» <tEnd^ toie falaen befe bon 



wn 



Van de Su}Terheydt. 405: 

nen toij^-mafeen / öatfe em bcrtoecftfef cnbc uiflru^ 
ment ban be <0oböinn^ Wenu^ tnelenöe èonfteirjcft 
gefcöilbcrt/maec naccfet/tDccO fouben too^pen^fp en 
toillen niet bat befionfte bedoren gae/ enbefP3ijn 
niet berbaert be 5iell/bie met CD^iftt bterbaer Dloet 
gefeocDt 5ön/tebernteïen enbete öebcrben/fp fijn bt» 
b2oeft bat be öeclbcn ban eenen e;ccel[enten fionfte* 
naer beboiben too:bcn/enbe en5ijn niet belaben/bat 
be beelben ban Oobt aïmaclitiaö a^fcD^^nt / enbe tot 
be éelfcije blammen bertoefen tóojben.(9 I^eecc3;e- 
fu/öoe i&'t te bergeefjaf 't^ene aö? öaec-lieben gcfcpt 
8ebt:31Batbact liet ben menfcö/ i.ö 't bat öp alle bc Matt.iö. 
toerelt toint/maer fijnbec stele beclieüJ Ipt^ %oe feont 
(jljp/ o öoefeont gftp oocö alberminnelicfejle moebec 
met goebe oogcn 'aenfien met utoen geDeneöijben 
^one/ bat6up!Êf/ toaec in 'tbectoeclifel bcc onfeupf^^ 
l]c^lM I öoof fjept en Debecbentffe allen ben genen \^\z 
baer in ftomen/ boo^geftelt too^bt \ 5Bant toaec toe 
iö*t/bat een buple enbe oneerlijke fcDilberpe be falen 
ban be Contienen onteert* Wi mogelijli om bat beu 
meefter ban ben Ijupfe inbacötiglj foube3ö»/ ottï 
ïjem tot oneer te begeben/ enbe op \sdx ben genen/bie 
ban bupten inliomtenbe fulcfe^fiet/ 't felbemet bet 
ïierten oocft foube begeeren K oft om "^i öp be fton(!e 
foube mogen aenfcftoutoen enbe fyne 5te[e berliefenl 
gich late mp ontbJiifelücli boo^ltacn/ bat ben bupbe ï 
btier ontrent iö / bie b'ooge bcr gener \i\z baer inlio* 
men/bertoaertief ftiert/ om in befer boegen be 5ielen/ 
^\t fulcfeö niet berüjacf)ten/te mogen betrappen/ en 
Daer fijn benijn in te gcben/'t bjelcè onber bé fjonicl) 
gebecftt is? . €n toat geboelen bat i 1^ \yz\s\sz ban be ge* 
nc bie buföanigc fcljilberpen maftenfeanmc genoeg 
berftaen/al en fegge icft ahberö ntct. ^efe utoe tocr^ 
feen en sön geeneafgoben-beelben / maer benbpant 
ber 5iele lieeft booj u gemaelit een Itonftigen ftricfi/ 
om be 5telcn te bangen boo: \\tx gcficl]te: §0 't falie/ 
bat u berflant enfeonftelnVralbermeeftinfueeïteit 
meefl berfmacftt/foo toont gijp toel/toaer utóen aert 
u toe b2ijf t:;z^e bpant felf^y en fean niet in alle stelen 
berbeelbéeenigeoneerbaerfjept;maeröptoéfcfltbat 
ban \X'\\z\yz\\ foube in een fcljoon paneel uptgebniclït 

^b 3 teo^ 



4o6 Den 1 1. Boeck. Het X V 1 1 . Cap. 

tDo^bm tm ocöucrigö berteccftfel ban föne oneer- 
bate boof OcïH / enbe öe tcecöenen ban fijne bictonc / 
öoo^detDelcfecljpgemaecfuljceft/ijatöeieöenCï);^!' 
fli/fouöcn tDOjben IcDcn ban eene oneerbare b^ou\üc» 
aoaer't falie dat qUp toonbet en leeröet boo? fcftilöe^ 
tpen/mtt bjat mtb'oel bat u baberlant berraöen foii^ 
t»e f^nnnen too^öai/of be gemcpne finartctc of 'Zl)2-c- 
fortcr-fiamer fonbe ftonnen berooft too^aen/en foiib 
Cl]p ntet met recljt/ al0 ecnen bcrraber moeten too?^ 
tic cetiraf t^sJBn toacr't bat gftp fulr x tn be liercfte bt^ 
ti^eef t/cn foube men u niet a{^^ ecnen feerch-fcïjenDcc 
ïioubc^ v^n nu/en toeet odp niet bat be 5tele üet ljur-5^ 
en ftct hafteel te? ban uW .^alicjma&er/en bat be feb 
bc albcrftrancftfle 10 ba befijbe bacr fj? bereenigt i$s 
met ftet blecfcO-f €n tocet ^Ip niet bat Ijn bé tempel 
45objJijes/baeraf)pbefcfcf?anbe(ijIiebee!benmftclt^ 
^0 baerontö2eec^t be b^hornuiebedbnpbclé/ gDt^ 
caetfelf^en boet fjct tnerft ban befé boofcbiJartt met 
alle uVöc feonüe en bcrnuftOept»3!fi en bJille firer ooh 
njct berftöijgen/ te ber maneh/batmen flet Icfen ban 
oneerbare bfngen in aller manieren moet fcljoutoen/ 
en be nieuf^ierigOept moet temmen en bebbjingen. 
a©ant bjat begeert gfip te toeten/bat gfip fonber fon ^ 
bentet en moog!)tboen^ cl^nalijfö fullen be bienaerisf 
toanl^enufif 'tfelbe bp be i^epbenen goetbinben/enbe 
f5l \}it ben C0.2iftenen biel beliagen^ iBaer glip fult 
mp boo^ antbjoo^be geben / bat gOp foecht be öonfte 
ban be toelfp^efeentöept/en om u felben in berfcftep^ 
ben talen te oejfenen : maertoiltgöpljierboo^utoe 
goebe manieren/en 5ieïebcrliefen^ <èöpb)iltleeren 
toel fp2elien/en aualijh en ongefcljirötelöcli leben;Of 
om beter te fegg^ qualijcl! fp?ehen/en gualijl! leben: 
3Bant upt be obcrbïoebigftcpt ban liet gene baer f)et 
fier re bol af w / bacr fp^eecöt men geerne af. o^nbe 
b3aer toe bïo?,ben hcfc faljen gelefen / ban om naber^ 
gant booHöf te ber tcllenj en op ba t fjet foube fdnjnen 
batmen erbaren töenbielfp^eïtenbeinfietgenebat 
be ftonil^: ban minnen acngaet/ en oocfe batmen me^ 
niglmtacl geoeffent Iss in benbiincbelbanaiberlep 
boof[)ept:infgeli)cli!$ op batmen ben feofteïijcften tiie 
annuttelöcli foubi? mojten berQuiften / enbc baMiiec 

booi 



Van de Seeghbaerheydt. 407 

troo: bceï pielen foubcn berloren Qatu. €en laetfim/ 
op iat in 't miötren ban fiacc-f tcbcn fouöe gcbonöert 
to02bcn öen DooDcIyclicn bpant ban te fnphaïjunht/ 
öifmenbaabaccbecöjcbenliccft/ boo^ onnutte eabe 
oneerbare tooo^ben/ ben lieffjebber ban alle repnig^ 
fiepbt/ ben ^one ban eene jiBaget* 

Schiet - Ghebedeksns» 

T) Oorftecckrmijnvleefch met uwe vreefe, want van Pial.118. 
•*^ uwe oordeelen heb ick gevreeft. 
Heere voor u is alle de begeerte mijns herten.ende mijn Pfal.37. 
fuchten en is voor u niet verborgen. 

Het XVIII. Capittel. 
Meditatie van de Seeghbaerheydt. 

D(Ê ItcftamelijcttefeegfiDaecbcpbt/ficIpt öroote^- ©e f«gb* 
UkM naer t)et geboelen ban aüe b^ijren / tot be {?3«i)Épti^ 
gcruftigbepbtenDc gefclnclitfiept : X?icrom ijc^'t bat l^j^j'^sepée* 
gi)P centgen boo^tganchtotit boen/ beucfttöierop 
röpclijcö/ enbe aenbeert befeibe met alle neerdigi; 
i^pW enbe niebiteert fiier bicbtojjlief af ♦ 

ï be vooYflellinge der plaetfe , fal b3efen U tC ftcUtnin 

^<3obt!8f tegen tooo2bigöepbt/ al0 oftgbpeerfimael 
gefcljapen toaert/ enbe u licOaem met alle fijne libt^ 
maten ontfangen InW op bat gbp be feibe ter ecren 
45obt0 foubt mogen gcb^npcfeen/ tntiz Dat fp u fou^ 
ben mogen toefen bjapenen / bienenbe tot be gcrecö- 
ttgbepbt / nUt tot be üoofDcpbt / geïflcö ben ^poftel Rom. 6. 
fpaeecbt. 

Het i,point.5öemercfttbatbcfeegDbaerï)epteene i^atttc 
beugïjt W be toelcbe becerliiclifiepbt/ enbe ïjit \otU f«gt)baer« 
(laen tn alle roeringen beiS licöaemiS onberftoubt/ LTof^p"'' 
maer befontierlpcö in betekenen bie men met b'oo^ öaategcu 
gen placf) te boen/ adjt nemenbeopbenperfoon/ ftanmif* 
plaetfe/ enbe tijbt : men mifooct Ï3kt tegen boo: ^^» 
plompe/boo? bjoot-b^oncFien enbe boo^2 gfiemaeclitè 
manieren ; bemercöt/ oberloopcnbe utoë toereken/ 
oft alle be roeringöen enöe betoegingen utoeölir^^ 
Saems? Bier nae/ enbe na bet upttoijfcn ban bare 
tcg^Un/ gepaHsönj oftberijntgijepbt/ ootmne;= 

^ b 4 t\Q^^ 



4o8 Den 1 1. Boeck. Het X V 1 1 1. Cap. 

©aft m biö&ept/ <0oötb?ucfttioïjept fiiec in uptfcDönertiOft 

bc fccg. utoe oogöen b^rcnöelflcfi / en niet (luxeen ftacn/nict 

hfl« mS.^ tl^^^^^^t^ ^" öectoacctss ti?acpcnbe / niet al te feec 

iiierc geu^ opgeljebcttjtoant öefc becfaer ötben l|eere: öet öoofr 

aeniö. moct recftt gfjefjouden toojöen/ een tDepntolj nebec^ 

prov. 6. toacutö bupgcnbe/ntet licötbeecbiafilijö (jectoaettjS 

enöe dectoaectjCf gO^ö^aept toojöen/ De lippen mate* 

lijcö gefloten; ten laetflen Bet getjcel aenficljt blijöe; 

tib. I off ben gancFt/ toaec in ben ^* %mb^ofiu^ öMutoritept 

c.ic;.öc2ü.fegbt gïjelegOen te toefen/ enbe eenteccfeeniie^ban 

eene inb3enöige ftilte beö ijttmx / moet met fimpel=» 

ïicpbtenbeeenboubigöeptberfaemt toefen; be hlee* 

beren cepn/ beöanben moeten liügö^ïjouöen too?^^ 

^ttqham bert; beftcmmenietalteüil/ göebjoöen/oftboec* 

Dept moe acötigö/ maecfoet/entYameneenigOemannelöcö^ 

fpjahe» |^gpi3t beftonbenbej be fp^aöe fonber becoette/bjeeb* 

famtgf)/b?ienbeïöcli enbe (lil : toant een foet tooo?bc 

maecötbiehtoöl0beelb?ienben/ enbeeen tooojbt 

gelptbichtoijliBf fjiec meectoe/ ban groote giften. 

<Êrtbe ben ^.^mb^ofiu^fegljt op eenè anbere pfaet^^ 

fe / bat utoe fpjalie/ claec/ fimpel/ open enbe fonbec 

omtoegben 3P/ met alle begelijcbbept en ftatigtjept/ 

niet gbebepnfi. W^ gfjp met pemant met tooo^ben 

niet ober een en Bont l^omen/ bat gyp niet en boft 

met eenigegramfcbap/ batgOpniemanbtenbec^ 

maent met bitterftcpt/ niemanbt en onbetrecftt met 

tiuabe gratie- <Ên menfoube nietöonnenfeggen/boe 

grootelij(lij$bat befe bingen Qelpentotbe beugbt/ 

enbe tot b^intoenbige bereeninge bejof öerten. %\\^kt 

jTBatig- öient oocit be beugt be toelche Jjclpt om alle bootfen 

liept m en iocberpen te matigden / toaer af ^eneca albusS 

tochernpc» fggbt; *©atutoe genoegelöcfeet'famen-fpje&ingefp 

seneca. jp^j^^^gj. fpjjtigbept/ii gecben en bootfen/fonber fnoot^ 

l)i:\n: toant befe fom toijlen nootfafieUjIt 3ijn/ bp ma^^ 

niére ban eenigb ecriiicb en begelöcö bermaecb: ge* 

iijch men ooclieenigti fpel beuggbelpcb macg ge* 

b2unclicn» iBen moet bier nocbtanis gabe (laen/fegt 

Hier ep 8 ben l^j-^mb2ofiu.ö/bat top geheel öetaccoo^ niet ctt 

rap. 7. bjcbcn ban alïebe beugben al^ boo^een beracjtin* 

ne. vDaerom o i^eïigieusf/gecfeen en gabberen/ enbe 

ban eenen anbe^en bege^l^t te toogben /laet bat boa? 



Van de Seeghbaerheydt. 409 

jbetórnltljjclte pcrfooncn/ utoen pecfoon ftctaemt 
een aeftaöigöept. 31a oocfe CobiaiS too?t Ijf ecom ge^ xob. i. 
piefen/ om öatöpnïet fetnöeracDtigöiJgöeöaenen 
Beeft/ aW ÖP nocï) joncfe toa^* 

Heti.point. 2demercfet fjoe neerffelöeft bat htft^tittm^ 
beugöt geoeffcnt moet tooiden. (€en eerilen/boo: öe ^fPl?.^»J** 
leelöcötiepöttjan öc onmamcrUjcUljcpt/ üc toelclie f^Sou 
D'oogen Ijan alle bie (jaer aeiifienmifOacgpt/gelrjcti 
Biec-en-tegen / öe feegbaeröcpbt/ eenen pegelücöen 
trecöt/om ijtm te beminnen. €e» ttoeeben/bco> bien 
batfe ban ben ^. ^eeft feec berifpt too?t. <6ef öfe ben 
g^opfieet fegt; <Bm bat be bocfttercn ban dSion/op- i^^ia: 3. 
gebeben 3ön gcloeeft / en Debben gctoanbelt met ee^ 
nen uptgeftefeen bal.e^/baerom öeef t ben ^eere calu;' 
toe ge'maecbt beri top t^attë floof tisf. €t\ ben JlBtifen- Prov. 6. 
man: €en afballenbemenfcb/ bremet «6obt ntet ü^ 
toer een en fiomt/een onnut man gaet met eenen bet? 
tjeecben monbt / fip tomclit met be oogfjen/ b? b?öft 
met ben boete/met ben btngcr fp^eecöt ijp, igteïom 
ijEj 't bat onjEJ fo btcfitoöl^ op berfcDepben plaetfen be 
feegbaecbept aengep^efen too?t / en op bat alle bin» 
gen eeclgcö / en met gocbe manieren onber onjS fou^ 
ben mogen gefcbieben. Ii^bjemanterlöchfjept fegbt i. cor. 4. 
ben ^poftel / 5? bennelijc fe alle menfcöem €n onfen 
^Saltgmaöer fegöt:ïïaet u licöt alfoo fcöönen/boo? Mam j. 
be menfcöen op bat fp fien moge utoe goebe toercöé/ 
en glortf iceren utoen ©aber/bie tnbe ömielé i^.^t^ 
mercltttenberben/ bat eenen toijfen en boo^ficött* 
gêmenfcö/ öieruptoo^beelt/ ban bet gene battn^ 
toenbtf b i^i toant upt ben geficfite too?bt eenen man 
Öeèent/enbatöabötbe0ltcbaem3efenbetiaccöenber^ccie.i9. 

tanben / en ben gancfe be^s mcnfcD berbonbigen ban *"'* '• °*''* 
Bern. mant/m bp albtenfegbtben ^Mmb^üfiu^/ ©etoniit* 
bat be roeringe ber leben W gelpb tent feöere fiem? ge dw nom 
meber 5ielen ; foo macömen met recbt feggöen/ bat «^ seitjh ecu 
0(0 be upttoenbige lebenen gualjjcö gemaniert 31)"/ «IIJS^ ^^ 
te bennen gbeben / bat bet öerte oocb ongefcDIcbten 
qualöcb gbcmaniert tjef. ïlDaer upt ben ^. <0aego^ 
nu0 |Sa5tan5cnuö langb ban tebooren boo^fepbt Naziapz. 
Beeft/bat ben af baüigben gjulianuKJ/begeljeele toe^ 
?elt fcöabelijcb foube 3ön^ iBaer leert/ bat be feegb^. 

<i)b5 baer^ 



4IO Den II. BocGk. Het XVIII. Cap. 

bactl)cpt/ ntet gcbepnft en moet toefcivmaer geïöcft 
i.2.q.i93. ben #)♦ €l)omaö fegljt/nioct lïamcn iipt l)ct bmneiv 
a.i. ad 3. ||g/ bcmcrcf?enbcöat<aoötonfcii ji^aöcr/^nöemee* 

|ïeralommeüpon^l<ef. 

:©c f«3ö^ Het ;. point. 'üdmxzuUtqcl^th bat«r niet ocboii^ 

fcactijepDt benen too^t/bat bc menfcijc meer onttttcljt ali^b'on^ 

ft«*°tot Dc inani^t^üjchljept/ bat öiec-en-tcgen ooch niet en iis? / 

<5omm^ 'ttoelcltöenienfcöenfoofcccbecUDeclit totbe t^ob* 

miMtt, b^ucOtiöDeptai0ös^fecgl)baer(jept en nianierlijch* 

Ijcpbt i aengDcfien bat b'erempelcn trccfeen/ baer tjz 

tD002öcn Qualicft ecn.s^ beclnecften.^^clj öoe p^oföte- 

ïijcli ij$ 't albu^ met ben 1^» jfcancifcuö te p^ebifeen / 

foo bat [lp te becgljeefó bcel tiïoojben geb^upcfet/ bte 

met be toecchen / en fijne qnahc manieren 't gene W 

gefeptfteeft toebecom beberft. ^ierom i^ 't bat ben 

I, Pet. 3. ^» ^poflel/ be b2outuen becmaent / batfe boo^ öare 

feeglibaecfiept/enmanierfijcöl)ept(öetDelcïieficacB^ 

ttgtj ijS in be tegentöOO?öigljept <l3obö) Dare \x\au^ / 

bte be tooojben niet en gDclooben / fouben befeeerem 

;^it is? altijbt toaec/ bat be menfcljen/met beteeJcfee 

^tfütiy- ïien l§,a32egoriu<c^ CDnumaturguö becheecbe/bele^ 

tige ma* ben (jebben/batfe meer boo? fijne gefïicöttge manier 

SSu ö ^^" ce/enbe be ootmoebigöept beïiecrt toicrben /en ö^nt 

<c?c8oriui* beminbé/ ban ter oo^faöe ban fijne mirafeelen:toant 

Cöauttid' fonbec be beftanbige beugOben/en öan geene b^ient^ 

lurgu^f» |f({j3p / j;,ic noditanef fjet meefte goet t^/ 't baelcfe ben 

menfcfje foube mogDen toefiomen / gfieftaen, f€en 

becben / bemerclit t}at be liclKbeecbigÖe manieren / 

be 3ielebeberben / gijeijjcft btefgOelöcfeiof be guabe 

t'famen-fp^eecöingen. ^ieromfegOtalbu^benl^» 

serm. de 25aftliu^:ïaet om I on0 begeben tot feegbaeröept: 

humii. ijjant onfe mXz l Die too?t gelijcö aen öare oejfenin^ 

glien/ enbè fulcfeö ali^ fp toercfet / alfulcfi een beelbt 

enbe gïiebaente treclit fpoocö oen. (€en bierben/ 

bat ooch alle be gfjcnepgOelijcfeBeben / \^ *t batmen 

b'uptUienbige tocrchen bebtotngïn/berfmacbt enbe 

^fimbm ^^ï^booft toojöcn/geliif It fjet bper/ batmen bïufcftt / 

tcconuia» ïiet tocicfe oocfjücljtdijcö enbe fonbec moepte gö^^ 

iiiGtiöck^ fcftict* Cen bijfben/bemercötbat fonber befe beugöt 

*^'^^^* aUe bcbotie enbe <©obtb^uc(itigÓepbt gantfcB enbe 

ODeDecltenietgaet / W^xy^ ^enbatfiettoelc&bol 

gaten 



Van de Seeghbaerheydr. 411 

öatcn i^/ al batter in öcfloten W uptloopt (^m fe- 
ficn / öat ö' on-mtiiuerl!jcïiöcpbt öcn menfcft / al i.ö 
Ijp anbecöf goct / ten minden b^fnuu <Cnï3e nï toat 
ijcfmet i^ / oft ecntge blecfic Dccft/ öat en macï) €^0* 
tse aïmacljtiijlj niet op-gfjetiaagDen too^öcn tot eene 
asnoö^name offerande. TDe liclnlJeerötaÖepöt ban 
manieren öan fomtijötsf boo? eenen ftojtcn tijtit Ujc^ 
fen / in ben gfienen/ bic anbecjs ooch goet 133? / tnacc 
nimmermeer in eenen bit beboot i^ I fegïlt ben l|. 
2$onabentura / tö 'i bat ftp bjaeracfttelijcfe beboot Bonav. d^ 
iö» (€en laetflen/ iö 't bat gO? cenen aeltgieu.ö 5nt / ^eUg 
Demercfttbemanierïijcfeliepbban beci toerelbtfcïie cap.j. 
nienfcöen/ bie öternf nofötani^ felben/ oft nim^ 
nier meer bermaent/oft onbectoefen en toojben j be^^ 
mercfet oocfe batmen upt u alleen / oo^beeft ban alle 
iitoemebe-b^oeber.^: enbe !joegrootefci)abe/ enbe 
acfiterbeel bat gier upt ftonit^ 

Het 4. point. 25emercfet be gefticljttge en ootmoc^ s^egc/iicij* 
\^\t^^ conberfattebanCü^iftujef onfen^aligmaher;/ Jiöefccgi)» 

fo binnen m bupten ben ï}upfe ; befgelijc^ten ban be iaSm 
i^« j^agïjetiBaria/ enbe ban b'anbere^epïigöen. ^^augma:. 
<éberiegt/ |)oe bat ben ^,^.5!gnatiii0/geüjcfemen t«j/ ^^n 
oocfeberöaeltbanben l§. iBalacfjiasf/nautoeUjcfe^ ,ff^^^^^^^^^ 
eenlibtmaetenroerbefonber rebene: poe batter beel Dcr/enbau 
boo^'taenfienaüecnban benl^.Suctanusf marte^ öéh^.P* 
ïaer beheert fjcbben a«^toec|t.<^en^. CO^pfofiomu^ asuatius?* 
fegfit/ bM b'^poflcfen/ niet fa feer boo^: mirakelen / 
alö boo? Baer % ieben be toerelt beheert ftebben/fiet 
toelö meefl uptfcfjeen in fiaeriieben gefltcljtige ma^ 
niere ban boen / enbe feegftDacrïjepbt : gOeUjëftUien 
befonber macb bemerc hen banbenl^.gobannejsf/bie 
niet een mtrahcï gebaen en fieeft/ enbe befgeïijcfeen 
ben ©atrinr cO ^b?aljam/ bit nocfitan^ ö^t gfjeloof 
toot t'o^z 'üitt:<M berb^aepbt beeft» 

Hec f . point. ^emcr cht bat g()p eenen tempel be0 mi ram 
Ifjeerensijt/ engelijchecngraf/ bettöelcliontbJö' '^^tltt^^ 
feUjci? beboo2be glorieus? te b3efen> aeng^efien / bat u/jfa^Si 
^Ijp fco menigömael beelacOtigb 3öt ban \ '% %\v^ mtw. 
!)aem beö l^eeren. €en ttoeeben / bat aïle uóe libt? ^^^« » '• 
maten aen vi3ob toege-epgent 3ön/ foo bat gïjp bacc 
ober geene macöt en ö^bt» i^iecom \$ 't / bat ben ^^ 



412 Den 1 1. Boeck. Het X V 1 1 1. Cap. 
Rnc.fcrm. Slugufltnucf föHc bzotbm aenfp^e&etiöc/fcött^ujJ 
^tm *" ^"Pft u-licöcn met fijne öepUge b^eefe/enöe fict toel 
^ ' toe / öat öe tonaöc / öctocicöc öe niacfit ontfangfjen 
fieeft ban öcii fone ^oöj9( apt öen ficmel te trechen / 
tcgljenöenlgeccemctenfp^eccfJCi cnöe bat öeDan^ 
tien / öetjjelche gebcrbet too^öen met Oet bloeöt Dan 
€ft2ï(lusJ onfcn ^altgOmafier / ntet öefmeurt enöc 
ÖÖeberUeten too^öen doo? *t bloedt der fonöe. (€cn 
laetden/ fiet/ !)oe öat met alleen de 5iele 43odt en 
moet dienen / maec dat oocb fjet ItcOaem meded^a^ 
Oljcn moet de berfiecbingfle ban onfen ïgeere Jesus ^ 
doo^ gercOicbte manierenen doo? de feegtjbaerftept/ 
Kal. 34, op dat den l^eere gljelobet bjo^de ban een geftadigö 
bolcb. ©oo^bet alderlaetfte aenfcljoutalledeüdt:' 
maten CO^fli utoe.ö <;SaIigbmaberi2? / boo? u doo?» 
toondt/ endefp^eecbtdeni^eereaen/ endeb^aegbt 
Bern/ toatöemdaec toe göebiocöt beeft i endegbP 
fult becfiaen/ dat bet i^ gbetoeeft/ dat gbp bem met 
dcb Itdt in 't üpfondec foudt loben ende p^ijfen / ö^* 
ificb ftp u / met föne ledeben.ö becloft Beeft» 

Eenige vermaningen van den S.P.Ignatius aengaende 
het verkeeren met de mcnfcbcn. 

n[^ €n cerfien / bp gaf defrn taedt/ datmen alle ftö# 
■*- bagte foudefcDoutoen/ ende ï)p belfldde / dat bP 
Iteber foude fien / maer eenen trap ban bolmaetbt? 
l^epdttnföneneben-naeflenfonder defe faute/dan 
berfcbepden trappen/ metdefe» 

(Centtoeeden/ datmen eenen pegbeïöcbcn foude 
boldoen : bjant daer niet foo boftelöcb en W dat de 
b^oederlöcbe liefde / afn? die eenje? geguetft x$ / foude 
feonnen bermafien,€nde datmen bieromberdulde^ 
ïijcb alle tegen-fpjabe foude moeten Uiden / lae oocït 
bicbtoijlieJ lange ende onnutte pjopooftem 

(Cen derden/ Ijp epfcbte tijdt alffer pet te befo^gen 
bjais / ende als? dien eens? geftelt toas^ / foo begbeer dg 
ftp / datmen den felben tfldt doo? fijne neerftigDepdt 
foude boo2bomen* 

(€en bierden/ bp fegöt/ datmen foo boo^ficbtigft 
beDoo^de te toefen in 't fpaeben/ olfi of t al Det gbene/ 

datmen 



Van de Seeghbaerheydc. 4 1 j 

öatmen fcöftt/ foube moeten in 't openDaer feomeit* 

(Cen bijföen / öatmen ïuttel tooojöen mocjie gfte» 
D^upcfeeiV enbeöefelbe traegelöcö boo^tö-bjengeit. 
€nöe öatmen bccöulbtgöDcljoo^öe te toefen/ in 't 
ïangO berOael ban anöere t'aenfjootcn. 

t€enfe(len/bp bermaenbc/öatmen ftem omaSobj^ jmt\i bt* 
toille/ fouöe boegen naeöenaeitit ban eenen pege^ |3«m?d8 
ïijcfjen/ enöe niet ö^oebig toefen met ben genen / bte Km ^ 
blijbetoajEJ; maecbatmen met ben bebaoef Den Itef^ an&etiait 
iflcfe foübe Banbelen» €nbe metben grammoebtgen onfen nac- 
oocö cafcO fp^eöen» (€en laetfien / fegöt Dï^/ bat ge^ ^^* "^ 
iöcfeer toöjoi ben bpanbtuifïuppt met Detgljene/ bat **^ 
fiem niet toe en befioo^t /enbe gaet upt met Oet gene 
bat öem toebe6oojt:toant ftp ftomt in fonbec liem te 
(leüen tegen ben aert ban ben genen/ bte tjp totït be^ 
becluen ; ia [jp geeft öem gcebe gebacöten boo^ öet 
eerde/ enbe baec nae göeeft öp fiem gfiebacBten / bte 
fcöü"^n goet te 3Önienbe bit gebaen 3Önbe/ gaet upt 
met ïjet fóne/ bat wtip fecjjgljt öet Quaet epnbebaec 
Bp nae öeeft beclangbt, %l^u^ beljooren top oocö 
eetft/ in onfen eben-naeflen Oet goet tep^ijfen / enbe 
baec na al foetelrjcö bet Quaet te berbeteren* 

€enfebenften/ batmennoptaf en moeite fcfiep^ 
ben/ ban ben göenen / biemen foecbt tot goet te tree* 
feen / öem latenbe beb^oeft of t qualöcö te b^eben. 

(€en acbtften/ batmen Oem foo bed/ al0 onfe ma* 
nierebanJebentoelaet/ boegeenbe tegöemoetfeo^^ 
me aen eenenanberen/op batmen alfo boenbeeenen 
pegeiijcfeen bolboe. 

(Cen negenden/ batmen niet tecflont tot 't ftoogb- 
(Ie en felimme/ maec allengbfèenief/ enbe alfoo eenen 
animeren foetelöcb maöe te berboo2beren* 

€en tbienflen/ batmen öcmboegfjt / naec eenss 
pegelöcfe^ becmogen* 3Bant toaec'tbat pemanöt 
tn eenen pot met eenen engen öal0 beel t'famenfou^ 
be toillen gieten/befen fuube eer fto^ten/ban baer in^ 
gieren. ^outê & / 

i^enelfften/fipfegFjt: batmen Rem moeftetoatft^ je gcïjjc 
ten/bat in on^s btU nabolgenbe fauten niet bemeröt t^bcttm 
en toierben:atö5Ön/ob?i:baet in mrt enbe b^incfien / met anfcn 
manieren ban fp^elien / t^H be fafeen gtootec mafeen cbeimao 



414 Den 1 1. Boeck. Het XV 1 1 L Cap. 

öau fp cn 3ürt / cnöe met öc toaer()eptrt xm toeï obec 
ccn m feomcn ; oocfe tooo^öcn / bic pbcl en tboiftioö 
3ün/ en eenicjc onmanierlijtïfieDcn iri't roeren fönöec 
ieöen : tuant fooljaniGC öingen / aeïiif fefc fcBaöelijcli 
,. 3nn / eribe beletten ijet ooeöt gcUoelcn batmen baii 
om iKcft; alfoo berminöeren fp ooch be ïiefbe/ eubc 
öc affectie/ bic men on^e? foube mogï)en b^agliem 
ïïDiié^ luTepfcïitefjptnben iipttoenbtoOen menfcö/ 
rcucöetamciiicfïeoÖelieïtenifTe enbeeene feegfjbare 
aï!e!i)cfifo;mtg[]cpbt/ tüelcft een teecfien tó banbe 
inUDcnbiöe gü^lïeUcnifTe be.ööcrten* 

Ghcbedt, om de feeghbacrheydt , ende eene hey- 
lighe conve'rfatie te verkrijghen. 

/^ Alderminiiclijckftcn J e s u, die ter oorfaeckc van 
^^ de ongeregelde manieren , ende roeringhen mijn- 
der leden , in alle uwe litmatcn feer grouwelijck ghepij- 
night hebt ge weeft , gheeft my gratie , door uwe Icegh- 
baerheydt, dat ick al-ommeghedachtigh zy wie dat ick 
ben , ende het goet exempel , her welck ghy my hier 
in ghegheven hebt , op dat om mijnent wille uwen 
Bom. 7. naem niet gelaftert en worde. Het is wel waer , dat ick 
eene andere wet in mij ne leden vinde , ftrijdendc teghen 
de wet mijns verftants: maerick, die mijne leden heb 
doen dienen aen de ibnden , waerom en lal ick de fel- 
ve niet brenghen rot dendienftvan de gerechtighcydt.^ 
Matt. f. Is 't dat mijne ooghe myverargertjoft mijne hant, ghy 
ghcbiedt my de lelve af te lnijden,ende van my te wor- 
pen : hoe veel te meer moet ick mijne leden dwinghen 
met de wetten van de feeghbacrheydt, opdat ick niet 
Matth. 18 en verargere eene van de kleyne , die in u gelooven ? Ick 
^jhcmaut en wille, noch door fpijfe , oft door mijne manieren , oft 
oiifcma»"^ roeringhen der leden yemandt bederven van de ghene 
increii daer ghy voor geftorvcn zijt : maer ick fal met uwen A- 
omflit\}t poftcl in uwe Goddelijcke tegen woordicheyt fegghen: 
KoliÜ u*. ^^^^ ^^^^^ ^^^" ' mijnen ganck, mijne klcedinglie, oft 

mijnen handel mijnen broecler verargert,ick fal my hier 



afinder eeuwicheyt onthouden, op dat ick niemant en 
j. Cor. 8. verargere , op dat onfen dienft niet veracht en worde; 

inaer dat alle de gene die my lien fullen, uwen naem mo- 
Philip. 2 . gen gcbtnedijdcn , ende feggen : Siet dit 1$ het faet , het 

wekk 



Van de Seeghbaerheydt. 4 1 j 

AVelck den Heere ghebenedijt heeft. Want ghy hebt ons 
geftelt , op dat wy fouden mogen wefen fonder klachte, 
en fimpele kinderen Godts , onberifpelijck , in' t midden 
derquader enverkeerder Natiën; Opdatwy fouden i- Tim. 4. 
mogen wefen een exempel der geloovige , in't woort , in 
wandeh'nghe, in liefde, in't geloove, in fuyverheydt, op 
dat uwen voort-ganck eenen yegelijcken kennelijck zy , 
en onfe converfatie goet fy, op datfe in het gene daer fy 
ons in lafteren,(icnde onfe goede werckenjoven u onfen 
God in den dach van de befoekinge. Ik wete wel dat het 
niet genoech en is, dat ik my van de groflle fonden ont- 
houcfe. Want hier vraegtfeer wel den H.AnoftelJaco- lacob. 3. 
bus/eggende: Wie ifler wijs en geleer tonder ulieden? 
dat die thoone uyt fijne goede wandelinge fijn werck, in 
defachtmoedigheytder v/ijlheyt. Want aldus is 't den i.Petri2. 
wille Gods, dat ghy wel doende, ftom makê fult der on- 
wijfer menfchen onwetenheyt;en dat u licht alfo lichte 
voor de menlchê,op datfe aenliende onfe goede werckë, Matth, j. 
fouden mogen loven en dancken u onfen Vader,die inde 
hemelê zijt,en wort gebenediju in der eeuwicheyt, Amê. 

Pradlijckeom eene Seeghbaerheyd der 
manieren te verkrij ghen. 

•a?cc(tc/ te ïetrcn op alk ïrc fautcn/bc \^tUht U3p 
met cicfe liöt boen / enbe öicc op on^ oocö öebja- 
ïen bp anöere. 3Bant Ijtt Uan qml^th göcfcöteöèn/ 
iatmcn ïjcm naec De regelen öec feeofjbaerïjept feu- 
n feounen DoegBen/'t en 3? falie öatmen ban anbere 
jatie göetïagDen too^be, feiec boo? ft en top gefcöte- 
jenbatmeninbe tegfjentDoojbïgïjepbt ban anbere 
tienfcöen meer gljebacfttiöö i^ be feegljbaecfiepbt j^enmcct 
:'onbect)ouben / ban eïber^cf : bit recommanbeert oochaiiteu 
tocötanjsben ^. üBonabentura iieerftelöcö/ bat een f "Jf ^^ 
ïegö^Iijcli Ijemm fulcFiec boegen foube blagen aU IS^^ 
een 5Ünbe/ oocöbejlotentnfijnfiamer/ geincfiftp öeruouöc^, 
)oet aliS öp bp b'anbere i^, 3Bant bobé bicn bat ben 
jenen hit albu$f boet/ ücDtelijcfeer feomt tot eene ge^ 
Doonte ban feegObaer te 3rjn / geraecfet oocïi befge^ 
ijclien Itcötelijcftec tot een bolmaecïit gcliebt/ en tot 
IC rulle ber 3ielen/ toaer toe een groot beletfeï 3ijn be 
iptge(to?te enbe ongcregclbe manieren ban boen. 



D 



4i6 Denl I.Boeck. Het XIX. Cap. 

T^t ttoecbe/ te Icfm ecnrgc Doccfecn i)k Ijitt af gc^ 
fcO^cUeit 3ijn/öclijfi ban öcn 1^. 23onal)cntura tot öe 
j^itiiUJc!ingl)en oft^oWim/ai^ oocft ban anberc. 
a©ant altsf'tfafieöatD'üïittöenbtöefeegöbacrljcpt/ 
•tcn5Pfaftebatfpfp?uptupt'tac(ooat ban d'anbc^ 
re öcuööDcn/ntet ïang en fa! bïjjben fiaen/fp \0 nocfj* 
tanji een oroot beljulp tot De beuot/en*t gene bat iu't 
beoinfel met ftoaiigljepbt/enbe tegen be nature ge* 
fcöiet / too^t allengBfftenjG^ licDt enbe geneucöelycfe* 

Schiet- ^ebedeketis» 
>4 '^h \ r V^c manlerlijckheydt zy kennelijck alle menfchen. 
^ Lact u licht allo Ichijnen voor de menfchen , op dat 
fy fien mogen uwe goede wercken. 

Het XIX. Capittel. 
Meditatie om fijnen tijdt wel gade te flaen. 

/^€löcfe göp feont bemercfeen bat tnbe geöeefe toe* 
^^reït alie bingen op fijnen tijbt/ met mate/ gbetal 
gnbe gebjicöte gefïelt 3ön/alfö bcïjoojben Oct oocö te 
gpefcfneben in ben menfcb/ben tocicften eene felepne 
toerclt iö/ enbe W op 't alberneerftigblle fijnen tijbt 
toelbeljoojbe te befleben/enbe gljebeel fijn leben met 
alle be bee(en be^ felfsi / naer ben tijt paffen en rege^ 
ren* l^et toelch eene fonberlinge Ijulpe x^/ bienenbe 
tot be €iobtb^uclnigbepbt. 

Devoorfteilingederplaetfeis : bem laten bOO^ftaen tC 

5Ön in eene toilbecniffe/ enbe bemcrcften tjoe bat alle 

dingen boo^Dp gaen / foo batmen naer eenen oogen^ 

blicli niet toeberom en Itan firügDen ban albat een^ 

getoeeftijEf. 

©e mt' H^^ ' poinc- ^^emcrrfet ten eerden/ öoe onfeecfeec 

iicpt toiu bat ben tijbt ban ons? leben tö / en Ooe hm / i^ 't bat 

Dm töDt/ ^^^ (ci\3cn bergeleecïien too^bt metbelangöbuerent 

Spït be ecutuigOepbt. (Centtoeeöen/ bat bJp alle oogljcn- 

ciiöe \3im> biithm/ oft een eeu toigb glietoicïjte ban glorie / of t 

^^ toelban pijnebergaberen.ïBantbe berbienfteneeu» 

toelöcö bci-goiben fullen baojben / enbe be fonbeit 

(oocd t)it blepn 3ijn)in be berboembe eeubjelijcö 

geflcaf t. €en berben/ Doe grootelijcfes^ bat be men* 

feilen bef^r toi^r^lbt toa^rnemen b^ gBelegB^ntfiepbt 



Van fijnen tijde gade teflaen. 417 

\yar\ fjarcn öoopD^ntiel am te recömi/ banDacc 
gctoirt te bcnecrfttgen ; f)ot Datfe '$ mo^getiö bjoegö 
In bc Wet 5iju/ Den daglj in acbepbcn oUeröKtigcn/ 
repfen obec 5ee / cntJeoocliöaculcUenUjagch. ^e- 
mercfet ten bierbcn / tjat Den ttjtit f)ct !io|lelijcü(!e i^ 
ban al öattcc inbetoccclötgelïonDcntDojtit/ cnöe 
niet te gecöalen en i^ : maer / eplaeö ! gclijcfe Den ï^* 
55ernaröuöfeectDeifegöt: <Daeren too^tnietöofte^ serm.ad. 
Ujcfeec gebonden ban ben tijöt/ enbe baec en 10 niet ^';°^- 
öat DcbenfbaegOiEf minber geacDt toojbt- ^^ ba^ löSen ttjt 
0en gaen boo^bu/ be maenben/ enbebeiarenon^ too2ton' 
fet faligftcpbt ; cribe ^aet en iö nieniant bic fttec ecnö J^^^ JP^^" 
op bcncbt/baec en iö niemant bic fjcm bcliïacgïjt bat Kht '^" 
öen bagfiberloren i.c^/enbenimmcrmeectocberDm 
lieecen enfaL !SemerclitoocïïtoaerombatbcnfeU 
ben fo feoflelijcö i^^l^e reben tisf/om batbjp baec boo^ 
alfe btngen feonnen bïinncn / enbe fonbcr ben felben 
niet uptrecfjten en feonnen» ^a ^^t meer i^/ altoaec 
ftet bat ben menfcD be gcfjecle itiereïbt foube b3i(<^ 
ten gebcn/ om ben tobt ban fijn leben te berlan^ 
gen aljs^be boobtgcfecmeni.s?/ enbebatboo^eencii 
Dogenbïicö / t)p en foube 't felbc nocfjrane' niet feon^ 
ncnbccIfiriigemBemeccöt bit toeL^oegrootelijclis? ser^ui^ 
mcpnt gl)p/ foubenbeberboembcenbecochbege^ Stirai 
ïucfefalige stilten l toaer 't faeclie batfc nocO een ure on$ i\tt 
mocïjten febeu; b'ecrfïe op batfc befaligfjepöt/b'an^ nactmacisi 
bcre op batfe mcerber glorie fouben mogen berferij- ^ïoutoen* 
gen l ^tcrom i^'i bat b'eeubjigelDijffiepbt roept 
enbefcgötriacDöabbegDp'toocfibe&ent/enbeboo?^ Luc.19. 
toaer tn befen utDenbagfi/ bietotubsenbsebei^! 
<Oclj oft ben menfcö feenbcljocgrootcIijclièbatOp 
in ^yiX leben be goeberenenberöcftbommcn fijnber 
3iele ïian bermecrberen ! o^nbe H \\ex toonber^ aen^ 
gefien bat be l^epbenfefie ©fttiofcpöen ban ben i\\^l 
alfulcfeen geboden ^e\'iZ^x\ye\i\se':\ -, onbcrbeb^elc^ 
èe geno fepbe : jatter niet en toaé tdx ben menfcïj zeno. 
meer gebaacfe ^\$ ben x^u €nbe vDemocritu^': <Dat Demccri. 
get feoftelijcFifTc batmenberliefenfeantoacsbentijt. tus. 
<CnbeaIbU3efrp:cec!iti§eneca:;Du!SboetaIbu.^/3lU' seneca, 
cili/neemt ufeiben toei bjaer totutoen paofijte/enbe 
fpaert toe! utoen xW'^ a©ant toie bJÖibtDi^rg^- 

€ % bon* 



4 1 8 Den 1 1. Boeck. Het X I X . Cap. 

Uontjcn bie öen tijöt m fulcfeec toeerben ftoubt / aï^ 
tiet bcfloo^t ^ ^Ui2f obcrlcöljt Doe bat grip utocrt tflt 
f uit Ocfteben/ fjoe Dat aÖPÖ^tftoficiydifle bat gijp 
iKöt/ fultgcb^upclien/ iwöcrnubcbatgöpbitfult 
Uecmangckn/ fal't niogelijch toefen met felappcn 
enbe fnappen/met lebigftepbt enbe fpelen/aengefien 
bat glju l)iec-en-tuffc()en i^onincluijcfeen öont bec^' 
öröaen; be gratie 45obio^ bermecrberen/utoen eben^ 
naêften ftelpen/ utoen roep enbe Ijerluefinge boo? 
goebe toercfeen berfeöeren. 

Het 2.point.^emerc{u t»oo? aï/Tjoe ïuttel tijt^ bat 

u rcfleert/ enbe (jocbeelbat gï)p becloren \jtbu €eti 

ttoeeben/ fioe bat göp ben felben moet öefteben. ^Zf 

é ncca bermaent om Ijier toe ftct toel / alie^ öp fegijt : 

^ Saet onsS onfe stele albuj$ (lellen en fcöicöen/ a(.ö oft 

lop in onjS upterjïe geïtomcn toarenjenbe en laet on^ 

niet uptfteüen : hit aüc bagen fijn leben foo bol^ 

maccftt/alja^ oft ben lactflen bag toare/ bit en fal gce* 

nen tiibttelio^töomem vj^tieromfiettoe/fegDtben 

Ephef.s. !^-3llpo|lei©aulusf/ öocbatgöpbeöoebeljjcö moogt 

toanbelen/ nietaljsontoijfe/ maecaljE?toöfe/toin^ 

100 moe-, nenbe ben tobt/ toantbe bagen Quaetsön. ïï^pmo^:^ 

teil Dcii tijt ten ben fdben ban btittt^tu tot onfe faligöepbt/ toant 

jof onfe jjp i^^t toe on^sj ban a5obt gegeben i^ ; enbe ijS 't bat 

mmi ^P öit nieten boen/ foo fulien top cenefcOerpe tefte* 

* nihge baer af moeten gebcn» <Z^nö bemercfït Doe beeï 

tpbtö bat gljp (lelt ingeeilelijcïieoeffeningen; oft 

oOp ten bollen bolD^englit ben tijbt hit baer toe / en^ 

be tot anbere <6obtb.2ucötige toercften geflelt iö^oft 

OÖP heft toerchen alleen geeft öet gene bat uobec^ 

fcötet/ enbe b'anbere ïjet befte enbep^incipaeifte. 

©oo^t5? / oft gDp be felbe niet beter en foubt feonnen 

©iebm boen. Wit fal baer foo btoafen lioopman gebonbcn 

tijt toets too^ben/ hit fïecftt enbe bertoo^pcnftropopecncu 

2?£;lfe„ mercIit-bagO fal ftoopen / m Öp gout en lioftclijcïie 

ötoafni gefteentcn foube lionnen beliomcn^ Cen berben/ be^ 

lioopmaiu mercfet aenbacbtelijcö toat gbp op ec ure goetjsf foub 

lionnen uptrecöté/toat hat gl)p foub feonnen boen op 

eenen bagft/en op eenige toefic/ toaer't bat gijp neer^j 

ftigö enbe bolberbigb ^syiiht toefen in ben toegïj htt 

beuöDtien: €n fcDaemt u/DefonberliJcfe/i.c^'tbat gbp 

toiU 



Van fijnen tijdt gade te flaen. 419 

toilt aenmecclien ecne onfp^cMijtfic necrjlisDcpöt 
öte öe toerdbtfcBe nicnfc öen oeb^upcfeen tn b'alöcc^ 

Het 3 . point. ^emercfet Ooc fottelycö bat fjct öe* 
baen tjcJ/aüe öttiöCiöooaloopt art öenc öat u Dclicft) 
tod cnöe fcöcrpelijcö t'obcrleggen/ öie DetöupjS- 
f)outicnaengaen/cnöebacc-cn-tuflcDen Den tijtbec*? 
onacljtfamen/öen toelcfecn öet alDer-öofteljjcfefte tsii 
öatter gebonden fean tooiden/ enbe öen felben tn on:? 
nutte ende pDele dingen oberb?engen»(€en ttoeeden/ 
lioe groote endeftoare ongemacfeen dat u obergeèo^ 
men 5iin upt de ledigfiept/ende beel menfcOen dage^ 
l^th^ P2oeden/die ntmmcrmeec pet fefeerjs ter 8anr= 
tien treclten / maer alleen foo öet balt / göelflcö een 
fcöuptfeen 't toelcö naec geen feöece öabé en baert/ 
maer alleen ftectoaect j? ende dertoaect^ d?öft* 

Gebedt om lijnen tijdt wel te befteden. 

"P Ylaes! wat is den menfchjWat is fijnleven,wat is deii 
■*-^tijtdiehem gegeven is, hoe koftelijcken kort is hy ? 
Nu is' t de ure om van denflaep op te ftaen,nu is onfe fa- Row» i3« 
ligheyt naerder. Alfnu bevroede ik,ó mijnen Heere mij- 
nen God,dat het lijden van defen tij t niet weerdigh en is Rora. 3. 
der toekomender gloriê,die in ons fal geopenbaert wor- 
den.Want het gene dat wy alhier voor eenen korten tijt 
in tegenhey t moeten lijden,dat fal ons hier namaels me- 
nigvuldelijck in den hemel vergolden ende bctaelt wor- 
den: ende hierom is 't dat wy hier fuchten^kermen,ende 
benauwt zijn,verwachtende eens t'eenemael onder uwe 
kindere gerekent te worden/t welck zijn fal,als wy ont- 
bonden lullen wefen van dit kranck ende ftervelijck lic- 
haem. Och,wanneer fal ons defen daghverfchijnendie 
ceuwelijk fal dueren,opden wekken wy klaerlijck fullê 
belijdê,dat elcken oogenblick ons defeeeuwigheyt ver- 
Avorvê heeft! Als wv ons ten volle fullen verheugê,alis't 
dat wy nu een luttel tijtsmoetê bedroeft zijnj op dat de i.Petr.j: 
. proevinge onfes geloofs, veel koftelijcker dan gout ge- 
vonden worde,tot uwer eeren en glorie,ö alle mijn goet J09cii ft au 
ende welvaert! och hoe koftelijckfal ons alfdan den tijt ï"rt ?"* 
fchijnê, waer door wy d'eeuwigheyt haddê konnê koo- JJmSfpö"* 
pen, hoe kort d'wre van ons leven,hoe kort allen arbeyt, ftaovcn» 
. , . €^ Z hoe 



420 Den 1 1. Boeck. Het X I X. Cap. 
Pern.ferm. hoe koftclijck een quartier uyrs, 't vvelck wy dickmaeh 
ad fchol. onprofijtclijck laten voorby pafTerenja in boofheden o- 
verbrengen ende in onnutten klap I Een woortvlieght 
voorby, 't wclck nietherhalijcken is;dcntijtgaet voor- 
by ,dic niet te herdoen en is ; noch den onwijfen menfch 
en fiet niet wat dat hy verheft; endehyfeght : Hetluft 
my te klappen tot dat dure gepalTeertzy. Och, wat 
feghtghy tot dat d' ure gepafleert is , daer defeure u ge- 
geven is om penitentie te doen , om vergiffenifle te ver- 
werven, om gratie te verkrijgen,om glorie te verdienen 
door de miltneydt van uwen Schepper endcHeere ! tot 
dat den tijt gepafleert zy,in den welcken ghy deGoddc- 
lijcke goethey t had moeten verfoenen,om te komen tot 
het geRlfchap der Engelen, te verlangen tot de erftenif- 
fe die ghy verloren hebt,om te verwecken uwen flappen 
ende fiauwen willc,befchreyen de boofliey t die ghy ge- 
daen hebr.O Heere wilt my toch gratie verleenen , dat 
ick u hier mach dienen eencn korten tijt die ick te leven 
heb , ende hier namaels mach loven ende dancken in de 
eeuwigheydtder eeuwigheden, Amen. 

Pradtijcke om den tijdt wel te befl:edeii. 

T€t\ ecrftcn/ btmtuht toclcfeen tflt bat u Den aU 
becDc^uaemflen fal toefen om u ömgen te öoen/ 
en boo^ al om uloc faitgOepöt te beneerftigen/en fiet 
toel toe bat aöp ben alberDeften niet obec en öjenoöt 
tttet btngen ban oeenbec toeecöen/ en bat göp tot ftet 
öebebt/en om utoe faügDept te berboo^beren/niet en 
^t mcK^ berötefl ben onbequaemjïen tijt- %lt}u^ fien top/ep^ 
fcijeii fcöic* iaejSIbat be menfcljen bageltcfejS boen/te toeten/bat^ 
itenöetbe^n^gj^ [jet befte ban fijn ïebennenbetoereltfcöencfit/ 
tocKit/ m* ^^^ Ö^^ ^^^^ ^^" ^^" ^'^3Ö in \}Ml}mt oberb?engöt; 
öe iateii maet' aljJ Oet licBaem nu onöeguaem tó / en ben ou* 
baoj dBoöt öetbom onef obecbalt / foo totftmen öem tot <©obt^ 
|«n«öt« yjjucOttgDepbt begebem «enbientbegemepmetn 
ben fleur ban fijn feben/ enbe men begint alleen fijne 
faïicBept te beöecten al^onjtJleben ten epnbeftrecfet. 
€u toat bunc&t u bat meec te toeerberen töf/faliglj te 
3ijn/oft eenen goeben borger te toefen ^ ^at ban ee^ 
nen pegcüjc ft fijne jacen/bagen en uren bebeple/enbe 
rtlbu.ij boenbe en fal ïip fön leben Dp gebal niet ober ^ 

fcen^ 



Van fijnen tijdt gade te flaen. 42 r 

620ttgett/maet: beöacDtelflcö. ^efen too^tJt onbectrc 
ïegeenöc trage inenfcften gereecöcnt / öie alleen toel 
öoet alsJönec eenigeoccafie feomt/om pet treffclijöiS 
upt tereclitcn, iBaei: top moeten öen tijöt in fulchet mum* 
boegen Deöeplen/ bat topl)oo^alöoenöaectüptoesï';r"o/* 
becbontien 5ön / öat t.öljet gene tiat onfe faligfjeptit [«„ töic' 
aengaet/te toeten/ben öienft^obt^/Öeta3ebeöt/f)etbcnett:» 
facciftcie ban öe fteplige iBiffe/ öet Icfenban geefte- f 'f ^^°** 
itjcöe boecfeen/ enbeöetonbecfoecöonfecconfcten^^^"' 
tte. €en ttoeeben / dat top Deneerdigen öet gene bat 
Defe bingen albecnaefï i^ / geltjcfe i^ öet gene onfen 
(taet enbe officie berepfcgt/ ofconsfamDacDtenbc 
ïjanbt-toeccö : JBant ben menfcö i0 geboren tot ben 
arbept/ gelijcfi eenen bogeï om te bliegen» (€en ber^ 
ben moetmen befo^gen 't gene öet ftupfOcuben aen^ 
5aet : >€en biecben/bat firecht tot ctniqt eerlrjcfte en 
tameltjcftebermafeingDe-IBantgelöclimen meteen 
0emepnfp?eecl5-toooKpIacOtefeggen : ^enbogc 
en fean niet altöbt gefpannenflaem 

(€en ttoeeben / liout alle maenben reftentnge/ Boe 
bat glip utoentnbtbejleetöebt; enbeoberlegOtoft 
OOp ben felben nietbeter enbep^oföteljjcöer enfoub 
feonnen beffeben» 

Schiet - Ghebedekens, 

Slet nu hier den aengenamen tijdt , fiet hier den dagh i.cor.^* 
der laligheydt r^daerom laet ons vvech-worpen ae 
wercken derduyfterheydt. 
Broeders het is nu de ure van uyt den flaep op te ftaen, Ron^«i2-« 
want nu is onfe faligheyt naerder , dan doen wy eerft 
geloofden. 
Alle datuwehant doen mach,datdoet neerftelijck,\yant Eccl.9, 
daer en fal noch werck , noch reden, noch wijlheydt, 
noch wetenrheydt zijn in de helle, derwaerts dat ghy 
haeftelijck gaet. 
Werckt dewijle dat ghy'tlichthebt , want den nacht Ioan.9. 

komt alfler niemant werckenen mach. 
Wandelt dewijle dat ghy * t licht hebt , dat u de duyfter- Ioan,i2. 
nilTen niet en bevangen. 

Ce l Het 



D 



422 Den II. Boeck. Het XX. Cap. 
Het XX. Capittel. 

Meditatie, aengaende hetverkiefenendefchickenvan 

fijn huyfgefinjCen groot voordeel in den wegh 

des Heeren. 

E voorflellinge Aerflmfefd Wefen , te ÖCltierCfienböt 

top fiaen m öe teacn tooo^öigöcpt ^oötief / enöe 
öat 45tyt>t aen om bcbeelt ceiüge ban onfe mcöe- 
linecljtcn/ op tieconDtttenocf)tan^Datfp<8QDta(^ 
leenfulfenbienem 
aciie^öbcï^ Het i .point. ^tttitttfit tctt tttftm/bat alle itiacBt 
??^^°'?!f ban vöoöt ïiomt : toant öaec en oefcöteöt in befe 
''^*^''"*toereïötmetbp gebal/ maeralfeecbctiacötelöcft/ 
cnöe alfoo toojöt ban 45oht oocö uptgljeöeplt alle 
tnacftt / röcötiommen/ enöe toettnfcöappen / toaec 
tjoo^ ben ecncn aen ben anbcren toojbtonbertoo?? 
pen : <©an pemant fal blagen: (€ot mat epnbe ge* 
fcöiet biti toaec opbientboojamtooo^be/ batbtt 
tot ïjet felbe epnbe gefcljiet/ tot öet toelcfeecenen 
^^ince Debeelt fijn 25enben aen eenen ïDelbt-fieec/ 
te toeten / ntet op bat fp tegen fteni foubenopftaen/ 
maei: op batfe boo? Bern feloecfeelijcften fouben 
becOten/ toaec toe ïip be felbe oocftmcteebebec^ 
binbt; enbe op bat fp (laer bloet te panbe fouben ftcU 
ien boo^ öctciic^/cnbeboojb^eerebanBacenïïee^ï 
re/ bebelenbe bcfgelijcftSJ bat fp fltectoeonbertoe;! 
fen fouben too?ben. (9ft gelijcïi eenen babec föne 
fetnbecen am eenen meefier geeft om ftaer t' onbec^^ 
tojjfen/ t'onbecrecOten enbe te lepben : toant bit 
ïjet officie i^ ban be Igeeren/ ban be baber^e^ hc^ 
iöupfgefinjaf/ ban be meefters? / enbe ban be gene 
bie eenen anberen leeren enbe onbectoijfen» (Cen 
ttoeeben / oberlegljt Doe bat alle tretfelöcfee enbe 
feloecöe mannen bcneerftigen/ batfp al tefamen 
bieonbec öaerbebeï3ijn/ mannelijcöe enbe treffen 
Ijicfee faecèen uptrecöten j enbe toat een ecreenbe 
glorie Det Oun iji/fteben in te nemen / enbe be bpan* 
ben te bectoinnen- J^oegöt bit tot fiet öupfgefin 
<$»02getoan enbe be fcïjolcn» <JBnbe bemercöt toat onberfaten 
^'y^f »'^«^ bat u bebolen sm/ enbe toat bat göpaltereercn 
'^'''^* <aobt^ booa be felbefoub feonnen nptref ötcn. a©ie 

en 



. Van het verkiefen fijns huyfgefins. 425 

cn Wet niet tiat fomtoöfcn aUecnlöcfi ccncn fcljool- 
mccjïec/ niet aïtoi een öeDcdcilabt/ niaecoocö 
öicötoöljJ een geïjeeHanöt fouöe honnen bederbcnl 
€nöe defgfidijcfïen ooth boo: fijne bifdpelen öe- 
toaven entic {jelpen / öeö2upcfeenbe öe fcllieal.ö heu 
töecfefelen bec ^obtb^ucÖtigljept^IBie en töcet niet 
bat fommige önecftten becanberen in peeren / bat 
oocft Uan be tïabcn iianingen groepen / enbe bat be 
tïifcipelen 3ijn aï0 een froffe om tot alle amptenge^ 
reebt gemaecfit te too^ben» %t i0 een feec gcoot 
toetcli goebe o^bae te (teilen/enbe teïecren be manier 
re ban tnd te lebên / aljS oocö boo? tc(c maniere beel 
nienfcften te b^engfien tot be bolmaecfuöcpbt hc$ 
öeugötss. JiBaer bat meer tö enbe tcoofïelöc^ boo? be 
ntenfcöen/€^obt almacfjtigö felfë lielt alfulcèeii o?^ 
b2e/cnbe geb^upcfet bien l^cece of meeflcc al.^ een in^ 
dcument ban beregcringe beef toerelbtö/ boo?bert 
toclcöen öp beel menfcfien tot be €>obtb?uc8tigöept 
becboo^ber t/ enbe öp faept boo: ïjm fön 43obbef öcö 
faetbecbeuglibenopberaerben*€enbcrbert/bepep(ï 
ftoe nootfaecfeelijcli bat öetijesaeneenenigeere/ fijn 
Ijupfgefin albu^ te fcfticfien/ op bat öctfelbeaen 
43obt aengenaem foube toefen/enbe öem alleen tk^ 
nen/ niet aen fijnen bpant : bjant ben meefter enbe ©ctsiaeca 
Igeec/ blijft bojgeboo? fijne onbecfaten: enbebjceu fïctoft 
tö't bn albien bat boo? utoe onacötfaemöepbtoft^f//^^öft 
^uaet erempel berïocen gaet utoen fone / utoen bk-^ "tf„f qH}^ 
«aecofbifcipel/biemebeeenenbifcipelenbebien.iecfateiu 
€0:ifliiö/ ia oocfeecnen fone o^obtjef : toantali.^'t 
bat g[)P anber j3f goct ^öt/g[jpenfultnocljtan.^l)isi: 
tn niet ontfcDuIbigljt bobben/ maec fult ten opficö^^ 
te ban eenen anberen becloren gaen/bie boo2 u epgen 
ieben foube beöouben getceefi Rebben. €n fiebt gOp 
utoe macbt/ fjupfen enbe rbcfebommen Wt toe ban 
<0obt almacgtigö niet ontfangen / gelijcfe alö eene 
folbpc ban utoen ^eece enbe Bonincfe / op bat g&p/ 
enbe lik u bebolen 5ijrt/ a3obt foubt Dienen l 

Het z.point .Bcmectfit nat hit bec!iieren(öet toelfe 
op be liinberen niet en balt) nootfaljclijcfi i0/ op bat 
Obp goebe onbecfaten enb^ bifcipcicn foubt mogen 
^cbli^ïi/ oft immers bic niet Heel quaebten^ijn» 



414 ^^^ ï I- Bocck. Het XX. Cap. 
ai^nbehaic tffccbie met föne bpanben ta oo^ïogBc 
fal ttnïimi UJicfal D^ïh tec jee Dcgeben met feranc- 
5?contJct* fecenonficrfftcboot^-oefellen^cfgoo baiiöfielöclien 
fatcirijeïpê n^e f^nccfjtert tn dtfcipelen 3jjn oOelycli in m\ fcfjip 
?eamfmie »^ct u / eaöedtencngDdijchonDccubacnbcl/ toacc 
bpautïcii öoo? oöp utocn alöciflerclijlen Ijpanöt öen bupbel 
fïcDöciu bati öer flellcn moet ücbecfttcn: tpant en i$ 6et leben 
ban Den menfcö niet eenen öïpcD opdefetoerelötl 
lob 7. oftclijcü gob feóftt. oEntie tote 3ön onfe meöegefel^ 
ïen in ben oljeeftelflcften ftrijtit/ andecjaf öan onfe 
fenecljten / ötfcipelen/ enbeonöecfaten i föemeccfet 
tianljoe p^ofötelycN enDe nootfalteUjcè dat jget l$s 
befe DeiluefingOe ijitt in te geDjupcfeen. , 3©ant fiet 
gebeurt öichtoöls^/ ö^t ^^"^n alleen öoo? fijne lupig^ 
gept/öe ftloecfeigljept en beBenöicöept Dan alle ö^an^f 
lofue 7. tiere belet/ gelöcö ^tl)m den legïjec ban de gfraeli^ 
Jon. I. ten/endeïjeti^ölaecdatom 3ona$J alleen/ blieden^j 
de ban Ijet aenfcftön oSodtiB?/ alle d'andere fcBipb?a^ 
lie geleden fouden ftebben/ 't en toaer fiiecfee getoeeft/ 
batfpliemuptöctfcDipfladden göetöO?pen: eenen 
alleen ï^ göenoecDfaem om een göeöeel ïjnpfgefin 
te bedecben / ende te beletten alle de <6odtb2ucïjtig» 
Üepdt/ endeneerltigöepdt ban fijnen meelier. gn 
toat per (jcl^el i^ göefiomen fiet Dupfgöcfin ban ^a^ 
Gen. n. ^^ö / alleen dooa dien dat iïacöel de baeemde afgo^ 
^n i^ tt» den berbo^göen öadde^ €en ttoeeden / boo? dien dat 
ï!nL^?nfw ^^^ boo^fefier i^/ dat defen alleen göetrouto end$ 
Sie tooozaiöD^öifnliigD i^ aen fijnen mee|Ier/ die den oppers» 
öcn oppeï^ ftcn meefter/ €5odt almacOtigO gïjetjoojfaem iief; en 
ftcmEffter ^at defen onderdanigD i^a^nden leere die fijnen 
mM niede-fenecDt i^ i die den opperften fiaonincft ondec^» 
^ * too^peniief: ©angljelijc&endatöpfeentdengDenen 
die öem fpöfl endc onderDoudt / aLö fip toeet dat öet 
al fiomt ban den gljenen die fiem gljefcïjapen öeeftj 
ten laetfien / dat flp alö dan g^eöoozfaem tjS aen 
alfulctoi/ bjaeraf öpeenigöe bergöeldingfje ber^ 
\xm\\xi M Dp öen aldermiltfien bergelder gfje^ 
troutoi^. 
©eobÉïfie Het^.point. 23emercftt fjoe dat B^t nootfafteïöcl^ 
vmntw i.ö / om frjn ftupfgefin teel te fcfiicften/ dat den genen 
&?t^^*S di^ ober fle ig / ö' andere bojp^ga m?t goet e.rempei* 
!«.fwif - > roant 



Van het verkiefen fijns huys-ghefins. 425 

aa^ant Boe fal 8p füncn dtenaec oerren ter manen tot etmpd 
öen Dtenfi Ijan i^oti almacïuigD/ öie den felben beel boojgacn» 
feracDtelijcfeer trecöt / öoo? frjn quaet exempel / om 
ben bupbelteöienen / en onöeröaniöD te 5ön i H^iet^ 
om Wi öat De ^» <;§cf}?ifturefept j tiatter aliss ^aul 
beciiofen is? öeuieef! / niemant gebonöen en tjS onöer 
tneUan3!frael/ öieöetertoasf öanöp .• ÖPömofeal i.Reg.iy, 
tetjoben l?an be fcl)outieren en optoaertief» ,§00 be? 
8oo2öen alle obeclte en baderiof öeö üupiE^a^ftn^s^ te 
toefen: öu.ö öemercöt öat/ al0 „;§aul hlepn in fijn oo^ 
öen loajS / fo i,ö fj? getoo^öen öet öoof t in öe gejlacB^ 
ten bangfraelj maerberïietien3önöe/ enöeober^ 
bloeöigOept OeöDenöe ban alle öingé/tjef W öen lee^ 
re toeöerfpanniglj getooiben» €en ttoeeöen/ Daec 
toojtoocö een groote fojcjjbulöigöept ban öe oberftc 
berepfcDt. 3Bant bit echen anbecen moet bebelen/i$s 
gejldt al.é eenen toacijter ou eenen beröeben ro^en/en 
al$?eenen oppetfïcn ban Ijct fcftip / bieaenDetroec 
nft^fielt i$ om alle pertjcfeelen ban berre te boo^fiem 
^^^ug^ i^'t bp altiien / öat gijp met alöer neerftigöept 
ftefïoten Bout u gelt-hiile/ oft u feafteel/ fo moet göp 
boo^toaer meerder fo^ge bjagöen boo? be3iele ban 
utoen öienaer/öifcipel/oft onöerfaet/boo? be toelcöe 
ööp refeeninge fult moeten geben : nocft en ontfcliul^ 
öigÖtuniet/fegaenDe; een pegljelöcé fal fijnen laft ^ai.ö. 
b^igöcn/ aengljefien bat ^it utoen la(i mebe i.ö* 

Ghebedt tot Godt , voor fy-felven ende 
iijnhuys-ghefin. 

/^ God mijnder Vaderen , enHeere der bermhertig- Sap..9, 
^^ heyt , die alle dingen gemacckt hebt door u woort, 
en door uwe vvijlheyt nebt ghy den menfch geftelt, dat 
hy foude heerfchappye hebben over de creature die van 
u gemaeckt is , dat hy de Wereldt regeeren foude in ge- 
rechtigheyt ende rechtveerdighey t, ende dat hy met op- 
rechtigheydt fijns herten, foude recht oordeel oordee- 
len; geeft my de byftaenftere uwer ftoelen de wijfheyr, 
ende en wilt my niet verworpen van uwe kinderen,want 
ick ben uwen knecht, en een foon uwer dienft-vrouwen, 
een kranck menfch , en van korter tijt,en te jonck tot het 
yerftant van dat oordeel en der wetten. Enae is 't datter 

^e f yemant 



426 Den II. Bocck. Het XX. Cap. 
yemandt falwefen volmaeckt onder de kinderen der 
, ' menfchenjs 't dar uwe wijfhcvtby hem niet en is,fo fal 

hy voor niet gerekcnt worden. Seynt die van uwe H. he- 
melen, en van den ftoel uwer groothey t, dat die met my 
zy , ende met my arbeyde , dat ick weten mach wat dat 
aengenaem by u is,want fy weet en verftaet alle dingen, 
en fy fal my leyden in mijne wercken matelijck , en my 
bewaren in hare matigheyt. Ende mijne wercken Tullen 
aengenaem zijn , en ick fal u volckrechtveerdelijckbe- 
fchicken, ende ick falweerdig zijndeftoelen mijns Va- 
ders : want wie iifer van de menfchen die mach weten 
Godts raet>oft wie mach dencken wat Godt wik ? want 
de gedachten der ftervelijckermenfche fijn vol vreefen, 
ende onfe voorfinnigheden zijn onfeker. Want het lic- 
haem dat verdorven wordt , befwaert de ziele , ende de 
aertfche inwooninge druckt nederw^aerts datverftant, 
't wclck veel peyfcnde is. Ende qualijck konnen wy be- 
grijpen de dinghen die op der aerden zijn, ende die voor 
ons gelicht zijn,die vinden wy met arbeyt. Maer de din- 

f en die in den hemel zijn, wie fal die onderfoecken? en- 
e wie fal uwen fin weten, *t en zy dar ghy de wijfheydt 
geeft , ende dat ghy feynt uwen heyligen Geefl van den 
alderhooghflen,ende 't en zy dat de paden der gener die 
op der aerden zijn, gebetert zijn, ende dat de menfchen 
gheleert hebben , de dingen die u behaghen? want door 
de wijfheydt zijn fy ghenefen , alle die u behaeght heb- 

2, Reg. 3. ben van den beginne^Ick bidde u aenfiet het gebedt van 
uwen dienacr ; want ghy hebt my defe zielen bevolen : 
maer ick ben een kleyn kindeken,en niet verftaende mij- 

2.ParaI. r. nen uytganck ende inganck. Hierom fult ghy uwen die- 
naer geven een eerbaer hcrte, dat hy mach onderfchey- 
den tuffchen goet ende quaet. Geeft my wijfheyten ver- 
ftandighey t, dat ick in-i:^a en uy t-ga voor u volck. Want 
wie mach u volck weerSelick berechten,*t en zy dat ghy 
met hem zijt , en hem byflaet ? Och oft ickuyt hetbin- 
ncnfle mijnder herte mochre feggê: Heere wie kan by u 
vergeleken worden! Och oft fy alle die my bevolen zijn 
u d ienden uy t gantfcher herten ! want is *t dat dit door 
mijne onachtfaemheyt ende quaet exempel anders gc- 
fchiet, ghy fult met recht het verlies van haer-lieden 
2ielen,van my vereyfchen, en een fcherpe ir^keninge van 

my 



Van het verkiefen (ijns huyfgefins. ., 427 
my begeeren, in den dagh uwes toorns.Want*t zijnuwe <©nféott« 
kinderen,voor dewelcke ghy udierbaer bloedt re pande ^Jg^Jf^^i^ 
geftelt hebr,hoe flechte van conditie dat fy oock fouden ftntöecen 
moghen wefen, en 't zijn mijne mede-dienaers j enmo- söaötjögfa 
ghelijck om dat fy alhier verworpen zijn , fuUen fy hier g^Öt too^» 
naermaels Heeren wefen,ende ick eenen flave;fy-lieden "* 
d'eerfte, en ick den laetften; fy fullen mogelijk als Prin- 
cen en Vorften gheftelt worden aen het hooghfte eynde 
van uwe tafel , en ick fal moeten met fchande de laetfte 
plaetfe nemen. Het is reden dat ick als-nu waecke voor 
haer-lieden zielen; en is 't by aldien datter yemant val- 3- Reg. i». 
Ie door mijne fchult, fo fal ick voor hem moeten vergel- 
den.Verleent mydan,ö Heereder heyr-krachten,dat ik 
v>el toefie,en wel mach gade flaen, die my bevolen zijn, 
en dat ick aldus Overfte ben , dat ick haerlieden die my 
bevolen zijn,in de deugt mach ver;oorderen;dat ik haer 
{o voorga, dat ick hun tot u mach brengen, ende dat ick 
kleyn in mijn eygenoogê mach wefen. Want is't dat ye- i. Tim.y. 
maiidt voor de fijne, en aldermeeft voor fijn huyfgenoo- 
tengeenforge en draegt , die heeft het geloove gheloo- 
chent, en hy is arger dan een ongeloovige, en ghy fultfe 
al ftraffen die hooveerdelijck wandelen. Dit is dan, o al- '©^ oöt* 
derfoetften lefu, de konfte der konften, verheven te zijn, {JJgjf^f^ 
en nochtans fy felven hierom niet te verheffen ; mach- ue obertjcpt 
tigh wefen , ende het felve niet te weten ; bekennen fijn berfaemt 
macht om veel goets uyt te deylen,ende niet weten,hoe q^^^^j^ 
datmenvemantquaet foudckonnenvergelden.Maer,o morTc. 19. 
Heere , die alleen machtigh zijt,en van wien alle macht 
afdalende is, fo in den hemel als op der aerden,bewaert 
my; want ghy zij t mijnen Hcere ende mijnen God: be- 
keertfe allegader die gy my gegeven hebt,op dat ik nie- 
mandt van die en verliefe , maer datfe uwen naem ende 
glorie altijts foecken,en datfe weten dat ghy den Heere Eed. ^ 
zijt, en gheenen anderen. Geeft my dat ick in alle facht- ^^^- ^* 
moedigheyt mijne faligheyt wercke , en dat wy den ee- 
nê des anders laft moge dra gen. Ghy hebt my vermaent, 
feggende:Bekentneerftelijk 'taenfchijnvanuwe beeftê, P'Ov, 27» 
en aenmerckt uwe kudden. Ochoft ick de vruchten die 
fy konnen doen neerftelik vergaderdeloch oft ick al het 
gene dat haer fchadelijck kan wefen, forghvuldelij eken 
van haer keerdenloch ofc ik ook mochte verbannen we- 
fen 



428 Dei\ 1 1. Boeck. Het X X. Cap. 

»om. 9. fen voor mijne broeders, op datfe u fouden moéen kei>- 
nen ende beminncn'.komr kinderen hoort my, de vreefe 

Pfal. 33. des Hecrcn fal ick u leeren. Hoopt in hem alle verga- 
dcringhen des volcks , ftort uyt voor hem uwe herten , 

Pfal. 6r. Godt is onfen hulper in der eeuwigheydt , gaet tot hem 
ende wordt verlicht , ende foo en fullen uwe aenfichten 
niet bdfchaemt worden: aenveert de leeringhe , op dat 

Pfal. j. den Heere by avontueren niet gram en worde, ende dat 
ghy niet en vergaet van den rechtveerdigen wegh.Maer 
ick bidde u,ö Heere Godt,door het binnenfte uwer ont- 

lob 4. fermhertigheden , den wercke uwer handen fult ghy u- 
we rechteV handt uytreycken , op dat wy umet een vol- 
maecktende oprecht herte moghen dienen ende beha- 
gen alle de dagen ons levens , Amen. 

Pracftijcke om fijn huys-gcfin wel te fchicken. 

T^ €eecile tö/biclt\joil5f metM^th teobijcleggen/ 

*-^ lioe öoftelijcö i)at ccn 3ïcle i^ i en in toat manie^ 

ren Dat top öe 3ielcn ban onfe öupis-gcnooten / enöe 

bact top laft obec ftebben/ foutien mogen Ijelpen/ en^ 

öe Ijan den l^ccre öicc toe ootmoeöelflcfe öegceren öe 

oratie Xm öier toe ban nooöe i^* 

5©eit obct* <l^e ttoeebe / foo toanncer göp pemanbt in u fiupisr 

(ie moet ontfangftt / fiet bat gftp met ftem alfoo toel ober eeu 

ba?St ^"^^^^^ / ^^" ^^" ^^^^^ €>obt!2f / m ban u felben te 

ootktoan btenen/ te toeten/ bat öp ten miniten alïemaenben 

fönc me* \yizt\yit ende communicere / op bat top oniS felben 

Tf^t^L «iet meer en foubenfcöijnen te beminnen/ ban on^ 

mcutiao? j-g„||^g^^^ 3Baer'tbpalbienbatDpöemnietenbe^ 

öbeerbe teboegïjen / enbeb'anberefcöabelijcft foube 

3i)n / fo moet gOp Dem terflont upt ben ftupfe fetten^ 

45f)pfuïtöieraf eenboo^lucbtigö erempel binben 

suritis. in hzw, i:^.€l5eariu.ef/toien5f leben ^uriuief befcO?öft 

<0jn?eenbc ^cn fcbeu-en-ttointtgöften ^September* %\^ bat öp 

ffiiöi* öïiciöcöeenen nieutoenbaber bej2?öupiEf-öOefin.ö/ 

tjupfgefmö beeft op eene nieutoe maniere argt beginnen te ne» 

bdu Dcui^» it^en ober f0n fjnnjS / enbe alber(ep nieutoe enbe goe^? 

fj^}^* be manieren baer in te planten/ enbe ben obertreber 

pcaffen boo: te (leüem l|p beeft ten ^erfJen ingbe^ 

fielt ^dx alle bre ban fijnen bupfe/ fo manjJ al0 b^ou* 

toen/bagelöcli^ ten minften eene göejeele iBtffe be^ 

botelycft 



Van het verkiefen fijns huys-gefins. 429 

botelijclifouöcnOooren. €cn ttocetrcn bat fp fup^ 
ba-löffefouöcnIetien:öteanöer^ tiebenbieD^ecfijp 
tenöupfcupt: toant ijpen begecrbc niet öattcr pe^^ 
mant fön tafel foube genieten / ten toelcfien Dp fou^ 
be toeten bat met cene boobeltcfee fonbe befmet toai$/ 
op bat bie b'anbere oocft niet en foube bcbtcben / cn^ 
be op bat ÖP fönefonbe niet en foube fcöijnen te fterc^ 
feen. (Cenberben/ batbe€belmannen/ folbaten/|^«9öe^ 
maeööben / en ioffcoutoen / tec toeöe eenjsJ öate fon - ^g'^'i" 
ben fouben biecljtcn / enbe alle maenben Bet fioogö- 5«wiuê# 
toeecbioööepliööc^acrament be^ (8utaer$? bebo> 
telijcfe fouben nutten. (€en bier ben/ bat be boo^fepbe 
maeööbenenbeioffrouiuen ban'^mojgeni^tot ï^tn 
mibbaglj toe/fiaec fouben Degeben tot fjet gebebt/en 
anberegeeflelöcfteoeffeningen : naec ben noen ö^ec 
fouben öeficfi fjouben met öaec Danbt-toercö. (€en 
böfben/ batter niemant foofloutgebonbenenfou^ ^ttbütt 
betooaben/ bie foube becren^obtiafieren/ bel^. ^jnfoft 
H^agct USaria/ oft eeniglje ban be l^epligöenj nocö Sim 
bat pemanbt foube eenenbalfcOen eebt boen/ nocö tciaitttm» 
oocli ftoeeren upt een (juabe getooonte oft licDtbeec^ 
belücli/ nocöeenigeoneerlijclietDoo^benfpjeecfeen. 
a©ant Op toifte koel bat be boobt enbe 't leben 3Ö« in 
beöantbanbetonge/gelflcfeben3©öf^n-nianfepi: Prov.18. 
enbe bat quaben filap begoebe manieren bebecft / i.cor.ij, 
a\$ lim 3ipo|ïel göetupgöt- €nbe J)p begfteerbe bat 
be gene bie befe goebeo^bonnantien ^uamen voXitu 
treben/ albujggDeflraft fouben toojben/ batfe ten 
töbe ban b'anbere ober tafel toaren/ op b'aerbe fou* 
ben eten/anbersf niet öebbenbe tot öare maeltöt ban 
toater en bzoobt/of t batfe ben geBeelen bagö in tjaec 
feamer befïoten fouben blijben/ gliebnipcfeenbe ht 
i göemepne fpijfe. (€en feflen / batrcr niemanbt met fètthau 
) teerlingen mocfjtefpelen/ oft eenigöanberongDe^^-J"^"^ 
i oo2lof t oft oneerlncfe foeL€n alö pemant Bier tegen \Mm\ 
I mifbaen fjabbe/ foo mbeïjt ftp toei cene ftoare flraffe 
bertoacbten,€en febenflen/ bat alle be gene bie ban mt^tm 
frin \}\i^fc toaren/in b.jebc/b^ientfcBap/en eenbjacö^ H*!?^' 
tigOept fouben leben/bat ben cenen ben anberen niet '^^^* 
en foube becgrammen / nocljmetbjoojben / nocl) 
imtbe(:ba^bt; ^b?foa pemant een anbertoatmtf* 

baea 



4^o Den 1 1. Bocck. Het X X. Cap. 

liaen ö^btie/ bat f)p terjlont pcp^e? foutie mafim. €rt 

op bat bit felbe foube mogen öefcljieben/bcbe öp alle 

nccrdiööcpt : cnljp ftcaftcfc ooch hit erocnjs in mif^ 

m'fmtw' bacn Oabben / nacc Ijare Uerbienften» (Ccn acljtftcn/ 

fp?chmgc batmcnaïUbagcn/naecbenmibbacö/oftOetabont^ 

J?"f^^^ mael/'teatDarebatrecccniglücttdijcïitiektfcloöec^ 

' * o«^öott^<^n toarc/ccn t'famen-fp^elnnac foubc Ijoube/ 

txx bat infünc tegentooo2tJigljept / ban Ijct Ubcn ban 

onfen ^aliaOmaliciv totonbectD(jfing^ba3idcn» 

<en in befe tfamcn-fp^eöingc/ tertoijlc batter eencn 

fpaacïi/fo Degeecbe fjp bat b'anbcre boo? ïjtm foubm 

Uibbcn in ftaer Ijcrte/op bat C^obtfpnen montfoube 

toillen roeren / bat öp foube mogen upt-fp^eften/Oet 

gene toaer boo^ b'anbere fouben mogen gefticDt bje^^ 

fen: nocö baer en mocljt nicmant fo ftout toefen/ om 

tn pemantjSf anberjis tooo^bcn te bare/ oft B^m anbec» 

f inö te Oeletten.€n al.ö baer pemant gebonben foubc 

tüo^ben / ï)k bit niet en foube onberöouben / bat ben 

felben buptt befe <©obb^ucl)tige t' famen-fp?efetnge 

foube gefloten too^ben/ tot bat Op fp-felben gebetert 

Öebbenbe / ban be anbere teeberom geroepen toiert* 

39«aa&c^ vj^e berbe/befo?gen bat alle be Ijup^-genooten ten 

tmgetat miuftentotöetaboubt-geüebt bpeeu geroepen fou^ 

ijct abont- ben moglien too^ben : ftet toelcb ben fiepligen 25oros» 

sijtmu j^^gu^ |„ qi^ljecl fijn ^ifbom ingeb^ocljt öceft- ^et 

felbe macl) berftaen toojben ban eenigfie geeftelijcfee 

leffe '^ abont^r boo^t te ö^engfien / befonberlijcö aW 

alle bie ban benöupfebpeenftomen/ Ijettoelcfe in 

berfcOepben plaetfen gOeoeffent too^bt» 

mt ge^ ^^ bierbe / befo:gOen i)amt gljeefleltjcfee bottx^ 

bzupch ban ftcn^ öp be gaut 3ün / enbe bat be bienft-boben tot be 

Snïrïnf ^^ fermoueu / enbe tot anbere güceftelijcöe oeffenin^ 

• öOen gftefonben too^ben, 

^e bijfbe / batter pjöf^it gD^fï^lt too?ben boo? be 
<5obtb?ucOtige enbe goebe/ enbe batmen fo beel aliS 
i)et mogelijcl! tja? / niet en gebe / ban tot bien epnbe/ 
op bat ben genen bie befe bingfjen ontfangDt/ Biec 
boo2 beter b30?be/ enbe licBamelijfte bingen ontfan^ 
genbe / tot geeftelöcöe bertoecfet bJO^be, €nbe floe 
örooteUjcftjS bat bit fjelpt ombe ftinberen enbebe 
joncfeDept te berbooaberen/ i^ ongeloobelöcö. 



Van het verkiefen fijns huys-gcfïns. 45 ï 

^0^ftc / tn een gupfgcfin öaer lunöeren 5ön enöe ^^0:3* 
hmtïjkn/mceimm öe meeile fo^ge ö^agïjen boo? be JX^,?fo^m 
hinbercn / op öat Die toel opgeb^acïjt mogöen too?^ d« hume» 
ben. Bemercfet bit toel/ toant geitiepneïijcfe fobani- tnu 
gfjeal^benfcöeut of t griffie tsf/ fulcö eenen boom 
' ttioetmen bectoacfiten,- <06p fult bp i^obia^ btnben Tob. 4. 
: (loebatm^nbeioncfibepttöelop-b^engenfal: 458p^nöcï:» 
a fult/ fegljt öp / utoe moeber in eeren fjebüen / alle be K?c?* 
I. bagen utOjS leben^: toant gijp moer geöacljtigf) 5Ön/ Wi toci 
D goe-banigöe/ enbeljoe groote penjcfeelen/ batfpoptcbicii* 
1 geleben öeeft om u / in öaer licfiaem / en al^ fp cocli ^^^fi 
i{ falbol-epnbt fiebben ben tijbt ban Ijact Icben/ foo 
:i begraeftbaec ontrent mp: enbe alle be bagen utoejS 
i' :leben.ö!jebt€iobtinutDegebacOten/ enbetoacïjtu 
n bat göp nimmermeer tot be fonbe confent en g^eft/ 
c nocö acDter enlaetbe gDeboben beie? j^eeren onfe^ 
3: <0obtsf* Ban utoe goebcnboet aelmoefTe/enbeensSfrmtict^ 
;n tolltuaenficfitnietafliceren ban ccnige armen men? fSc^^''' 
]i fcfiej alfoofal't gcfcDieben bat oocè ban u niet en fal ben-nae» 
a afgelieert too?bcn!jetaenficDtbe^J|eeren: ^abatfïeiu 
I. gbp bermoogt/alfo toeeü berm8erticB: ijE^'tbat gf)p 
in beel fiebt /fogöeeft obcrbloebigölöciti irtbat gj)? 
Il; luttel f)ebt/ foo toeef! oocfe ncerfticB bat luttel mebe 
'j tebcplen/ toantgfipbergabertu eenen goeben loon 
\t[ (nbenbac&beisrnoot^: toant be aelmoeffe ban alle 
fej ^onben/ enbe ban be boobt berlofï / enbe fp en fal niet 
U göeboogljen / bat be 5iele gaen fal in be bupfrcrniffe. 
n !^en groot betrouten fal boo? ben Doogen 43ob 51J11 
De aelmoeffe allen ben gene biefc boen.JDacln u mij- 
iv len ^one ban alle onfiupfcBept/ enbe bebalben utoe mum 
>i )\ip^-\ym\)xft/ en lijbet nimmermeer eenigmifbaet Ifr^!... 
; cbieten. €n laet nimmermeer beöocberbpe in u^*"^'^^^* 
jöcnfinoftinutooonfteerfcöapppe bebben/ toant 
>: : 3aer boo? ïjeeft begihfel genomen alle berber beniffe. 
1 ^0 toie u pet geto^ocOt beeft/ geeft fiem terftont fij- 
re (oon/en ben loon ban ub^é ïjuerlincfi en laet geen^ 
,c 'inö bp u blijbem ^IBatgbpniet en begeert bat uge^ 
j(i; 'cljtcbe / fiet bat gftp nimmermeer bat een anber en 
('jj )oet. © bjoot eet met ben fjongerigé /en beboebigen/ 
^; !n met utoe Meeberen bebecfet be naebte.B b?oot en 
4bjen toon / ftelt op bc begrabinge ban eenen recbt- 
^ toeerbi^ 



4?2 Den II. Bocck. Het XX. Cap. 

bcccbiöcn/cnöcen toiltbacc niet af eten en b^tncBeit 

met öe fonöaerö, ^oecfetaltöt raet ban öen ïflifem 

(€ot allé tijöen geDenebijt<©oö/en begeert ban Ijem/ 

bat Op utDe toegen befc Ijiefte/ enbe alle utoe raöen in 

Öem mogen ölijben» €n toiit niet b^eefen mönen fo- 

ne/toant top leben boo^toaec een arm lebé/maer top 

fullen beel goetö Dcbbm/i^ 't bat top 45obt b:eefcn/ 

en bat top affcljepben ban alle fonben/enbe toelboen* 

3&É ftintJÉ* iijier beneben/ men moet boo: aï Oefoigt 3ijn/ Dat 

lm b^au* onfe binberen nocijen ficn/nocDcn Ijooré/pet bat te^ 

aiiconfup^ ö^ befupberöeptijef»l^ettoelhon03ubenait.öeenen 

bctijcpöt j^epbenfcöen 3poeet getoaerf